Language of document : ECLI:EU:C:2015:305

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 7 mei 2015 (1)

Zaak C‑216/14

Strafprocedure

tegen

Gavril Covaci

[verzoek van het Amtsgericht Laufen (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2010/64/EU – Recht op vertolking en vertaling in strafprocedures – Mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen een strafvonnis in een andere taal dan de taal van de procedure – Richtlijn 2012/13/EU – Recht op informatie in het kader van strafprocedures – Betekening van strafvonnis aan een gemachtigde en verzending per gewone post aan de beklaagde – Termijn voor het instellen van beroep tegen dat vonnis die loopt vanaf de betekening ervan aan de gemachtigde”





1.        De onderhavige prejudiciële verwijzing stelt het Hof voor het eerst in de gelegenheid uitlegging te geven aan twee richtlijnen die zijn vastgesteld op basis van artikel 82, lid 2, VWEU. Deze bepaling vormt de rechtsgrondslag voor de vaststelling van minimumvoorschriften die de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen alsmede de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie moeten bevorderen. Meer bepaald stelt artikel 82, lid 2, tweede alinea, onder b), VWEU het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie in staat minimumvoorschriften vast te stellen die betrekking hebben op de rechten van personen in de strafvordering.

2.        De twee richtlijnen waarvan om uitlegging wordt verzocht, zijn richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures(2), en richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures.(3)

3.        De eerste vraag stelt het Hof in de gelegenheid de omvang te preciseren van het recht op vertolking en vertaling in het geval in een andere taal dan de taal van de procedure beroep wordt ingesteld tegen een zogenoemd Strafbefehl, een strafrechtelijke beslissing die in een vereenvoudigde procedure zonder mondelinge behandeling door een rechter wordt gegeven (hierna: „Strafbefehl”).

4.        De tweede vraag is erop gericht te vernemen of de Duitse wetgeving, die voorziet in betekening van dergelijke Strafbefehlen aan een gevolmachtigde, gevolgd door verzending per gewone post aan de beklaagde(4), al dan niet voldoet aan de vereisten van richtlijn 2012/13 en meer bepaald aan het recht van artikel 6 van deze richtlijn, informatie te ontvangen over het strafbare feit waarvan men wordt beschuldigd.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

1.      Richtlijn 2010/64

5.        In richtlijn 2010/64 is het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures neergelegd. Zij vormt het eerste instrument dat in de Europese Unie is vastgesteld om de procedurele waarborgen van de verdachte of de beklaagde in de strafvordering te versterken door de vaststelling van minimumvoorschriften, overeenkomstig artikel 82, lid 2, tweede alinea, onder b), VWEU.

6.        De overwegingen 14, 17 en 33 van deze richtlijn luiden als volgt:

„(14) Het recht op vertolking en vertaling ten behoeve van personen die de taal van de procedure niet spreken of verstaan, is vastgelegd in artikel 6 van het [Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950(5)], zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De bepalingen van deze richtlijn vergemakkelijken de toepassing van dit recht in de praktijk. Te dien einde strekt deze richtlijn ertoe het recht van een beklaagde of verdachte op vertolking en vertaling in strafprocedures te garanderen, met het oog op het verzekeren van zijn recht op een eerlijk proces.

[...]

(17)      Deze richtlijn dient kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.

[...]

(33)      De bepalingen van deze richtlijn die met door het EVRM en door het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie(6)] gewaarborgde rechten overeenkomen, moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met deze rechten, zoals deze zijn ontwikkeld in de desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie.”

7.        Artikel 1 van richtlijn 2010/64, „Voorwerp en werkingssfeer”, luidt als volgt:

„1.      Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.

2.      Het in lid 1 bedoelde recht geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen er door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben gepleegd, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.

[...]”

8.        Artikel 2 van deze richtlijn, „Recht op vertolking”, bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, onverwijld door een tolk wordt bijgestaan tijdens de strafprocedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, alle zittingen van het gerecht en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen.

2.      De lidstaten zorgen ervoor dat, waar dit nodig is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen, vertolking beschikbaar is voor communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman die rechtstreeks verband houdt met een verhoor of zitting tijdens de procedure, met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken.

[...]

8.      Vertolking die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.”

9.        Artikel 3 van deze richtlijn, „Recht op vertaling van essentiële processtukken”, luidt als volgt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.

2.      De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.

3.      De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen.

[...]”

2.      Richtlijn 2012/13

10.      Richtlijn 2012/13 is het tweede instrument dat is vastgesteld om de procedurele waarborgen van de verdachte of de beklaagde in de strafprocedure binnen de Unie te versterken. In deze richtlijn is het recht op informatie in dergelijke procedures neergelegd.

11.      De overwegingen 27, 28, 40 en 41 van deze richtlijn luiden als volgt:

„(27) Een persoon die ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, dient alle informatie over de beschuldiging te ontvangen die hij nodig heeft om zijn verdediging te kunnen voorbereiden en die met het oog op een eerlijk verloop van de procedure is geboden.

(28)      De informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, dient onverwijld, doch zonder lopende onderzoeken te schaden, te worden verstrekt, en uiterlijk vóór hun eerste officiële verhoor door de politie of een andere bevoegde autoriteit. Met het oog op een eerlijk verloop van de procedure en op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging dient de omschrijving van het strafbare feit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van, indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van het vermeende strafbare feit, te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.

[...]

(40)      In deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden, ook in situaties die niet uitdrukkelijk in deze richtlijn aan bod komen. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die opgenomen zijn in het EVRM, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

(41)      Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en de in het Handvest vervatte beginselen. Zij beoogt met name het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging te beschermen. Zij dient dan ook dienovereenkomstig ten uitvoer te worden gelegd.”

12.      Artikel 1 van deze richtlijn definieert het voorwerp ervan als volgt:

„Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. [...]”

13.      Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2012/13 bakent het toepassingsgebied ervan af in de volgende bewoordingen:

„Deze richtlijn geldt voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure.”

14.      Artikel 3 van deze richtlijn omschrijft het recht op informatie over rechten als volgt:

„1.      De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend.

[...]

c)      het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6;

[...]”

15.      Artikel 6 van deze richtlijn, „Recht op informatie over de beschuldiging”, luidt:

„1.      De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.

[...]

3.       De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.

[...]”

B –    Duits recht

16.      § 184 van de wet op de rechterlijke organisatie (Gerichtsverfassungsgesetz; hierna: „GVG”) bepaalt dat de taal van de gerechten het Duits is.

17.      § 187 GVG, zoals gewijzigd naar aanleiding van de omzetting van de richtlijnen 2010/64 en 2012/13, luidt:

„1)      Indien de beklaagde of veroordeelde het Duits niet beheerst of zijn hoor- of spreekvermogen beperkt is, roept de rechter een tolk of vertaler op, voor zover dit vereist is voor de uitoefening van diens procedurele rechten in de strafprocedure. De rechter wijst de beklaagde er in een voor hem begrijpelijke taal op dat hij in dat verband tijdens de volledige strafprocedure kan verzoeken om kosteloze bijstand van een tolk of vertaler.

2)      Voor de uitoefening van de procedurele rechten van de beklaagde die het Duits niet beheerst, is in beginsel vereist dat bevelen tot vrijheidsbeneming, tenlasteleggingen, Strafbefehlen en nog niet onherroepelijk geworden vonnissen worden vertaald [...].

[...]”

18.      Volgens § 132, lid 1, van het wetboek van strafvordering (Strafprozessordnung; hierna: „StPO”) verloopt de benoeming van gemachtigden ten behoeve van de betekening als volgt:

„1)      Indien de beklaagde tegen wie een ernstige verdenking van een strafbaar feit bestaat, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft binnen het toepassingsgebied van deze wet, maar de voorwaarden voor een aanhoudingsbevel niet zijn vervuld, kan ter verzekering van de afwikkeling van de strafprocedure worden gelast dat de beklaagde:

1.      een passende zekerheid stelt voor de te verwachten geldboete en de procedurekosten en

2.      een in het arrondissement van het bevoegde gerecht wonende persoon volmacht verleent om betekeningen in ontvangst te nemen.”

19.      § 410 StPO, dat betrekking heeft op het verzet tegen een Strafbefehl, luidt als volgt:

„1)      De beklaagde kan binnen twee weken vanaf de betekening verzet doen tegen het ‚Strafbefehl’ bij de rechterlijke instantie die het heeft uitgevaardigd, schriftelijk dan wel bij een in een proces-verbaal van de griffier op te nemen verklaring. [...]

[...]

3)      Voor zover niet tijdig verzet is gedaan, staat het Strafbefehl gelijk aan een in gewijsde gegaan vonnis.”

II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20.      Bij een politiecontrole op 25 januari 2014 op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland is vastgesteld dat Covaci, een Roemeens onderdaan, een voertuig bestuurde zonder geldige verplichte wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering en dat het overgelegde verzekeringsbewijs (groene kaart) was vervalst.

21.      Covaci is vervolgens over deze feiten gehoord door de politie, met de bijstand van een tolk.

22.      Bij deze gelegenheid heeft Covaci, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in het toepassingsgebied van de Duitse wet, schriftelijk een onherroepelijke in het Roemeens gestelde volmacht voor het in ontvangst nemen van betekeningen verleend aan drie ambtenaren van het Amtsgericht Laufen (Duitsland). In dit document werd gepreciseerd dat alle gerechtelijke stukken aan deze gemachtigden zouden worden betekend en dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen reeds begonnen te lopen vanaf het moment dat deze aan deze gemachtigden werden betekend.

23.      Na afsluiting van het onderzoek heeft het parket van Traunstein (Duitsland) op 18 maart 2014 het Amtsgericht Laufen verzocht om een Strafbefehl uit te vaardigen tegen Covaci, met oplegging van een boete voor alle gepleegde strafbare feiten.

24.      Het Strafbefehl is een vereenvoudigde strafprocedure waarin eenzijdig, zonder terechtzitting, een straf kan worden vastgesteld. Het is een voorlopige beslissing, die op verzoek van het parket door een rechter wordt gegeven voor kleinere strafbare feiten waarvoor de daadwerkelijke comparitie van de beklaagde niet noodzakelijk is. Het verkrijgt kracht van gewijsde na afloop van een verzettermijn van twee weken vanaf de betekening ervan, in het voorkomende geval aan de gemachtigden van de beklaagde. Verzet kan binnen de gestelde termijn schriftelijk dan wel bij een in een proces-verbaal van de griffier op te nemen verklaring worden ingesteld en leidt tot het houden van een terechtzitting.

25.      Het parket van Traunstein gaf in zijn verzoek aan dat het Strafbefehl aan de beklaagde moest worden betekend via zijn gemachtigden en daarenboven dat eventuele schriftelijke verklaringen, met inbegrip van het instellen van rechtsmiddelen tegen het Strafbefehl, werden gesteld in het Duits.

26.      Het Amtsgericht Laufen, waarbij het verzoek om uitvaardiging van het Strafbefehl was ingediend, vraagt zich af of het verzoek van het parket van Traunstein verenigbaar is met de richtlijnen 2010/64 en 2012/13. Ten eerste vraagt de verwijzende rechter zich af of de uit § 184 GVG voortvloeiende verplichting een rechtsmiddel tegen het Strafbefehl in te stellen in de Duitse taal in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 2010/64 die voorzien in een kosteloze taalkundige bijstand voor beklaagden in strafprocedures. Ten tweede betwijfelt hij of de procedure van betekening van het Strafbefehl via een gemachtigde, gevolgd door een verzending per gewone post, in overeenstemming is met richtlijn 2012/13, meer bepaald met het recht op informatie over de beschuldiging.

27.      Het Amtsgericht Laufen heeft derhalve de behandeling van de procedure tot uitvaardiging van het Strafbefehl geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64[...] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijke beslissing die overeenkomstig § 184 [GVG] van beklaagden verlangt dat zij, op straffe van niet-ontvankelijkheid, enkel in de taal van de procedure, in casu het Duits, rechtsmiddelen instellen?

2)      Moeten de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13[...] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een beklaagde een ontvangstgemachtigde ter zake van betekeningen moet aanwijzen, indien de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen reeds begint te lopen vanaf de betekening aan de ontvangstgemachtigde en het uiteindelijk irrelevant is of de beklaagde al dan niet verneemt welke feiten hem ten laste zijn gelegd?”

III – Bespreking

A –    Voorafgaande opmerkingen

28.      Richtlijnen die worden vastgesteld op de grondslag van artikel 82 VWEU moeten worden uitgelegd met inachtneming van de doelstellingen van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en meer bepaald de doelstellingen van de justitiële samenwerking in strafzaken.

29.      Krachtens artikel 82, lid 1, VWEU berust de justitiële samenwerking in strafzaken op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. Uit artikel 82, lid 2, tweede alinea, onder b), VWEU vloeit tevens voort dat de wetgever van de Unie ter bevordering van de wederzijdse erkenning en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, minimumvoorschriften kan vaststellen die betrekking hebben op de rechten van personen in de strafvordering.

30.      Het is namelijk evident dat deze zogenoemde „minimumvoorschriften”, die in werkelijkheid betrekking hebben op basisbeginselen zoals bijvoorbeeld de rechten van de verdediging en de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces, waarvan door de lidstaten niet mag worden afgeweken, bedoeld zijn voor het kweken of versterken van het wederzijdse vertrouwen. Dit vormt de basis van de wederzijdse erkenning, die op haar beurt is verheven tot hoeksteen van de totstandkoming van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

31.      Voor de uitlegging van dergelijke zogenaamde „minimumvoorschriften” en meer algemeen van de richtlijnen waarin deze zijn neergelegd heeft dit mijns inziens drie consequenties.

32.      Ten eerste mag de uitdrukking „minimumvoorschriften” – persoonlijk geef ik de voorkeur aan „dwingende voorschriften” – niet, zoals maar al te vaak en niet zonder bijbedoelingen gebeurt, beperkend worden uitgelegd als betrekking hebbend op regels van minder belang. Zoals hierboven vermeld, vormen zij in feite een absoluut noodzakelijke kern van procedurele beginselen die ervoor zorgen dat de grondrechten – de gemeenschappelijke basiswaarden die de Unie tot een op het beginsel van de rechtsstaat gebaseerd systeem maken – in het kader van de strafprocedure worden toegepast en geëerbiedigd.

33.      Ten tweede moeten, gelet op het bovenstaande, voorschriften die zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 82, lid 2, VWEU zo worden uitgelegd dat hun volledige nuttige werking wordt verzekerd. Een dergelijke uitlegging, die de bescherming van de rechten zal versterken, zal immers tegelijkertijd het wederzijdse vertrouwen versterken en derhalve de wederzijdse erkenning bevorderen. Verkleining van het toepassingsgebied van deze voorschriften door een letterlijke lezing ervan kan tot gevolg hebben dat de wederzijdse erkenning en dus de totstandkoming van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, wordt belemmerd.

34.      Ten derde zorgt de in artikel 82, lid 2, eerste alinea, laatste zin, VWEU vermelde verplichting van de wetgever van de Unie om rekening te houden met de verschillen tussen de rechtstradities en de rechtsstelsels van de lidstaten ervoor dat geen eenvormig procesrechtelijk stelsel kan worden opgelegd. Toch moeten de nationale procesrechtelijke stelsels, in al hun verscheidenheid, bij hun toepassing de desbetreffende beginselen eerbiedigen, omdat zij anders als ongeldig worden beschouwd. Het toezicht op dit punt valt in de eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van de nationale rechters, die zich in geval van problemen tot het Hof kunnen wenden met een verzoek om een prejudiciële beslissing. Ik merk in zoverre op dat vragen op strafrechtelijk gebied, met name in de strikte zin, vallen onder de bevoegdheid van de gewone rechter, en dat deze op basis van de constitutionele tradities van lidstaten de hoeder is van de individuele vrijheden.

35.      De betrokken richtlijnen vallen door hun doelstelling en de in de overwegingen ervan toegelichte bepalingen ontegenzeggelijk binnen het kader van artikel 82 VWEU. De zojuist beschreven uitleggingstechniek die ik het Hof in overweging geef over te nemen, moet hierop dus worden toegepast.

B –    Eerste vraag

36.      Met zijn eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen of de artikelen 1, lid 2, alsmede 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64 aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een persoon tegen wie een Strafbefehl is uitgevaardigd en die de taal van de procedure van het gerecht dat dit bevel heeft afgegeven niet beheerst, wordt verhinderd in zijn eigen taal beroep in te stellen tegen deze uitspraak.

37.      Vooraf moet wellicht een onduidelijkheid worden weggenomen die door de formulering van de eerste vraag zou kunnen ontstaan ten aanzien van de vrijheid van de lidstaten om de taal van de procedure te bepalen.

38.      Richtlijn 2010/64 heeft tot doel noch tot gevolg dat de vrijheid van lidstaten in hun keuze van de taal van de procedure wordt aangetast, dat wil zeggen de taal waarin de stukken en processtukken zijn opgesteld en waarin de gerechtelijke autoriteiten zich uitdrukken. Deze richtlijn heeft juist de ambitie deze vrijheid te behouden en deze vrijheid tegelijk in overeenstemming te brengen met de bescherming van de rechten van degene die wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit of hiervoor wordt vervolgd, door hem het recht toe te kennen op kosteloze en toereikende taalkundige bijstand wanneer hij de taal van de procedure niet spreekt of begrijpt.(7)

39.      Het bepaalde in § 184 GVG, dat het gebruik van het Duits als taal van de procedure voorschrijft, is derhalve niet strijdig met richtlijn 2010/64.(8)

40.      Voor de verdachte of beklaagde is het echter feitelijk onmogelijk zich uit te drukken in een taal die hij niet beheerst. Om daadwerkelijk aan de strafprocedure deel te nemen en zijn rechten van verdediging uit te oefenen, heeft hij echter onvermijdelijk een tolk of vertaler nodig. Dit was overigens in casu het geval in de fase van het politieonderzoek, aangezien Covaci tijdens het politieverhoor is bijgestaan door een tolk.

41.      Deze taalbarrière doet zich tijdens de gehele procedure voor. Zo is de tussenkomst van een tolk of vertaler bij het instellen van een beroep tegen een rechterlijke beslissing onontkoombaar teneinde de in de door de beklaagde beheerste taal geuite wil tot het doen van verzet tot uitdrukking te brengen in de taal van de procedure.

42.      Meteen al moet worden benadrukt dat, anders dan kan worden opgemaakt uit de verwijzingsbeslissing en naar voren komt uit de opmerkingen van de Duitse regering, het Duitse recht een beklaagde als Covaci de mogelijkheid lijkt te bieden verzet te doen tegen een Strafbefehl in een taal die hij beheerst. Daarenboven lijkt ditzelfde recht, en meer bepaald § 187 GVG, een dergelijke persoon de waarborg te bieden van een toereikende taalkundige bijstand om een dergelijk beroep te laten vertalen in de taal van de procedure.

43.      Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of het Duitse recht in het licht van het navolgende verenigbaar is met de relevante bepalingen van richtlijn 2010/64.

44.      Richtlijn 2010/64 voorziet in het recht op kosteloze en toereikende taalkundige bijstand teneinde verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, in staat te stellen hun recht van verdediging in volle omvang uit te oefenen en aldus het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Zoals de Duitse regering terecht opmerkt, gaat het hier dus om de vraag of deze taalkundige bijstand heeft te gelden bij het instellen van een beroep.(9) Meer concreet moet worden vastgesteld of de kosten van het optreden van een tolk of vertaler in dit kader moeten worden betaald door de verdediging, die dus beroep moet instellen in het Duits, of door de vervolgende partij, zodat de verdediging beroep mag instellen in een andere taal dan de taal van de procedure.

45.      Het lijkt mij in dit stadium belangrijk te benadrukken dat mijn antwoord niet kan worden beperkt tot het geval van het Strafbefehl alleen. Het feit dat de taal van de procedure en de taal van de beklaagde botsen en dat deze tegenstelling moet worden overbrugd is namelijk niet typisch voor deze vorm van vereenvoudigde procedure.

46.      Het Strafbefehl vertoont als vereenvoudigde berechtingsprocedure zeker bijzonderheden ten aanzien van de uitoefening van de rechten van verdediging. Het feit bijvoorbeeld dat de beklaagde niet op een terechtzitting verschijnt, ontneemt hem iedere mogelijkheid om zijn versie van de feiten voor een rechter naar voren te brengen alvorens beroep in te stellen tegen het hem opgelegde Strafbefehl. Deze bijzonderheid van het Strafbefehl is benadrukt door de Europese Commissie ter ondersteuning van haar betoog dat het ontbreken van een terechtzitting de verdediging de mogelijkheid onthoudt haar recht op vertolking uit te oefenen en dat derhalve enkel de mogelijkheid beroep in te stellen in haar eigen taal de gelegenheid biedt om vervolgens haar zaak voor een gerecht te verdedigen met de bijstand van een tolk tijdens een terechtzitting.(10)

47.      Ik zal niet meegaan in de door de Commissie voorgestelde redenering. Het zou te simplistisch zijn, het beroep tegen een Strafbefehl te beschouwen als een middel om recht te krijgen op vertolking tijdens een terechtzitting. Ten eerste strekt het recht op vertolking, zoals beschermd door richtlijn 2010/64, veel verder dan de terechtzitting. Ten tweede is de terechtzitting, anders dan de Commissie lijkt te menen, niet de enige fase die een eerlijk verloop van de procedure waarborgt. De procedurele waarborgen gelden tijdens de gehele strafprocedure. Daar het instellen van beroep een volwaardige procedurele fase vormt, lijkt het mij niet passend het beroep in rechte te beschouwen als middel om de rechten van verdediging te kunnen uitoefenen ter terechtzitting en niet als een middel op zich voor de verdediging om de rechten uit te oefenen die zij door de gehele procedure heen heeft.

48.      Volgens mij is het dus van wezenlijk belang de eerste vraag in algemene zin te onderzoeken en vast te stellen of de beklaagde in elke, vereenvoudigde dan wel klassieke, strafprocedure aanspraak kan maken op kosteloze bijstand van een tolk of vertaler bij het instellen van een beroep. Het is in dat verband niet van belang of een dergelijke persoon al dan niet eerder gebruik heeft gemaakt van de bijstand van een tolk of vertaler bij een terechtzitting voorafgaand aan de instelling van beroep.

49.      Een stuk waarmee beroep wordt ingesteld, zoals het verzet tegen een Strafbefehl dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft de bijzonderheid dat het een stuk in een strafprocedure is dat afkomstig is van de beklaagde en is bestemd voor de bevoegde gerechtelijke autoriteiten, en niet een stuk van deze autoriteiten bestemd voor de beklaagde. De verwijzende rechter verzoekt het Hof dus om te onderzoeken in hoeverre het recht op taalkundige bijstand van toepassing is op dit soort stukken.

50.      In artikel 1 van richtlijn 2010/64 is het recht op taalkundige bijstand in strafprocedures neergelegd. Deze richtlijn beschermt meer bepaald, ten eerste, het recht op de bijstand van een tolk en, ten tweede, het recht op de bijstand van een vertaler. Deze rechten zijn elk in hun eigen artikel geregeld om de bescherming ervan te versterken.(11) Deze aanpak onderscheidt zich overigens van die in het EVRM. Artikel 6, lid 3, onder e), van dit Verdrag voorziet namelijk enkel in het recht op de bijstand van een tolk. Het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft dit recht uitgebreid tot de vertaling van bepaalde processtukken.(12)

51.      Het staat voor mij buiten kijf dat een stuk waarmee beroep wordt ingesteld onder richtlijn 2010/64 valt. De wetgever van de Unie heeft deze richtlijn een bijzonder ruime werkingssfeer willen geven, dit wil zeggen zodanig dat deze geldt voor de gehele duur van de strafprocedure.

52.      Het recht op vertolking en vertaling geldt volgens artikel 1, lid 2, van deze richtlijn namelijk „voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen er [...] van in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure”.(13)

53.      Zoals ik heb aangegeven, valt het recht op taalkundige bijstand in richtlijn 2010/64 uiteen in twee complementaire rechten, ten eerste het recht op vertolking, geregeld in artikel 2 van deze richtlijn, en ten tweede het recht op vertaling van essentiële processtukken, geregeld in artikel 3 van deze richtlijn.

54.      Een van de moeilijkheden van de vraag die hier wordt onderzocht, is om vast te stellen welk van deze twee artikelen in een situatie in het hoofdgeding de relevante bepaling is. Deze moeilijkheid heeft tot gevolg dat, ofschoon iedereen het erover eens zal zijn dat het recht om verzet of beroep in te stellen tegen een strafrechtelijke veroordeling een essentieel recht van verdediging is, de beklaagde mogelijk wordt verhinderd concreet gebruik te maken van dit recht, hetgeen erop neerkomt dat hem het door het nationale recht toegekende rechtsmiddel wordt onthouden. Zoals ik in mijn voorafgaande opmerkingen heb aangegeven, moet de artikelen van richtlijn 2010/64 dus ruim worden uitgelegd, in overeenstemming met de doelstelling, de rechten van personen in de strafprocedure te versterken. In deze optiek moet worden vastgesteld of artikel 2 dan wel artikel 3 van deze richtlijn, die overigens verbazingwekkende lacunes bevat gelet op de wezenlijke aard van bepalingen die zij bevat, zich het beste leent om het recht van de beklaagde doeltreffend gebruik te maken van de door het nationale recht geboden rechtsmiddelen, te waarborgen.

55.      In het geval van een stuk waarmee beroep wordt ingesteld moet naar mijn mening de toepassing van het recht op vertaling dat wordt beschermd door artikel 3 van richtlijn 2010/64 wijken voor de toepassing van artikel 2 van deze richtlijn.

56.      Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze richtlijn moet de beklaagde in een strafprocedure een schriftelijke vertaling ontvangen van alle processtukken die essentieel zijn voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Afgezien van de beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen, die uitdrukkelijk in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2010/64 worden genoemd, zijn de bevoegde autoriteiten vrij te besluiten van welke essentiële processtukken een schriftelijke vertaling moet worden gemaakt.

57.      Het stuk waarmee beroep wordt ingesteld is zeker essentieel voor de uitoefening van de rechten van de verdediging. De verdediging kan echter op grond van artikel 3 van deze richtlijn geen vertaling eisen in de taal van de procedure. Uit de bewoordingen van artikel 3 blijkt namelijk dat dit artikel uitsluitend bedoeld is om de vertaling van de essentiële processtukken te regelen vanuit de taal van de procedure in een taal die de beklaagde verstaat. Een teken hiervan is dat de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2010/64 genoemde essentiële documenten, ofschoon deze lijst niet uitputtend is, documenten zijn die zijn opgesteld door de bevoegde gerechtelijke autoriteit. Daarenboven kan duidelijk uit artikel 3, lid 4, van deze richtlijn worden opgemaakt dat de vertaling van de essentiële processtukken in het systeem van de richtlijn met name erop is gericht „de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen”.

58.      De verdachte of beklaagde kan alleen een beroep doen op het recht op vertaling van een essentieel processtuk indien hij de taal waarin dit stuk is opgesteld niet verstaat. Het begrijpen van een processtuk en doorhebben wat de strekking ervan is, veronderstelt dat de verdediging dit heeft ontvangen, niet dat zij dit heeft opgesteld. Derhalve heeft artikel 3 van richtlijn 2010/64 enkel betrekking op de vertaling van processtukken die zijn opgesteld door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten, die moeten worden begrepen door de beklaagde, zoals beslissingen tot vrijheidsbeneming en vonnissen.

59.      Het probleem van taalkundige bijstand met het oog op het instellen van beroep door een persoon die strafrechtelijk is veroordeeld, moet dus eerder worden onderzocht in het licht van artikel 2 van deze richtlijn.

60.      In dit artikel 2 is het recht op vertolking neergelegd. Het voorziet in de bijstand van een tolk tijdens de gehele strafprocedure wanneer de verdachte of beklaagde de taal van de procedure niet spreekt of verstaat. Anders dan in het geval van artikel 3 van deze richtlijn kan de taalkundige bijstand in het kader van artikel 2 van richtlijn 2010/64 „niet alleen door de verdediging worden geëist om te verstaan, maar tevens om zich verstaanbaar te maken”.

61.      Wanneer de beklaagde niet in staat is zich uit te drukken in de taal van de procedure, heeft hij dus recht op de bijstand van een tolk, om hetgeen hij verklaart in een taal die hij beheerst, mondeling of schriftelijk, of eventueel via gebarentaal indien hij gehoor- of spraakstoornissen heeft, te laten vertalen in de taal van de procedure.

62.      Derhalve is artikel 2 van richtlijn 2010/64 zowel van toepassing op de verklaringen of stukken die zijn bestemd voor de verdediging, als op de verklaringen of stukken van de verdediging en bestemd voor de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

63.      Voorts blijkt, zoals we hebben gezien, duidelijk uit de bewoordingen van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn, dat het recht op taalkundige bijstand een ruim toepassingsgebied heeft en dat de verdediging tijdens de gehele procedure kosteloze diensten van een tolk kan eisen, dus ook bij het instellen van beroep.

64.      Daarenboven blijkt uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2010/64 dat, ofschoon een tolk bijstand kan verlenen tijdens terechtzittingen, deze bijstand geenszins is beperkt tot deze mondelinge fase in de procedure. Het is dus mogelijk te verzoeken om bijstand van een tolk in een fase van de procedure als de instelling van beroep tegen een strafvonnis.

65.      Deze uitlegging wordt gestaafd door de bewoordingen van artikel 2, lid 2, van deze richtlijn, waarin is bepaald dat kosteloze vertolking beschikbaar is voor de communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman.

66.      Uit deze bepaling komt namelijk naar voren dat, voor zover dit noodzakelijk is om het eerlijk verloop van de procedure te garanderen, verdachten of beklaagden gebruik kunnen maken van tolkdiensten voor de communicatie met hun raadsman die „verband houdt [...] met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken”.

67.      Ik zie geen enkele reden waarom een beklaagde die geen raadsman heeft, niet eveneens gebruik zou kunnen maken van de bijstand van een tolk om beroep in te stellen tegen een strafvonnis.

68.      Het Strafbefehl, dat wordt uitgevaardigd na afloop van een vereenvoudigde strafprocedure, is een rechterlijke beslissing waartegen de beklaagde verzet kan doen zonder bijstand van een raadsman, schriftelijk of bij een verklaring, op te nemen in een proces-verbaal van de griffier van de rechtbank die het Strafbefehl heeft uitgevaardigd. Indien Covaci was vervolgd in het kader van een klassieke procedure, met de bijstand van een advocaat, had hij gebruik kunnen maken van de kosteloze diensten van een tolk om beroep in te stellen tegen het vonnis dat tegen hem was gewezen.

69.      Volgens mij kan aan het recht op kosteloze bijstand van een tolk bij het instellen van beroep niet de voorwaarde worden gesteld dat gebruik wordt gemaakt van een advocaat, zonder dat in ernstige mate afbreuk wordt gedaan aan de uitoefening van de rechten van verdediging van de beklaagde die de proceshandelingen alleen wenst te verrichten.

70.      De doelstelling van richtlijn 2010/64 pleit voor de uitlegging dat een beklaagde die de taal van de procedure niet beheerst, beroep moet kunnen instellen tegen een strafvonnis in een taal die hij beheerst en bijstand moet kunnen krijgen van een tolk voor de vertaling van dit beroep in de taal van de procedure.

71.      In dit verband stelt overweging 17 van deze richtlijn duidelijk dat zij „kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening [dient] te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd”.

72.      Vanuit deze optiek vereist een volle uitoefening van de rechten van verdediging ten eerste dat de beklaagde in een taal die hij beheerst, beroep kan instellen tegen een strafvonnis, en ten tweede dat hij bijstand krijgt van een tolk om dit beroep te vertalen in de taal van de procedure. Alles in aanmerking genomen betekent dit dat de wil van de beklaagde om zijn veroordeling te betwisten bij het instellen van beroep wordt vertolkt door dit beroep in de taal van de procedure te vertalen.

73.      De bijstand van een tolk zal de beklaagde in staat stellen zijn argumenten en verweren uiteen te zetten, of in de woorden van het Europese Hof voor de rechten van de mens, „zichzelf te verdedigen, met name doordat hij zijn versie van de feiten aan de rechter kan presenteren”.(14) De beklaagde kan door beroep in te stellen tegen een strafvonnis de redenen uiteenzetten waarom dit vonnis kan worden betwist. Indien hem bij het instellen van een dergelijk beroep de bijstand van een tolk wordt geweigerd, kan dit de uitoefening van de rechten van verdediging van deze persoon belemmeren of zelfs geheel teniet doen.

74.      Ter terechtzitting heeft de Franse regering betoogd dat richtlijn 2010/64 zich er niet tegen verzet dat een lidstaat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, vereist dat iemand beroep instelt in de taal van de procedure van de bevoegde rechtbank, op voorwaarde dat hij deze persoon in een eerder stadium een tolk of vertaler ter beschikking stelt. Een dergelijk standpunt is naar mijn mening kenmerkend voor het onbegrip dat heerst ten aanzien van het begrip minimumvoorschriften. Deze regering heeft namelijk haar betoog dat de richtlijn restrictief moet worden uitgelegd, onderbouwd met het argument dat in deze richtlijn enkel minimumvoorschriften worden vastgesteld. Zoals ik in mijn voorafgaande opmerkingen heb aangegeven, lijkt mij dit een onjuiste redenering. De doelstelling van een doelmatiger justitiële samenwerking in strafzaken door versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in het kader van een strafprocedure vraagt juist om een ruime uitlegging van richtlijn 2010/64, namelijk een uitlegging die de rechten van verdediging van de betrokkenen optimaal waarborgt.

75.      Het lijdt naar mijn mening echter geen twijfel dat in een situatie als in het hoofdgeding, die wordt gekenmerkt door een relatief korte beroepstermijn van twee weken, degene tegen wie een Strafbefehl is uitgevaardigd de mogelijkheid moet worden geboden hiertegen eerst verzet in te stellen om het verstrijken van deze termijn te stuiten. De tolk treedt pas daarna op om het beroep in de taal van de procedure te vertalen. De door de Franse regering voorgestane oplossing, waarin genoegen wordt genomen met het optreden van een tolk in de fase voorafgaand aan het instellen van beroep, zou het in een situatie als in het hoofdgeding uitermate moeilijk of zelfs onmogelijk maken het beroep binnen de gestelde termijn in te stellen. Hierbij komt de vraag in welke taal degene die strafrechtelijk is veroordeeld, zijn verzoek om bijstand door een tolk moet formuleren om zijn beroep te kunnen instellen. Op een desbetreffende vraag ter terechtzitting kon de Franse regering geen antwoord geven.

76.      Tot slot zij opgemerkt dat richtlijn 2010/64 de lidstaten een beoordelingsmarge toekent bij de keuze van de vorm van de verrichte tolkendienst, zolang deze kosteloos is en van voldoende kwaliteit om de procedure eerlijk te laten verlopen en de verdediging in staat te stellen haar rechten uit te oefenen.

77.      De bijstand van een tolk kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de bijzonderheden van de procedure. De bijstand kan uiteraard mondeling plaatsvinden, wanneer de tolk fysiek aanwezig is en de verklaringen van de verdediging of de verklaringen die tot de verdediging zijn gericht simultaan worden vertaald. Hij kan eveneens plaatsvinden in de vorm van gebaren, bijvoorbeeld wanneer iemand gehoor- of spraakstoornissen heeft en zich niet mondeling kan uitdrukken. Artikel 2, lid 6, van richtlijn 2010/64 bepaalt daarenboven dat in het geval de fysieke aanwezigheid van de tolk niet per se noodzakelijk is, gebruik kan worden gemaakt van communicatietechnologie zoals videoconferentie, telefoon of internet. De taalkundige bijstand zou eventueel ook zoals door de Commissie wordt voorgesteld(15), kunnen plaatsvinden in de vorm van een vertaald of tweetalig formulier voor het instellen van beroep. Zo zou bij betekening of verzending van de strafrechtelijke veroordeling aan de belanghebbende – en niemand betwist dat deze moet worden vertaald, waarvoor een duidelijke rechtsgrondslag bestaat – een formulier in de taal van deze persoon kunnen worden gevoegd, dat hij alleen nog hoeft in te vullen indien hij van mening is dat dit noodzakelijk is, en te retourneren aan het adres van het gerecht waar het beroep moet worden ingesteld.

78.      Voorts moet worden benadrukt dat het recht op vertolking niet uitsluitend tot uiting komt door bijstand in mondelinge vorm van degene die de taal van de procedure niet spreekt. Dit recht kan tevens de vorm aannemen van een schriftelijke vertaling van de verklaringen van de verdediging in een document zoals het stuk waarmee beroep wordt ingesteld.

79.      Omgekeerd kan de vertaling van de essentiële processtukken, zoals uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, lid 7, van richtlijn 2010/64, mondeling worden verstrekt.

80.      In casu kan de bijstand van een tolk in het kader van het verzet tegen een Strafbefehl zowel mondeling als schriftelijk plaatsvinden. Volgens § 410, lid 1, StPO kan het verzet namelijk schriftelijk worden ingesteld dan wel bij een in een proces-verbaal van de griffier van de rechtbank die dit Strafbefehl heeft afgegeven op te nemen verklaring. Mijns inziens staat buiten kijf dat, aangezien de bijstand van een tolk wordt gewaarborgd in het kader van een beroep dat mondeling wordt ingesteld bij de griffie van de bevoegde rechtbank, deze bijstand eveneens moet worden gewaarborgd wanneer het beroep schriftelijk wordt ingesteld.

81.      Ik concludeer dus dat de artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als die aan de orde in het hoofdgeding, die voorziet in het gebruik van een bepaalde taal als taal van de procedure voor de gerechten van deze staat. Dezelfde bepalingen moeten echter aldus worden uitgelegd dat zij iemand die strafrechtelijk is veroordeeld en die de taal van de procedure niet beheerst, in staat stellen beroep tegen een dergelijk vonnis in te stellen in zijn eigen taal, waarbij het bevoegde recht de taak heeft, gelet op het recht van de beklaagde op vertolking krachtens artikel 2 van deze richtlijn, geschikte maatregelen in te zetten om de vertaling van het beroep in de taal van de procedure te verzekeren.

C –    Tweede vraag

1.      Voorafgaande opmerkingen

82.      In een strafprocedure veronderstelt de tenuitvoerlegging van een veroordelende beslissing dat deze uitvoerbaar is. Dit begrip onderscheidt zich onder bepaalde en met name de onderstaande omstandigheden van het begrip onherroepelijke beslissing.

83.      De tenuitvoerlegging van een veroordeling veronderstelt dat de beroepsmogelijkheden zijn uitgeput, wat hier niet aan de orde is, of dat de veroordeelde deze mogelijkheden niet heeft uitgeoefend.

84.      Dit tweede geval veronderstelt dat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de veroordeling en deze weloverwogen niet heeft betwist.

85.      Wanneer de betrokkene aanwezig was bij de uitspraak van de veroordeling, bestaat er geen enkel probleem en wordt de beslissing na het verstrijken van de beroepstermijn uitvoerbaar en in dat geval tevens onherroepelijk.

86.      Was de betrokkene niet aanwezig bij de uitspraak van de veroordeling, dan moet hij van deze beslissing in kennis worden gesteld, omdat de veroordeling pas uitvoerbaar wordt nadat de persoon de kennisgeving heeft ontvangen en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen, die ingaat zodra deze formaliteit is vervuld, is verstreken.

87.      Het is ook mogelijk dat de veroordeelde de betekening niet ontvangt om redenen die hem kunnen worden toegerekend (bijvoorbeeld als hij is gevlucht) of niet (tekortschieten van de diensten die belast zijn met de betekening). In deze gevallen moet het vonnis niettemin ten uitvoer worden gelegd en dus uitvoerbaar zijn. Deze uitvoerbaarheid krijgt het door een formele wijze van betekening, in casu aan een gemachtigde, die verhindert dat het vonnis onherroepelijk wordt en dus de uitoefening van de beroepsmogelijkheid open laat wanneer, in de fase van de tenuitvoerlegging, de betrokkene is teruggevonden en/of in kennis is gesteld van het bestaan van het strafvonnis.

88.      De lidstaten zijn vrij om de wijze van betekening, die ik als „formeel” heb aangemerkt, op de naar hun eigen inzicht meest geschikte wijze in te richten.

89.      Volgens de toelichting die mij ter terechtzitting is gegeven, is het Duitse procesrecht zodanig ingericht dat in de gevallen waarin van meet af aan de vrees bestaat dat het moeilijk zal zijn de betrokkene later te bereiken (hier in het geval van een woonplaats in het buitenland), gebruik wordt gemaakt van een gemachtigde. Het lijkt mij dat deze in werkelijkheid een officieel contactpunt vormt tussen de gerechtelijke autoriteit en de beklaagde. Het gebruik van deze gemachtigde leidt tot verplichtingen voor de gerechtelijke autoriteit (verplichting om de akten van betekening via deze gemachtigde te laten lopen), voor de gemachtigde (de verplichting om de ontvangen stukken te verzenden aan de beklaagde) en voor de beklaagde, die zich tot de gemachtigde moet wenden voor informatie over de voortgang van de procedure.

90.      De verzending van de te betekenen beslissing door de rechtbank aan de gemachtigde vormt de procedurehandeling waardoor de termijn ingaat na afloop waarvan de veroordeling uitvoerbaar is.

91.      Dit procedurele stelsel dat door de Duitse wetgever is gekozen, is op zich niet vatbaar voor kritiek, reeds niet gezien de regel van artikel 82, lid 2, eerste alinea, laatste zin, VWEU, dat de voorschriften die op basis van dat lid worden vastgesteld, rekening moeten houden met de verschillen tussen de rechtstradities en de rechtsstelsels van de lidstaten.

92.      Niettemin moet dit stelsel in de fase van uitvoering voldoen aan het vereiste dat de beklaagde zijn rechten van de verdediging kan uitoefenen, wat ik zal onderzoeken in het kader van het antwoord op de tweede vraag.

2.      Bespreking

93.      Met zijn tweede vraag wenst het Amtsgericht Laufen in wezen van het Hof te vernemen of de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), alsmede 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen bepalingen van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een beklaagde in het kader van een strafprocedure, die niet in deze staat woonachtig is, een gemachtigde moet benoemen voor de betekening van een tegen hem uitgevaardigd Strafbefehl, waarna deze gemachtigde dit Strafbefehl per gewone post aan de beklaagde verstuurt, met dien verstande dat de termijn van twee weken om verzet te doen tegen het Strafbefehl ingaat op het moment van de betekening ervan aan de gemachtigde.

94.      In zijn verwijzingsbeslissing benadrukt het Amtsgericht Laufen dat de benoeming van een gemachtigde voor de ontvangst van de betekeningen zoals bepaald in de §§ 116, 127 bis en 132 StPO tot gevolg heeft dat de termijn voor het instellen van beroep tegen een beslissing die in de strafprocedure is genomen, ingaat op het moment waarop een dergelijke beslissing aan de benoemde gemachtigde wordt betekend. Deze gemachtigde stuurt vervolgens de beslissing per gewone post door aan de beklaagde, zonder verzend- en/of ontvangstbewijs. Voor de berekening van de beroepstermijn maakt het dus geen verschil of en wanneer de beklaagde daadwerkelijk een beslissing ontvangt die tijdens de strafprocedure is genomen. De verwijzende rechter merkt in dat verband op dat in het geval van een Strafbefehl de beklaagde zelf erop moet letten dat hij dit ontvangt en hij zodoende een eerste toegang tot een rechter krijgt.

95.      Richtlijn 2012/13 beschermt krachtens artikel 1 ervan „het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging”.

96.      Deze twee aspecten van het recht op informatie zijn geregeld in twee afzonderlijke artikelen van deze richtlijn, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt. Artikel 3 van deze richtlijn heeft volgens het opschrift ervan betrekking op het „[r]echt op informatie over rechten”. Artikel 6 van richtlijn 2012/13 heeft op zijn beurt betrekking op het „[r]echt op informatie over de beschuldiging”.

97.      Volgens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, „[zien d]e lidstaten [...] erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten [onder a) tot en met e)], zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend”. Een van deze rechten staat in artikel 3, lid 1, onder c), van deze richtlijn, „het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6”.

98.      Er zij aan herinnerd dat krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2012/13 „[d]e lidstaten [...] erop toe[zien] dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen”.

99.      Voorts bepaalt artikel 6, lid 3, van deze richtlijn dat „[d]e lidstaten [...] erop [toe]zien dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde”.

100. Uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2012/13 komt naar voren dat de richtlijn een bijzonder groot toepassingsgebied heeft. Volgens deze bepaling geldt deze richtlijn „voor personen, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hen ervan in kennis stellen dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beëindiging van de procedure, dat wil zeggen, tot de definitieve vaststelling dat zij het strafbare feit al dan niet hebben begaan, met inbegrip van, indien van toepassing, de strafoplegging en de uitkomst in een eventuele beroepsprocedure”.(16)

101. Artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13 moet worden gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van dezelfde richtlijn. Aangezien de wetgever van de Unie duidelijk de toepassing van richtlijn 2012/13 gedurende de gehele strafprocedure op het oog heeft gehad, vanaf de eerste verdenkingen tot aan de uitspraak, in voorkomend geval na uitputting van alle rechtsmiddelen, moet het recht van de beklaagde om over een beslissing waarbij hij strafrechtelijk is veroordeeld, te worden geïnformeerd voorafgaand aan en met het oog op de eventuele instelling van beroep tegen een dergelijke beslissing, worden beschouwd als onderdeel van het recht op informatie over de beschuldiging van artikel 6, leden 1 en 3, van de richtlijn.

102. Zodoende valt de situatie waarin een Strafbefehl is uitgevaardigd tegen een beklaagde en deze persoon tegen dit Strafbefehl verzet kan doen, waardoor opnieuw, en ditmaal in het kader van een klassieke procedure, een gerecht „een beslissing moet nemen over de gegrondheid van de beschuldiging”, onder het vereiste in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2012/13, dat „uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging gedetailleerde informatie moet worden verstrekt”.

103. In een dergelijk geval heeft het recht op informatie over de beschuldiging tot doel de beklaagde in staat te stellen zijn rechten van verdediging doeltreffend uit te oefenen, en meer bepaald beroep in te stellen tegen het strafvonnis dat tegen hem is uitgesproken.

104. Mijns inziens is het Duitse systeem van betekening van het Strafbefehl aan een gemachtigde, die dit vervolgens per gewone brief doorstuurt aan de beklaagde, in beginsel en onder het hieronder uiteengezette voorbehoud niet strijdig met het recht op informatie over de beschuldiging, dat wordt beschermd door artikel 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13.

105. Het moet namelijk worden vastgesteld dat deze richtlijn geen regeling bevat van de wijzen van betekening van stukken die worden afgegeven tijdens de strafprocedure.

106. De lidstaten moeten niettemin bij de regeling van de wijzen van betekening ervoor zorgen dat deze de rechten eerbiedigen die beklaagden aan deze richtlijn ontlenen. De oplossing die de Bondsrepubliek Duitsland heeft gekozen voor de betekening van Strafbefehlen die zijn uitgevaardigd tegen personen die niet in deze lidstaat woonachtig zijn, is dan ook enkel vatbaar voor kritiek indien zij het recht op informatie over de beschuldiging en meer in het algemeen de rechten van verdediging, met name het recht van beroep, zou aantasten.

107. Zoals ik eerder heb aangegeven, heeft de Bondsrepubliek Duitsland de betekening van strafrechtelijke veroordelingen aan een gemachtigde gekozen als middel om dergelijke beslissingen ten uitvoer te leggen in gevallen waarin de vrees bestaat dat de betrokkene na de uitspraak moeilijk te bereiken zal zijn, met name indien hij in het buitenland woonachtig is.

108. Indien voor de betekening een gemachtigde wordt benoemd, moet deze de veroordelende beslissing onverwijld doorsturen aan de betrokkene, met daarbij in voorkomend geval een vertaling in de taal van deze persoon.

109. Ter terechtzitting is de Duitse regering gevraagd wat er gebeurt indien de beklaagde het Strafbefehl laat ontvangt en dan geen verzet meer tegen dit Strafbefehl meer kan doen binnen de termijn van twee weken vanaf de betekening van dat Strafbefehl aan de gemachtigde. In een dergelijk geval kan het Strafbefehl namelijk ten uitvoer worden gelegd, zo nodig door middel van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. De cruciale vraag is dan ook of de betrokkene in het stadium van de tenuitvoerlegging van het Strafbefehl al dan niet alsnog verzet tegen het Strafbefehl kan doen.

110. De Duitse regering heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Volgens het Duitse recht(17) kan de beklaagde, indien hij is belet binnen de termijn van twee weken verzet te doen, verzoeken om in de vorige situatie te worden gebracht, zodra hij kennis krijgt van het bestaan van een tegen hem uitgevaardigd Strafbefehl, met name in het stadium van de tenuitvoerlegging van dit Strafbefehl. In een dergelijk geval kan de beklaagde dus verzoeken om herstel van de situatie en de eerbiediging van zijn rechten van verdediging.

111. Deze toelichting bevestigt dat in het Duitse recht een Strafbefehl uitvoerbaar kan worden zonder tevens onherroepelijk te zijn. De beklaagde moet dus in het stadium van de tenuitvoerlegging van dit Strafbefehl verzet kunnen doen tegen dit Strafbefehl, indien hij niet eerder van het bestaan ervan in kennis is gesteld.

112. Ik moet echter benadrukken dat het Duitse systeem van benoeming van een gemachtigde voor de betekening van een Strafbefehl, waarna deze gemachtigde dit Strafbefehl per gewone post verstuurt aan de beklaagde, pas volledig in overeenstemming met het recht op informatie over de beschuldiging kan worden beschouwd – dat onder andere tot doel heeft degene die strafrechtelijk is veroordeeld in staat te stellen beroep in te stellen tegen de betrokken beslissing – indien het niet leidt tot bekorting van de niet verkortbare termijn van twee weken voor het doen van verzet tegen dit Strafbefehl.

113. In dat verband kunnen zich twee situaties voordoen.

114. In de eerste situatie ontvangt degene tegen wie een Strafbefehl is uitgevaardigd, dit binnen de termijn van twee weken vanaf de betekening ervan aan de gemachtigde. In deze situatie mag de wettelijke termijn voor de beklaagde om verzet te doen tegen het Strafbefehl niet worden verkort met het aantal dagen gelegen tussen de betekening aan de gemachtigde die woonplaats heeft in de plaats van vestiging van de rechtbank, en de ontvangst door de betrokkene van de brief met daarin de strafrechtelijke veroordeling. Het systeem van betekening aan een gemachtigde, gevolgd door de verzending per gewone post aan de beklaagde, zou anders tot gevolg hebben dat de wettelijke termijn die deze persoon heeft om verzet te doen tegen het uitgevaardigde Strafbefehl wordt bekort, en zodoende kunnen verhinderen dat de beklaagde over de nodige tijd beschikt om zijn verdediging voor te bereiden. Indien dit systeem tot gevolg zou hebben dat de beklaagde niet beschikt over de volle wettelijke termijn voor het doen van verzet tegen een Strafbefehl, zou het in strijd zijn met de rechten van verdediging, waarvan de eerbiediging volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt gegarandeerd aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld.

115. De omstandigheid dat iemand een Strafbefehl ontvangt binnen de termijn van twee weken vanaf de betekening ervan aan de gemachtigde, mag hem dus niet beletten gebruik te maken van de volle wettelijke termijn waarop hij recht heeft om tegen dit bevel verzet te doen, omdat anders inbreuk wordt gemaakt op het doel van het recht op informatie over de beschuldiging.

116. In de tweede situatie ontvangt degene tegen wie een Strafbefehl is uitgevaardigd, dit na afloop van de termijn van twee weken vanaf de betekening ervan aan de gemachtigde, of wordt hij daarvan in kennis gesteld na deze termijn, eventueel in het stadium van de tenuitvoerlegging. Ook in een dergelijke situatie moet vanaf het moment van kennisneming van dit Strafbefehl de volle wettelijke termijn van twee weken ter beschikking staan om tegen dit bevel verzet te kunnen doen.

117. Kort gezegd staat het een lidstaat vrij, in omstandigheden als in het hoofdgeding te kiezen voor een systeem van betekening van strafrechtelijke beslissingen aan een gemachtigde en een termijn vast te stellen die ingaat op het moment van deze betekening, na afloop waarvan dergelijke beslissingen uitvoerbaar zijn. Een dergelijk systeem mag daarentegen niet tot gevolg hebben dat de beklaagden de mogelijkheid wordt ontnomen hun beroep in te stellen binnen de door deze staat vastgestelde wettelijke termijn, vanaf het moment dat zij van deze beslissingen in kennis zijn gesteld.

118. Na deze aanvullingen is mijn conclusie dat de artikelen 2, 3, lid 1, onder c), alsmede 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan bepalingen van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een beklaagde in een strafprocedure, die niet in deze staat woonachtig is, een gemachtigde moet benoemen voor de betekening van een tegen hem uitgevaardigd Strafbefehl, waarna de gemachtigde het Strafbefehl per gewone post aan de beklaagde verstuurt, op voorwaarde dat dit procedurele systeem deze persoon niet belet gebruik te maken van de in deze staat bepaalde wettelijke termijn van twee weken om tegen dit Strafbefehl verzet te doen, welke termijn moet gaan lopen vanaf het moment waarop deze persoon op welke wijze ook kennisneemt van dit Strafbefehl.

IV – Conclusie

119. Gelet op het voorgaande geef ik in overweging de vragen van het Amtsgericht Laufen te beantwoorden als volgt:

„1)      De artikelen 1, lid 2, en 2, leden 1 en 8, van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de regeling van een lidstaat als die aan de orde in het hoofdgeding, die voorziet in het gebruik van een bepaalde taal als taal van de procedure voor de gerechten van deze staat. Dezelfde bepalingen moeten echter aldus worden uitgelegd dat zij iemand die strafrechtelijk is veroordeeld en die de taal van de procedure niet beheerst, in staat stellen beroep tegen een dergelijk vonnis in te stellen in zijn eigen taal, waarbij de bevoegde rechter de taak heeft, gelet op het recht van de beklaagde op vertolking krachtens artikel 2 van deze richtlijn, geschikte maatregelen in te zetten om de vertaling van het beroep in de taal van de procedure te verzekeren.

2)      De artikelen 2, 3, lid 1, onder c), alsmede 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan bepalingen van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke een beklaagde in een strafprocedure, die niet in deze staat woonachtig is, een gemachtigde moet benoemen voor de betekening van een tegen hem uitgevaardigd Strafbefehl, waarna de gemachtigde het Strafbefehl per gewone post aan de beklaagde verstuurt, op voorwaarde dat dit procedurele systeem deze persoon niet belet gebruik te maken van de in deze staat bepaalde wettelijke termijn van twee weken om tegen dit Strafbefehl verzet te doen, welke termijn moet gaan lopen vanaf het moment waarop deze persoon op welke wijze ook kennisneemt van dit Strafbefehl.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB L 280, blz. 1.


3 –      PB L 142, blz. 1.


4 – In de onderstaande uiteenzetting omvat het begrip beklaagde diegenen die strafrechtelijk zijn veroordeeld en tegen hun veroordeling kunnen opkomen.


5 –      Hierna: „EVRM”.


6 –      Hierna: „Handvest”.


7 – Zie overweging 17 van die richtlijn.


8 – Een dergelijke conclusie vindt naar mijn oordeel steun in het arrest Runevič-Vardyn en Wardyn (C‑391/09, EU:C:2011:291), waarin het Hof, meer in het algemeen, heeft opgemerkt dat de Unie „[k]rachtens artikel 3, lid 3, vierde alinea, VEU en artikel 22 van het Handvest [...] immers haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal [eerbiedigt]” (punt 86) en dat „[o]vereenkomstig artikel 4, lid 2, VEU [...] de Unie eveneens de nationale identiteit van haar lidstaten [eerbiedigt], en daartoe behoort ook de bescherming van de officiële landstaal van de staat” (idem).


9 – Punten 24 en 29 van de schriftelijke opmerkingen van de Duitse regering.


10 – Punten 44 en volgende van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.


11 – Zie Monjean-Decaudin, S., La traduction du droit dans la procédure judiciaire – Contribution à l’étude de la linguistique juridique, Dalloz, Parijs, 2012, blz. 149 e.v.


12 – Zie arrest Luedicke, Belkacem en Koç v. Duitsland, 28 november 1978, serie A, vol. 29, § 48.


13 – Cursivering van mij.


14 – Zie arrest Kamasinski/Oostenrijk, 19 december 1989, serie A, vol. 168, § 74.


15 –      Punt 52 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.


16 – Cursivering van mij.


17 – De Duitse regering lijkt te verwijzen naar § 44 StPO, dat bepaalt dat de beroepstermijn kan worden verlengd indien iemand buiten zijn schuld is belet deze termijn te eerbiedigen.