Language of document : ECLI:EU:F:2014:268

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

10 december 2014

Zaak F‑115/13

Christina Helwig

tegen

Europees Milieuagentschap (EMA)

„Openbare dienst – Arbeidscontractant – Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd – Beroep kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk rechtens ongegrond”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee Helwig opkomt tegen het besluit waarbij het Europees Milieuagentschap (EMA) heeft geweigerd om haar overeenkomst van arbeidscontractant te verlengen en vraagt om vergoeding van de schade die zij door dat besluit zou hebben geleden.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk rechtens ongegrond verklaard. Helwig draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Europees Milieuagentschap.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Op de administratie rustende zorgplicht – Inaanmerkingneming van de belangen van de betrokken functionaris – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 7; Regeling andere personeelsleden, art. 47 en 119)

2.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Aanwerving – Verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd – Verschil in behandeling van functionarissen bij afloop van de overeenkomst – Geen discriminatie – Voorwaarden

(Regeling andere personeelsleden, art. 47 en 119)

1.      De mogelijkheid om een overeenkomst van arbeidscontractant voor bepaalde tijd te verlengen vormt slechts een mogelijkheid die ter beoordeling van het bevoegde gezag staat, daar de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken om hun diensten te organiseren aan de hand van de hun toevertrouwde taken en om met het oog daarop het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, op voorwaarde dat die tewerkstelling in het belang van de dienst is.

Bovendien moet het bevoegd gezag bij zijn beslissing over de situatie van een functionaris alle elementen in aanmerking nemen die zijn beslissing kunnen beïnvloeden, dat wil zeggen niet alleen het belang van de dienst, maar eveneens en met name dat van de betrokken functionaris. Dit volgt immers uit de zorgplicht van de administratie, die een weergave vormt van het door het Statuut en, naar analogie, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en zijn personeelsleden.

De zorgplicht kan echter niet aldus worden uitgelegd dat de administratie, alvorens te beslissen om de overeenkomst voor bepaalde tijd van een arbeidscontractant niet te verlengen, verplicht is om na te gaan of hij niet in een andere post tewerk kan worden gesteld.

In elk geval is de controle van de rechter, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen in dit verband beschikken, beperkt tot het nagaan of er geen sprake is van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid.

(cf. punten 18‑20 en 22)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arresten Kyrpitsis/EESC, T‑13/95, EU:T:1996:50, punt 52; Potamianos/Commissie, T‑160/04, EU:T:2008:438, punt 30, en ETF/Landgren, T‑404/06 P, EU:T:2009:313, punt 162

Gerecht van de Europese Unie: arrest Commissie/Macchia, T‑368/12 P, EU:T:2014:266, punt 59

2.      Het besluit van een Agentschap van de Unie om de overeenkomst van een arbeidscontractant niet te verlengen, terwijl de overeenkomst voor bepaalde tijd van andere arbeidscontractanten bij afloop ervan wel is verlengd en zij in een ander ambt van dat Agentschap zijn ingedeeld, vormt geen schending van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien niet is aangetoond dat de betrokken functionaris, gelet op de aard van de functie die hij eerder vervulde, de kwaliteit van de prestaties waarvan hij tot dan blijk had gegeven en het profiel van de ambten die kunnen worden aangeboden, zich wat de mogelijke verlenging van zijn overeenkomst betrof in een situatie bevond die vergelijkbaar was met die van de andere arbeidscontractanten.

(cf. punten 28 en 29)