Language of document : ECLI:EU:F:2014:245

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

13 november 2014

Zaak F‑2/12

Emil Hristov

tegen

Europese Commissie
en Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)

„Openbare dienst – Procedure voor de selectie en aanstelling van de uitvoerend directeur van een regelgevend agentschap – Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) – Selectieprocedure in twee fasen – Preselectie binnen de Commissie – Benoeming door de raad van bestuur van het EMA – Verplichting voor de raad van bestuur van het EMA om uit de door de Commissie geselecteerde kandidaten de uitvoerend directeur te kiezen – Beroep tot nietigverklaring – Samenstelling van het preselectiecomité – Cumulatie van de functie van lid van het preselectiecomité en die van lid van de raad van bestuur van het EMA – Kandidaten die lid van de raad van bestuur van het EMA zijn en op de lijst van door de Commissie geselecteerde kandidaten zijn geplaatst – Benoeming van een kandidaat die lid van de raad van bestuur van het EMA is – Verplichting tot onpartijdigheid – Schending – Nietigverklaring – Beroep tot schadevergoeding – Immateriële schade die kan worden losgekoppeld van de onrechtmatigheid waarop de nietigverklaring is gebaseerd – Bewijs – Geen”

Betreft:      Beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee E. Hristov, ten eerste, nietigverklaring vordert van verschillende besluiten die de Europese Commissie heeft vastgesteld in het kader van de procedure voor de selectie van de uitvoerend directeur van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en van het besluit van de raad van bestuur van het EMA van 6 oktober 2011 tot benoeming van deze uitvoerend directeur en, ten tweede, vergoeding vordert van de immateriële schade die zou zijn geleden als gevolg van de vaststelling van deze besluiten.

Beslissing:      Het besluit van de Europese Commissie van 20 april 2011, waarbij zij de raad van bestuur van het Europees Geneesmiddelenbureau een lijst voorlegt van vier door het preselectiecomité aanbevolen en door het Raadgevend Comité benoemingen bevestigde kandidaten, wordt nietig verklaard. Het besluit van de raad van bestuur van het Europees Geneesmiddelenbureau van 6 oktober 2011 tot benoeming van de uitvoerend directeur wordt nietig verklaard. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Commissie en het Europees Geneesmiddelenbureau dragen hun eigen kosten en worden elk verwezen in de helft van de kosten van E. Hristov.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie – Preselectiecomité – Analogie met de jury van een vergelijkend onderzoek

(Richtsnoeren van de Commissie voor de selectie en de benoeming van directeuren van communautaire agentschappen, uitvoerende agentschappen en gezamenlijke ondernemingen, punt 7)

2.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure ter voorziening in een ambt van directeur – Preselectiecomité – Beginsel van onpartijdigheid – Samenstelling – Cumulatie van de functie van lid van het comité en die van lid van de benoemende instantie – Ontoelaatbaarheid

(Verordening nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 64‑67; richtsnoeren van de Commissie voor de selectie en de benoeming van directeuren van communautaire agentschappen, uitvoerende agentschappen en gezamenlijke ondernemingen)

3.      Ambtenaren – Aanwerving – Procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie – Preselectiecomité – Beginsel van onpartijdigheid – Rechterlijke toetsing

4.      Beroepen van ambtenaren – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Nietigverklaring van een lijst van kandidaten die zijn geselecteerd in de procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie – Nietigverklaring van het benoemingsbesluit

1.      Op het gebied van vergelijkende onderzoeken moet de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover een jury van een vergelijkend onderzoek of een selectiepanel beschikt bij de bepaling van de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de mondelinge examens van de kandidaten, worden gecompenseerd door een nauwgezette naleving van de regels voor de organisatie van die examens.

Bovendien moet een jury van een vergelijkend onderzoek waarborgen dat haar oordeel over alle kandidaten tijdens de mondelinge examens onder gelijke en objectieve omstandigheden wordt uitgebracht.

Deze regels kunnen worden toegepast op een preselectiecomité dat deel uitmaakt van de procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie, aangezien dat comité, net als een jury van een vergelijkend onderzoek, de beste kandidaten moet kiezen uit hen die hebben gesolliciteerd, en het bij de organisatie van de preselectietoetsen over een aanzienlijke speelruimte beschikt.

(cf. punten 81‑83)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arresten Girardot/Commissie, T‑92/01, EU:T:2002:220, punt 24; Christensen/Commissie, T‑336/02, EU:T:2005:115, punt 38, en Pantoulis/Commissie, T‑290/03, EU:T:2005:316, punt 90

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CG/EIB, F‑115/11, EU:F:2014:187, punt 60

2.      In een procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie dient de Commissie, op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur en gelijke behandeling, te zorgen voor de goede organisatie van de eerste etappe van de selectieprocedure, die plaatsvindt voor het preselectiecomité. Dit betekent dat alle door de Commissie aangewezen leden van het preselectiecomité de nodige onafhankelijkheid dienen te bezitten opdat hun objectiviteit niet ter discussie kan worden gesteld.

Wat betreft de vraag of een persoon die tegelijkertijd lid is van het preselectiecomité – de instantie die het voorstel doet – en lid van de raad van bestuur van het betrokken agentschap – de instantie die het besluit neemt – heeft voldaan aan zijn verplichting tot onpartijdigheid, gelet op de duidelijk onderscheiden bevoegdheden van het preselectiecomité en de raad van bestuur, zij opgemerkt dat het preselectiecomité een beslissende invloed uitoefent op de definitieve lijst van de door de Commissie aan de raad van bestuur van dat agentschap voorgestelde kandidaten. Ook kan het lid van het preselectiecomité dat ook lid is van de raad van bestuur, in de vergadering van de raad van bestuur hetzij persoonlijk, hetzij door zijn plaatsvervanger, stemmen voor de benoeming van een van de door de Commissie geselecteerde kandidaten. Bovendien kan het lid van de raad van bestuur een bijzonder belangrijke rol spelen tijdens de beraadslagingen, ongeacht of hij al dan niet gebruikmaakt van zijn stemrecht en staat hij in elk geval rechtstreeks in contact met de andere leden van de raad van bestuur.

Derhalve kan de cumulatie van de functie van lid van het preselectiecomité en die van lid van de raad van bestuur de onafhankelijkheid en objectiviteit van de personen die deze functies combineren, in gevaar brengen, zodat, aangezien alle leden van het preselectiecomité de nodige onafhankelijkheid dienen te bezitten opdat de objectiviteit van het preselectiecomité in zijn geheel niet ter discussie kan worden gesteld, de verplichting tot onpartijdigheid van het preselectiecomité in zijn geheel is geschonden.

(cf. punten 84 en 88‑92)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CG/EIB, EU:F:2014:187, punt 61

3.      Het staat aan het Gerecht voor ambtenarenzaken om na te gaan of het preselectiecomité regelmatig is samengesteld en functioneert, en met name heeft voldaan aan zijn verplichting tot onpartijdigheid, daar die verplichting tot onpartijdigheid een van de regels is die de werkzaamheden van de jury van een vergelijkend onderzoek en, naar analogie, die van een preselectiecomité beheersen, en die onderworpen zijn aan het toezicht van de Unierechter.

(cf. punt 86)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Meierhofer/Commissie, F‑74/07 RENV, EU:F:2011:63, punt 62

4.      In een procedure ter voorziening in een ambt van directeur van een agentschap van de Unie die zich afspeelt in twee fasen en waarin de benoemende instantie enkel een van de voorgeselecteerde en op de bij besluit van de Commissie vastgestelde lijst opgenomen kandidaten kan benoemen tot directeur, dient na de nietigverklaring van dat besluit van de Commissie, het besluit tot benoeming van een van de op de lijst opgenomen kandidaten nietig te worden verklaard.

(cf. punt 101)