Language of document : ECLI:EU:F:2015:29

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

15 april 2015

Zaak F‑96/13

Nikolaos Pipiliagkas

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Overplaatsing in het belang van de dienst – Artikel 26 van het Statuut – Rechten van de verdediging”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Pipiliagkas met name vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van de Europese Commissie om hem met ingang van 1 januari 2013 over te plaatsen naar het directoraat Gemeenschappelijke Middelen van het directoraat-generaal (DG) Mobiliteit en Vervoer (hierna: „DG Mobiliteit”) te Brussel (België).

Beslissing:      Het besluit van de Europese Commissie van 19 december 2012 om Pipiliagkas met ingang van 1 januari 2013 over te plaatsen naar het directoraat Gemeenschappelijke Middelen van het directoraat-generaal Mobiliteit en Vervoer te Brussel (België), wordt nietig verklaard. De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Pipiliagkas.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Maatregelen tot organisatie van de procesgang – Verzoek om bepaalde stukken uit het dossier te verwijderen ingediend door een ambtenaar die stelt dat deze niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen – Afwijzing

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 137, lid 2; Ambtenarenstatuut, art. 26)

2.      Ambtenaren – Persoonsdossier – Stukken die daarin moeten worden opgenomen – Besluit dat de administratieve positie van een ambtenaar raakt – Begrip – Berichten van ambtenaren waarin de houding aan de kaak wordt gesteld van een andere ambtenaar die daarna is overgeplaatst – Daaronder begrepen

[Ambtenarenstatuut, art. 26, eerste alinea, onder a)]

3.      Ambtenaren – Besluit dat de administratieve positie van een ambtenaar raakt – Inaanmerkingneming van elementen die niet in zijn persoonsdossier voorkomen – Beslissende invloed – Nietigverklaring – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 26, tweede alinea, en 90, lid 1)

4.      Ambtenaren – Beginselen – Rechten van de verdediging – Verplichting om de belanghebbende vóór de vaststelling van een bezwarend besluit te horen – Omvang

1.      Artikel 26 van het Statuut verbiedt de instelling om in het persoonsdossier op te nemen stukken tegen de ambtenaar aan te voeren of te zijnen nadele te gebruiken die daarin niet zijn vermeld, zodat een besluit van de administratie dat op dergelijke stukken is gebaseerd nietig kan worden verklaard. Dit artikel regelt echter niet de toelaatbaarheid van stukken in het kader van een contentieuze procedure.

Het verwijderen van stukken die in het kader van een dergelijke procedure zijn neergelegd zou tot gevolg hebben dat de Unierechter niet de voor hem aangevoerde middelen kan onderzoeken die op die stukken zijn gebaseerd. Het heeft geen enkele zin om stukken van de terechtzitting uit te sluiten die voor het onderzoek van een middel hebben gediend, na de terechtzitting die juist daaraan was gewijd om uitspraak te doen over dat middel. Deze handelwijze zou overigens in strijd zijn met artikel 137, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van de Europese Unie, op grond waarvan de griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken in geval van een hogere voorziening het dossier van eerste aanleg aan de griffie van het Gerecht moet zenden.

(cf. punten 26 en 27)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arresten Rozand-Lambiotte/Commissie, T‑96/95, EU:T:1997:25, punt 42, en de Brito Sequeira Carvalho/Commissie en Commissie/de Brito Sequeira Carvalho, T‑40/07 P en T‑62/07 P, EU:T:2009:382, punt 99

2.      Artikel 26, eerste alinea, onder a), van het Statuut verplicht de administratie op zich niet om elk document betreffende een ambtenaar aan het persoonsdossier toe te voegen. Het maakt een onderscheid tussen de „bescheiden” die alleen in het persoonsdossier moeten worden opgenomen indien zij betrekking hebben op de positie als ambtenaar van de betrokkene en de „beoordelingen” die daarin alleen moeten worden opgenomen indien zij betrekking hebben op zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag enerzijds, en elk ander document betreffende de betrokken ambtenaar anderzijds.

Met die beoordelingen wil artikel 26, eerste alinea, onder a), van het Statuut verwijzen naar formele en officiële stukken die betrekking hebben op de bekwaamheid, de prestaties of het gedrag van de ambtenaren. Maar in het persoonsdossier moeten ook stukken worden opgenomen die feiten of feitelijke elementen bevatten over het gedrag van de ambtenaar die vervolgens worden gebruikt voor de vaststelling van een besluit dat zijn administratieve positie en zijn loopbaan raakt, zoals een advies in de vorm van een nota met een beoordeling over zijn bekwaamheid en gedrag of reeds bestaande stukken waarin melding wordt gemaakt van de verweten feiten, en ook alle stukken die van invloed kunnen zijn op de administratieve positie van de ambtenaar en op zijn loopbaan.

Artikel 26 van het Statuut verbiedt een instelling echter niet om een onderzoek in te stellen en daartoe een dossier aan te leggen en de enige stukken over dat onderzoek die in het dossier van de ambtenaar moeten worden opgenomen zijn eventuele tuchtrechtelijke besluiten genomen op basis van dat onderzoeksdossier.

E-mails kunnen in beginsel niet worden aangemerkt als beoordelingen in de zin van artikel 26, eerste alinea, onder a), van het Statuut. Evenmin kan een nota die niet afkomstig is van een administratief gezag, worden aangemerkt als beoordeling in de zin van artikel 26, eerste alinea, onder a), van het Statuut.

Een stuk dat de administratieve positie van een ambtenaar betreft en dat een doorslaggevende invloed op het besluit kan hebben, moet in beginsel aan de betrokken ambtenaar zijn meegedeeld en vervolgens in zijn persoonsdossier worden opgenomen. Wat meer bepaald een besluit tot overplaatsing van een ambtenaar betreft, ondanks het feit dat dit geen beoordeling is van de kundigheden, de prestaties of het gedrag van de betrokken ambtenaar in de zin van artikel 26 van het Statuut, gelden de mededeling en de opneming in het persoonsdossier a priori voor e-mails of een door ambtenaren en functionarissen ondertekende nota waarin het gedrag van de betrokken ambtenaar aan de kaak wordt gesteld, aangezien deze een doorslaggevende invloed kunnen hebben op het besluit om hem al dan niet over te plaatsen.

(cf. punten 42, 43, 46 en 48)

Referentie:

Hof: arrest Ojha/Commissie, C‑294/95 P, EU:C:1996:434, punt 67

Gerecht van eerste aanleg: arresten Rozand-Lambiotte/Commissie, EU:T:1997:25, punt 42; Apostolidis/Hof van Justitie, T‑86/97, EU:T:1998:71, punt 36; Ojha/Commissie, T‑77/99, EU:T:2001:71, punt 57; Recalde Langarica/Commissie, T‑344/99, EU:T:2001:237, punt 60; Cwik/Commissie, T‑155/03, T‑157/03 en T‑331/03, EU:T:2005:447, punt 52, en de Brito Sequeira Carvalho/Commissie en Commissie/de Brito Sequeira Carvalho, EU:T:2009:382, punt 96

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Bianchi/ETF, F‑38/06, EU:F:2007:117, punten 45 en 48, en Talvela/Commissie, F‑43/06, EU:F:2007:162, punten 59‑62

3.      Het feit dat stukken niet in het persoonsdossier zijn opgenomen vormt op zich geen rechtvaardiging voor de nietigverklaring van een bezwarend besluit wanneer die stukken wel ter kennis van de betrokkene zijn gebracht.

Uit artikel 26, tweede alinea, van het Statuut volgt immers dat stukken betreffende de administratieve positie van een ambtenaar alleen niet tegen hem kunnen worden aangevoerd indien zij hem vooraf niet ter kennis zijn gebracht. Deze bepaling heeft geen betrekking op stukken die hem wel ter kennis zijn gebracht, maar nog niet aan zijn dossier toegevoegd. Wanneer de instelling dergelijke stukken niet aan het persoonsdossier van de ambtenaar toevoegt, staat het de ambtenaar steeds vrij, krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut een daartoe strekkend verzoek en, in geval van afwijzing daarvan, een administratieve klacht in te dienen. In geen geval echter kan de instelling worden belet, in het belang van de dienst een besluit te nemen op basis van voordien aan de betrokkene meegedeelde stukken, op de enkele grond dat ze niet aan zijn persoonsdossier zijn toegevoegd.

(cf. punt 49)

Referentie:

Hof: arrest Ojha/Commissie, EU:C:1996:434, punt 68

Gerecht van eerste aanleg: arrest Recalde Langarica/Commissie, EU:T:2001:237, punt 60

4.      De bewezen omstandigheid dat de betrokken ambtenaar bekend is geweest met feitelijke gegevens op basis waarvan een bezwarend besluit is genomen kan op zich niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat hij de mogelijkheid heeft gehad om zijn belangen vóór de vaststelling van het voor hem bezwarend besluit naar behoren te verdedigen. Om de eerbiediging van de rechten van verdediging van de ambtenaar te verzekeren moet de instelling ook nog met alle middelen aantonen dat zij die ambtenaar vooraf daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om te begrijpen dat de betrokken feitelijke gegevens, ofschoon zij niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen, het voor hem bezwarend besluit konden rechtvaardigen. Bovendien volgt uit het beginsel van de rechten van de verdediging, waarvan het recht om te worden gehoord een uitdrukking is, dat de betrokkene vóór de vaststelling van een voor hem ongunstig besluit in staat moet zijn gesteld om naar behoren zijn standpunt duidelijk te maken over het bestaan en de relevantie van de feiten en omstandigheden op basis waarvan dat besluit kan worden genomen. Wanneer de meerderen van een ambtenaar hem uitnodigen voor een onderhoud, moet de administratie ervoor waken dat de betrokken ambtenaar duidelijk wordt geïnformeerd over de beoogde maatregel en in het bijzonder over het doel van het onderhoud, zodat hij naar behoren zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstig besluit wordt genomen.

Wil een schending van het recht om te worden gehoord tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kunnen leiden, dan moet ook nog worden onderzocht of de procedure bij ontbreken van die onregelmatigheid tot een ander resultaat had kunnen leiden. In het kader van dat onderzoek moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name met de aard van de grieven en de omvang van de procedurele onregelmatigheden in verhouding tot de waarborgen die de ambtenaar heeft kunnen genieten.

Wanneer het bezwarend besluit berust op grieven gebaseerd op subjectieve waardeoordelen, die op grond van hun aard dus kunnen worden gewijzigd, had de ambtenaar, indien hij vóór de vaststelling van dat besluit was gehoord, zijn standpunt kenbaar kunnen maken en aldus een wijziging van de beoordelingen jegens hem kunnen verkrijgen.

(cf. punten 55, 57, 65 en 66)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest de Brito Sequeira Carvalho/Commissie en Commissie/de Brito Sequeira Carvalho, EU:T:2009:382, punt 94

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Nastvogel/Raad, F‑4/10, EU:F:2011:134, punt 94; Possanzini/Frontex, F‑124/11, EU:F:2013:137, punt 60; CH/Parlement, F‑129/12, EU:F:2013:203, punt 38; Delcroix/EDEO, F‑11/13, EU:F:2014:91, punten 35 en 42, et Tzikas/ESB, F‑120/13, EU:F:2014:197, punt 55