Language of document : ECLI:EU:F:2015:46

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

18 mei 2015

Zaak F‑44/14

Jaana Pohjanmäki

tegen

Raad van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Respectieve rol van het TABG en het RBC – Ontbreken van beoordelingsrapporten – Geen raadpleging van de beoordelingsrapporten door de leden van het RBC – Verenigbaarheid van de functie van rapporteur bij het RBC en van voormalig beoordelaar – Kennelijke beoordelingsfout – Diensttijd in de rang – Niveau van de gedragen verantwoordelijkheden – Zorgplicht”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Pohjanmäki vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Raad van de Europese Unie om haar in het kader van de bevorderingsronde 2013 niet naar de rang AD 13 te bevorderen alsmede om veroordeling van de Raad tot vergoeding van de immateriële schade die zij door dat besluit zou hebben geleden.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Pohjanmäki draagt de helft van haar eigen kosten. De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van Pohjanmäki.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten – Onvolledig en onregelmatig persoonsdossier – Gevolgen

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten – Voorafgaand onderzoek door de raadgevende bevorderingscommissies – Modaliteiten – Onderzoek van de beoordelingsrapporten door slechts een lid van een raadgevende bevorderingscommissie – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

3.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten – Voorafgaand onderzoek door de raadgevende bevorderingscommissies – Modaliteiten – Onderzoek van de beoordelingsrapporten door een lid van een raadgevende bevorderingscommissie dat beoordelaar van de betrokken ambtenaar is geweest – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

4.      Beroepen van ambtenaren – Voorafgaande administratieve klacht – Afwijzend besluit – Vervanging van de motivering van de bestreden handeling

(Ambtenarenstatuut, art. 45, 90 en 91)

5.      Ambtenaren – Bevordering – Criteria – Verdiensten – Inaanmerkingneming van de diensttijd in de rang – Subsidiaire inaanmerkingneming – Inaanmerkingneming van de bestendigheid in de duur van de verdiensten – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

6.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van de verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen – Kennelijk onjuiste beoordeling – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 45)

7.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van de verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Elementen die in aanmerking kunnen worden genomen – Niveau van de gedragen verantwoordelijkheden

(Ambtenarenstatuut, art. 5 en 45)

8.      Ambtenaren – Bevordering – Klacht van een niet-bevorderde kandidaat – Afwijzend besluit – Motiveringsplicht – Omvang – Ontoereikende motivering – Regularisatie in de loop van de precontentieuze procedure – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 25 en 45)

1.      Voor de nietigverklaring van een besluit om een kandidaat niet te bevorderen is het niet voldoende dat zijn dossier onregelmatig en onvolledig is, tenzij wordt vastgesteld dat deze omstandigheid een beslissende invloed heeft kunnen hebben op de bevorderingsprocedure.

Wat een onregelmatigheid betreft ontleend aan een gebrek aan informatie over de prestaties van een ambtenaar gedurende twee periodes die in totaal zeven maanden bestrijken, wordt niet aangetoond dat deze onregelmatigheid een beslissende invloed op de bevorderingsprocedure heeft kunnen hebben. De periode van in totaal zeven maanden gedurende welke de prestaties van de betrokkene niet zijn beoordeeld in het kader van beoordelingsrapporten is immers zeer kort in vergelijking met die van acht jaar die in de betrokken rang is doorgebracht en de betrokkene heeft noch aangetoond noch gesteld dat haar verdiensten gedurende die zeven maanden zo belangrijk waren dat de uitkomst van de vergelijking anders had kunnen zijn indien die verdiensten wel in aanmerking waren genomen.

(cf. punten 41, 43 en 44)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Sabbag Afota/Raad, F‑9/11, EU:F:2011:196, punten 42‑44

2.      Wanneer het door een instelling ingevoerde bevorderingsstelsel de mogelijkheid biedt om binnen de raadgevende bevorderingscommissies een rapporteur aan te wijzen wiens rol bestaat in het bestuderen van de dossiers en de beoordelingsrapporten en daarvan verslag uit te brengen aan de raadgevende bevorderingscommissie, kan op grond van het feit dat de beoordelingsrapporten van één van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren slechts zijn geraadpleegd door één lid van de raadgevende bevorderingscommissie niet worden vastgesteld dat de gehele vergelijking van de verdiensten onregelmatig is. Aangezien de interne regeling van de instelling niet voorziet in een procedure of bijzondere formaliteiten voor de aanwijzing van de rapporteur bij een raadgevende bevorderingscommissie, volstaat de raadpleging van de beoordelingsrapporten door één van de leden van die commissie om ervan uit te gaan dat het lid heeft gehandeld als rapporteur van de raadgevende bevorderingscommissie.

(cf. punt 46)

3.      Wanneer het door een instelling ingevoerde bevorderingsstelsel de mogelijkheid biedt om binnen de raadgevende bevorderingscommissies een rapporteur aan te wijzen wiens rol bestaat in het bestuderen van de dossiers en de beoordelingsrapporten en daarvan verslag uit te brengen aan de raadgevende bevorderingscommissie en voorziet in het geval dat de eerste beoordelaar van één van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren lid is van een raadgevende bevorderingscommissie, moet dit lid zich onthouden van deelneming aan de discussie over de betrokken ambtenaar. Er is echter geen reden om de strekking van laatstgenoemde regel zodanig uit te breiden dat deze ook de functie van rapporteur omvat die het betrokken lid binnen de raadgevende bevorderingscommissie wordt gevraagd te vervullen, in de fase van het onderzoek van de relevante dossiers en rapporten.

(cf. punt 49)

4.      Het evolutieve karakter van de precontentieuze procedure geeft de administratie de mogelijkheid om in het stadium van de klacht het bestreden besluit opnieuw te onderzoeken op basis van nieuwe elementen feitelijk en rechtens en, zo nodig, de grondslag van het besluit te wijzigen of aan te vullen.

(cf. punt 52)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arrest Mocová/Commissie, T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punten 34, 35 en 45

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten AZ/Commissie, F‑26/10, EU:F:2011:163, punt 38, en BD/Commissie, F‑36/11, EU:F:2012:49, punt 47

5.      Artikel 45 van het Statuut schrijft voor dat bevordering uitsluitend geschiedt bij selectie onder de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren die het meest verdienstelijk zijn. Voor de bevordering van een ambtenaar zijn de anciënniteit in de rang en de diensttijd dus alleen van subsidiair belang, indien er sprake is van gelijke verdiensten als de andere voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.

Het criterium van de bestendigheid in de duur van de verdiensten vormt geen ander criterium dan de drie in artikel 45 van het Statuut genoemde criteria, maar valt rechtstreeks onder het eerste daarvan, gebaseerd op de beoordelingsrapporten die over de ambtenaren worden opgesteld, en biedt het tot aanstelling bevoegd gezag de mogelijkheid om een juist evenwicht te vinden tussen het doel om een snelle loopbaanprogressie te verzekeren aan briljante ambtenaren die zich onderscheiden door een buitengewoon hoog prestatieniveau en dat van een normale loopbaan aan ambtenaren die gedurende een lange periode blijk hebben gegeven van een constant hoog prestatieniveau.

(cf. punten 57 en 58)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arrest Stols/Raad, T‑95/12 P, EU:T:2014:3, punten 40‑45

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten Barbin/Parlement, F‑68/09, EU:F:2011:11, punt 91, en Nieminen/Raad, F‑81/12, EU:F:2014:50, punten 43 en 44, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑464/14 P

6.      In het kader van de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering voorgedragen ambtenaren, beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid, en moet het toezicht door de Unierechter zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. De rechter kan zijn oordeel over de kwalificaties en de verdiensten van de kandidaten dus niet in de plaats stellen van dat van het tot aanstelling bevoegd gezag.

Van een kennelijke onjuistheid is sprake wanneer deze gemakkelijk herkenbaar is en duidelijk aan het licht kan worden gebracht, aan de hand van criteria waarvan de wetgever de bevorderingsbesluiten afhankelijk heeft willen stellen. Om vast te stellen dat de administratie bij de beoordeling van de feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van een besluit kan rechtvaardigen, moeten de door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen afdoende zijn om de beoordelingen van de administratie hun plausibiliteit te ontnemen. Met andere woorden, het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout moet worden afgewezen indien de betrokken beoordeling ondanks de door de verzoeker aangevoerde elementen juist of geldig kan worden geacht.

(cf. punten 61 en 62)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten AC/Raad, F‑9/10, EU:F:2011:160, punten 22‑24, en Nieminen/Raad, EU:F:2014:50, punt 59

7.      Volgens het in artikel 5 van het Statuut neergelegde beginsel van de gelijkwaardigheid tussen de rang en de functie, worden ambtenaren en functionarissen van dezelfde rang geacht om functies te vervullen met gelijkwaardige verantwoordelijkheden. Wanneer de administratie de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren vergelijkt, moet zij derhalve rekening houden met het niveau van de door hen gedragen verantwoordelijkheden, wanneer het om meer verantwoordelijkheden gaat dan een ambtenaar van hun rang gewoonlijk draagt.

(cf. punt 66)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest Merhzaoui/Raad, F‑18/09, EU:F:2011:180, punt 59

8.      Het tot aanstelling bevoegd gezag is weliswaar niet gehouden, de bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde kandidaten, doch het is wel verplicht, zijn besluit tot afwijzing van een door een niet-bevorderde ambtenaar ingediende klacht met redenen te omkleden, waarbij de motivering van dit afwijzend besluit wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht.

In dit kader moet de toereikendheid van de motivering overigens worden beoordeeld aan de hand van de wezenlijke elementen van het betoog waarop de instelling antwoordt. Daar bevordering overeenkomstig artikel 45 van het Statuut bij selectie geschiedt, volstaat het dat de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht verband houdt met de toepassing van de wettelijke en statutaire voorwaarden voor bevordering op de individuele situatie van de ambtenaar.

Voor zover het tot aanstelling bevoegd gezag een begin van een motivering heeft verstrekt, kunnen in de loop van het geding bovendien nadere preciseringen worden gegeven.

(cf. punten 79, 80 en 83)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikking Van Neyghem/Raad, T‑113/13 P, EU:T:2013:568, punt 17

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten AC/Raad, EU:F:2011:160, punt 29; Sabbag Afota/Raad, EU:F:2011:196, punt 65, en Bouillez e.a./Raad, F‑11/11, EU:F:2012:8, punt 22