Language of document : ECLI:EU:F:2015:91

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

15 juli 2015

Zaak F‑94/15 R

Oren Wolff

tegen

Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

„Openbare dienst – Kort geding – Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging – Verkiezingen van het personeelscomité – Spoedeisendheid – Geen spoedeisendheid – Afweging van de betrokken belangen”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 278 VWEU, artikel 157 EA en artikel 279 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Wolff vraagt om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 23 april 2015 tot afwijzing van zijn verzoek om de uitslag van de verkiezingen van de leden van het personeelscomité ongeldig te verklaren.

Beslissing:      Het verzoek in kort geding van Wolff wordt afgewezen. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Procesbelang – Geschillen betreffende de verkiezingen van het personeelscomité – Ambtenaar die op het moment van de verkiezingen de hoedanigheid van kiezer heeft

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Kort geding – Opschorting van de tenuitvoerlegging – Voorwaarden voor toekenning – Spoedeisendheid – Ernstige en onherstelbare schade – Schade die een ambtenaar in zijn hoedanigheid van kiezer tijdens de verkiezingen van het personeelscomité heeft geleden – Omstandigheid die op zich geen ernstige schade vormt – Invloed van het recht op een doeltreffend beroep in rechte – Geen invloed

(Art. 278 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 115, lid 2)

3.      Kort geding – Opschorting van de tenuitvoerlegging – Voorwaarden voor toekenning – Ernstige en onherstelbare schade – Begrip

(Art. 278 VWEU )

4.      Kort geding – Opschorting van de tenuitvoerlegging – Voorwaarden voor toekenning – Spoedeisendheid – Ernstige en onherstelbare schade – Schade die een ambtenaar in zijn hoedanigheid van kiezer tijdens de verkiezingen van het personeelscomité heeft geleden – Afweging van alle betrokken belangen – Geen spoedeisendheid

(Art. 278 VWEU; Ambtenarenstatuut, bijlage II, art. 1)

1.      Wat de verkiezingen van de organen betreft die het personeel en de andere functionarissen vertegenwoordigen alsmede de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen of aan een dergelijke procedure deel te nemen, heeft elke kiezer er een rechtstreeks en actueel belang bij dat de verkiezingen worden gehouden onder de voorwaarden en op basis van een kiesstelsel dat in overeenstemming is met de statutaire bepalingen inzake de verkiezingsprocedure.

Wanneer een ambtenaar de hoedanigheid van kiezer bij de verkiezingen van het personeelscomité had en hij zich op die hoedanigheid beroept om de rechter te vragen de uitslag van die verkiezingen te controleren, verliest hij niet zijn procesbelang alleen op grond van het feit dat, hypothetisch gesproken, het mandaat van het personeelscomité dat na die verkiezingen tot stand is gekomen tijdens de procedure afloopt.

(cf. punten 25 en 30)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest van 24 september 1996, Marx Esser en del Amo Martinez/Parlement, T‑182/94, EU:T:1996:130, punt 40

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking van 19 juli 2011, Bömcke/EIB, F‑105/10, EU:F:2011:122, punten 23 en 24

2.      In artikel 278 VWEU is het beginsel neergelegd dat een beroep geen schorsende werking heeft, omdat de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen een vermoeden van geldigheid genieten. De kortgedingrechter kan dus slechts bij wijze van uitzondering de opschorting gelasten van de tenuitvoerlegging van een handeling die voor de rechter in de hoofdzaak wordt betwist. De voorwaarde van spoedeisendheid, en meer in het bijzonder de voor de opschorting van de tenuitvoerlegging met name geldende voorwaarde dat de verzoeker zich met succes kan beroepen op het risico van ernstige en onherstelbare schade, mag dus niet worden verward met het vereiste dat een ambtenaar, om met succes een beroep op grond van de artikelen 90 en 91 van het Statuut te kunnen instellen, een persoonlijk belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling moet hebben.

De omstandigheid dat een ambtenaar de hoedanigheid van kiezer tijdens de verkiezingen van het personeelscomité heeft en hij, evenals elke kiezer, er een belang bij heeft dat zijn vertegenwoordigers onder regelmatige omstandigheden worden gekozen, volstaat derhalve niet om aan te tonen dat er sprake is van een gevaar van ernstige en onherstelbare schade die de opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit kan rechtvaardigen.

Ofschoon artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Unie elke persoon het recht op een doeltreffend beroep in rechte garandeert, zijn impliciet beperkingen aan dat recht toegestaan, aangezien het door zijn aard een regeling vereist en dus niet tot gevolg kan hebben dat de bepalingen van artikel 278 VWEU, waaruit volgt dat geen opschorting van de tenuitvoerlegging kan worden gelast wanneer er geen gevaar van ernstige en onherstelbare schade is, buiten beschouwing worden gelaten.

(cf. punten 26, 27 en 29)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikking van 27 april 2010, Parlement/U, T‑103/10 P(R), EU:T:2010:164, punt 34

3.      De opschorting van de tenuitvoerlegging hangt op zich niet af van het voordeel dat de begunstigden van de bestreden handeling daaraan zouden kunnen ontlenen, maar van de ernstige en onherstelbare schade die deze handeling aan de eigen belangen van de verzoeker kan veroorzaken.

(cf. punt 33)

4.      Op het gebied van een kort geding is de voorwaarde van spoedeisendheid niet aangetoond wanneer het gaat om een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een besluit tot afwijzing van het verzoek van een ambtenaar om de uitslag van de verkiezingen van de leden van een personeelscomité ongeldig te verklaren, daar de uitkomst van de afweging van de betrokken belangen in elk geval in het voordeel van de betrokken instelling uitvalt.

Het houden van periodieke verkiezingen wordt immers gerechtvaardigd door de noodzaak om te garanderen dat de ideeën van de vertegenwoordigers van het kiezerskorps de fundamentele ontwikkelingen van die kiezers weerspiegelen, daar een vertegenwoordiging het gevaar inhoudt om met de tijd niet meer overeen te stemmen met de belangrijkste aspiraties van de kiezers. Dit zou echter het gevaar zijn indien het oude personeelscomité in zijn functie werd gehandhaafd in afwachting van de beslissing van de Unierechter over het beroep tot nietigverklaring van de uitslag van de verkiezingen van dat comité, terwijl de wetgever van de Unie met de vaststelling van artikel 1 van bijlage II bij het Statuut heeft besloten dat een personeelscomité ten minste om de drie jaar moet worden vernieuwd teneinde de representativiteit ervan te garanderen. Bovendien zou afbreuk worden gedaan aan de efficiëntie van het representatieve karakter van het vorige personeelscomité wanneer zijn bevoegdheden worden beperkt tot alleen de afhandeling van de lopende zaken. Een dergelijke beperking voor korte duur zou het interne bestuur van de betrokken instelling kunnen verstoren telkens wanneer zij een beroep moet doen op dat comité of op andere organen waarvan de samenstelling uit dat comité is afgeleid, zoals het paritair bevorderingscomité, het beoordelingscomité en het comité voor sociale maatregelen.

In omstandigheden waarin de betwisting van de verkiezing van het huidige personeelscomité uitsluitend is gebaseerd op het feit dat het stembureau de stemperiode voor een tweede keer heeft verlengd teneinde het quorum te bereiken, in plaats van een tweede stemronde te organiseren waardoor de verkiezingen uitsluitend op basis van een deelneming van de meerderheid geldig hadden kunnen zijn, moet, ook al wordt deze betwist, de zowel ruime als actuele representativiteit van het nieuwe personeelscomité worden afgewogen tegen de verouderde en beperkte efficiëntie van het oude comité en moet worden beslist dat het belang van de instelling om over een moderne en volledig operationele personeelsvertegenwoordiging te beschikken, die een permanent contact met haar moet verzekeren en moet meewerken aan de goede werking van de diensten, zwaarder weegt dan het belang van de kiezer.

(cf. punten 37‑40)