Language of document : ECLI:EU:F:2015:20

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Enkelvoudige kamer)

24 maart 2015

Zaak F‑61/14

Carola Maggiulli

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Bevordering – Bevorderingsronde 2013 – Besluit houdende weigering van bevordering – Vergelijking van verdiensten”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Maggiulli vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie om haar in het kader van de bevorderingsronde 2013 niet naar de rang AD 13 te bevorderen.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Maggiulli draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Omvang – Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten – Andere elementen die in aanmerking kunnen worden genomen

(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen – Kennelijk onjuiste beoordeling – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)

1.      Op grond van artikel 45, lid 1, van het Statuut houdt het tot aanstelling bevoegd gezag bij de bevordering naar een hogere rang van de functiegroep waartoe de ambtenaar behoort met het oog op de vergelijking van de verdiensten met name rekening met de beoordelingsrapporten die over de ambtenaren zijn uitgebracht, het gebruik, in de uitoefening van hun functie, van andere talen dan de taal waarvoor zij van een grondige kennis blijk hebben gegeven en zo nodig met de verantwoordelijkheden die de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren hebben gedragen. Deze drie belangrijke feitelijke elementen moeten verplicht in aanmerking worden genomen bij de vergelijking van de verdiensten. Wanneer de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren op basis van de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk genoemde elementen gelijk zijn, kan het tot aanstelling bevoegd gezag subsidiair andere elementen in aanmerking nemen, zoals de leeftijd van de kandidaten en hun anciënniteit in de rang of de dienst.

(cf. punt 28)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Casini/Commissie, T‑132/03, EU:T:2005:324, punt 57

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Bouillez e.a./Raad, F‑53/08, EU:F:2010:37, punt 50, en AC/Raad, F‑9/10, EU:F:2011:160, punt 25

2.      Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt voor de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren over een ruime beoordelingsbevoegdheid en de controle van de Unierechter moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. Het Gerecht voor ambtenarenzaken kan zijn oordeel over de kwalificaties en de verdiensten van de kandidaten dus niet in de plaats stellen van dat van het gezag. Het staat dus niet aan de Unierechter om de juistheid van de door de administratie gegeven beoordeling van de beroepsbekwaamheden van een ambtenaar te onderzoeken, welke beoordeling complexe waardeoordelen inhoudt die naar hun aard niet vatbaar zijn voor objectieve toetsing. Het staat evenmin aan het Gerecht voor ambtenarenzaken om alle dossiers van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten uitvoerig te onderzoeken teneinde zich ervan te vergewissen dat het instemt met de conclusie van het tot aanstelling bevoegd gezag, aangezien het daarmee buiten het kader van zijn wettigheidcontrole zou treden door zijn eigen oordeel over de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten in de plaats te stellen van dat van het tot aanstelling bevoegd gezag.

De aldus aan de administratie toegekende beoordelingsbevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de verdiensten zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt weliswaar over de statutaire bevoegdheid om die vergelijking volgens de door hem meest geschikte procedure of methode uit te voeren, doch in de praktijk moet zij plaatsvinden op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen.

In het kader van het toezicht dat de Unierechter uitoefent over de keuze die de administratie op het gebied van bevordering heeft gemaakt, is sprake van een kennelijke fout wanneer deze gemakkelijk herkenbaar is en duidelijk aan het licht kan worden gebracht aan de hand van de criteria waarvan de wetgever bevorderingsbesluiten op grond van artikel 45, lid 1, van het Statuut afhankelijk heeft willen stellen. Om vast te stellen dat de administratie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van een besluit kan rechtvaardigen, moeten de door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen. Met andere woorden, het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout moet worden afgewezen indien de betrokken beoordeling ondanks de door de verzoeker aangevoerde elementen juist of geldig kan worden geacht.

(cf. punten 29‑31)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Casini/Commissie, EU:T:2005:324, punten 52 en 53

Gerecht van de Europese Unie: arresten Canga Fano/Raad, T‑281/11 P, EU:T:2013:252, punten 35, 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Stols/Raad, T‑95/12 P, EU:T:2014:3, punt 31

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten AC/Raad, EU:F:2011:160, punten 22 en 24; Buxton/Parlement, F‑50/11, EU:F:2012:51, punt 38, en beschikking Debaty/Raad, F‑47/13, EU:F:2013:215, punt 33