Language of document : ECLI:EU:F:2015:86

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

14 juli 2015

Zaak F‑109/14

Silvana Roda

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Bezoldiging – Overlevingspensioen – Artikel 27 van bijlage VIII bij het Statuut – Recht van de gescheiden echtgenoot van de overleden ambtenaar – Alimentatiepensioen ten laste van de overleden ambtenaar – Bovengrens van het overlevingspensioen – Beroep kennelijk ongegrond”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Roda vraagt om veroordeling van de Europese Commissie tot betaling aan haar, uit hoofde van het overlevingspensioen dat zij geniet, van 35 % van het ouderdomspensioen dat haar ex-echtgenoot op het moment van zijn overlijden genoot, en wel vanaf de datum van zijn overlijden, vermeerderd met rente over de achterstallige bedragen.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. Roda draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Beslissing bij met redenen omklede beschikking – Voorwaarden – Beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond – Draagwijdte

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 81)

2.      Ambtenaren – Pensioenen – Overlevingspensioen – Alimentatiepensioen vastgesteld bij een overeenkomst tussen de voormalige echtgenoten – Begrenzing van het overlevingspensioen

(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 18 en 27)

1.      Volgens artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken kan het Gerecht, wanneer een beroep geheel of ten dele kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

Meer bepaald, de verwerping van het beroep bij met redenen omklede beschikking op basis van artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering, draagt niet alleen bij tot de proceseconomie, maar bespaart partijen eveneens de kosten die het houden van een terechtzitting met zich zou brengen, wanneer het Gerecht zich bij lezing van het dossier van een zaak voldoende ingelicht acht door de stukken van het dossier en volkomen overtuigd is van de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep of van de omstandigheid dat het kennelijk rechtens ongegrond is, en bovendien van mening is dat het houden van een terechtzitting geen nieuwe elementen kan opleveren die hem van zijn overtuiging kunnen afbrengen.

(cf. punten 14 en 15)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikkingen van 10 juli 2014, Mészáros/Commissie, F‑22/13, EU:F:2014:189, punt 39, en van 23 april 2015, Bensai/Commissie, F‑131/14, EU:F:2015:34, punt 28

2.      Het bedrag van het overlevingspensioen waarop een gescheiden echtgenoot recht heeft, valt uitsluitend onder de bepalingen van de artikelen 27 en 28 van bijlage VIII bij het Statuut en het is voor de berekening en de actualisatie van dit bedrag irrelevant dat het in artikel 27 van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde alimentatiepensioen op grond van het nationale recht en wegens het overlijden van de ex-echtgenoot niet meer kan worden gewijzigd.

Bovendien regelt artikel 18 van bijlage VIII bij het Statuut uitsluitend de situatie van de overlevende echtgenoot van de overleden ambtenaar en dient het, met name wat het minimumbedrag betreft van het overlevingspensioen dat gelijk is aan 35 % van het laatste basissalaris, niet op overeenkomstige wijze te worden toegepast op de situatie van ex-echtgenoten van de overleden ambtenaar.

(cf. punten 19 en 20)