Language of document : ECLI:EU:F:2015:82

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

8 juli 2015 (*)

„Openbare dienst – Personeel van ACER – Arbeidscontractant – Niet-verlenging van een overeenkomst – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid van het beroep – Exceptie van onwettigheid van artikel 6, lid 2, AUB van ACER gelet op artikel 85, lid 1, RAP – Beroep tot schadevergoeding – Opzeggingstermijn – Immateriële schade – Vergoeding”

In zaak F‑34/14,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU,

DP, voormalig arbeidscontractante van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators wonende te Idrija (Slovenië), vertegenwoordigd door S. Pappas, advocaat,

verzoekster,

tegen

Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet en S. Vaona als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch, president, M. I. Rofes i Pujol en E. Perillo (rapporteur), rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 maart 2015,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 11 april 2014, vraagt DP om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 20 december 2013 waarbij de directeur van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER of hierna: „Agentschap”) heeft geweigerd om haar overeenkomst te verlengen en, ten tweede, veroordeling van ACER tot betaling aan haar van een bedrag van 10 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden.

 Toepasselijke bepalingen

2        De toepasselijke bepalingen zijn allereerst de artikelen 3 bis en 85, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „RAP”).

3        Verder is toepasselijk artikel 28, „Personeel”, van verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting [van ACER] (PB L 211, blz. 1), dat luidt:

„1. Het Statuut [van de ambtenaren van de Europese Unie], de [RAP] en de regels die de instellingen van de [Europese Unie] gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing [van dit] statuut en [van de RAP], zijn van toepassing op het personeel van het [A]gentschap, met inbegrip van de directeur.

2. De raad van bestuur stelt in overleg met de [Europese] Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vast volgens de regelingen van artikel 110 van het Statuut [van de ambtenaren van de Europese Unie].

[...]”

4        Bovendien bepaalt artikel 6, „Duur van de overeenkomsten”, van besluit 2011/11 van de raad van bestuur van ACER van 1 juni 2011, betreffende de vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen van de procedures voor de aanstelling en de inzet van arbeidscontractanten bij ACER (hierna: „AUB”):

„1.      De [arbeidscontractanten in de zin van artikel 3 bis van de RAP] kunnen, wanneer het hun eerste overeenkomst betreft, worden aangesteld voor een vaste periode van minimaal drie maanden en maximaal vijf jaar.

2.      In de functiegroepen II, III en IV vindt elke verlenging van de overeenkomst plaats voor een [bepaalde tijd] van minimaal drie maanden en maximaal vijf jaar. Een tweede verlenging zonder onderbreking die een overeenkomst voor onbepaalde tijd oplevert kan alleen worden verleend indien de gecumuleerde duur van de eerste twee overeenkomsten minimaal vijf jaar bedraagt.

[...]”

5        Ten slotte bepaalt artikel 2, derde alinea, van besluit 2013/11 van de directeur van ACER van 28 mei 2013, betreffende de verlenging van overeenkomsten vóór de afloop ervan (hierna: „besluit 2013/11”), dat „[i]n het geval van een functionaris die gedurende een periode van meer dan [één] jaar, maar minder dan [drie] jaar, werkzaam is geweest op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd, het besluit om de overeenkomst al dan niet te verlengen ten laatste [drie] maanden vóór de afloop van die overeenkomst moet worden genomen en meegedeeld”.

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

6        Verzoekster is op 1 januari 2011 door ACER aangeworven als arbeidscontractante in de zin van artikel 3 bis RAP, en wel in de functiegroep II, rang 5, salaristrap 1. De overeenkomst is gesloten voor één jaar, tot en met 31 december 2011, en vervolgens bij een aanhangsel voor een eerste keer verlengd voor een duur van twee jaar, tot en met 31 december 2013.

7        Bij e-mail van 15 maart 2013 heeft verzoekster de dienst Human Ressources van ACER (hierna: „dienst HR”) haar belangstelling kenbaar gemaakt voor een tweede verlenging van haar overeenkomst. De directeur van ACER (hierna: „directeur”) is hiervan in zijn hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van ACER (hierna: „TAOBG”) eveneens op de hoogte gesteld.

8        Na op 1 oktober 2013 een e-mail van de dienst HR te hebben ontvangen waarbij haar werd meegedeeld dat de „procedure voor de verlenging van [haar] overeenkomst gaande [was]” en dat de directeur „het dossier [de volgende dag] zou ondertekenen”, is verzoekster op 2 oktober 2013 een overeenkomst aangeboden van arbeidscontractante in de zin van artikel 3 bis RAP, onder dezelfde voorwaarden van functiegroep, rang en salaristrap als de overeenkomst die op 31 december 2013 zou aflopen, voor een bepaalde tijd van twee jaar met ingang van 1 januari 2014.

9        Daar zij van mening was dat zij bij die overeenkomst niet in de juiste salaristrap werd ingedeeld en dat deze geen verlenging van de oorspronkelijke overeenkomst vormde, heeft verzoekster deze niet ondertekend en heeft zij de dienst HR op 9 oktober 2013 om „correctie” gevraagd. Na een mailwisseling tussen verzoekster en de diensten van ACER heeft de directeur verzoekster op 31 oktober 2013 meegedeeld dat hij het standpunt van de dienst HR afwachtte alvorens een besluit te nemen.

10      Op 11 november 2013 heeft de directeur verzoekster aangegeven dat de dienst HR en de juridische dienst van ACER naar aanleiding van een bijeenkomst bezig waren om de mogelijkheid te onderzoeken om het aanhangsel te wijzigen waarbij de oorspronkelijke overeenkomst voor een duur van twee jaar was verlengd, teneinde deze duur naar vier jaar te brengen. Verzoekster heeft in wezen geantwoord dat zij zich verliet op het Agentschap om een oplossing te vinden die in overeenstemming was met de geldende regeling en dat zij weldra de „gecorrigeerde versie [...] van de verlenging van [h]aar overeenkomst” hoopte te ontvangen.

11      Bij e-mail van 25 november 2013 heeft de juridische dienst van het Agentschap het directoraat-generaal (DG) Personele Middelen en Veiligheid van de Europese Commissie in wezen gevraagd of het onder de omstandigheden van het geval mogelijk was om, gelet op artikel 6 AUB, verzoeksters overeenkomst te verlengen.

12      Bij e-mail van 27 november 2013 heeft het DG Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie een advies van haar eenheid Betrekkingen met de overheden, de agentschappen en de administratieve bureaus aan de dienst HR gezonden. Dit juridisch advies preciseerde dat de beoogde verlenging niet voldeed aan artikel 6, lid 2, AUB, maar dat deze bepaling zelf strijdig was met artikel 85, lid 1, RAP, aangezien deze in geen enkele mogelijkheid van afwijking voorzag. Volgens het advies moest in deze omstandigheden het betoog uit het arrest Commissie/Petrilli (T‑143/09 P, EU:T:2010:531) worden gevolgd en moest ervan worden uitgegaan dat het TAOBG verzoeksters overeenkomst kon verlengen, op voorwaarde dat het aangaf waarom het dienstbelang in de bijzondere omstandigheden van het geval een afwijking van artikel 6, lid 2, AUB rechtvaardigde. In het advies werd voorts aangegeven dat artikel 6 AUB vervolgens kon worden gewijzigd teneinde in een mogelijkheid van afwijking te voorzien, eventueel vergezeld van procedurele waarborgen.

13      Op 12 december 2013 heeft de directeur tijdens de vergadering van de raad van bestuur van ACER de leden van dat bestuur gewezen op een mogelijke strijdigheid van artikel 6, lid 2, AUB met de RAP. Uit het proces-verbaal van deze bijeenkomst blijkt dat de directeur de raad van bestuur eveneens heeft geïnformeerd over het feit dat ACER was geconfronteerd met het geval van een functionaris wier overeenkomst reeds voor een eerste keer was verlengd zonder dat de gecumuleerde duur van de oorspronkelijke overeenkomst en van de eerste verlenging vijf jaar bedroeg en dat deze dus waarschijnlijk niet voor een tweede keer kon worden verlengd.

14      Bij e-mail van 19 december 2013 heeft verzoekster de directeur in wezen meegedeeld dat zij bereid was om het voorstel voor wijziging van het aanhangsel bij haar oorspronkelijke overeenkomst, waardoor de duur van de eerste verlenging van twee naar vier jaar werd gebracht, te ondertekenen. Zij heeft aangegeven het niet eens te zijn met deze oplossing, maar geen andere oplossing te zien indien zij voor het Agentschap wilde blijven werken.

15      Bij e-mail en aangetekende brief van 20 december 2013, waarvan verzoekster de ontvangst heeft bevestigd op 20 respectievelijk 23 december 2013, heeft de directeur, handelend in zijn hoedanigheid van TAOBG, verzoekster op de hoogte gesteld van zijn besluit om haar overeenkomst niet te verlengen (hierna: „besluit tot niet-verlenging”). Hij beklemtoonde dit besluit te betreuren, doch preciseerde dat hij geen juridisch bevredigende oplossing had gevonden, gezien de bepalingen van artikel 85, lid 1, RAP en van artikel 6, lid 2, AUB. Het besluit tot niet-verlenging verwees niet naar het advies van de eenheid Betrekkingen met de overheden, de agentschappen en de administratieve bureaus dat het DG Personele Middelen en Veiligheid van de Commissie de dienst HR bij e-mail van 27 november 2013 had gezonden.

16      Bij e-mail van 22 december 2013 herinnerde verzoekster middels een opsomming aan de verschillende mogelijkheden die het Agentschap achtereenvolgens had gehad om haar overeenkomst te verlengen, en gaf zij aan dat zij wat haar betrof gewoon voor ACER wilde blijven werken (hierna: „e-mail van 22 december 2013”).

17      Bij e-mail van 23 december 2013 deelde de directeur verzoekster nogmaals mee dat het hem speet dat hij geen oplossing had gevonden om haar overeenkomst te verlengen en dat geen van de voorziene mogelijkheden „voldoende solide” was geacht „om uitvoerbaar te zijn”.

18      Bij e-mail van 30 december 2013 heeft verzoekster de directeur gevraagd om de gevolgen van het besluit tot niet-verlenging op te schorten, daar zij een klacht wilde indienen met daarin de argumenten van haar advocaat ter onderbouwing van de verlenging van haar overeenkomst. Zij beklemtoonde voorts het onverwachte karakter van het besluit tot niet-verlenging en gaf aan dat zij meende recht te hebben op een opzeggingstermijn.

19      Bij e-mail van 31 december 2013 herinnerde de directeur verzoekster eraan dat er geen „juridisch uitvoerbare” mogelijkheid voor de verlenging van haar overeenkomst was, doch hij verzekerde haar dat de dienst HR en de juridische dienst van het Agentschap de situatie opnieuw onderzochten en dat zij op de hoogte zou worden gesteld van een eventueel gunstige conclusie.

20      Bij e-mail van 3 januari 2014 heeft verzoekster de directeur aangegeven dat er bij het heronderzoek van haar situatie rekening moest worden gehouden met het beginsel van behoorlijk bestuur, met de mogelijkheid die de functionarissen door het nieuwe Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, dat vanaf 1 januari 2014 gold, werd geboden om af te wijken van de door de Commissie vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen, met het beginsel van de hiërarchie van normen, met de duidelijkheid van de bewoordingen van artikel 85, lid 1, RAP en, ten slotte, met de strijdigheid tussen artikel 6 AUB en artikel 85 RAP (hierna: „e-mail van 3 januari 2014”). Zij gaf eveneens aan dat zij, ondanks het feit dat zij negen maanden vóór de afloop van haar overeenkomst haar belangstelling voor de verlenging daarvan kenbaar had gemaakt, slechts een opzeggingstermijn van twee werkdagen na de kennisgeving van het besluit tot niet-verlenging had gekregen.

21      Eveneens op 3 januari 2014 deelde de directeur verzoekster mee dat haar e-mail van die dag aan de dienst HR en aan de juridische dienst van het Agentschap was gezonden en dat hij contact met haar zou opnemen zodra hij hun antwoord had ontvangen.

22      Bij e-mail van 13 januari 2014 heeft de directeur verzoekster meegedeeld dat hij met hulp van de dienst HR en de juridische dienst van het Agentschap haar situatie opnieuw had onderzocht in het licht van de argumenten in haar e-mail van 3 januari 2014, doch dat deze aanvullende argumenten hem geen rechtsgrondslag boden om de overeenkomst te kunnen verlengen (hierna: „besluit van 13 januari 2014”). Hij preciseerde dat artikel 85 RAP en artikel 6 AUB niet strijdig waren, dat de AUB vóór hun vaststelling aan de juridische dienst van de Commissie waren voorgelegd, die daartegen geen enkel bezwaar had gemaakt of opmerking had gemaakt, en dat de gezamenlijke toepassing van artikel 85 RAP en artikel 6 AUB hem in casu nauwelijks een keuze liet.

 Conclusies van partijen

23      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het besluit tot niet-verlenging nietig te verklaren;

–        ACER te veroordelen tot betaling van een bedrag van 10 000 EUR aan haar ter vergoeding van de immateriële schade die zij zou hebben geleden;

–        ACER te verwijzen in de kosten.

24      ACER verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van het beroep

 Argumenten van partijen

25      Volgens ACER is het beroep niet ingesteld binnen de termijn van artikel 91, lid 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de versie vóór de inwerkingtreding van verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de [RAP] (hierna: „Statuut”). De e-mail van 22 december 2013 en zelfs verzoeksters e-mail van 19 december 2013 moeten worden aangemerkt als een klacht tegen het besluit tot niet-verlenging in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Meteen de volgende dag, op 23 december 2013, heeft het Agentschap die klacht per e-mail beantwoord. Verzoeksters latere e-mails, die van 30 december 2013 en die van 3 januari 2014, vormen slechts een herhaling van de oorspronkelijke klacht. De twee besluiten ter beantwoording van die e-mails bevestigen dus slechts het besluit zoals opgenomen in de e-mail van 23 december 2013.

26      Daar de beroepstermijn op 23 december 2013 is gaan lopen, is het beroep van 11 april 2014 te laat ingesteld.

27      Volgens verzoekster is het beroep ontvankelijk. Ter terechtzitting heeft haar raadsman gevraagd om een nieuw stuk ter onderbouwing van de ontvankelijkheid van het beroep te mogen indienen.

 Beoordeling door het Gerecht

28      Er zij aan herinnerd dat de exacte juridische kwalificatie van de geschriften die verzoekster het TAOBG vóór de instelling van het beroep heeft toegezonden, uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat (zie in die zin arrest Politi/Europese Stichting voor opleiding, C‑154/99 P, EU:C:2000:354, punt 16).

29      De brief waarbij een ambtenaar duidelijk zijn wil kenbaar maakt om op te komen tegen het voor hem bezwarend besluit, zonder uitdrukkelijk om intrekking van het bestreden besluit te vragen, vormt een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. In dat opzicht is de inhoud van de handeling belangrijker dan de vorm (arrest Mendes/Commissie, F‑125/11, EU:F:2013:35, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      In casu moet allereerst worden opgemerkt dat verzoekster pas in de e-mail van 3 januari 2014 duidelijk haar wil kenbaar heeft gemaakt om op te komen tegen het besluit tot niet-verlenging, waarvan zij een „heronderzoek” heeft gevraagd, door een aantal gedetailleerde middelen aan te voeren (zie punt 20 van dit arrest). De e‑mail van 3 januari 2014 moet dus worden aangemerkt als klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

31      Vervolgens moet eveneens worden vastgesteld dat verzoekster in haar e-mail van 3 januari 2014 grieven heeft aangevoerd die noch in de e-mail van 19 december 2013 noch in die van 22 december 2013 waren opgenomen, met name de tegenstrijdigheid tussen artikel 6, lid 2, AUB en artikel 85 RAP en de schending van het beginsel van de hiërarchie der normen. Pas in zijn besluit van 13 januari 2014 heeft de directeur, in zijn hoedanigheid van TAOBG, voor het eerst geantwoord op die grieven. De beroepstermijn is dus in elk geval gaan lopen op de datum van kennisgeving van dat besluit dat een antwoord vormde op de aan een klacht gelijkstaande e-mail van 3 januari 2014, dat wil zeggen op 13 januari 2014 (zie voor de ontvankelijkheid van opeenvolgende klachten arresten Ghignone e.a./Raad, T‑44/97, EU:T:2000:258, punt 39; Collotte/Commissie, F‑58/07, EU:F:2008:170, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en D’Agostino/Commissie, F‑93/12, EU:F:2013:155, punt 30, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, zaak T‑670/13 P). Het op 11 april 2014 ingestelde beroep is dus niet tardief.

32      Hieruit volgt dat het door ACER aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid ontleend aan de te late instelling van het beroep, ongegrond is en moet worden afgewezen, zonder dat een uitspraak behoeft te worden gedaan over verzoeksters verzoek om een nieuw bewijsaanbod te mogen doen.

 Vordering tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging

33      Ter onderbouwing van haar vordering tot nietigverklaring heeft verzoekster in haar verzoekschrift een primair middel aangevoerd, ontleend aan de onwettigheid van artikel 85, lid 1, RAP, en een subsidiair middel, ontleend aan een onjuiste rechtvaardiging van het besluit tot niet-verlenging.

34      Ter terechtzitting heeft verzoeksters raadsman echter aangegeven af te zien van het subsidiaire middel.

35      Derhalve moet een uitspraak worden gedaan over het enige middel, ontleend aan de onwettigheid van artikel 6, lid 2, AUB in het licht van artikel 85, lid 1, RAP.

 Argumenten van partijen

36      Volgens verzoekster is artikel 6, lid 2, AUB, waarop het besluit tot niet-verlenging is gebaseerd, in strijd met artikel 85, lid 1, RAP.

37      Ten eerste voert artikel 6, lid 2, AUB, op grond waarvan het TAOBG slechts een tweede verlenging kan geven op voorwaarde dat de eerste twee overeenkomsten een periode van ten minste vijf jaar bestrijken, een uitzondering in op de in artikel 85, lid 1, RAP voorziene mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een tweede verlenging van de overeenkomst van arbeidscontractant. Artikel 6, lid 2, AUB beperkt de werkingssfeer van artikel 85, lid 1, RAP immers door voor de verlening van een tweede verlenging een voorwaarde in te voeren die in de RAP niet is voorzien, namelijk dat de belanghebbende ten minste vijf jaar bij het Agentschap heeft gewerkt.

38      Een dergelijke afwijking is onwettig, gelet op de hiërarchie der normen en op het feit dat de bepalingen van artikel 85, lid 1, RAP duidelijk, uitputtend en nauwkeurig zijn en de administratie geen enkele beoordelingsmarge geven om te beslissen dat bepaalde overeenkomsten niet voor een tweede keer kunnen worden verlengd. Artikel 6, lid 2, AUB heeft tot gevolg dat het Agentschap een verlenging van de overeenkomst voor een onbepaalde tijd kan verhinderen, door de functionaris willekeurig een eerste overeenkomst en verlenging aan te bieden met een gecumuleerde duur die korter is dan de vereiste duur van vijf jaar.

39      Ten tweede stelt verzoekster dat artikel 6, lid 2, AUB, voor zover het aldus moet worden uitgelegd dat het niet een uitzondering invoert op de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een tweede verlenging, maar op de regel dat de tweede verlenging voor onbepaalde tijd moet zijn, eveneens in strijd moet worden geacht met artikel 85, lid 1, RAP.

40      Dienaangaande stelt verzoekster onder verwijzing naar het arrest Scheefer/Parlement (F‑105/09, EU:F:2011:41, punten 51 en 53‑55) dat de regel betreffende de onbepaalde tijd van de tweede verlenging is ingevoerd om de zekerheid van de dienstverhouding te beschermen, een fundamenteel doel van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, en van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die daaraan is gehecht. Artikel 85, lid 1, RAP moet dus aldus worden uitgelegd dat daaraan een ruime strekking wordt gegeven, daar het tot doel heeft de administratie te beletten om haar bevoegdheid te misbruiken door gebruik te maken van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd.

41      Ten slotte heeft verzoeksters raadsman ter terechtzitting betoogd dat de AUB zijn vastgesteld zonder dat het personeelscomité van het Agentschap is geraadpleegd en dat zij niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt.

42      ACER concludeert tot afwijzing van het middel, daar artikel 6, lid 2, AUB niet in strijd is met artikel 85, lid 1, RAP en het besluit tot niet-verlenging dus niet op een onjuiste rechtsopvatting berust.

43      Ten eerste stelt ACER dat artikel 85, lid 1, RAP, overeenkomstig het arrest Commissie/Macchia (T‑368/12 P, EU:T:2014:266, punt 60), dat in casu naar analogie relevant is, niet aldus kan worden uitgelegd dat het de continuïteit van de dienstverhouding van arbeidscontractanten beoogt te waarborgen.

44      Ten tweede stelt ACER dat een arbeidscontractant met een overeenkomst voor bepaalde tijd volgens de rechtspraak geen recht op verlenging van zijn overeenkomst heeft, doch dat die verlenging slechts een mogelijkheid is, die afhangt van de voorwaarde dat deze in overeenstemming is met het dienstbelang. De administratie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake van de verlenging van overeenkomsten. De duur van de arbeidsverhouding tussen een instelling en een arbeidscontractant wordt geregeld door de overeenkomst die de partijen hebben gesloten.

45      De verlenging van overeenkomsten kan dus voorwaardelijk zijn, behoudens het geval waarin dit tot misbruik van overeenkomsten voor bepaalde tijd leidt. ACER heeft aan die verlenging een voorwaarde verbonden door middel van de AUB, die op transparante wijze de criteria geven waarop de besluiten tot verlenging berusten. De AUB zijn „aanvullend op en samenhangend met” artikel 85, lid 1, RAP.

46      Ten derde volgt artikel 6, lid 2, AUB het model dat de Commissie in 2011 heeft voorgesteld om enerzijds de regeling van de Agentschappen te harmoniseren en anderzijds te verzekeren dat er sprake is van een „symmetrie in de behandeling van arbeidscontracten en tijdelijk functionarissen” teneinde te vermijden dat arbeidscontractanten sneller een overeenkomst voor onbepaalde tijd kunnen krijgen dan de tijdelijk functionarissen binnen hetzelfde Agentschap. De Commissie heeft voorts de uitvoeringsregeling van ACER „goedgekeurd”.

47      Bovendien stelt ACER dat het niet in staat is geweest om volledig te voldoen aan de procedure zoals uiteengezet in besluit 2013/11, daar in casu niet was voldaan aan het „fundamentele voorafgaande criterium[,] namelijk in aanmerking te komen voor de verlenging”.

48      Ten slotte heeft ACER ter terechtzitting betoogd dat de grieven die verzoeksters raadsman tijdens die terechtzitting heeft aangevoerd en die zijn ontleend aan het ontbreken van raadpleging van het personeelscomité van ACER vóór de vaststelling van de AUB en het ontbreken van bekendmaking van die AUB, nieuw en derhalve niet-ontvankelijk zijn.

 Beoordeling door het Gerecht

49      Ter onderbouwing van de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging werpt verzoekster een exceptie van niet-ontvankelijkheid van artikel 6, lid 2, AUB op, gelet op artikel 85, lid 1, RAP.

50      Volgens artikel 85, lid 1, RAP wordt „de overeenkomst met een in artikel 3 bis [RAP] bedoelde arbeidscontractant gesloten voor bepaalde tijd, namelijk voor ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar. De overeenkomst mag ten hoogste eenmaal voor bepaalde tijd verlengd worden, voor ten hoogste vijf jaar. De [gecumuleerde] looptijd van de eerste overeenkomst en de eerste verlenging is [minimaal] zes maanden voor functiegroep I en negen maanden voor de andere functiegroepen. Na de eerste verlenging kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd. [...]”

51      Zoals ACER terecht heeft betoogd, moet eraan worden herinnerd dat artikel 85, lid 1, RAP weliswaar in de mogelijkheid van een tweede verlenging voorziet, doch dat het hierbij niet gaat om een aan de belanghebbende verleend recht noch om een garantie van een zekere continuïteit van de arbeidsverhouding, maar om een mogelijkheid die aan de beoordeling van het TAOBG is overgelaten. Volgens vaste rechtspraak hebben de instellingen een ruime beoordelingsbevoegdheid om hun diensten in overeenstemming met de hun opgedragen taken te organiseren en met het oog hierop het hun ter beschikking staande personeel te werk te stellen, mits deze tewerkstelling in het belang van de dienst plaatsvindt (zie in die zin arresten Commissie/Petrilli, EU:T:2010:531, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Commissie/Macchia, EU:T:2014:266, punten 49 en 60).

52      Artikel 6, lid 2, AUB stelt de mogelijkheid van een tweede verlenging van de overeenkomst voor een onbepaalde tijd echter afhankelijk van de onvermijdelijke voorwaarde dat de gecumuleerde duur van de eerste overeenkomst en de eerste verlenging ervan ten minste vijf jaar bedraagt. Wordt niet aan deze voorwaarde voldaan, dan is elke mogelijkheid van verlenging, op verzoek of ambtshalve, automatisch uitgesloten.

53      Wanneer een instelling of agentschap bevoegd is om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen ter aanvulling of uitvoering van de hiërarchisch hogere en dwingende bepalingen van het Statuut of de RAP, mag het bevoegd gezag echter niet contra legem gaan, met name door bepalingen vast te stellen waarvan de toepassing in strijd zou zijn met de bepalingen van het Statuut of waardoor die bepalingen hun nuttige werking wordt ontnomen, noch zich vrij achten van de eerbiediging van de algemene rechtsbeginselen, zoals het beginsel van behoorlijk bestuur, het beginsel van gelijke behandeling en dat van bescherming van het gewettigd vertrouwen (zie in die zin arrest Commissie/Petrilli, EU:T:2010:531, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Volgens de rechtspraak kunnen de in het kader van artikel 110, eerste alinea, van het Statuut vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen immers criteria geven die voor de administratie als leidraad kunnen fungeren bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid of de strekking van bepalingen van het Statuut kunnen preciseren die onvoldoende duidelijk zijn. Die algemene uitvoeringsbepalingen kunnen door middel van de precisering van een duidelijke statutaire term echter niet de werkingssfeer van het Statuut of de RAP beperken noch voorzien in regels die afwijken van hiërarchisch hogere bepalingen, zoals die van het Statuut en de RAP of van algemene rechtsbeginselen (arresten Brems/Raad, T‑75/89, EU:T:1990:88, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Ianniello/Commissie, T‑308/04, EU:T:2007:347, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Zo heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in het arrest Brems/Raad (EU:T:1990:88, punt 30) de artikelen 3 en 7 van het besluit van de Raad van 15 maart 1976 tot vaststelling van de algemene bepalingen ter uitvoering van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut onwettig verklaard, op grond dat zij, in een poging om de term „een persoon” in artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut te preciseren, minimum en maximum leeftijdsgrenzen hadden voorgeschreven voor personen die konden worden gelijkgesteld met een kind ten laste, en op die manier iedereen wiens leeftijd tussen de vastgestelde leeftijdsgrenzen lag ambtshalve hadden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, waardoor het tot aanstelling bevoegd gezag niet meer in elk concreet geval zijn beoordelingsbevoegdheid kon uitoefenen.

56      Gelet op de voorgaande overwegingen, moet worden vastgesteld dat artikel 6, lid 2, AUB de strekking van artikel 85, lid 1, RAP beperkt, doordat het een aanvullende voorwaarde invoert voor de verlenging van een overeenkomst van arbeidscontractant in de zin van artikel 3 bis RAP die niet in de RAP is voorzien en die de uitoefening van de aan de administratie verleende beoordelingsbevoegdheid verhindert, zonder dat die beperking objectief gerechtvaardigd kan worden door het dienstbelang. Behoudens wanneer de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk is voorzien, kan een intern besluit van ACER met een algemene strekking, zoals de AUB, echter niet op wettige wijze de strekking beperken van een regel die uitdrukkelijk in het Statuut of de RAP is voorzien (zie in die zin arrest Commissie/Petrilli, EU:T:2010:531, punten 31 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      De door ACER aangevoerde argumenten betreffende de doelstellingen die met de vaststelling van de AUB worden nagestreefd kunnen overigens niet worden aanvaard.

58      Ten eerste kan noch de noodzaak om de praktijk van de agentschappen en van de Commissie op het gebied van de aanstelling en de inzet van arbeidscontractanten te harmoniseren noch de noodzaak om te zorgen voor een „symmetrie” in de behandeling tussen tijdelijk functionarissen en arbeidscontractanten met betrekking tot de vereiste diensttijd om in aanmerking te komen voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd, zo deze vereisten al aangetoond zijn, een rechtvaardiging opleveren voor de niet-inachtneming van het beginsel van de hiërarchie der normen.

59      Ten tweede kan de omstandigheid dat de bepalingen van artikel 6, lid 2, AUB identiek zijn aan die van artikel 6 van besluit C(2004) 1313 van de Commissie van 7 april 2004, tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen voor de procedures voor de aanstelling en de inzet van arbeidscontractanten bij de Commissie, evenmin rechtvaardigen dat het TAOBG automatisch afziet van zijn beoordelingsbevoegdheid in het kader van de verlenging van de overeenkomst van een arbeidscontractant. Bovendien moet worden opgemerkt dat artikel 6 van besluit C(2011) 1264 van de Commissie van 2 maart 2011 betreffende de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 79, lid 2, RAP, die de arbeidsvoorwaarden regelen van arbeidscontractanten die door de Commissie worden aangesteld op basis van de artikelen 3 bis en 3 ter RAP, dat is vastgesteld vóór de AUB, geen voorwaarde meer bevat voor de minimumduur van de eerste overeenkomst en de eerste verlenging ervan om een tweede verlenging te kunnen krijgen.

60      Ten slotte heeft ACER in zijn verweerschrift nog betoogd dat „het Agentschap intern de mogelijkheid had overwogen om gebruik te maken van een vorm van uitzonderlijke behandeling”, doch dat „[verzoeksters] beoordelingen over de jaren 2011 en 2012 onvoldoende blijk gaven van uitzonderlijke prestaties om een uitzondering op de geldende regeling te kunnen rechtvaardigen”.

61      Een dergelijk argument kan echter geen antwoord vormen op de opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, daar artikel 6, lid 2, AUB niet voorziet in enige uitzondering op de voorwaarde van een gecumuleerde duur van vijf jaar voor de eerste overeenkomst en de eerste verlenging ervan.

62      In elk geval blijkt uit de stukken van het dossier en met name uit het besluit tot niet-verlenging dat ACER heeft geweigerd om verzoeksters overeenkomst te verlengen alleen op grond dat in casu niet was voldaan aan de voorwaarde van artikel 6, lid 2, AUB, namelijk dat de gecumuleerde duur van een eerste overeenkomst en een eerste verlenging ervan ten minste vijf jaar moet bedragen.

63      Volgens vaste rechtspraak kan de administratie in het stelsel van rechtswegen waarin de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorzien weliswaar ertoe worden gebracht om bij de uitdrukkelijke afwijzing van de klacht de motivering te wijzigen op basis waarvan zij het bestreden besluit had genomen, doch die wijziging kan niet plaatsvinden nadat bij het Gerecht voor ambtenarenzaken beroep is ingesteld tegen de bestreden handeling. Voorts mag de administratie in de loop van het geding een aanvankelijk onjuiste motivering niet vervangen door een volledig nieuwe (arrest Allen/Commissie, F‑23/10, EU:F:2011:162, punt 98).

64      De rechtvaardiging van het besluit tot niet-verlenging ontleend aan verzoeksters prestaties, die voor het eerst in de loop van het geding is aangevoerd, kan door het Gerecht dus niet in aanmerking worden genomen in het kader van zijn toetsing van de wettigheid van dat besluit.

65      Ten overvloede merkt het Gerecht op dat deze rechtvaardiging kennelijk in strijd is met de stukken van het dossier, waaruit blijkt dat het Agentschap herhaaldelijk heeft gezegd zijn arbeidsverhouding met verzoekster in stand te willen houden.

66      Gelet op de voorgaande overwegingen en in het licht van, met name, de in de punten 53 tot en met 56 van dit arrest genoemde rechtspraak, moet de exceptie van onwettigheid van artikel 6, lid 2, AUB worden aanvaard en moet het besluit tot niet-verlenging nietig worden verklaard, zonder dat een uitspraak behoeft te worden gedaan over de twee nieuwe grieven die verzoeksters raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd.

 Vordering tot schadevergoeding

 Argumenten van partijen

67      Volgens verzoekster heeft zij aanzienlijke immateriële schade geleden, die niet wordt hersteld door de nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging, en wel als gevolg van de vertraging van ACER bij de vaststelling en de kennisgeving van het besluit tot niet-verlenging, hetgeen in strijd is met artikel 2 van besluit 2013/11, dat daartoe voorziet in een opzeggingstermijn van drie maanden vóór het verstrijken van de lopende overeenkomst.

68      Het besluit tot niet-verlenging is haar pas op 20 december 2013 meegedeeld, dat wil zeggen een aantal dagen vóór de afloop van haar overeenkomst op 31 december 2013, terwijl haar sinds oktober steeds was verzekerd dat er een oplossing zou worden gevonden en dat haar overeenkomst zou worden verlengd. De onzekerheid en de psychologische druk als gevolg van die vertraging zouden zodanig zijn geworden dat verzoekster bereid was om het aanbod te aanvaarden van 19 december 2013, waarvan zij nochtans wist dat het onwettig was en strijdig met haar belangen op de lange termijn. De vertraging bij de verlenging van haar overeenkomst heeft dus de negatieve gevolgen van het besluit tot niet-verlenging verveelvoudigd. Na de kennisgeving van dit besluit heeft verzoekster overigens een hevige stressreactie gehad, welke op 23 december 2013 is gediagnosticeerd.

69      Verzoekster vraagt het Gerecht om het bedrag van de vergoeding voor de immateriële schade ex aequo et bono vast te stellen. Zij acht een bedrag van 10 000 EUR passend.

70      ACER erkent dat besluit 2013/11 in casu niet is geëerbiedigd, maar concludeert tot afwijzing van de schadevordering. Ten eerste heeft verzoekster geen enkel bewijselement overgelegd ter onderbouwing van de stelling betreffende haar gezondheidstoestand en is het oorzakelijk verband tussen de vertraging bij de vaststelling van het besluit tot niet-verlenging en de verslechtering van verzoeksters gezondheidstoestand hoe dan ook niet aangetoond.

71      Ten tweede betoogt ACER dat de verlenging van de overeenkomst geen recht is en dat verzoekster sinds de sluiting van het eerste aanhangsel in 2011 wist dat haar overeenkomst niet voor een tweede keer kon worden verlengd, omdat niet werd voldaan aan de voorwaarde van artikel 6, lid 2, AUB. Het Agentschap heeft haar gewezen op de juridische problemen in verband met de verlenging van haar overeenkomst.

72      Ten derde heeft ACER, door van oktober tot en met december 2013 te zoeken naar een juridisch aanvaardbare oplossing om verzoekster in dienst te houden, voldaan aan zijn zorgplicht en blijk gegeven van aandacht en begrip voor haar.

73      Subsidiair stelt ACER dat de vergoeding verminderd moet worden, gelet op het feit dat verzoekster slechts drie maanden werkloos is geweest voordat zij door de diensten van de Raad van de Europese Unie werd aangeworven in een positie die ten minste gelijkwaardig is aan die welke zij bij ACER had. Voorts heeft verzoekster tijdens de laatste maanden van haar werkzaamheden bij het Agentschap verschillende aanbiedingen van andere Europese instellingen gekregen, zodat zij de mogelijkheid heeft gehad om de negatieve gevolgen van de beëindiging van haar contractuele verhouding met ACER te verminderen of zelfs te elimineren.

 Beoordeling door het Gerecht

74      Volgens artikel 2, derde alinea, van besluit 2013/11 moet in het geval van een functionaris die gedurende een periode van meer dan een jaar maar van minder dan drie jaar zijn werkzaamheden heeft uitgeoefend op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd, het besluit om de overeenkomst al dan niet te verlengen ten laatste drie maanden vóór de afloop van die overeenkomst worden genomen en meegedeeld.

75      Vast staat dat het besluit tot niet-verlenging verzoekster is meegedeeld op 20 december 2013, dat wil zeggen slechts elf dagen vóór de afloop van haar overeenkomst op 31 december 2013, hetgeen dus duidelijk in strijd is met artikel 2, derde alinea, van besluit 2013/11.

76      Ofschoon besluit 2013/11 op 28 mei 2013 is vastgesteld, neemt dit niet weg dat artikel 6, lid 2, AUB, waarop het TAOBG zich voor het besluit tot niet-verlenging heeft gebaseerd, van kracht was sinds 1 juni 2011. ACER, die door verzoekster negen maanden vóór de afloop van haar overeenkomst was gewaarschuwd, beschikte dus over de nodige tijd om een oplossing voor de verlenging van haar overeenkomst te zoeken, zonder dat het de termijn diende te overschrijden die voor zijn besluit was gesteld.

77      Derhalve moet worden vastgesteld dat ACER een fout heeft gemaakt die recht op schadevergoeding kan doen ontstaan.

78      Bovendien heeft verzoekster, anders dan ACER stelt, rechtens genoegzaam aangetoond dat er sprake is van immateriële schade verband houdende met de onzekerheid waardoor haar beroepsleven gedurende de laatste maanden van de uitvoering van haar overeenkomst werd gekenmerkt als gevolg van het ontbreken van een besluit over de voortzetting van haar arbeidsverhouding met ACER, alsmede dat er een causaal verband bestaat tussen de vertraging bij de vaststelling van het besluit tot niet-verlenging en die immateriële schade.

79      Dat verzoekster werk heeft gezocht en dat zij in de loop van de laatste maanden in dienst van ACER een aantal werkaanbiedingen heeft ontvangen en afgewezen bevestigen overigens het feit dat haar beroepsprestaties van een goed niveau waren en illustreren hoogstens nog meer de situatie van onzekerheid waarin ACER haar had geplaatst.

80      Ten slotte heeft verzoekster aangetoond dat de nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging onvoldoende was om de immateriële schade te herstellen, met name gelet op het feit dat ACER artikel 2, derde alinea, van besluit 2013/11 niet had geëerbiedigd.

81      Zonder vooruit te lopen op de maatregelen die ACER zal moeten treffen naar aanleiding van de nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging, moet de vordering tot schadevergoeding derhalve worden toegewezen en moet ACER worden veroordeeld tot betaling, aan verzoekster, van een bedrag aan schadevergoeding dat ex aequo et bono op 7 000 EUR wordt begroot.

 Kosten

82      Volgens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering draagt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, haar eigen kosten en wordt zij verwezen in de kosten van de andere partij, voor zover dit is gevorderd. Krachtens artikel 102, lid 1, van datzelfde Reglement kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele wordt verwezen in de kosten van de andere partij of daarin zelfs niet dient te worden verwezen.

83      Uit bovenstaande overwegingen volgt dat ACER in het ongelijk is gesteld. Bovendien heeft verzoekster in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om ACER te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, zal ACER zijn eigen kosten dragen en wordt het verwezen in verzoeksters kosten.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van 20 december 2013 waarbij de directeur van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators heeft geweigerd om de overeenkomst van DP te verlengen wordt nietig verklaard.

2)      Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 7 000 EUR aan DP.

3)      Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van DP.

Van Raepenbusch

Rofes i Pujol

Perillo

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2015.

De griffier

 

       De president

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Engels.