Language of document : ECLI:EU:F:2015:23

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

26 maart 2015

Zaak F‑124/13

CW

tegen

Europees Parlement

„Openbare dienst – Ambtenaren – Beroep tot nietigverklaring – Artikel 12 bis van het Statuut – Interne regels betreffende het raadgevend comité geweld en de voorkoming ervan op het werk – Artikel 24 van het Statuut – Verzoek om bijstand – Kennelijke beoordelingsfouten – Geen kennelijke beoordelingsfouten – Rol en bevoegdheden van het raadgevend comité geweld en de voorkoming ervan op het werk – Facultatieve inschakeling door de ambtenaar – Beroep tot schadevergoeding”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee CW vraagt om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 8 april 2013 tot afwijzing van het verzoek om bijstand ingediend wegens het psychisch geweld dat zij van haar hiërarchieke meerderen zou ondervinden en, ten tweede, veroordeling van het Parlement tot betaling van een schadevergoeding aan haar.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Het Europees Parlement draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van CW. CW draagt de helft van haar eigen kosten.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Afwijzend besluit – Inaanmerkingneming van daarin gegeven motivering

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren – Bijstandsverplichting van de administratie – Werkingssfeer – Omvang – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 24)

3.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Gedraging die tot doel of gevolg heeft dat de belanghebbende in diskrediet wordt gebracht of zijn werkomstandigheden worden aangetast – Vereiste van herhaalde gedraging – Vereiste van opzettelijke gedraging – Strekking – Ontbreken van vereiste van boos opzet van de geweldpleger

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

4.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Afwijzing van verzoek om deelneming aan een taalcursus – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

5.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Reorganisatie van taken binnen een eenheid – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

6.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Sarcastische toon van hiërarchieke meerdere in een aan de betrokkene gezonden mededeling – Daarvan uitgesloten – Inaanmerkingneming van het gedrag van de ambtenaar

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

7.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Controle van informatie verkregen tijdens vergaderingen van een werkgroep door de vertegenwoordiger van een eenheid vóór de verspreiding ervan aan de eenheid – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

8.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Instructies aan de ambtenaar om middels een aan de hele eenheid gerichte e-mail excuses te maken aan zijn chef – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

9.      Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Beoordeling van de beroepsbekwaamheden van een ambtenaar door een collega die zich negatief over hem heeft geuit – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, lid 3)

10.    Ambtenaren – Psychisch geweld – Begrip – Globaal onderzoek van alle gebeurtenissen

(Ambtenarenstatuut, art. 11, 12 bis, lid 3, en 24)

11.    Ambtenaren – Bijstandsverplichting van de administratie – Uitvoering op het gebied van psychisch geweld – Verplichting van de belanghebbende om vóór de indiening van een verzoek om bijstand eerst het raadgevend comité geweld in te schakelen – Geen verplichting

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis en 24)

12.    Ambtenaren – Bijstandsverplichting van de administratie – Uitvoering op het gebied van psychisch geweld – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Besluit tot afwijzing van een verzoek om bijstand zonder administratief onderzoek – Inaanmerkingneming van elementen die de indiener van het verzoek heeft verstrekt en die welke bij de administratie bekend zijn – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis en 24)

1.      Gelet op het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure moet de motivering in het besluit tot afwijzing van de klacht ook in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de rechtmatigheid van het oorspronkelijke bezwarende besluit, daar deze motivering wordt geacht samen te vallen met laatstgenoemd besluit.

(cf. punt 33)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Mocová/Commissie, F‑41/11, EU:F:2012:82, punt 21

2.      Wat maatregelen betreft die moeten worden genomen in een situatie die binnen de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut valt, kan een instelling alleen tuchtmaatregelen nemen tegen de in een klacht wegens geweld bedoelde ambtenaren, of het nu de hiërarchieke meerderen van het vermeende slachtoffer betreft of niet, of zelfs besluiten hen over te plaatsen, indien op grond van de gelaste onderzoeksmaatregelen met zekerheid kan worden vastgesteld dat de betrokken ambtenaren zich op een wijze hebben gedragen die schadelijk is voor de goede werking van de dienst of voor de waardigheid en de reputatie van een andere ambtenaar.

(cf. punt 40)

Referentie:

Hof: arrest Katsoufros/Hof van Justitie, 55/88, EU:C:1989:409, punt 16

Gerecht van eerste aanleg: arresten Dimitriadis/Rekenkamer, T‑294/94, EU:T:1996:24, punt 39, en Schmit/Commissie, T‑144/03, EU:T:2005:158, punt 108

3.      Psychisch geweld wordt gedefinieerd als „onbehoorlijk gedrag” dat bestaat in, ten eerste, gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften „die zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voordoen”, hetgeen veronderstelt dat psychisch geweld moet worden begrepen als een proces dat noodzakelijkerwijs een zekere duur heeft en dat er sprake is van herhaaldelijk of voortdurend verrichte handelingen, die „opzettelijk” zijn, en niet „toevallig”. Ten tweede moeten die gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften, om onder dat begrip te vallen, tot gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon worden aangetast.

Er behoeft dus niet te worden vastgesteld dat deze gedragingen, woorden, handelingen, gebaren of geschriften de bedoeling hadden om de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of de psychische integriteit van een persoon aan te tasten. Met andere woorden, er kan sprake zijn van psychisch geweld zonder dat wordt aangetoond dat de geweldpleger met zijn handelingen het slachtoffer in diskrediet heeft willen brengen of zijn werkomstandigheden bewust heeft willen aantasten. Het volstaat dat zijn handelingen, wanneer zij bewust werden verricht, objectief dergelijke gevolgen hadden.

(cf. punten 41 en 42)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Cantisani/Commissie, F‑71/10, EU:F:2012:71, punt 89, en CQ/Parlement, F‑12/13, EU:F:2014:214, punten 76 en 77, en aldaar aangehaalde rechtspraak

4.      Dat de hiërarchieke meerdere het verzoek van een van zijn ondergeschikten om deel te nemen aan een taalcursus ondersteunt en dat dit verzoek vervolgens door de bevoegde dienst wordt afgewezen, kan niet als psychisch geweld worden aangemerkt.

Het onderzoek van de verzoeken om deelneming aan taalcursussen, die ten dele of volledig gedurende de werktijd en buiten de werkplek worden georganiseerd en worden gefinancierd door de instelling, valt immers onder de dienst belast met de beroepsopleiding die de aanvragen onderzoekt teneinde daaruit, gelet op de budgettaire mogelijkheden, de personen te kiezen die voldoen aan de door de instelling gestelde voorwaarden voor wat betreft het dienstbelang.

Ook al kan redelijkerwijs van een hoofd van een eenheid worden verwacht dat hij algemeen de ter zake geldende regels kent, er kan van hem niet worden verlangd dat hij kan bepalen of voorspellen dat een verzoek om deelneming van één van zijn ondergeschikten voldoet aan de voorwaarden om te worden gehonoreerd.

(cf. punten 51 en 52)

5.      Een besluit van het hoofd van een eenheid om een taak weg te halen bij één van zijn ondergeschikten kan tijdens een vergadering van de eenheid worden aangekondigd, zonder dat dit op zich kan worden aangemerkt als psychisch geweld.

Evenmin kan een besluit van een meerdere om tijdelijk bepaalde bijkomende beroepstaken bij een ambtenaar weg te halen, op zich een bewijs van psychisch geweld vormen of worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid.

(cf. punten 64 en 105)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest K/Parlement, F‑15/07, EU:F:2008:158, punt 38

6.      Toevallige woorden of handelingen vallen, zelfs al blijken zij ongepast te zijn, buiten de werkingssfeer van artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut.

Zo kan een bijeenkomst tussen een ambtenaar en zijn directeur, die wordt gehouden in aanwezigheid van het hoofd van zijn eenheid, vanuit het oogpunt van een onpartijdig en redelijke waarnemer gemakkelijk lijken op een ultieme poging van de meerderen om een einde te maken aan een moeilijke situatie, zoals het geval is bij escalatie van de e-mails van de betrokken ambtenaar, met name wanneer deze voornamelijk worden verzonden gedurende tijden die normaliter aan het werk worden gewijd of wanneer terugkerende spanningen de werking van de eenheid verstoren.

Aangaande de stelling van die ambtenaar dat de directeur hem mondeling heeft meegedeeld dat een hoofd van een eenheid altijd gelijk heeft en naar hem moet worden geluisterd, moet worden opgemerkt dat, afgezien van de noodzaak dat bewijs moet worden geleverd om het bestaan, de toon of de strekking van die verklaring te kunnen begrijpen, het hoe dan ook inherent is aan het functioneren van een administratie dat de meerderen kunnen beslissen over kwesties zoals die betreffende de vaststelling van processen-verbaal of de communicatiewijzen waaraan de voorkeur moet worden gegeven tussen de leden van een administratieve eenheid, met name wanneer er sprake is van situaties van kennelijke uitbarstingen die ontaarden in persoonlijke conflicten.

Zelfs al kan de toon van bepaalde e-mails die de meerderen aan de betrokken ambtenaar hebben gezonden nogal krachtig lijken, de eventueel geïrriteerde reacties van meerderen kunnen in bepaalde omstandigheden in elk geval worden aangemerkt als verontschuldigbaar, gelet op de gedraging van de ambtenaar.

Het feit dat een hoofd van een eenheid een ambtenaar een e-mail stuurt waarvan de inhoud door laatstgenoemde als sarcastisch kan worden opgevat, overschrijdt bovendien niet de grenzen van redelijke kritiek, met name wanneer de betrokken ambtenaar blijk heeft gegeven van strijdlustigheid en van een neiging tot twist over een geschil met zijn hiërarchieke meerdere.

(cf. punten 66, 72, 73, 94 en 97)

Referentie:

Hof: arrest Fonzi/Commissie, 27/64 en 30/64, EU:C:1965:73, blz. 640

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten CW/Parlement, F‑48/13, EU:F:2014:186, punt 123, en CQ/Parlement, EU:F:2014:214, punt 95

7.      Een besluit van het hoofd van een eenheid om kennis te nemen van de inhoud van informatie die tijdens vergaderingen van een werkgroep is verkregen door de vertegenwoordiger van de eenheid alvorens deze te verspreiden aan de hele eenheid, valt niet onder psychisch geweld. Een dergelijk besluit behoort immers tot de bevoegdheden van het hoofd van een eenheid en is heel begrijpelijk, gelet op het gevaar dat de verspreiding van onjuiste informatie de goede werking van de eenheid kan verstoren, welk gevaar des te groter is wanneer het gaat om een nieuw aangesteld persoon die deze taak voor het eerst vervult.

(cf. punt 77)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest CQ/Parlement, EU:F:2014:214, punten 102‑104

8.      Aangaande feiten verband houdende met een klacht wegens psychisch geweld moet worden vastgesteld dat, wanneer de betrokkene tijdens een vergadering van de eenheid publiekelijk ten onrechte het gezag en de geloofwaardigheid van zijn rechtstreekse hiërarchieke meerdere ter discussie heeft gesteld, namelijk het hoofd van zijn eenheid, en wanneer hij, in een e-mail aan het hoofd van de eenheid waarvan alle leden van de eenheid een kopie hebben ontvangen, het hoofd van zijn eenheid nieuwe vermaningen geeft, de order van de directeur aan hem om aan diezelfde betrokkenen zijn excuses te maken niet de grenzen overschrijdt van zijn beoordelingsbevoegdheid bij het beheer van zijn diensten. Meer bepaald, gelet op het feit dat het hoofd van de eenheid zonder reden binnen de eenheid en tegenover zijn hiërarchieke meerdere, namelijk de directeur, aan de schandpaal is genageld, kan de directeur eveneens eisen dat de excuses die de betrokkene reeds aan het hoofd van de eenheid had aangeboden ook aan de leden van de eenheid worden aangeboden.

Gelet op het feit dat de directeur, ofschoon hij een tekst suggereert voor die excuserende e-mail, het aan de betrokkene overlaat om zijn excuses te formuleren, kan een onpartijdig en redelijk waarnemer, die begiftigd is met een normale gevoeligheid en in dezelfde omstandigheden is geplaatst, van mening zijn dat een dergelijk optreden van de directeur niet buitensporig en vatbaar voor kritiek is en dat dit geen handeling vormt die onder het begrip psychisch geweld valt, maar eerder een poging om een personeelslid wiens gedrag de goede werking van de dienst in gevaar kan brengen weer op het goede spoor te brengen.

(cf. punten 91 en 93)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Nanopoulos/Commissie (C‑30/08, EU:C:2010:43, punt 247).

9.      Dat een collega die zich in het verleden negatief heeft uitgelaten over gedragingen van de betrokken ambtenaar deel uitmaakt van een jury die zijn taalkundige vaardigheden moet onderzoeken, kan niet worden aangemerkt als een blijk van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.

(cf. punt 114)

10.    Na de aangevoerde gebeurtenissen afzonderlijk te hebben onderzocht en te hebben geconcludeerd dat zij niet kunnen worden aangemerkt als blijken van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, moeten deze ook nog globaal worden onderzocht.

In de omstandigheden van het onderhavige geval wijzen de aangevoerde gebeurtenissen, in hun geheel bezien, weliswaar op een conflictueuze relatie in een moeilijke administratieve context, doch getuigen zij niet van handelingen die misbruik opleveren of opzettelijk zijn, daar de gedocumenteerde woorden en gedragingen hoogstens erop duiden dat de hiërarchie slecht is omgegaan met een conflictueuze situatie, maar niet op een bewuste wil om verzoeker onheus te behandelen.

Meer bepaald, wanneer het gaat om een gedraging van de ambtenaar, het vermeende slachtoffer, die doortrokken is van koppigheid, onverzettelijkheid en soms bijna insubordinatie, kan de betrokkene niet stellen dat hij de besluiten van zijn hiërarchieke meerderen niet begrijpt. De strekking van de begrippen psychisch geweld en bijstandsplicht, bedoeld in de artikelen 12 bis en 24 van het Statuut, kan niet zo ver gaan dat het vermeende slachtoffer systematisch elk hiërarchisch gezag ter discussie kan stellen of zich zelfs vrij kan achten van de in het Statuut uitdrukkelijk voorziene verplichtingen, zoals die betreffende de verlofregeling of de verplichting van loyale samenwerking met zijn meerderen.

Er zij eveneens aan herinnerd dat de in artikel 11 van het Statuut voorziene loyaliteitsplicht evenals de op grond van artikel 12 van het Statuut op de ambtenaar rustende verplichting om zich te onthouden van elke handeling of gedraging die afbreuk kan doen aan de waardigheid van zijn functie, voor de ondergeschikte de verplichting meebrengen om het gezag van zijn meerderen niet zonder grond ter discussie te stellen en, in elk geval, de verplichting om bij de verzending van e-mails in het kader daarvan en bij de keuze van de ontvangers van die e-mails blijk te geven van mate en voorzichtigheid.

In een situatie waarin de ambtenaar die slachtoffer zou zijn op geen enkele wijze wordt beroofd van zijn belangrijkste taken, heeft het wegnemen van bepaalde bijkomende taken, zelfs al verrichtte de betrokkene deze graag, in de meer globale context van gebeurtenissen die duiden op ongepast gedrag van de ambtenaar tegenover zijn meerderen, objectief niet tot gevolg dat zijn persoonlijkheid, zijn waardigheid of zijn fysieke of psychische integriteit worden aangetast.

(cf. punten 117, 118, 122 en 123)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Lo Giudice/Commissie (T‑154/05, EU:T:2007:322, punten 104 en 105).

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Tzirani/Commissie, F‑46/11, EU:F:2013:115, punt 97, en CQ/Parlement, EU:F:2014:214, punt 128

11.    In tegenstelling tot de bewoordingen en het doel van artikel 12 bis van het Statuut, heeft artikel 24 van het Statuut niet specifiek betrekking op het voorkomen of bestrijden van geweld, maar biedt het meer algemeen aan elke in het Statuut bedoelde persoon de mogelijkheid om zich tot het tot aanstelling bevoegd gezag te wenden met de vraag om een maatregel te treffen om de ambtenaar bij te staan, met name bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hij zelf uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaat.

Voor de indiening van een verzoek om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut is dus, zelfs wanneer het verzoek om bijstand betrekking heeft op een geval van geweld, niet vereist dat de belanghebbende eerst het raadgevend comité geweld van een instelling inschakelt, dat is ingesteld op basis van artikel 12 bis van het Statuut, alvorens zich tot het tot aanstelling bevoegd gezag te kunnen wenden, dat als enige bevoegd is om het verzoek om bijstand te behandelen.

(cf. punten 137 en 138)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Faita/EESC, F‑92/11, EU:F:2013:130, punt 91

12.    Wanneer bij de instelling een verzoek om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut wordt ingediend, dient zij in beginsel de juiste maatregelen te treffen, met name door een onderzoek in te stellen teneinde de aan de klacht ten grondslag liggende feiten in samenwerking met de klager vast te stellen.

Met betrekking tot de wettigheid van een besluit om een dergelijk verzoek om bijstand zonder instelling van een administratief onderzoek af te wijzen, moet de Unierechter echter de gegrondheid van dat besluit onderzoeken, gelet op de elementen die ter kennis van de administratie zijn gebracht, met name door de betrokken ambtenaar in zijn verzoek om bijstand, op het moment dat zij zich daarover uitsprak.

Het tot aanstelling bevoegd gezag mag bij de behandeling van het verzoek om bijstand rekening houden met alle informatie waarover het reeds beschikt en waarnaar de betrokkene in zijn verzoek om bijstand direct of indirect verwijst.

Wanneer een nieuw onderzoek meebrengt dat dezelfde betrokkenen moeten worden ondervraagd als die welke reeds zijn gehoord in het kader van een onderzoek naar feiten die voor sommigen van hen identiek zijn en dat onderzoek niet noodzakelijkerwijs nieuwe gezichtspunten brengt ten opzichte van de voldoende uitvoerige bewijselementen die de klager aan het tot aanstelling bevoegd gezag heeft voorgelegd, maakt de instelling geen kennelijke beoordelingsfout bij de keuze van de maatregelen en middelen krachtens artikel 24 van het Statuut, ten aanzien waarvan zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, en schendt zij deze bepaling derhalve niet wanneer zij weigert om de instelling van een nieuw onderzoek op grote schaal te gelasten. Het tot aanstelling bevoegd gezag mag zich immers op het standpunt stellen dat het voldoende kennis van de feiten heeft om het verzoek om bijstand ongegrond te verklaren, zonder het nodig te achten om het raadgevend comité geweld of enig andere instantie te belasten met het houden van aanvullende onderzoeken.

Wanneer het de klacht tegen het besluit om geen bijstand te verlenen afwijst op grond dat deze prematuur zou zijn, aangezien de verzoekende partij zich vooraf tot het raadgevend comité geweld had moeten wenden, baseert het tot aanstelling bevoegd gezag zich echter op een onjuiste grond waardoor ambtenaren en functionarissen kunnen worden misleid over de respectieve bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het raadgevend comité en van het tot aanstelling bevoegd gezag op het gebied van psychisch geweld, daar laatstgenoemd gezag als enige bevoegd is om een op artikel 24 van het Statuut gebaseerd verzoek om bijstand te behandelen.

(cf. punten 142, 143, 145, 147, 150 en 154)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Faita/EESC, EU:F:2013:130, punt 98