Language of document : ECLI:EU:C:2014:2284

Gevoegde zaken C‑12/13 P en C‑13/13 P

Gérard Buono e.a.

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk visserijbeleid – Vangstquota – Noodmaatregelen van de Commissie – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie – Artikel 340, tweede alinea, VWEU – Voorwaarden – Reële en zekere schade”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 oktober 2014

1.        Gerechtelijke procedure – Mondelinge behandeling – Heropening – Verplichting om de mondelinge behandeling te heropenen op de partijen de gelegenheid te geven opmerkingen in te dienen over rechtsvragen die in de conclusie van de advocaat-generaal bod zijn gekomen en waarover partijen geen standpunten hebben kunnen uitwisselen – Geen

(Art. 252, tweede alinea, VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83)

2.        Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen – Verzoekschrift strekkende tot vergoeding van door een instelling van de Unie veroorzaakte schade – Geen aanwijzingen omtrent de aard en de omvang van de geleden schade – Niet-ontvankelijkheid

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)

3.        Niet-contractuele aansprakelijkheid – Aansprakelijkheid wegens een rechtmatige handeling – Beginsel niet erkend in het Unierecht – Middelen die ertoe strekken aan te tonen dat sprake is van abnormale en bijzondere schade – Falende middelen

(Art. 340, tweede alinea, VWEU)

4.        Hogere voorziening – Middelen – Middel voorgedragen tegen een rechtsoverweging van het arrest die niet noodzakelijk is voor de onderbouwing van het dictum – Falend middel

5.        Hogere voorziening – Middelen – Hogere voorziening tegen een arrest in gevoegde zaken – Mogelijkheid voor alle partijen om een middel te richten tegen een door het Gerecht gevolgde redenering, ongeacht de middelen die zij voor het Gerecht hebben aangevoerd

(Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)

6.        Gerechtelijke procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in de loop van het geding – Voorwaarden – Middel gebaseerd op gegevens waarvan in de loop van de behandeling is gebleken – Strekking – Middel gebaseerd op een arrest van het Hof dat gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bestreden handeling, maar niet leidt tot wijziging van verzoekers rechtstoestand – Daarvan uitgesloten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2; verordening nr. 530/2008 van de Commissie)

7.        Hogere voorziening – Middelen – Motivering van een arrest waaruit schending van het Unierecht blijkt – Dictum op andere rechtsgronden gerechtvaardigd – Afwijzing

1.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 26‑28)

2.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 33‑35, 38)

3.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 43, 46, 64)

4.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 47)

5.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 52)

6.        Volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

Met betrekking tot een beroep dat door reders en aandeelhouders van onder Franse vlag varende ringzegenvaartuigen is ingesteld tegen verordening nr. 530/2008 tot vaststelling van noodmaatregelen met betrekking tot de visserij op blauwvintonijn door ringzegenvaartuigen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee, is een in de loop van het geding gewezen arrest van het Hof waarin die verordening slechts ongeldig wordt verklaard voor zover onder Spaanse vlag varende ringzegenvissers een week langer mochten vissen terwijl de datum van het verbod voor andere ringzegenvissers bleef gelden, geen nieuw gegeven rechtens op basis waarvan een nieuw middel mag worden voorgedragen. Daar het vangstverbod voor onder de vlag van Griekenland, Frankrijk, Italië, Cyprus of Malta varende ringzegenvissers bleef gelden, houdt dat arrest immers slechts een bevestiging in van een rechtstoestand die verzoekers bekend was toen zij hun beroep instelden.

(cf. punten 55, 58‑60)

7.        Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 62)