Language of document :

Beroep ingesteld op 10 april 2015 – Mabrouk/Raad

(Zaak T-175/15)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mohamed Marouen Ben Ali Bel Ben Mohamed Mabrouk (Tunis, Tunesië) (vertegenwoordigers: J. R. Farthouat, J. P. Mignard en N. Boulay, advocaten, S. Crosby, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit 2015/157/GBVB van de Raad (PB L 26, blz. 29) tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB L 28, blz. 62) –beperkende maatregelen die de bevriezing van tegoeden in de EU betreffen – nietig verklaren voor zover zij op verzoeker van toepassing zijn;

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.

De tegen verzoeker ingestelde procedure levert wegens de aard, de inhoud en de duur ervan, de Raad geen voldoende grond voor de bestreden handeling.

De bestreden handeling is in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie omdat zij was vastgesteld in strijd met het in dat artikel verankerde beginsel van de redelijke termijn.

Tunesië heeft de overgang naar een democratie met succes volbracht, zoals met name de Raad zelf heeft erkend, zodat de bestreden handeling dus zonder voorwerp en bijgevolg onrechtmatig is.

Schending van het vermoeden van onschuld en voortdurende schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, in het kader waarvan de bestreden handeling dat beginsel schendt en onrechtmatig is.

Kennelijk onjuiste beoordeling, aangezien de bestreden handeling louter op grond van de doelstellingen van de Raad inzake het buitenlands en veiligheidsbeleid was vastgesteld, zonder dat acht is geslagen op de criminele aspecten van de zaak en meer in het bijzonder op de feiten van de zaak.

Schending van verzoekers eigendomsrecht.