Language of document : ECLI:EU:F:2014:271

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

11 december 2014

Zaak F‑21/14

Hariklia Iliopoulou

tegen

Europese Politiedienst (Europol)

„Openbare dienst – Personeel van Europol – Europol-overeenkomst – Statuut van de personeelsleden van Europol – Besluit 2009/371/JAI – Toepassing van de RAP op de personeelsleden van Europol – Niet-verlenging van een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd – Weigering om de betrokkene een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd te geven”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, waarmee Iliopoulou vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van 13 mei 2013 waarbij de Europese Politiedienst (Europol) heeft geweigerd om haar overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd, die op 31 oktober 2013 afliep, voor onbepaalde tijd te verlengen.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. De Europese Politiedienst draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van Iliopoulou, die de helft van haar eigen kosten draagt.

Samenvatting

Gerechtelijke procedure – Kosten – Verwijzing – Inaanmerkingneming van billijkheidseisen – Verwijzing van de in het gelijk gestelde partij in de kosten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 102, lid 2; Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 1)

Op grond van artikel 102, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht voor ambtenarenzaken de in het gelijk gestelde partij verwijzen in haar eigen kosten en in die van de wederpartij indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep. In dit verband kan de verwijzing van de instelling in de kosten worden gerechtvaardigd door haar gebrek aan vlijt tijdens de precontentieuze procedure. Dit is het geval wanneer de instelling de in artikel 90, lid 1, van het Statuut voorziene termijn van vier maanden laat verstrijken zonder het nemen van een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van de door de betrokkene ingediende klacht en zij dat besluit zelfs niet in de drie volgende maanden neemt, en niet kan worden uitgesloten dat de verzoeker, indien de instelling dat besluit had genomen, geen beroep zou hebben ingesteld.

(cf. punten 80 en 82)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking Coedo Suárez/Raad, F‑73/10, EU:F:2011:102, punt 47