Language of document : ECLI:EU:F:2014:267

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

10 december 2014

Zaak F‑127/14

Stephen Turkington

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Pensioenen – Overdracht van in de nationale pensioenregeling verworven pensioenrechten – Voorstel voor extra dienstjaren dat niet tijdig is betwist – Ontbreken van nieuw en wezenlijk feit – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Turkington vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 27 januari 2014 tot afwijzing van zijn verzoek om herberekening van het aantal extra dienstjaren in de pensioenregeling van de Unie volgende uit de overdracht van de pensioenrechten die hij in de Duitse pensioenregeling had verworven.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Turkington draagt zijn eigen kosten.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Regels van openbare orde

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Verval van recht – Heropening – Voorwaarde – Nieuw en wezenlijk feit

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

1.      De klacht- en de beroepstermijnen zijn van openbare orde en staan noch ter beschikking van de partijen noch van de rechter. De bevoegdheid om een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in te dienen mag de ambtenaar dus niet gebruiken om de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut vastgestelde klacht‑ en beroepstermijnen te omzeilen door, door middel van een later verzoek, indirect een eerder, niet binnen de termijnen bestreden besluit te betwisten.

(cf. punt 18)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Michel/Commissie, F‑44/13, EU:F:2014:40, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      Het bestaan van nieuwe en wezenlijke feiten kan de indiening van een verzoek om herziening van een definitief geworden eerder besluit rechtvaardigen. Een beroep dat wordt ingesteld tegen een besluit houdende weigering om een definitief geworden besluit te herzien, moet dus ontvankelijk worden verklaard indien blijkt dat het verzoek om herziening inderdaad berustte op nieuwe en wezenlijke feiten. Blijkt dit daarentegen niet het geval te zijn, dan moet het beroep tegen het besluit houdende weigering om tot de gevraagde herziening over te gaan, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtsgevolgen van een arrest van de Unierechter waarbij een handeling nietig is verklaard, strekken zich slechts uit tot de partijen en tot degenen die rechtstreeks door de nietig verklaarde handeling zelf worden geraakt, zodat dit arrest slechts ten aanzien van die personen een nieuw feit kan opleveren.

(cf. punten 19 en 22)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikking Cervelli/Commissie, T‑622/11 P, EU:T:2012:538, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Probst/Commissie, F‑75/13, EU:F:2014:20, punten 17 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak