Language of document : ECLI:EU:C:2015:559

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 8 september 2015 (1)

Zaak C‑489/14

A

tegen

B

[verzoek van de High Court of Justice (England and Wales), Family Division (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Litispendentie – Artikelen 16 en 19 – Procedure tot scheiding van tafel en bed in Frankrijk en echtscheidingsprocedure in het Verenigd Koninkrijk – Bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht – Begrip ‚bevoegdheid [die] vaststaat’ – Vervallen van de procedure tot scheiding van tafel en bed omdat niet binnen de wettelijke termijn is gedagvaard – Indiening van een verzoek tot echtscheiding in Frankrijk onmiddellijk na het vervallen van de procedure tot scheiding van tafel en bed – Gevolgen van de onmogelijkheid om in het Verenigd Koninkrijk een echtscheidingsprocedure in te leiden wegens het verschil in tijdzones tussen de twee lidstaten”





1.        De onderhavige zaak biedt het Hof voor het eerst de gelegenheid zich, in zeer bijzondere, met de dualiteit van de procedure tot „onthuwelijking” in Frankrijk verband houdende omstandigheden, te buigen over de aanhangigheidsregels van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000(2).

2.        De vragen van de verwijzende rechter, die te maken meent te hebben met een bevoegdheidsconflict dat geheel is te wijten aan het onjuiste gemanoeuvreer van verweerder in het hoofdgeding, dat hij beneden alle peil acht, betreffen voornamelijk het begrip „bevoegdheid [die] vaststaat” in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003. Maar hoewel het hoofdgeding zeker een aanhangigheidsprobleem opwerpt in de zin van die bepaling, is het de uitlegging van het begrip „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” in de zin van de artikelen 16 en 19 van verordening nr. 2201/2003 die, zoals ik in de loop van deze conclusie zal laten zien, het Hof in staat moet stellen de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

3.        Artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 luidt:

„1.      Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

a)       op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen;

of

b)       indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voordat het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling wordt ontvangen, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen.”

4.        Artikel 19, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt:

„1.      Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

[...]

3.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht.

In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.”

B –    Frans recht

5.        Hoewel het prejudicieel verzoek dat hier voorligt afkomstig is van een gerecht in het Verenigd Koninkrijk, bevat dit verzoek geen enkele aanduiding van het op het hoofdgeding toepasselijke recht van het Verenigd Koninkrijk. Het vermeldt daarentegen een aantal bepalingen van de Code de procédure civile (Frans wetboek van burgerlijke rechtsvordering), die hier moeten worden weergegeven.

6.        Artikel 1076 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt:

„De echtgenoot die een echtscheidingsverzoek indient kan dit te allen tijde, en zelfs in hoger beroep, vervangen door een verzoek tot scheiding van tafel en bed.

Omgekeerd is vervanging niet toegestaan.”

7.        Artikel 1111 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„Wanneer de rechter, na ieder der echtgenoten over de ontwrichting van het huwelijk te hebben gehoord, vaststelt dat de verzoeker zijn verzoek handhaaft, wijst hij een beschikking waarbij hij hetzij de partijen, overeenkomstig artikel 252–2 van het burgerlijk wetboek, naar een nieuwe verzoeningspoging verwijst, hetzij de echtgenoten onmiddellijk toestemming geeft een echtscheidingsprocedure in te leiden.

In beide gevallen kan hij de in de artikelen 254 tot en met 257 van het burgerlijk wetboek neergelegde voorlopige maatregelen, of een deel daarvan, gelasten.

Wanneer de rechter toestemming geeft een procedure in te leiden wijst hij in zijn beschikking op de in artikel 1113 van dit wetboek gestelde termijnen.”

8.        Artikel 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt:

„In de drie maanden volgend op de beschikking kan alleen de echtgenoot die het aanvankelijke verzoek heeft ingediend tot echtscheiding dagvaarden.

Ingeval de echtgenoten zich verzoenen of indien de procedure niet binnen 30 maanden na het wijzen van de beschikking is ingeleid, vervallen alle bepalingen ervan, met inbegrip van de toestemming om de procedure in te leiden.”

9.        Artikel 1129 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„Voor de procedure tot scheiding van tafel en bed gelden de regels van de echtscheidingsprocedure.”

II – Feiten van het hoofdgeding

10.      Mevrouw A(3) en meneer B(4), beiden Frans onderdaan, zijn op 27 februari 1997 in Frankrijk getrouwd nadat zij naar Frans recht huwelijkse voorwaarden hadden laten opstellen. Zij zijn in 2000 met hun twee kinderen, een tweeling geboren op 27 juli 1999, naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd, waar op 16 juli 2001 hun derde kind is geboren.

11.      In juni 2010 heeft verweerder in het hoofdgeding de echtelijke woning verlaten en het echtpaar leeft sindsdien gescheiden.

A –    In Frankrijk aanhangig gemaakte procedures

12.      Verweerder in het hoofdgeding heeft op 30 maart 2011 bij het Tribunal de grande instance de Nanterre (Frankrijk) een verzoek tot scheiding van tafel en bed ingediend.

13.      De hoorzittingen van 5 september 2011 en 8 november 2011 waarop is gepoogd de echtgenoten te verzoenen zijn op een mislukking uitgelopen.

14.      Op 15 december 2011 heeft het Tribunal de grande instance de Nanterre bij beschikking (nr. RG 11/04305) de duurzame ontwrichting van het huwelijk vastgesteld en de noodzakelijke maatregelen gelast om de gezinssituatie in afwachting van een definitief vonnis te regelen. Het Tribunal de grande instance de Nanterre heeft zich allereerst bevoegd verklaard om, onder toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(5), te beslissen over de voorlopige maatregelen in het kader van de procedure tot scheiding van tafel en bed en over de onderhoudsverplichting uit hoofde van de verplichting tot hulp en bijstand, en heeft het Frans recht van toepassing verklaard. Hij heeft zich daarentegen onbevoegd verklaard te beslissen over de maatregelen betreffende de kinderen, die onder de rechtsmacht van de gerechten van het Verenigd Koninkrijk vallen. Hij heeft voorts de echtgenoten toestemming gegeven een procedure tot scheiding van tafel en bed in te leiden en heeft verzoekster in het hoofdgeding uit hoofde van het recht op hulp en bijstand het kosteloze gebruik van de woning van het gezin en een maandelijkse alimentatie ten belope van 5 000 EUR toegewezen en bepaald dat verweerder in het hoofdgeding de hypotheeklasten en andere leningen vooralsnog moest blijven betalen. Hij heeft, tot slot, een notaris aangewezen om de waarde van de bezittingen van de echtelieden te inventariseren.

15.      De Cour d’appel de Versailles (Frankrijk), waaraan verweerder in het hoofdgeding de zaak had voorgelegd, heeft op 22 november 2012 een arrest (nr. RG 12/01345) gewezen waarbij het de beschikking van het Tribunal de grande instance de Nanterre tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk op alle onderdelen heeft bevestigd.

16.      Verweerder in het hoofdgeding heeft op 17 december 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend dat echter werd verworpen aangezien de procedure tot scheiding van tafel en bed, die hij op 30 maart 2011 had ingeleid en niet had ingetrokken, nog hangende was.

17.      Verweerder in het hoofdgeding heeft op 17 juni 2014 om 8.20 uur, helemaal aan het begin van de eerste dag volgend op die waarop de termijn van 30 maanden waarbinnen de procedure tot scheiding van tafel en bed moest zijn ingeleid om niet te vervallen verstreek, nogmaals een verzoek om echtscheiding ingediend.

B –    In het Verenigd Koninkrijk aanhangig gemaakte procedures

18.      Verzoekster in het hoofdgeding heeft, parallel aan de procedure tot scheiding van tafel en bed die verweerder in het hoofdgeding in Frankrijk had ingeleid, op 19 mei 2011 bij de Child Support Agency alimentatie aangevraagd voor de kinderen waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt.

19.      Zij heeft eveneens, op 24 mei 2011, een verzoek tot echtscheiding ingediend en een afzonderlijk verzoek om alimentatie.

20.      De High Court of Justice, Family Devision, heeft dit echtscheidingsverzoek van verzoekster in het hoofdgeding, met haar instemming, op 7 november 2012 verworpen onder toepassing van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003.

21.      Verzoekster in het hoofdgeding heeft, op 6 juni 2014, de verwijzende rechter ex parte verzocht om vooruitlopend te beslissen of verklaren dat haar echtscheidingsverzoek, wanneer zij dat zou indienen, pas in werking zou treden op 17 juni 2014 om één minuut na middernacht, het moment waarop de beschikking waarbij de familierechter in het kader van de door verweerder in het hoofdgeding in Frankrijk ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed de duurzame ontwrichting van het huwelijk had vastgesteld zou vervallen. Dit verzoek werd echter verworpen omdat het te vernieuwend werd geacht.

22.      Verzoekster in het hoofdgeding heeft op 13 juni 2014 bij de verwijzende rechter een tweede verzoek tot echtscheiding ingediend.

23.      Op 9 oktober 2014 heeft verweerder in het hoofdgeding de verwijzende rechter, met een beroep op artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, verzocht het echtscheidingsverzoek dat verzoekster in het hoofdgeding op 13 juni 2014 had ingediend niet–ontvankelijk te verklaren en de zaak door te halen.

III – Prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

24.      De High Court of Justice (England and Wales), Family Division, heeft daarop besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)      Wat moet, uit het oogpunt van artikel 19, leden 1 en 3, [van verordening nr. 2201/2003], worden verstaan onder de term ‚vaststaat’ onder omstandigheden waarin:

a)      verzoekende partij in de procedure bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht (‚de eerste procedure’) zo goed als geen stappen onderneemt die verder gaan dan de eerste afspraak bij de rechter en in het bijzonder geen dagvaarding (assignation) uitbrengt binnen de termijn voor verval van het verzoekschrift (requête), met als resultaat dat de eerste procedure door tijdsverloop zonder uitspraak vervalt, conform het lokale (Franse) recht dat van toepassing is in de eerste procedure, namelijk 30 maanden na de eerste verkennende hoorzitting;

b)      de eerste procedure zoals hierboven omschreven vervalt zeer kort (drie dagen) nadat de procedure bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht (‚de tweede procedure’) is gestart in Engeland, met als gevolg dat geen uitspraak is gedaan in Frankrijk en geen gevaar bestaat voor onverenigbare uitspraken in de eerste en de tweede procedure;

c)      verzoekende partij in de eerste procedure, ten gevolge van de tijdzone van het Verenigd Koninkrijk, na het vervallen van de eerste procedure, steeds de mogelijkheid zou hebben een echtscheiding aan te vragen in Frankrijk voordat verzoekende partij [in de tweede procedure] echtscheiding zou kunnen aanvragen in Engeland?

2)      In het bijzonder, strekt de term ‚vaststaat’ ertoe dat verzoekende partij in de eerste procedure stappen moet zetten ter spoedige en zorgvuldige afwikkeling van de eerste procedure teneinde het geschil (door de rechter of minnelijk) op te lossen of staat het verzoekende partij in de eerste procedure, nadat de bevoegdheid van het gerecht van haar keuze is komen vat te staan, op grond van artikel 3 en artikel 19, lid 1, vrij in het geheel geen inhoudelijke stappen te zetten ter afwikkeling van de eerste procedure en is deze partij bijgevolg vrij de afwikkeling van de tweede procedure een halt toe te roepen en ervoor te zorgen dat het geschil als geheel in een impasse belandt?”

25.      De verwijzende rechter merkt in zijn verwijzingsbeslissing op dat de opstellers van verordening nr. 2201/2003 situaties als die in het hoofdgeding, waarin in twee lidstaten parallelle procedures naast elkaar bestaan, niet gewild kunnen hebben, aangezien zij wilden bereiken dat de bevoegdheid snel wordt vastgesteld, dat zaken snel worden berecht en dat onverenigbare vonnissen worden voorkomen.

26.      Hij stelt dat verweerder in het hoofdgeding door zijn gemanoeuvreer verantwoordelijk is voor de verwarring die al sinds vier jaar in het hoofdgeding heerst. Er zijn verscheidene aanwijzingen dat hij verzoekster in het hoofdgeding heeft willen beletten een echtscheidingsverzoek in te dienen bij de gerechten van het Verenigd Koninkrijk. De verwijzende rechter wijst in dit verband op het feit dat verweerder in het hoofdgeding een echtscheidingsverzoek heeft ingediend in Frankrijk terwijl de procedure tot scheiding van tafel en bed nog hangende was en het feit dat hij zijn echtscheidingsverzoek in Frankrijk op het eerst mogelijke moment heeft ingediend, op een moment waarop het voor verzoekster in het hoofdgeding, gelet op het verschil in tijdzones, onmogelijk was een dergelijk verzoek in het Verenigd Koninkrijk in te dienen.

27.      De verwijzende rechter merkt tevens op dat verweerder in het hoofdgeding na het arrest van de cour d’appel van 22 november 2012 waarbij de beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk is bevestigd, niets heeft ondernomen om schot te brengen in de procedure tot scheiding van tafel en bed in Frankrijk en eenvoudig heeft gewacht dat deze zou vervallen om zijn scheidingsverzoek in te kunnen dienen. Hij twijfelt er dientengevolge aan of de bevoegdheid van het Franse gerecht „vaststaat” in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003. Hij vermeldt in dit verband het argument van verzoekster in het hoofdgeding dat de enkele indiening van een verzoek bij een gerecht niet kan volstaan. De verzoekende partij zou verplicht moeten zijn vaart achter de procedure te zetten, omdat de betrokkenen bij een scheidingsprocedure anders de mogelijkheid zouden hebben om, ten koste van een snelle afwikkeling van het geding, een „Italiaanse torpedo” te lanceren.

28.      De verwijzende rechter geeft echter aan dat een dergelijke uitlegging niet alleen afwijkt van het bepaalde in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, maar ook van de rechtspraak inzake verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(6), en met name van het arrest Gantner Electronic(7), waarin het Hof heeft geoordeeld dat „een situatie van aanhangigheid bestaat zodra bij twee gerechten van verschillende verdragsluitende staten rechtsvorderingen definitief zijn aangebracht, dus vooraleer de verweerders hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten”.

29.      De verwijzende rechter zet tot slot uiteen dat, volgens de informatie over het Franse recht waarover hij beschikt, de dagvaarding tot scheiding van tafel en bed gedurende een termijn van drie maanden alleen kan worden uitgebracht door de indiener van het verzoek.

30.      Hoewel verweerder in het hoofdgeding te kennen heeft gegeven dat hij verzoekster in het hoofdgeding niet heeft gedagvaard ter zake van scheiding van tafel en bed omdat hij zonder verdere vertraging een echtscheiding wilde bewerkstelligen, heeft hij geen enkele reden aangevoerd die verklaart waarom hij zijn verzoek tot scheiding van tafel en bed niet heeft ingetrokken, hetgeen aantoont dat hij verzoekster in het hoofdgeding zo lang mogelijk heeft willen beletten echtscheiding aan te vragen in het Verenigd Koninkrijk zodat alle twistpunten zo snel mogelijk door één enkel gerecht konden worden berecht.

31.      De verwijzende rechter heeft het Hof tevens verzocht, de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof op de onderhavige zaak toe te passen.

32.      Bij beschikking van 13 januari 2015 heeft de president van het Hof dat verzoek verworpen. Hij heeft echter besloten de zaak, onder toepassing van artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te berechten. Het Hof heeft voorts, overeenkomstig artikel 95, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering, de door de verwijzende rechter toegekende anonimiteit gehandhaafd.

33.      Verweerder in het hoofdgeding heeft het Hof op 18 mei 2015 meegedeeld de bevoegdheid van de verwijzende rechter te erkennen en te aanvaarden, zonder, naar het schijnt, de verwijzende rechter en het Franse gerecht hiervan in kennis te stellen. Het Hof heeft de verwijzende rechter en verzoekster in het hoofdgeding hierover geïnformeerd bij brief van 21 mei 2015.

34.      Verzoekster in het hoofdgeding, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie zijn tevens gehoord ter terechtzitting van 1 juni 2015.

IV – Bij het Hof ingediende opmerkingen

A –    Opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding

35.      Verzoekster in het hoofdgeding verklaart de conclusies van de verwijzende rechter te onderschrijven en over te nemen. Evenals laatstgenoemde betreurt zij in de eerste plaats de afwijkende positie van de op het gebied van echtscheiding en huwelijksvermogensrecht bevoegde gerechten die een zaak niet, onder toepassing van de exceptie forum non conveniens, kunnen verwijzen naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen, in tegenstelling tot zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid(8) en, inmiddels, burgerlijke en handelszaken krachtens verordening nr. 1215/2012.(9)

36.      Zij stelt eveneens de mogelijkheden tot misbruik, waarvan in het hoofdgeding duidelijk sprake is, aan de kaak die, indien de partij die de procedure heeft ingeleid geen enkele verplichting heeft stappen te ondernemen om schot in de procedure te brengen, voortvloeien uit de toepassing van de aanhangigheidsregel van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003. Zij betreurt tot slot het nadelige en discriminerende effect van de tijdzones binnen de Europese Unie, die partijen die zich meer naar het oosten bevinden altijd een tijdsvoordeel bieden ten opzichte van partijen die zich meer naar het westen bevinden, waardoor zij als eerste een procedure kunnen inleiden.

37.      Verzoekster in het hoofdgeding betoogt voorts vooral dat gelet op de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 niet aldus mag worden uitgelegd dat de bevoegdheid van een gerecht vaststaat wanneer de bij dat gerecht een procedure aanhangig is gemaakt die is vervallen door de inactiviteit van de partij die het initiatief ertoe heeft genomen. Deze verordening staat in echtscheidingszaken weliswaar een vrije forumkeuze toe, maar dat mag een partij niet de mogelijkheid bieden, een gerecht te kiezen dat nadelig is voor een andere partij en vervolgens de afwikkeling van de procedure die zij zelf heeft ingeleid te vertragen of geheel te ontlopen.

38.      Zij benadrukt in dit verband dat zij hetzij gedwongen wordt te procederen in het buitenland, voor een gerecht van een plaats waar geen van de partijen woont en waarvan de uitkomsten naar verwachting nadelig voor haar zullen zijn, hetzij geen enkele procedure kan inleiden zolang de verwerende partij de procedure in Frankrijk laat voortduren en het opstarten van iedere andere procedure onmogelijk maakt.

39.      Verzoekster in het hoofdgeding betoogt vervolgens dat gelet op het doel en de algemene opzet van verordening nr. 2201/2003, de bevoegdheid die bij voorrang toekomt aan het gerecht waar de zaak het eerst is aangebracht, de partij die de procedure heeft ingeleid verplicht die procedure snel en voortvarend tot een goed einde te brengen. Zij verwijst dienaangaande, naar analogie, naar artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, artikel 9 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen(10), en artikel 14 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.(11)

40.      Verzoekster in het hoofdgeding stelt tot slot dat volgens het gezond verstand, de redelijkheid en billijkheid, alsook de Franse rechtspraak en de rechtspraak van het Hof, een bevoegdheid slechts dan kan worden geacht vast te staan in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 wanneer de verzoeker te goeder trouw handelt om de procedure tot een goed einde te brengen. De Franse Cour de cassation heeft bij arrest van 13 juni 2013(12) geoordeeld dat een verzoekschrift slechts dan een stuk vormt waarmee de procedure wordt ingeleid wanneer het wordt gevolgd door een dagvaarding. In het hoofdgeding betekent het feit dat verweerder in het hoofdgeding verzoekster in het hoofdgeding niet heeft gedagvaard, dat de procedure in Frankrijk geen rol meer speelt bij de vaststelling van de bevoegdheid uit hoofde van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003. Het Hof heeft bovendien bevestigd dat in bepaalde omstandigheden, wanneer het gerecht waarbij een verzoek met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid het laatst is aangebracht, ondanks zijn inspanningen om informatie te verkrijgen van de partij die de litispendentie inroept, niet beschikt over gegevens aan de hand waarvan het die litispendentie kan beoordelen, dat gerecht, na gedurende een redelijke termijn op antwoord te hebben gewacht, het onderzoek van het verzoek kan voortzetten.(13)

41.      Ter terechtzitting heeft verzoekster in het hoofdgeding, als reactie op de schriftelijke opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk, daaraan toegevoegd dat de prejudiciële vragen ontvankelijk moeten worden verklaard. Zij stelt dat het klopt dat de aanhangigheid in het Verenigd Koninkrijk veeleer moet worden beoordeeld op basis van de datum waarop de zaak is aangebracht bij het gerecht dan op basis van de datum waarop dit uitspraak doet. Zij leidt daaruit af dat het des te belangrijker is dat het Hof uitspraak doet op de vragen en voor recht verklaart dat de datum die in aanmerking moet worden genomen de datum is waarop de zaak bij de verwijzende rechter is aangebracht, in casu 13 juni 2014, en dat het Franse gerecht waarbij verweerder in het hoofdgeding op 17 juni 2014 zijn echtscheidingsverzoek heeft ingediend derhalve het gerecht is waar de zaak het laatst is aangebracht.

42.      Zij voert eveneens aan dat de verplichting van het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht om partijen „te verwijzen” in de zin van artikel 19, lid 3, van verordening 2201/2003, niet inhoudt dat het zich onbevoegd verklaart, want deze verwijzing heeft slechts een opschortende werking en laat de mogelijkheid onverlet de tweede procedure te hervatten wanneer, zoals in het hoofdgeding, de eerste procedure vervalt.

B –    Opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk

43.      De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt primair dat het Hof geen uitspraak hoeft te doen op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter.

44.      Zij stelt dat de procedure tot scheiding van tafel en bed die verweerder in het hoofdgeding bij het Franse gerecht had ingeleid, overeenkomstig artikel 1113 van het Franse wetboek van burgerlijke rechtsvordering op 17 juni 2014 om middernacht is vervallen, zodat de verwijzende rechter, waarbij verzoekster in het hoofdgeding op 13 juni 2014 een echtscheidingsverzoek aanhangig heeft gemaakt, moet worden beschouwd als het „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” en niet als „gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht”. Het echtscheidingsverzoek dat verweerder in het hoofdgeding op 17 juni 2014 om 8.20 uur heeft ingediend verandert niets aan dit feit.

45.      Dit standpunt komt overeen met het doel van de in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 vastgelegde aanhangigheidsregels(14), die ertoe strekken met elkaar strijdige beslissingen in parallelle procedures voor verschillende gerechten te voorkomen, en met de rechtspraak van het Hof.

46.      De regering van het Verenigd Koninkrijk onderzoekt de twee prejudiciële vragen echter toch.

47.      Zij stelt, om te beginnen, dat de eerste vraag, of de bevoegdheid van de Franse rechter vaststaat in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, slechts aan de orde is als de verwijzende rechter wordt aangemerkt als het „gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht”. Zij herinnert eraan dat het Hof heeft geoordeeld dat deze bepaling(15), evenals de gelijkwaardige bepalingen van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(16) en verordening nr. 44/2001(17), teleologisch moet worden uitgelegd, rekening houdend met de doelstelling van verordening nr. 2201/2003, namelijk het voorkomen van parallelle procedures voor gerechten van verschillende lidstaten en de met elkaar strijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn.

48.      Hoewel de bevoegdheid van het Franse gerecht op enig moment vaststond, is dat nu niet meer het geval, aangezien de in Frankrijk ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed is vervallen. De verwijzende rechter moet derhalve vaststellen dat er in werkelijkheid geen sprake meer is van litispendentie. Deze oplossing zou waarborgen dat het doel van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, het voorkomen van met elkaar strijdige beslissingen en dus het garanderen van de rechtszekerheid, wordt bereikt, terwijl wanneer de procedure binnen termijnen moet worden gevoerd en door het verlopen ervan vervalt, de verzoeker verplicht is stappen te ondernemen om schot in de procedure te brengen.

49.      De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt voor de tweede vraag aldus te beantwoorden dat artikel 19 van verordening nr. 2202/2003 in die zin moet worden uitgelegd dat de term „vaststaat” vereist dat de partij die de eerste procedure inleidt, zoals in casu verweerder in het hoofdgeding de procedure tot scheiding van tafel en bed, voortvarend handelt om de procedure tot een goed einde te brengen.

50.      Zij stelt in dit verband dat het doel van de aanhangigheidsregels van verordening nr. 2201/2003, namelijk parallelle procedures voor gerechten van verschillende lidstaten en met elkaar strijdige beslissingen voorkomen, moet worden geacht de oplossing van het geschil te vergemakkelijken in plaats van te belemmeren, hetgeen derhalve inhoudt dat partijen stappen ondernemen om schot in de procedure te brengen.

51.      Bijgevolg is de vraag of een verzoeker vaart heeft gezet achter de procedure die hij heeft ingeleid of de procedure door tijdsverloop simpelweg heeft laten vervallen, een belangrijke factor voor de beoordeling of de bevoegdheid van het gerecht waarbij hij de zaak heeft aangebracht vaststaat in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003. Elke andere oplossing zou kunnen leiden tot een impasse, doordat de beslechting van het geschil wordt belemmerd en de verweerder zijn recht wordt ontzegd op een eerlijke en openlijke behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

C –    Opmerkingen van de Commissie

52.      De Commissie wijst er om te beginnen op dat de vragen van de verwijzende rechter rusten op twee hypotheses, een juiste en een onjuiste.

53.      Zij stelt in de eerste plaats dat de verwijzende rechter ervan uitgaat dat volgens artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 een in Frankrijk ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed de inleiding van een echtscheidingsprocedure in een andere lidstaat belemmert, hetgeen zij juist acht.

54.      Zij wijst er echter op dat de tekst van deze bepaling niet noodzakelijkerwijs tot deze conclusie leidt. Deze bepaling kan immers allereerst in die zin worden uitgelegd dat de inleiding van een procedure tot scheiding van tafel en bed slechts de inleiding van een andere procedure tot scheiding van tafel en bed verhindert, maar niet de aanhangigmaking van een echtscheidingsprocedure. Zij kan echter ook zo worden uitgelegd dat zij elke parallelle procedure in huwelijkszaken verhindert.

55.      Zij meent desalniettemin dat de tweede uitleg de juiste is, omdat artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 niet eist dat concurrerende procedures hetzelfde voorwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, maar enkel dat zij dezelfde partijen betreffen. De aanhangigheidsregel beoogt bovendien te voorkomen dat de gerechten van de verschillende lidstaten met elkaar strijdige beslissingen geven die, overeenkomstig artikel 22, onder d), van verordening nr. 2201/2003, achteraf niet kunnen worden erkend. Deze uitlegging is met name geboden in gevallen waarin een nauwe band bestaat tussen verzoeken tot scheiding van tafel en bed en echtscheidingsverzoeken.

56.      In de tweede plaats betoogt zij dat de verwijzende rechter ervan uitgaat dat voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van litispendentie de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij hem is ingediend in aanmerking moet worden genomen, in casu 13 juni 2014, en niet de datum waarop hij de vraag of hij zijn uitspraak moest aanhouden heeft onderzocht, in casu 9 oktober 2014, hetgeen zij onjuist acht.

57.      De aanhangigheidsregel beoogt immers door toepassing van het strikte beginsel prior temporis de aanhangigmaking van concurrerende vorderingen in huwelijkszaken en het risico van met elkaar strijdige beslissingen in verschillende lidstaten te voorkomen. Deze regel belet partijen echter niet zich tot gerechten in verschillende lidstaten te wenden, maar verlangt eenvoudigweg dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak aanhoudt en partijen zo nodig naar het andere gerecht verwijst.

58.      De Commissie is van mening dat wanneer, zoals in het hoofdgeding, een procedure bij een gerecht van een lidstaat hangende is op het moment dat de zaak bij een gerecht van een tweede lidstaat wordt aangebracht, maar de procedure in de eerste lidstaat is vervallen op het moment dat een verzoek tot doorhaling van de procedure in de tweede lidstaat wordt ingediend, de relevante datum voor de beoordeling van de litispendentie die is waarop het gerecht van de tweede lidstaat uitspraak doet op de vraag of het, onder toepassing van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, zijn uitspraak moet aanhouden of partijen, zo nodig, moet verwijzen. Deze uitlegging wordt zowel door de letter als door de algemene opzet en het doel van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 bevestigd.

59.      In casu bestond er op het moment dat de verwijzende rechter uitspraak deed op de vraag of hij zijn beslissing over het echtscheidingsverzoek van verzoekster in het hoofdgeding moest aanhouden, te weten op 9 oktober 2014, geen parallelle procedure meer in Frankrijk, noch een risico op met elkaar strijdige beslissingen, omdat de procedure tot scheiding van tafel en bed op 16 juni 2014 was vervallen. De omstandigheid dat verweerder in het hoofdgeding op 17 juni 2014 helemaal aan het begin van de dag een echtscheidingsverzoek in Frankrijk heeft ingediend is niet relevant, omdat er op die datum in het Verenigd Koninkrijk al een procedure hangende was en er derhalve sprake was van litispendentie.

60.      Gelet op het voorgaande concludeert de Commissie dat de vragen van de verwijzende rechter niet beantwoord hoeven te worden en stelt zij, door de eerste vraag onder a) en de tweede vraag samen te onderzoeken, slechts een subsidiair antwoord voor.

61.      Zij zet allereerst uiteen dat de betekenis van „bevoegdheid [die] vaststaat” logischerwijs verband moet houden met het onderzoek door het gerecht waar de zaak is aangebracht of het bevoegd is ingevolge verordening nr. 2201/2003 en of de zaak volgens zijn eigen nationaal procesrecht geldig aanhangig is gemaakt.

62.      Zij is van mening dat de rechtspraak inzake artikel 27, lid 2, van verordening nr. 44/2001 van nut is voor de uitlegging van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 en herinnert eraan dat het Hof in het arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances(18) heeft geoordeeld dat „de bevoegdheid van de als eerste aangezochte rechter vaststaat [...] zodra deze zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard en geen van de partijen zijn bevoegdheid heeft betwist vóór of op het tijdstip van de stellingname die naar zijn nationaal procesrecht is te beschouwen als het eerste verweer ten gronde bij hem”.

63.      In het hoofdgeding bestaat er nauwelijks twijfel over dat de bevoegdheid van het Franse gerecht dat op 15 december 2011 de beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gewezen, vaststaat in de zin van deze rechtspraak. Enerzijds heeft dit gerecht toestemming gegeven om te dagvaarden en anderzijds is verzoekster in het hoofdgeding bij de procedure betrokken geweest, met dien verstande dat zij om voorlopige maatregelen had kunnen verzoeken en noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep de internationale bevoegdheid van het Franse gerecht heeft betwist.

64.      Zij meent vervolgens dat artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 de verzoekende partij in de procedure voor het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht geen enkele verplichting oplegt om vaart te zetten achter die procedure. Deze partij is vrij om met inachtneming van de toepasselijke regels van nationaal recht te handelen zoals zij dat goed acht en het staat aan het gerecht waarbij de zaak is aangebracht om erop toe te zien dat die regels worden nageleefd en zo nodig sancties te verbinden aan iedere poging tot verhindering of misbruik ervan.

65.      Het is voor een gerecht van een lidstaat hoe dan ook onmogelijk na te gaan of wanneer een procedure die in een andere lidstaat is aangespannen niet vooruitgaat, zulks een aanwijzing is voor misbruik. De Commissie wijst er in dit verband op dat, zoals blijkt uit een advies van de Franse Cour de cassation van 10 februari 2014, verzoekster in het hoofdgeding zelf verweerder in het hoofdgeding had kunnen dagvaarden, niet alleen ter zake van scheiding van tafel en bed, maar ook ter zake van echtscheiding.

66.      Zij is van mening dat artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht niet ophoudt vast te staan door het feit dat de verzoekende partij in de procedure voor dat gerecht geen stappen onderneemt om die procedure met de vereiste snelheid en voortvarendheid tot een goed einde te brengen.

V –    Analyse

A –    Inleidende opmerkingen

67.      Ik moet, met de terughoudendheid die een dergelijke onderneming vereist, beginnen met een nadere uiteenzetting van het Franse recht inzake procedures tot scheiding van tafel en bed en echtscheiding, teneinde de bijzonderheden van de situatie in het hoofdgeding en de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter op hun juiste waarde te kunnen beoordelen.

1.      De procedures tot scheiding van tafel en bed en echtscheiding in Frankrijk

68.      Zoals Bernard de la Gâtinais, eerste advocaat-generaal bij de Franse Cour de cassation, in zijn door de verwijzende rechter aangehaalde conclusie onder het advies van de Cour de cassation van 10 februari 2014(19) uiteenzet, is scheiding van tafel en bed lange tijd beschouwd als de „scheiding der katholieken”, omdat zij hoofdzakelijk „de scheiding tussen de echtgenoten in rechte vaststelt en de persoonlijke en materiële gevolgen ervan regelt met instandhouding van de huwelijksband”. Hoewel echtscheiding dus – wegens de eventuele gevolgen – scheiding van tafel en bed mede omvat, ontbreekt bij die laatste het hoofdelement van echtscheiding, verbreking van de huwelijksband. Dat is de eenvoudige verklaring voor het in artikel 1076 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering neergelegde beginsel dat een echtscheidingsverzoek kan worden omgezet in een verzoek tot scheiding van tafel en bed terwijl het omgekeerde niet mogelijk is.

69.      Dat artikel bepaalt, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dat degene die een verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft ingediend dit verzoek niet kan wijzigen in een echtscheidingsverzoek(20) en als het ware een gevangene is van de procedure die hij heeft ingeleid. Wanneer derhalve, zoals in het hoofdgeding, het gerecht waarbij een verzoek tot scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt een beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gewezen die de echtgenoten toestaat een procedure tot scheiding van tafel en bed in te leiden, heeft de verzoeker slechts twee opties. Hij kan ervoor kiezen, door de verweerder te dagvaarden, de scheiding van tafel en bed door te zetten en de procedure dus te voltooien – alleen hij is daar overeenkomstig artikel 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in de eerste drie maanden na de beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk toe bevoegd – maar hij kan ook, om welke reden dan ook en met name omdat hij aan echtscheiding de voorkeur geeft, van scheiding van tafel en bed afzien door zijn verzoek in te trekken. De ontvankelijkheid van een echtscheidingsverzoek is in dat geval onderworpen aan de voorwaarde dat deze intrekking is aanvaard en definitief is.(21)

70.      De verweerder in een procedure tot scheiding van tafel en bed kan echter, na het verstrijken van de in artikel 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering neergelegde termijn van drie maanden, niet alleen het nalaten van de verzoeker compenseren door hem zelf tot scheiding van tafel en bed te dagvaarden, maar kan hem ook tot echtscheiding dagvaarden. Zijn verzoek in reconventie is dan ontvankelijk volgens de artikelen 1076, 1111 en 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.(22)

71.      De voornaamste feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter moeten in deze wettelijke context(23) worden geplaatst.

2.      Bijzonderheden van het hoofdgeding

72.      Het staat vast en wordt niet betwist dat, aangezien verzoekster en verweerder in het hoofdgeding de Franse nationaliteit bezitten, het Franse gerecht waaraan laatstgenoemde een verzoek tot scheiding van tafel en bed had voorgelegd overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003 internationaal bevoegd was om dit te behandelen, zoals het dat ook is voor het verzoek tot echtscheiding dat hij op 17 juni 2014 heeft ingediend. Het staat eveneens vast dat, aangezien de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben, de gerechten van die lidstaat eveneens internationaal bevoegd zijn om hun scheiding overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 uit te spreken.

73.      Ook staat vast dat nu verweerder in het hoofdgeding als eerste, op 30 maart 2011, een verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft ingediend bij een Frans gerecht, het gerecht van het Verenigd Koninkrijk waarbij verzoekster in het hoofdgeding op 24 mei 2011 een echtscheidingsverzoek heeft ingediend het gerecht is waarbij de zaak het laatst is aangebracht dat dus zijn uitspraak overeenkomstig artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moest aanhouden totdat de bevoegdheid van het Franse gerecht zou vaststaan.

74.      Tot slot staat evenzeer vast dat het Franse gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht zich in de beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk van 15 december 2011 bevoegd heeft verklaard uitspraak te doen op het door verweerder in het hoofdgeding ingediende verzoek tot scheiding van tafel en bed en partijen tegelijkertijd heeft uitgenodigd de procedure tot scheiding van tafel en bed in te leiden. De High Court heeft dientengevolge, zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking, het echtscheidingsverzoek van verzoekster in het hoofdgeding, met haar instemming, op 7 november 2012 overeenkomstig artikel 19, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 afgewezen.

75.      Daaruit volgt dat het hoofdgeding zich, althans in de eerste fase ervan, heeft afgespeeld met inachtneming van de in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 neergelegde aanhangigheidsregels.

76.      Zoals de Commissie heeft opgemerkt en niet ter discussie staat, moet in het bijzonder worden benadrukt dat er sprake is van litispendentie in de zin van deze bepaling(24) wanneer een verzoek tot echtscheiding is ingediend in een lidstaat en parallel daaraan een verzoek tot scheiding van tafel en bed in een andere lidstaat, omdat deze bepaling slechts vereist dat de verzoeken dezelfde partijen betreffen en niet dat het onderwerp en de oorzaak ervan strikt gelijk zijn.(25)

77.      Het hoofdgeding en de vragen van de verwijzende rechter hebben echter geen betrekking op deze eerste fase van de procedure in het hoofdgeding, maar op een tweede fase ervan, die begint kort vóór het verstrijken van de in artikel 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering gestelde termijn van dertig maanden waarna de door het als eerste aangezochte Franse gerecht gewezen beschikking tot vaststelling van de duurzame ontwrichting van het huwelijk vervalt.

78.      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing heeft verzoekster in het hoofdgeding immers op 6 juni 2014, vlak voor het verstrijken van deze termijn, geprobeerd de High Court over te halen haar echtscheidingsverzoek vooruitlopend in te willigen.(26) Dit verzoek, dat door de verwijzende rechter werd betiteld als „vindingrijk”, werd echter als te vernieuwend afgewezen. Verzoekster in het hoofdgeding heeft daarop, op 13 juni 2014, een echtscheidingsverzoek aanhangig gemaakt bij de verwijzende rechter.

79.      In dit verband moet worden opgemerkt dat het echtscheidingsverzoek van 13 juni 2014, in tegenstelling tot het verzoek van 6 juni 2014, dat een ander voorwerp had, niet formeel door de verwijzende rechter is afgewezen, zonder dat laatstgenoemde daarvoor een verklaring geeft. De verwijzende rechter geeft met name niet aan of hij van mening is dat de zaak in het licht van het recht van het Verenigd Koninkrijk en van artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 rechtsgeldig bij hem aanhangig is gemaakt.

80.      Hoe het ook zij, het is het echtscheidingsverzoek dat verzoekster in het hoofdgeding op 13 juni 2014 heeft ingediend dat de aanleiding vormt voor de procedure die de High Court er in het hoofdgeding toe heeft gebracht het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing, omdat verweerder in het hoofdgeding haar, onder toepassing van precies dat artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, heeft verzocht dat verzoek af te wijzen, zich beroepend op het feit dat de procedure tot scheiding van tafel en bed op 13 juni 2014 nog hangende was en op misbruik van procedure.

81.      Het is overigens de specifieke context waarin dit verzoek is gedaan die de op zijn minst bijzondere bewoordingen verklaren van de prejudiciële vragen die zij het Hof stelt en waarbij nu moet worden stilgestaan.

3.      De bijzonderheden van de prejudiciële vragen

82.      De twee prejudiciële vragen van de verwijzende rechter zijn nauw met elkaar verbonden aangezien zij, naar hun bewoordingen, uitdrukkelijk betrekking hebben op het begrip „bevoegdheid [die] vaststaat” in de zin van artikel 19, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003.

83.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter immers in wezen te vernemen of het bepaalde in artikel 19, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat waarbij het eerst een verzoek tot scheiding van tafel en bed is aangebracht nog altijd „vaststaat” in de omstandigheden die hij beschrijft, namelijk:

–        wanneer de verzoekende partij die in die procedure tot scheiding van tafel en bed toestemming heeft gekregen de verwerende partij binnen een wettelijke termijn van dertig maanden te dagvaarden, nalaat binnen die termijn een dagvaarding uit te brengen en aldus het vervallen van die procedure afwacht om bij dezelfde rechter een nieuwe procedure in te leiden;

–        wanneer de procedure tot scheiding van tafel en bed kort na het inleiden van een echtscheidingsprocedure in een andere lidstaat vervalt, en

–        wanneer de verzoekende partij in de procedure tot scheiding van tafel en bed ten gevolge van de tijdzones steeds eerder dan de verwerende partij een echtscheidingsprocedure kan inleiden.

84.      Met zijn tweede vraag wenst hij te vernemen of artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, en met name de term „vaststaat”, aldus moet worden uitgelegd dat het de partij die bij een gerecht van een lidstaat een procedure tot scheiding van tafel en bed heeft ingeleid verplicht om stappen te ondernemen om de procedure snel en voortvarend tot een goed einde te brengen.

85.      De tweede vraag is in vele opzichten slechts een herformulering van de eerste. Uiteindelijk wenst de verwijzende rechter voornamelijk vast te stellen of de bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat waarbij het eerst een verzoek tot scheiding van tafel en bed is aangebracht nog altijd vaststaat in de zin van artikel 19, leden 1 en 3, wanneer de verzoekende partij geen enkele moeite doet om het te voltooien.

86.      Hoe het ook zij, de verwijzende rechter vraagt dus uitsluitend of verordening nr. 2201/2003 in die zin moet worden uitgelegd dat de bevoegdheid van het Franse gerecht, die wat het verzoek tot scheiding van tafel en bed betreft dat verweerder in het hoofdgeding op 30 maart 2011 heeft ingediend naar behoren vaststond in de zin van artikel 19 van die verordening, in de omstandigheden van het hoofdgeding moet worden geacht „nog altijd” vast te staan, en of hij bijgevolg in het kader van de echtscheidingsprocedure die verzoekster in het hoofdgeding op 13 juni 2014 bij hem heeft ingeleid zijn uitspraak moet aanhouden of partijen zo nodig naar het Franse gerecht moet verwijzen.

87.      Om die vraag te beantwoorden moet echter eerst worden vastgesteld of de verwijzende rechter, waarbij verzoekster in het hoofdgeding op 13 juni 2014 een echtscheidingsverzoek aanhangig heeft gemaakt, dan wel het Franse gerecht, waaraan verweerder in het hoofdgeding op 17 juni 2014 een echtscheidingsverzoek heeft voorgelegd, in de omstandigheden van het hoofdgeding, die worden gekenmerkt door het feit dat de in Frankrijk ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed tussen deze twee data in is vervallen, moet worden geacht het „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 te zijn. Het antwoord op deze vraag hangt evenzeer af van de uitlegging van het door de verwijzende rechter niet genoemde artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 als van de uitlegging van artikel 19 van die verordening.

88.      Bijgevolg moeten de twee prejudiciële vragen van de verwijzende rechter enerzijds samen worden onderzocht en anderzijds worden verruimd en geherformuleerd zodat zijn eveneens artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 betreffen.

89.      Teneinde de verwijzende rechter de gegevens te verschaffen die hem in staat stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding, meen ik dat bijgevolg de hoofdvraag waarop het Hof moet antwoorden als volgt kan worden geformuleerd:

„Moeten de artikelen 16 en 19 van verordening nr. 2201/2003 in die zin worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding:

–        waarin een procedure tot scheiding van tafel en bed die bij een gerecht van een eerste lidstaat is ingeleid is vervallen en

–        waarin parallel aan elkaar twee echtscheidingsverzoeken zijn ingediend, het eerste bij een gerecht van een andere lidstaat kort voor de vervaldatum van de procedure tot scheiding van tafel en bed en het tweede bij het gerecht van de eerste lidstaat kort na die vervaldatum,

de bevoegdheid van het gerecht van de eerste lidstaat om op het echtscheidingsverzoek te beslissen moet worden geacht vast te staan?”

B –    Uitlegging van de artikelen 16 en 19 van verordening nr. 2201/2003

90.      Hoewel het Hof reeds in de gelegenheid is geweest artikel 19, lid 2, van verordening nr. 2201/2003, dat litispendentie op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, uit te leggen(27), heeft het zich nog niet uitgesproken over de uitlegging van artikel 19, leden 1 en 3, van die verordening en evenmin over die van artikel 11, leden 1 en 3, van verordening nr. 1347/2000 en artikel 11, leden 1 en 3, van het Verdrag van Brussel van 28 mei 1998.

91.      Het Hof heeft daarentegen wel vergelijkbare bepalingen van andere instrumenten uitgelegd, met name artikel 21 van het Executieverdrag(28) en artikel 27 van verordening nr. 44/2001(29). Die rechtspraak kan derhalve van nut zijn bij de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter.(30)

92.      Artikel 19, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat in het geval van litispendentie het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve moet aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat en, wanneer dat het geval is, partijen naar die rechter moet verwijzen.

93.      Het gerecht van een lidstaat waarbij bijvoorbeeld een echtscheidingsverzoek aanhangig is gemaakt moet derhalve, als bij een gerecht van een andere lidstaat eerder bijvoorbeeld een verzoek tot scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt, zijn uitspraak ambtshalve aanhouden totdat de bevoegdheid van laatstgenoemd gerecht vaststaat. Wanneer die bevoegdheid vaststaat moet het tweede gerecht, waarbij het echtscheidingsverzoek aanhangig is gemaakt, partijen verwijzen naar het eerste gerecht, waarbij het verzoek tot scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.

94.      Deze bepalingen leggen derhalve, in navolging van artikel 21 van het Executieverdrag, een procedureregel inzake aanhangigheid vast die duidelijk uitsluitend is gegrond op de chronologische volgorde waarin de zaken bij de betrokken gerechten zijn aangebracht.(31)

95.      In de omstandigheden van het hoofdgeding moest zoals gezegd het gerecht van het Verenigd Koninkrijk, waarbij verzoekster in het hoofdgeding op 24 mei 2011 haar echtscheidingsverzoek aanhangig heeft gemaakt, zijn uitspraak onder toepassing van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aanhouden en partijen vervolgens onder toepassing van artikel 19, lid 3, van die verordening naar het andere gerecht verwijzen, hetgeen het heeft gedaan.

96.      De vragen die de verwijzende rechter stelt betreffen echter niet het echtscheidingsverzoek van 24 mei 2011 van verzoekster in het hoofdgeding, maar dat van 13 juni 2014, want het litispendentieprobleem waarvoor hij zich gesteld ziet komt voort uit de opeenvolging van de op 30 maart 2011 in Frankrijk ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed en de op 17 juni 2014 in Frankrijk ingeleide echtscheidingsprocedure, en de indiening van een echtscheidingsverzoek in het Verenigd Koninkrijk tussen deze twee data in.

97.      Strikt chronologisch gezien moet dus worden vastgesteld dat de op 13 juni 2014 in het Verenigd Koninkrijk ingeleide procedure weliswaar eerder is ingeleid dan die van 17 juni 2014 in Frankrijk, maar dat de procedure tot scheiding van tafel en bed die op 30 maart 2011 in Frankrijk was ingeleid nog hangende was op de datum waarop de echtscheidingsprocedure in het Verenigd Koninkrijk werd ingeleid.

98.      Anders gezegd, de bepalingen van artikel 19, leden 1 en 3, van verordening nr. 2201/2003 bieden op zich geen oplossing voor het litispendentieprobleem dat zich voordoet in een situatie als in het hoofdgeding, die wordt gekenmerkt door de dualiteit van de „onthuwelijkings”procedure in Frankrijk en de aanhangigmaking van parallelle echtscheidingsprocedures in twee verschillende lidstaten kort voor en onmiddellijk na het vervallen van een procedure tot scheiding van tafel en bed.

99.      Geoordeeld zou kunnen worden dat de verwijzende rechter op het moment dat het echtscheidingsverzoek bij hem aanhangig werd gemaakt, op 13 juni 2014, nog altijd het gerecht was waarbij de zaak het laatst was aangebracht en dat hij zijn uitspraak dus moest aanhouden en partijen naar het andere gerecht moest verwijzen, aangezien de procedure tot scheiding van tafel en bed nog hangende was.

100. Anderzijds kan echter ook worden geoordeeld dat de verwijzende rechter op het moment dat het echtscheidingsverzoek bij de Franse rechter aanhangig werd gemaakt, op 17 juni 2014, het gerecht was waarbij de zaak het eerst was aangebracht, aangezien de procedure tot scheiding van tafel en bed was vervallen.

101. Dientengevolge moet overeenkomstig vaste rechtspraak voor de oplossing van het in het hoofdgeding opgeworpen probleem rekening worden gehouden met de algemene opzet van verordening nr. 2201/2003 en het doel dat met de erin neergelegde regels wordt nagestreefd.(32)

102. Inzonderheid kan naar mijn oordeel het voorstel van de Commissie, dat erop neerkomt het Hof de datum voor de beoordeling van de aanhangigheid te laten vaststellen, niet worden gevolgd, aangezien dat voorstel in wezen het bestaan van elke aanhangigheid in het hoofdgeding ontkent. De aanpak die de regering van het Verenigd Koninkrijk bepleit, die erin bestaat te bepalen welk van de twee gerechten waaraan parallelle echtscheidingsverzoeken zijn voorgelegd en die beide bevoegd zijn daarover te beslissen het gerecht is dat in de omstandigheden van het hoofdgeding moet worden geacht het gerecht te zijn waarbij de zaak het eerst is aangebracht, lijkt mij passender.

103. Er zij in dit verband aan herinnerd dat de regels inzake litispendentie ertoe strekken in het belang van een goede rechtsbedeling binnen de Unie parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende lidstaten en de tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn te voorkomen.(33)

104. Met dit doel is in verordening nr. 2201/2003 in artikel 19 een duidelijk en doelmatig mechanisme in het leven geroepen om gevallen van litispendentie op te lossen op basis van de chronologische procedureregel die ik hierboven heb onderzocht, maar in artikel 16(34) ook het begrip „aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht” gedefinieerd.

105. Zo kan met het oog op de toepassing van de aanhangigheidsregels in herinnering worden gebracht dat volgens dit artikel een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt hetzij op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend, hetzij op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling wordt ontvangen, afhankelijk van de keuze die de lidstaat waar het gerecht onder valt heeft gemaakt, mits, in beide gevallen, de verzoeker niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen of het bij het gerecht neer te leggen.

106. Artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 stelt derhalve zowel de procedurele als de temporele kenmerken vast van het begrip „aanhangigmaking” door te bepalen op welk tijdstip en onder welke voorwaarden een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt, ongeacht wat de in de lidstaten intern geldende voorschriften in dit verband bepalen.(35) Meer in het algemeen moet het begrip „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” worden beschouwd als een autonoom begrip van Unierecht.(36)

107. Derhalve moet worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 om vast te stellen hoe de aanhangigheidsregels van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 in een situatie als in het hoofdgeding concreet moeten worden toegepast, welke toepassing het mogelijk moet maken het risico op parallelle procedures zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat de als laatste aangezochte rechter zijn uitspraak blijft aanhouden.(37)

108. Het eerste probleem waarover derhalve moet worden beslist is of de zaak moet worden geacht op 13 juni 2014 bij de verwijzende rechter „aanhangig” te zijn gemaakt in de zin van artikel 16 van verordening nr. 2201/2003.

109. Dat lijkt het geval te zijn. Verzoekster in het hoofdgeding heeft haar echtscheidingsverzoek immers op 13 juni 2014 bij de verwijzende rechter ingediend en niets in de verwijzingsbeslissing wijst erop dat zij niet de stappen heeft genomen die zij volgens artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 gehouden was te nemen. Het staat echter aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

110. Overigens zij opgemerkt dat de zaak op 17 juni 2014 door het echtscheidingsverzoek van verweerder in het hoofdgeding eveneens bij het Franse gerecht „aanhangig” lijkt te zijn gemaakt in de zin van artikel 16 van verordening nr. 2201/2003.

111. De strikte toepassing van de chronologische procedureregel die bij artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 is ingesteld vereist derhalve dat in de omstandigheden van het hoofdgeding de verwijzende rechter wordt beschouwd als het gerecht waarbij het eerst een echtscheidingsverzoek is aangebracht en dat derhalve het Franse gerecht, waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak moet aanhouden totdat de bevoegdheid van de verwijzende rechter vaststaat en partijen zo nodig naar het andere gerecht moet verwijzen.

112. Aangezien enerzijds de bevoegdheid van het Franse gerecht om te beslissen over de door verweerder in het hoofdgeding ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed wegens het vervallen daarvan is verlopen en anderzijds de verwijzende rechter moet worden beschouwd als het gerecht waarbij het eerst een echtscheidingsverzoek is aangebracht, lijken de feiten die de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen als doorslaggevend heeft aangeduid(38) irrelevant te zijn. De enige vraag die overblijft is derhalve of de bevoegdheid van de verwijzende rechter vaststaat in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003.

113. Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om zich hierover uit te spreken, moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is te beslissen over de echtscheiding die partijen in het hoofdgeding wensen. Voorts kan worden opgemerkt dat enerzijds de verwijzende rechter zich niet onbevoegd heeft verklaard te beslissen over het echtscheidingsverzoek dat verzoekster in het hoofdgeding heeft ingediend, integendeel, en dat anderzijds verweerder in het hoofdgeding de bevoegdheid van de verwijzende rechter niet heeft betwist, maar slechts onder toepassing van artikel 19, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 een verzoek heeft ingediend tot verwerping of doorhaling van het echtscheidingsverzoek van verzoekster in het hoofdgeding.(39)

114. Daar kan nog tegen in worden gebracht dat, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de voorgestelde uitlegging van de artikelen 16 en 19 van verordening nr. 2201/2003 degene benadeelt die, zoals verweerder in het hoofdgeding, na een procedure tot scheiding van tafel en bed in Frankrijk te hebben ingeleid aldaar geen echtscheidingsprocedure kan inleiden omdat in een andere lidstaat al een echtscheidingsprocedure is ingeleid kort voor het verstrijken van de in artikel 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering neergelegde termijn voor verval van de procedure tot scheiding van tafel en bed.

115. Dit nadeel is echter meer schijn dan werkelijkheid, aangezien vaststaat dat verweerder in het hoofdgeding zijn verzoek tot scheiding van tafel en bed had kunnen intrekken en vervolgens, als hij dat had gewild, bij een Frans gerecht een echtscheidingsverzoek had kunnen indienen. Als er al sprake is van een nadeel, dan is dat slechts het gevolg van de door de dualiteit van de „onthuwelijkings”procedure in Frankrijk gecreëerde situatie en de procedurele onbalans tussen de verzoeker en de verweerder die de artikelen 1076, 1111 en 1113 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering hebben geschapen in het kader van de procedure tot scheiding van tafel en bed.

116. Zoals advocaat-generaal Jääskinen in zijn conclusie in de zaak Weber(40) terecht heeft opgemerkt met betrekking tot artikel 27 van verordening nr. 44/2001, begunstigt een voorrang van bevoegdheid die uitsluitend is gebaseerd op een chronologisch criterium de partij die het snelst een vordering bij een gerecht van een lidstaat heeft ingesteld.

117. Blijkens het voorgaande luidt het antwoord op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter dat de artikelen 16 en 19 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding:

–        waarin een procedure tot scheiding van tafel en bed die bij een gerecht van een eerste lidstaat is ingeleid is vervallen en

–        waarin parallel aan elkaar twee echtscheidingsverzoeken zijn ingediend, het eerste bij een gerecht van een andere lidstaat kort voor de vervaldatum van de procedure tot scheiding van tafel en bed en het tweede bij het gerecht van de eerste lidstaat kort na die vervaldatum,

de bevoegdheid van het gerecht van de eerste lidstaat om op het echtscheidingsverzoek te beslissen moet worden geacht niet vast te staan.

VI – Conclusie

118. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de High Court of Justice (England and Wales), Family Division als volgt te beantwoorden:

„De artikelen 16 en 19 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding:

–        waarin een procedure tot scheiding van tafel en bed die bij een gerecht van een eerste lidstaat is ingeleid is vervallen en

–        waarin parallel aan elkaar twee echtscheidingsverzoeken zijn ingediend, het eerste bij een gerecht van een andere lidstaat kort voor de vervaldatum van de procedure tot scheiding van tafel en bed en het tweede bij het gerecht van de eerste lidstaat kort na die vervaldatum,

de bevoegdheid van het gerecht van de eerste lidstaat om op het echtscheidingsverzoek te beslissen moet worden geacht niet vast te staan.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 –      PB L 338, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2201/2003”.


3 –      Hierna: „verzoekster in het hoofdgeding”.


4 –      Hierna: „verweerder in het hoofdgeding”.


5 –      PB L 12, blz. 1.


6 –      PB L 351, blz. 1.


7 –      C‑111/01, EU:C:2003:257, punt 27.


8 –      Zie artikel 15 van verordening nr. 2201/2003.


9 –      PB L 351, blz. 1. Zie overwegingen 33 en 34 en artikelen 32‑34.


10 –      PB L 7, blz. 1.


11 –      PB L 201, blz. 107.


12 –      Hof van cassatie, 1e civiele kamer, arrest van 26 juni 2013, beroep nr. 12–24001 (ECLI:FR:CCASS:2013:C100695).


13 –      Zie arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 86).


14 –      Zie arrest C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268) en standpuntbepaling van advocaat-generaal Szpunar in de zaak C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2275, punten 58–60).


15 –      Zie arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punten 64 en 66).


16 –      (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”). Zie arresten Gasser (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 41) en Mærsk Olie & Gas (C‑39/02, EU:C:2004:615).


17 –      Zie arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances (C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 40).


18 –      C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 45.


19 –      Beroep nr. 13/70007 (ECLI:FR:CCASS:2014:AV15001); hierna: „advies van 10 februari 2014”.


20 –      Zie conclusie van Bernard de la Gâtinais onder het advies van 10 februari 2014 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het Hof van cassatie.


21 –      Zie Watine-Drouin, C., Séparation de corps, causes, procédure, effets, JurisClasseur Notarial, Fascicule nr. 5, nr. 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


22 –      Zie advies van 10 februari 2014 en conclusie van Bernard de la Gâtinais.


23 –      In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals verzoekster in het hoofdgeding stelt, de Franse Cour de cassation een arrest heeft bevestigd van een Hof van beroep dat overeenkomstig de artikelen 3, lid 1, onder a), en 16 van verordening nr. 2201/2003 had geoordeeld dat „in echtscheidingszaken de dag waarop het verzoek is ingediend geldt als de dag dat de zaak regelmatig bij een gerecht aanhangig is gemaakt, mits dat verzoek is gevolgd door een dagvaarding”; zie Cour de cassation, 1e civiele kamer, arrest van 26 juni 2013, beroep nr. 12‑24001 (ECLI:FR:CCASS:2013:C100695). Hoewel het waar is dat deze uitlegging van verordening nr. 2201/2003, als zij door het Hof zou worden bevestigd, het in het hoofdgeding opgeworpen probleem zou oplossen, blijft het feit bestaan dat de aan het Hof gestelde vragen niet het „regelmatige karakter” van de aanhangigmaking bij de Franse rechter betreffen maar, zoals wij verderop in deze conclusie zullen zien, de begrippen „bevoegdheid [die] vaststaat”, in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, en het „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht”, in de zin van artikel 16 van die verordening.


24 –      Niettemin moet worden opgemerkt dat het Hof nog niet in de gelegenheid is geweest deze bepaling uit te leggen.


25 –      Ik herinner eraan dat artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 in essentie gelijk is aan artikel 11, lid 2, van het Verdrag opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, ondertekend te Brussel op 28 mei 1998 (PB C 221, 16 juli 1998, blz. 2; hierna: „Verdrag van Brussel van 28 mei 1998”), dat werd gepresenteerd als een nieuwe regel voor gevallen van „oneigenlijke aanhangigheid” die „specifiek verband houdt met de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels uit het oogpunt van de mogelijkheid tot scheiding van tafel en bed, echtscheiding en nietigverklaring van het huwelijk”; zie Toelichtend verslag over het Verdrag opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, opgesteld door A. Borrás en goedgekeurd door de Raad op 28 mei 1998, punt 54 (PB C 221, blz. 27). Zie eveneens het voorstel van de Commissie [COM(1999) 220 def.] dat heeft geleid tot de totstandkoming van verordening nr. 1347/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (JO L 160, blz. 19), waarnaar het voorstel van de Commissie [COM(2002) 222 def.] dat heeft geleid tot de totstandkoming van verordening nr. 2201/2003 verwijst.


26 –      Zie dienaangaande punt 21 van deze conclusie.


27 –      Zie arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punten 64–86).


28 –      Zie arresten Zelger (129/83, EU:C:1984:215), Gubisch Maschinenfabrik (144/86, EU:C:1987:528), Overseas Union Insurance e.a. (C‑351/89, EU:C:1991:279), Tatry (C‑406/92, EU:C:1994:400), von Horn (C‑163/95, EU:C:1997:472), Drouot assurances (C‑351/96, EU:C:1998:242), Gantner Electronic (C‑111/01, EU:C:2003:257), Gasser (C‑116/02, EU:C:2003:657) en Mærsk Olie & Gas (C‑39/02, EU:C:2004:615).


29 –      Zie met name arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances (C‑1/13, EU:C:2014:109) en Weber (C‑438/12, EU:C:2014:212).


30 –      Zie in die zin, maar met de terughoudendheid die het specifieke karakter van de ouderlijke verantwoordelijkheid vereist, standpuntbepaling van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:578, punten 95 e.v.); zie met name ook arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punten 64 e.v.).


31 –      Zie arrest Gasser (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 47).


32 –      Zie met name arresten Gasser (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 70) en Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances (C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 33).


33 –      Zie wat het Executieverdrag betreft arrest Gasser (C‑116/02, EU:C:2003:657, punt 41) en wat verordening nr. 2201/2003 betreft arrest Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 64).


34 –      Artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 herhaalt in dezen de bepalingen van artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1347/2000.


35 –      Zoals advocaat-generaal Jääskinen terecht opmerkt in zijn standpuntbepaling in de zaak Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:578, punt 98). Hij benadrukt in dit verband de ommekeer die de wetgever heeft teweeggebracht ten opzichte van het standpunt dat het Hof ten aanzien van het Executieverdrag had ingenomen in het arrest Zelger van 7 juni 1984 (129/83, EU:C:1984:215, punt 16), waarin het had geoordeeld dat „artikel 21 van het Verdrag [...] aldus moet worden uitgelegd, dat als ‚gerecht waarbij een vordering het eerst aanhangig is gemaakt’ is te beschouwen het gerecht waar het eerst is voldaan aan de voorwaarden waaronder tot definitieve aanhangigheid kan worden besloten; deze voorwaarden moeten worden beoordeeld naar het nationale recht van elk der betrokken lidstaten”.


36 –      Zie standpuntbepaling van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:578, punt 98).


37 –      Zie, naar analogie met artikel 27 van verordening nr. 44/2001, arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances (C‑1/13, EU:C:2014:109, punten 38 en 41).


38 –      Namelijk, in de eerste plaats de omstandigheid dat verweerder in het hoofdgeding niets heeft ondernomen om de procedure tot scheiding van tafel en bed die hij in Frankrijk had ingeleid te voltooien, dan wel met zijn gemanoeuvreer kennelijk heeft geprobeerd de inleiding van elke echtscheidingsprocedure in het Verenigd Koninkrijk te verhinderen en, in de tweede plaats, de omstandigheid dat vanwege de respectieve tijdzones van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk de verzoeker die zich tot een Frans gerecht wendt noodzakelijkerwijs bevoordeeld is wat betreft de chronologische aanhangigheidsregels die zijn neergelegd in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003.


39 –      Zie, naar analogie met artikel 27 van verordening nr. 44/2001, arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances (C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 44).


40 – C‑438/12, EU:C:2014:43, punt 79.