Language of document : ECLI:EU:F:2015:53

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

9 juni 2015

Zaak F‑65/14

EF

tegen

Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

„Openbare dienst – Personeel van EDEO – Ambtenaren – Bevorderingsronde 2013 – Besluit om verzoeker niet naar de rang AD 13 te bevorderen – Bezwaar van verzoeker tegen de lijst van voor bevordering voorgedragen ambtenaren – Artikel 45 van het Statuut – Minimum van twee jaar diensttijd in de rang – Berekening van de termijn van twee jaar – Datum van het bevorderingsbesluit”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee EF vraagt om nietigverklaring van de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 9 en 14 oktober 2013 om hem in het kader van de bevorderingsronde voor het jaar 2013 (hierna: „bevorderingsronde 2013”) niet te bevorderen naar de rang AD 13.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. EF draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Dienst voor extern optreden.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Voorwaarden – Minimale diensttijd in de rang – Vereiste van gelijktijdigheid met de periode die door de beoordelingsrapporten wordt bestreken – Geen vereiste – Datum die in aanmerking moet worden genomen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Criteria – Persoonlijke verdiensten van de kandidaten – Beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

3.      Ambtenaren – Bevordering – Klacht van een niet-bevorderde kandidaat – Afwijzend besluit – Motivering – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 90, lid 2)

1.      Uit artikel 45 van het Statuut volgt duidelijk dat alleen ambtenaren met een diensttijd van ten minste twee jaar in hun rang in aanmerking komen voor bevordering. Deze bepaling stelt niet als aanvullende voorwaarde dat de vereiste diensttijd van twee jaar exact moet samenvallen met de periode van twee jaar die door twee jaarlijkse beoordelingsrapporten wordt bestreken, welke jaarlijkse beoordelingsrapporten in beginsel over elke ambtenaar worden opgesteld over de periode die samenvalt met het kalenderjaar.

De datum van het bevorderingsbesluit vormt echter de relevante datum om te beoordelen of de ambtenaar voldoet aan de minimumdiensttijd die voor een bevordering wordt verlangd.

Voorts vereist artikel 45 van het Statuut niet dat de datum waarop aan de voorwaarde van de diensttijd wordt voldaan noodzakelijkerwijs samenvalt met het einde van de beoordelingsperiode die door het jaarlijkse beoordelingsrapport wordt bestreken.

(cf. punten 26, 27 en 29)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Casini/Commissie, T‑132/03, EU:T:2005:324, punt 84

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Balabanis en Le Dour/Commissie, F‑77/05, EU:F:2006:127, punt 35

2.      Dat een ambtenaar duidelijke en erkende verdiensten heeft, sluit niet uit dat in het kader van de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten wordt vastgesteld dat andere ambtenaren grotere verdiensten hebben.

In dit verband heeft de administratie, door zich te baseren op de beoordelingsrapporten van de bevorderde ambtenaren en vast te stellen dat zij over grotere verdiensten dan de betrokkene beschikten, geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt, dat wil zeggen een duidelijk waarneembare fout die gemakkelijk kan worden ontdekt.

Dezelfde conclusie geldt voor de overweging betreffende het criterium voor het gebruik van de talen, volgens welke de beheersing van het Engels en het Frans in de regel voldoende is voor de functionele behoeften van het orgaan van de Unie, zodat het nut van de beheersing van andere talen secundair is.

Wat de verantwoordelijkheden van de belanghebbende in zijn verschillende functies betreft, heeft hij niet aangetoond dat de overweging van de administratie dat die verantwoordelijkheden hetzelfde niveau hebben als die welke gewoonlijk door een ambtenaar van dezelfde rang worden gedragen, zodat zij niet als bijzonder verdienstelijk voor een bevordering kunnen worden beschouwd, een kennelijke beoordelingsfout bevat.

(cf. punten 43‑46)

Referentie:

Hof: arrest Cubero Vermurie/Commissie, C‑446/00 P, EU:C:2001:703, punt 21

Gerecht van eerste aanleg: arrest Morello/Commissie, T‑164/00, EU:T:2002:312, punt 100

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Trentea/FRA, F‑112/10, EU:F:2012:179, punt 104

3.      Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gehouden de bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde ambtenaren. Het is echter wel verplicht zijn besluit tot afwijzing van een door een niet-bevorderde kandidaat op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht met redenen te omkleden, waarbij de motivering van dit afwijzend besluit wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht.

Daar bevorderingen volgens de bewoordingen van artikel 45 van het Statuut „bij selectie” geschieden, kan de motivering alleen betrekking hebben op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van de bevordering afhankelijk stelt. Het tot aanstelling bevoegde gezag is met name niet gehouden om de afgewezen kandidaat in kennis te stellen van het resultaat van zijn vergelijking tussen hem en de bevorderde kandidaten.

(cf. punten 50 en 51)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest Contargyris/Raad, T‑6/96, EU:T:1997:76, punten 147 en 148

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Merhzaoui/Raad, F‑18/09, EU:F:2011:180, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak