Language of document : ECLI:EU:C:2014:2187

Zaak C‑491/13

Mohamed Ali Ben Alaya

tegen

Bundesrepublik Deutschland

(verzoek van het Verwaltungsgericht Berlin om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2004/114/EG – Artikelen 6, 7 en 12 – Voorwaarden voor toelating van derdelanders met het oog op studie – Weigering om een persoon toe te laten die voldoet aan de in die richtlijn gestelde voorwaarden – Beoordelingsmarge van de bevoegde autoriteiten”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 september 2014

Grenscontroles, asiel en immigratie – Immigratiebeleid – Toelating van derdelanders met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde beroepsopleiding of vrijwilligerswerk – Richtlijn 2004/114 – Voorwaarden – Weigering om een persoon toe te laten die voldoet aan de in die richtlijn gestelde voorwaarden – Ontoelaatbaarheid – Beoordelingsmarge van de bevoegde autoriteiten

(Richtlijn 2004/114 van de Raad, art. 6, 7 en 12)

Artikel 12 van richtlijn 2004/114 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk moet in die zin worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat gehouden is een derdelander die voor studiedoeleinden meer dan drie maanden op zijn grondgebied wenst te verblijven, tot zijn grondgebied toe te laten, wanneer deze derdelander voldoet aan de in de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn uitputtend geregelde toelatingsvoorwaarden en deze lidstaat zich jegens hem niet beroept op een van de in die richtlijn expliciet genoemde gronden, die de weigering van een verblijfstitel rechtvaardigen.

De beoordelingsmarge waarover de lidstaten op grond van de richtlijn beschikken, heeft immers uitsluitend betrekking op de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van de richtlijn, alsmede, in dat kader, op de beoordeling van de feiten die relevant zijn om te bepalen of aan de in die artikelen genoemde voorwaarden is voldaan, en met name of redenen in verband met het bestaan van een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid zich tegen toelating van de derdelander verzetten.

(cf. punten 33, 36 en dictum)