Language of document : ECLI:EU:C:2014:2101

Zaak C‑481/13

Mohammad Ferooz Qurbani

(verzoek van het Oberlandesgericht Bamberg om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen – Artikel 31 – Derdelander die een lidstaat via een andere lidstaat is binnengekomen – Hulp van mensensmokkelaars – Onrechtmatige binnenkomst en onrechtmatig verblijf – Vertoon van een vervalst paspoort – Strafsancties – Onbevoegdheid van het Hof”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 juli 2014

Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Grenzen – Verzoek om uitlegging van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen – Bepalingen van het verdrag die niet bindend zijn voor de Unie – Feit dat in de prejudiciële vraag geen melding wordt gemaakt van een regel van Unierecht die verwijst naar artikel 31 van het verdrag – Onbevoegdheid van het Hof

(Art. 267 VWEU; Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, art. 31; richtlijn 2004/83 van de Raad)

Slechts wanneer en voor zover de Europese Unie de bevoegdheden heeft overgenomen die de lidstaten voorheen binnen de werkingssfeer van een niet door de Unie gesloten internationaal verdrag hebben uitgeoefend, en bijgevolg door de bepalingen van dit verdrag gebonden is, is het Hof bevoegd om een dergelijk verdrag uit te leggen.

In het kader van de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel zijn weliswaar verschillende teksten van Unierecht vastgesteld die binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen vallen, maar vaststaat dat de lidstaten bepaalde binnen deze werkingssfeer vallende bevoegdheden hebben behouden, met name wat de in artikel 31 van dat verdrag bedoelde materie betreft. Bijgevolg kan het Hof niet bevoegd zijn om dit artikel 31 rechtstreeks uit te leggen.

Aan de vaststelling dat het Hof onbevoegd is, wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 78 VWEU preciseert dat het gemeenschappelijk asielbeleid in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève, noch door het feit dat artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beklemtoont dat het recht op asiel wordt gegarandeerd met inachtneming van dit verdrag en het protocol betreffende de status van vluchtelingen van 31 januari 1967.

De Unie heeft er – teneinde uiteenlopende uitleggingen in de toekomst te vermijden – weliswaar belang bij dat de bepalingen van internationale verdragen die zijn overgenomen in het nationale recht en in het Unierecht op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden, maar artikel 31 van het Verdrag van Genève is niet overgenomen in het Unierecht, hoewel verschillende bepalingen van dat recht wel naar dit artikel verwijzen.

Hoewel het Hof heeft zich al bevoegd heeft verklaard om de bepalingen van het Verdrag van Genève uit te leggen waarnaar door voorschriften van het Unierecht wordt verwezen, is het niet bevoegd wanneer het verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkele regel van Unierecht vermeldt die naar artikel 31 van het Verdrag van Genève verwijst.

(cf. punten 23‑26, 28)