Language of document : ECLI:EU:C:2015:785

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. WATHELET

van 26 november 2015 (1)

Zaken C613/13 P, C609/13 P, C625/13 P, C636/13 P en C644/13 P

Europese Commissie

tegen

Keramag Keramische Werke GmbH e.a. (C‑613/13 P)

en

Duravit AG e.a.

tegen

Europese Commissie (C‑609/13 P)

en

Villeroy & Boch AG

tegen

Europese Commissie (C‑625/13 P)

en

Roca Sanitario SA

tegen

Euopese Commissie (C‑636/13 P)

en

Villeroy & Boch SAS

tegen

Europese Commissie (C‑644/13 P)

„Hogere voorzieningen – Mededingingsregelingen – Belgische, Duitse, Franse, Italiaanse, Nederlandse en Oostenrijkse markt van badkamersanitair – Coördinatie van verkoopprijzen en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie – Incoherenties tussen parallelle arresten van het Gerecht – Geldboete – Zwaarte van de inbreuk – Non-discriminatie”






1.        In deze conclusie zal ik de volgende hogere voorzieningen samen behandelen(2): 1) die van de Europese Commissie(3) tegen het arrest van het Gerecht Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, EU:T:2013:457; hierna: „arrest Keramag”); 2) die van Duravit AG, Duravit SA en Duravit BeLux SPRL/BVBA(4) tegen het arrest Duravit e.a./Commissie (T‑364/10, EU:T:2013:477; hierna: „arrest Duravit”); 3) die van Villeroy & Boch AG(5) en 4) die van Villeroy & Boch SAS(6) tegen het arrest Villeroy & Boch Austria e.a./Commissie (T‑373/10, T‑374/10, T‑382/10 en T‑402/10, EU:T:2013:455; hierna: „arrest Villeroy & Boch Austria”), en 5) die van Roca Sanitario SA(7) tegen het arrest Roca Sanitario/Commissie (T‑408/10, EU:T:2013:440; hierna: „arrest Roca Sanitario”).

2.        De genoemde arresten hebben betrekking op besluit C(2010) 4185 definitief van de Commissie van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst(8) (zaak COMP/39092 – Badkamersanitair; hierna: „litigieus besluit”).

3.        Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie aan 17 fabrikanten van badkamersanitair geldboeten van in totaal 622 miljoen EUR opgelegd wegens hun deelname aan één enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht in de sector badkamersanitair. Volgens de Commissie hebben die ondernemingen in verschillende tijdvakken tussen 16 oktober 1992 en 9 november 2004 met regelmaat deelgenomen aan mededingingsverstorende bijeenkomsten op het grondgebied van Duitsland, Oostenrijk, België, Frankrijk, Italië en Nederland. De Commissie heeft vastgesteld dat die ondernemingen een kartel vormden, doordat zij de jaarlijkse prijsverhogingen en andere prijsstellingsfactoren coördineerden en commercieel gevoelige informatie openbaar maakten en uitwisselden. De producten waarop die inbreuk betrekking had, waren volgens de Commissie kranen, douchewanden alsmede accessoires daarvan en keramische producten (hierna: „drie productsubgroepen”).

4.        De verschillende arresten van het Gerecht over het litigieuze besluit hebben geleid tot maar liefst 14 hogere voorzieningen bij het Hof.(9)

5.        Conform het verzoek van het Hof – en zoals ik in punt 1 hierboven al heb aangegeven – heeft deze conclusie specifiek betrekking op twee middelen die in vijf van die veertien hogere voorzieningen centraal staan. Met deze twee middelen wordt het Gerecht enerzijds verweten dat het in enkele van zijn arresten tegenstrijdige beoordelingen heeft verricht(10), en anderzijds dat het zijn volledige rechtsmacht niet naar behoren heeft uitgeoefend(11). Het is echter duidelijk dat deze conclusie voor het Hof ook als leidraad zal kunnen dienen voor zover met de overige hogere voorzieningen vergelijkbare problemen aan de orde worden gesteld.

I –    Voorgeschiedenis van de gedingen en litigieus besluit

6.        De voorgeschiedenis van de gedingen is uiteengezet in de punten 1 tot en met 26 van het arrest Keramag, de punten 1 tot en met 25 van het arrest Duravit, de punten 1 tot en met 19 van het arrest Villeroy & Boch Austria en de punten 1 tot en met 28 van het arrest Roca Sanitario. Die voorgeschiedenis laat zich als volgt samenvatten.

7.        De Commissie heeft in het litigieuze besluit een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU in de sector badkamersanitair vastgesteld.

8.        Op 15 juli 2004 hebben Masco Corp. en haar dochterondernemingen, waaronder kranenfabrikant Hansgrohe AG en douchewandenfabrikant Hüppe GmbH, de Commissie in kennis gesteld van het bestaan van een mededingingsregeling in de sector badkamersanitair en daarbij om boete-immuniteit(12) of anders boeteverlaging verzocht. Bij besluit van 2 maart 2005 heeft de Commissie Masco Corp. voorwaardelijke boete-immuniteit verleend.

9.        Op 9 en 10 november 2004 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties verricht in de bedrijfsruimten van meerdere in de sector badkamersanitair actieve ondernemingen en nationale brancheorganisaties. Tussen 15 november 2005 en 16 mei 2006 heeft zij aan een aantal daarvan verzoeken om inlichtingen gezonden. In de periode van 15 november 2004 tot 20 januari 2006 hebben enkele ondernemingen om boete-immuniteit of anders boeteverlaging verzocht.

10.      Op 26 maart 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”) vastgesteld, die aan meerdere ondernemingen, waaronder rekwiranten in de onderhavige zaken, ter kennis is gebracht.

11.      Van 12 tot en met 14 november 2007 is een hoorzitting gehouden, waaraan die rekwiranten hebben deelgenomen.

12.      Op 9 juli 2009 heeft de Commissie aan verschillende ondernemingen, waaronder enkele van de rekwiranten in de onderhavige zaken, een brief met een uiteenzetting van de feiten gestuurd. Daarbij vestigde zij hun aandacht op bepaalde bewijzen waarop zij zich bij de vaststelling van een definitief besluit wilde baseren. Tussen 19 juni 2009 en 8 maart 2010 heeft de Commissie aan meerdere ondernemingen verzoeken om nadere informatie gezonden.

13.      Op 23 juni 2010 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.

14.      Om het bedrag van de aan elke onderneming op te leggen geldboete te bepalen, heeft de Commissie zich gebaseerd op de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”). Zij heeft het basisbedrag van de geldboete vastgesteld en daarbij gepreciseerd dat die berekening voor elke onderneming was gebaseerd op haar verkopen per lidstaat, vermenigvuldigd met het aantal jaren van deelname aan de vastgestelde inbreuk in elke lidstaat en voor de betrokken productsubgroep, en dat er dus rekening mee was gehouden dat sommige ondernemingen hun activiteiten enkel in bepaalde lidstaten of enkel voor een (of twee) van de drie productsubgroepen hadden uitgeoefend.

A –    Geldboete van Keramag e.a.

15.      De Commissie heeft de coëfficiënt „ernst van de inbreuk” vastgesteld op 15 %. Daartoe heeft zij rekening gehouden met vier criteria, te weten de gecombineerde marktaandelen en de aard, de geografische omvang en de implementatie van de inbreuk.

16.      Na toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt wegens de duur van de inbreuk heeft de Commissie besloten het basisbedrag van de geldboete met 15 % te verhogen om de betrokken ondernemingen ervan te weerhouden deel te nemen aan kartelpraktijken als die waarop het litigieuze besluit ziet.

17.      Na aldus het basisbedrag te hebben vastgesteld, heeft de Commissie onderzocht of er sprake was van verzwarende dan wel verzachtende omstandigheden die een aanpassing van dat bedrag konden rechtvaardigen. Zij is niet van verzwarende of verzachtende omstandigheden uitgegaan en heeft, na toepassing van het boeteplafond van 10 %, de geldboete voor Keramag Keramische Werke GmbH e.a. (hierna: „Keramag e.a.”) bepaald op 57 690 000 EUR (artikel 2, lid 7, van het litigieuze besluit).

B –    Geldboete van Duravit e.a.

18.      De Commissie heeft de coëfficiënt „ernst van de inbreuk” vastgesteld op 15 %. Daartoe heeft zij rekening gehouden met vier criteria, te weten de gecombineerde marktaandelen en de aard, de geografische omvang en de uitvoering van de inbreuk. Na toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt wegens de duur van de inbreuk heeft de Commissie besloten het basisbedrag van de geldboete met 15 % te verhogen om de betrokken ondernemingen ervan te weerhouden deel te nemen aan kartelpraktijken als die waarop het litigieuze besluit ziet.

19.      Na aldus het basisbedrag te hebben vastgesteld, heeft de Commissie geen verzwarende of verzachtende omstandigheden aangenomen en, na toepassing van het boeteplafond van 10 %, de geldboete voor Duravit e.a. bepaald op 29 266 325 EUR (artikel 2 van het litigieuze besluit).

C –    Geldboeten van Villeroy & Boch AG en Villeroy & Boch SAS

20.      In artikel 1, lid 1, van het litigieuze besluit heeft de Commissie Villeroy & Boch AG bestraft voor haar deelname aan één enkele inbreuk van 28 september 1994 tot en met 9 november 2004, en haar dochterondernemingen Villeroy & Boch Austria GmbH (hierna: „Villeroy & Boch Oostenrijk”), Villeroy & Boch Belgium en Villeroy & Boch SAS voor hun deelname aan dezelfde inbreuk in tijdvakken gaande van op zijn vroegst 12 oktober 1994 tot en met 9 november 2004.

21.      In artikel 2, lid 8, van het litigieuze besluit heeft de Commissie geldboeten opgelegd: in de eerste plaats aan Villeroy & Boch AG (54 436 347 EUR), in de tweede plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch en Villeroy & Boch Oostenrijk (6 083 604 EUR), in de derde plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch AG en Villeroy & Boch Belgium (2 942 608 EUR), en in de vierde plaats hoofdelijk aan Villeroy & Boch AG en Villeroy & Boch SAS (8 068 441 EUR). Het totale bedrag van de aan Villeroy & Boch AG en haar dochterondernemingen opgelegde geldboeten bedroeg dus 71 531 000 EUR.

D –    Geldboete van Roca Sanitario

22.      In artikel 1, lid 3, van het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat Roca Sanitario en haar twee betrokken dochterondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU door in Frankrijk en Oostenrijk deel te nemen aan een voortdurende overeenkomst of aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector badkamersanitair.

23.      In artikel 2, lid 4, van het litigieuze besluit heeft de Commissie aan Roca Sanitario hoofdelijk met Laufen Austria een geldboete van 17 700 000 EUR en hoofdelijk met Roca France een geldboete van 6 700 000 EUR opgelegd. Daarnaast heeft zij aan Laufen Austria individueel een geldboete van 14 300 000 EUR opgelegd wegens haar deelname aan de inbreuk in de periode voorafgaand aan de overname van de groep Laufen door Roca Sanitario.

II – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arresten

A –    Keramag e.a.

24.      Op 8 september 2010 hebben Keramag e.a. beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld (zaken T‑379/10 en T‑381/10). In zaak T‑379/10 werden zeven en in zaak T‑381/10 negen middelen aangevoerd.

25.      Het Gerecht heeft het merendeel van die middelen afgewezen, maar het eerste en het derde onderdeel van het derde middel van Keramag e.a. in zaak T‑381/10(13) aanvaard. Van oordeel dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat, ten eerste, de vennootschappen Allia SAS en Produits Céramiques de Touraine SA (PCT) aan de inbreuk hadden deelgenomen en, ten tweede, de vennootschap Pozzi Ginori daaraan tussen 10 maart 1996 en 14 september 2001 had deelgenomen, terwijl die deelname slechts rechtens genoegzaam was aangetoond voor de periode tussen 14 mei 1996 en 9 maart 2001, heeft het Gerecht het betrokken gedeelte van artikel 1, lid 1, punt 6, van het litigieuze besluit nietig verklaard.

26.      In aanmerking nemend dat het derde middel van Keramag e.a. deels was aanvaard, heeft het Gerecht artikel 2, lid 7, van het litigieuze besluit nietig verklaard „voor zover het totaalbedrag van de […] opgelegde geldboete meer [bedroeg] dan 50 580 701 EUR” (punt 2 van het dictum), wat neerkwam op een boeteverlaging van 7 109 299 EUR.

B –    Duravit e.a.

27.      Op 2 september 2010 hebben Duravit e.a. beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. Zij hebben daarbij negen middelen aangevoerd. De eerste zes middelen strekten tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en waren ontleend aan, respectievelijk 1) schending van de eisen die gelden ter zake van het bewijs van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU; 2) schending van de rechten van verdediging van Duravit e.a. en onjuiste beoordeling van de vermeende deelname van Duravit e.a. aan een op meerdere producten betrekking hebbend kartel in de sector badkamersanitair; 3) onjuiste beoordeling van de vermeende deelname van Duravit e.a. aan een inbreuk op de mededingingsregels in de sector keramische producten in Duitsland; 4) onjuiste beoordeling van de vermeende deelname van Duravit e.a. aan een afstemming van de prijzen in België en Frankrijk; 5) onjuiste beoordeling als het gaat om de kwalificatie van de betrokken praktijken als één enkele en voortdurende inbreuk, en 6) schending van het recht om te worden gehoord als gevolg van de duur van de administratieve procedure tussen het horen van Duravit e.a. en de vaststelling van het litigieuze besluit.

28.      Het zevende middel, waarmee twee excepties van onwettigheid werden opgeworpen, was ontleend aan onwettigheid van de bepalingen van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), en van de richtsnoeren van 2006.

29.      Het achtste en het negende middel strekten tot boeteverlaging. Met het achtste middel stelden Duravit e.a. dat er bij de vaststelling van het basisbedrag van hun geldboete geen rekening mee was gehouden dat hun deelname aan de vastgestelde inbreuk minder ernstig was dan die van de overige kartelleden. Het negende middel kwam erop neer dat de geldboete die hun uiteindelijk na toepassing van het boeteplafond van 10 % was opgelegd, disproportioneel was.

30.      Het Gerecht heeft in punt 339 van het arrest Duravit geoordeeld dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat Duravit e.a. op het grondgebied van Italië, Oostenrijk en Nederland aan de vastgestelde inbreuk hadden deelgenomen. Het heeft daarom in de punten 352 tot en met 357 van zijn arrest de primaire vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit deels toegewezen.

31.      Wat de subsidiaire vordering tot verlaging van het bedrag van de aan Duravit e.a. opgelegde geldboete betreft, heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 376 en 384 van zijn arrest ongegrond verklaard de middelen waarmee Duravit e.a. stelden dat de methode voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete in strijd was met de beginselen van gelijke behandeling en van het persoonlijke karakter van straffen, en dat het bedrag van de uiteindelijk aan hen opgelegde geldboete disproportioneel en discriminatoir was.

32.      In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 385 en 386 van het arrest Duravit geoordeeld dat er geen grond was om in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de aan Duravit e.a. opgelegde geldboete van 29 266 325 EUR te verlagen, en dat dit bedrag een passende sanctie was gelet op de duur en de zwaarte van de door die ondernemingen gepleegde inbreuk.

C –    Villeroy & Boch AG

33.      Met haar op 8 september 2010 ingestelde beroep heeft Villeroy & Boch AG het Gerecht primair verzocht om het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover dit op haar betrekking heeft, en subsidiair om haar geldboeten te verlagen (zaak T‑374/10).

34.      Villeroy & Boch AG heeft betoogd dat de Commissie de vastgestelde inbreuk ten onrechte als één enkele, complexe en voortdurende inbreuk had gekwalificeerd, althans dat zij daarbij haar motiveringsplicht niet was nagekomen in zoverre zij de betrokken markten niet nauwkeurig genoeg had afgebakend. Villeroy & Boch AG heeft ook aangevoerd dat zij in Duitsland geen enkele inbreuk met betrekking tot de drie productsubgroepen had begaan.

35.      Zij heeft voorts gesteld dat haar niet de verantwoordelijkheid kon worden toegedicht voor het mededingingsverstorende gedrag van Ucosan BV, een van haar dochterondernemingen, die namelijk zelfstandig op de markt had geopereerd. Zij heeft in dit verband opgemerkt dat de bestuurder en oprichter van Ucosan BV bij overeenkomst de eindverantwoordelijkheid voor de activiteiten toegekend had gekregen en dat hij als enige verantwoordelijk was voor de marketing en de verkoop.

36.      Volgens Villeroy & Boch AG heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld dat zij aan een mededingingsregeling op de Oostenrijkse markt had deelgenomen. Zij meent namelijk dat zij als moedermaatschappij niet voor de door Villeroy & Boch Oostenrijk gepleegde inbreuk verantwoordelijk kon worden geacht, aangezien de Europese rechtspraak over de toerekening van mededingingsverstorend gedrag van een volle dochteronderneming aan haar moedermaatschappij met name in strijd is met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen en met de onschuldpresumptie. Villeroy & Boch AG heeft bovendien aangevoerd dat er geen bewijs van een inbreuk in Oostenrijk was.

37.      Tot slot heeft Villeroy & Boch AG betoogd dat zij geen inbreuk had begaan in Frankrijk, België en Italië, alsook dat er geen grond was voor een hoofdelijke veroordeling.

38.      Naar het oordeel van het Gerecht had de Commissie niet bewezen dat Villeroy & Boch AG vóór 12 oktober 1994 aan de genoemde één geheel vormende inbreuk had deelgenomen (zie punt 321 van het arrest Villeroy & Boch Austria). De uit deze vaststelling voortvloeiende gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, lid 1, van het litigieuze besluit is echter zonder gevolg gebleven voor de berekening van de in artikel 2, lid 8, van dat besluit aan Villeroy & Boch AG opgelegde geldboete. Volgens het Gerecht had de Commissie bij die berekening namelijk hoe dan ook slechts rekening gehouden met de deelname van Villeroy & Boch AG aan een inbreuk vanaf 12 oktober 1994.

D –    Villeroy & Boch SAS

39.      Met haar op 8 september 2010 ingestelde beroep heeft Villeroy & Boch SAS het Gerecht primair verzocht om het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover dit op haar betrekking heeft, en subsidiair om haar geldboete te verlagen (zaak T‑382/10). Het Gerecht heeft dat beroep in zijn geheel verworpen.

E –    Roca Sanitario

40.      Met haar op 8 september 2010 ingestelde beroep heeft Roca Sanitario het Gerecht primair verzocht om het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover dit op haar betrekking heeft, en subsidiair om haar geldboeten te verlagen.

41.      Ter ondersteuning van haar vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit heeft Roca Sanitario in wezen zes middelen aangevoerd. Het eerste, het tweede en het vijfde middel hadden betrekking op de toerekening aan haar van het mededingingsverstorende gedrag van haar dochterondernemingen. Het vijfde middel had in het bijzonder betrekking op de vaststelling van de periode waarvoor Roca Sanitario de verantwoordelijkheid voor de gedragingen van Laufen Austria kon worden toegedicht. Het derde middel was ontleend aan schending van de rechten van verdediging. Het vierde middel had betrekking op de berekening van het bedrag van de hoofdelijk aan Roca Sanitario en Laufen Austria opgelegde geldboete. Het zesde middel was ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten.

42.      Daarnaast heeft Roca Sanitario twee argumenten aangevoerd ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering tot boeteverlaging. Het eerste argument was dat de inbreuk waarvoor zij verantwoordelijk werd gehouden, minder ernstig was dan de door de overige kartelleden gepleegde inbreuk. Met het tweede argument vroeg Roca Sanitario het Gerecht om elke boeteverlaging die het in voorkomend geval aan haar dochterondernemingen zou toekennen in de door deze aanhangig gemaakte parallelle zaken, ook aan haar toe te kennen.

43.      Daar het Gerecht bij zijn op het beroep van Roca France gewezen arrest het bedrag van de hoofdelijk aan deze onderneming en aan Roca Sanitario opgelegde geldboete had verlaagd op grond dat de Commissie blijk had gegeven van een onjuiste opvatting bij de beoordeling van de door Roca France in het kader van haar clementieverzoek aangedragen gegevens, heeft het het tweede door Roca Sanitario ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering aangevoerde argument aanvaard. Het heeft bijgevolg het bedrag van de geldboete die Roca Sanitario hoofdelijk met Roca France opgelegd had gekregen, met 6 % – oftewel 402 000 EUR – verlaagd. Het heeft het beroep verworpen voor het overige.

III – Hogere voorzieningen

44.      Alle partijen zijn tijdens de terechtzitting van 10 september 2015 gehoord.

A –    Zaak Commissie/Keramag Keramische Werke e.a.

1.      Hogere voorziening: uitsluitend het tweede, het derde en het vijfde onderdeel van het eerste middel

a)      Tweede onderdeel van het eerste middel (het Gerecht heeft het clementieverzoek van Roca France niet onderzocht)

i)      Beknopte samenvatting van de argumenten van partijen

45.      De Commissie verwijt het Gerecht dat het, na ten onrechte te hebben vastgesteld dat de door American Standard Inc. (hierna: „Ideal Standard”) in het kader van haar verzoek krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking afgelegde verklaring door ander bewijs moest worden gestaafd, heeft nagelaten de verklaring van Roca France bij haar clementieverzoek te onderzoeken – terwijl deze verklaring wel is onderzocht in andere op dezelfde dag en door dezelfde rechters gewezen arresten betreffende hetzelfde kartel – en zonder enige motivering daaraan elke bewijswaarde om de verklaring van Ideal Standard te staven, heeft ontzegd, door simpelweg te verwijzen naar de passage van het litigieuze besluit waarin het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar wordt samengevat.

46.      Keramag e.a. stellen daarentegen in het algemeen dat de Commissie i) de aard van het rechterlijk toezicht miskent door zich op het standpunt te stellen dat het Gerecht in verschillende zaken niet tot verschillende conclusies kan komen, voor zover de aangevoerde argumenten en het aangedragen bewijs verschillend zijn; ii) verwijst naar niet-ontvankelijk bewijsmateriaal, dat niet aan het dossier van hun zaak is toegevoegd en dus niet tegen hen kan worden gebruikt; iii) blijk geeft van een onjuiste opvatting van het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal, door te stellen dat de in de parallelle zaken gewezen arresten betrekking hebben op dezelfde bewijsmiddelen, terwijl de bewijsmiddelen waarop zij zich beroept, geen deel uitmaakten van het dossier van hun zaak, en iv) door het Hof te verzoeken het arrest van het Gerecht te vernietigen op basis van in andere zaken aangeleverd bewijsmateriaal, in werkelijkheid van het Hof verlangt dat het hun rechten van verdediging schendt.

47.      Vervolgens stellen Keramag e.a. meer specifiek met betrekking tot het tweede onderdeel dat het Gerecht de door Roca France in het kader van de clementieprocedure afgelegde verklaring niet behoefde te onderzoeken, daar de Commissie dat stuk niet aan het dossier had toegevoegd. Wat het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar betreft, zijn zij van mening dat het Gerecht geen vergissing heeft begaan door zich op de relevante passages van het litigieuze besluit te baseren. Tot slot is er volgens Keramag e.a. in het onderhavige geval geen sprake van een onjuiste opvatting van bewijs, aangezien het gaat om verschillende bewijsmiddelen, waarover in verschillende zaken op verschillende wijze is gedebatteerd.

ii)    Beoordeling

48.      Om te beginnen zie ik met de Commissie een wezenlijke tegenstrijdigheid tussen enerzijds het arrest Keramag en anderzijds drie andere arresten over hetzelfde besluit, die op dezelfde dag en door dezelfde rechters zijn gewezen met betrekking tot dezelfde feiten en hetzelfde bewijsmateriaal.

49.      Terwijl het Gerecht in het arrest Keramag de verklaring van Roca France bij haar clementieverzoek niet heeft onderzocht en daaraan dus elke bewijswaarde om de verklaring van Ideal Standard te staven, heeft ontzegd, is het in de arresten Villeroy & Boch Austria, Duravit en Roca tot een ander oordeel gekomen:

–        In het arrest Villeroy & Boch Austria heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat rechtens genoegzaam was aangetoond dat tijdens de bijeenkomst van de Association française des industries de céramique sanitaire (hierna: „AFICS”) van 25 februari 2004 mededingingsverstorende besprekingen hadden plaatsgevonden. Het heeft zich daarbij gebaseerd op de twee clementieverzoeken van Ideal Standard en Roca France, die elkaar bevestigden, en toepassing gegeven aan zijn rechtspraak volgens welke een clementieverzoek door een ander clementieverzoek kan worden gestaafd(14);

–        in het arrest Duravit is het Gerecht tot dezelfde conclusie gekomen, en

–        in het arrest Roca heeft het Gerecht de aan Roca France opgelegde geldboete met 6 % verlaagd, omdat deze onderneming inlichtingen met significante toegevoegde waarde had verstrekt door aan te tonen dat er mededingingsverstorende besprekingen hadden plaatsgevonden tijdens de AFICS‑bijeenkomst van 25 februari 2004 – hetzelfde onderdeel van de inbreuk als waarom het in de onderhavige hogere voorziening gaat.(15)

50.      Ik zal nu de twee argumenten van de Commissie onderzoeken.

–       Eerste argument: het Gerecht heeft de verklaring van Roca France bij haar clementieverzoek niet in aanmerking genomen

Overzicht van de rechtspraak

51.      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een rekwirant in hogere voorziening kan aanvoeren dat het Gerecht de rechtsregels en algemene beginselen inzake de bewijslast of de procedureregels inzake de bewijsvoering niet heeft gerespecteerd.(16)

52.      Verder moet het arrest van het Gerecht voldoende zijn gemotiveerd om het Hof in staat te stellen zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.(17)

53.      Bovendien is „de vraag, of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden aangevoerd”.(18)

54.      Het middel ontleend aan een onvolledig onderzoek van de feiten moet in hogere voorziening eveneens ontvankelijk worden geacht(19), en als rechtsvraag moet ook de vraag worden beschouwd of het Gerecht de inhoud van de bestreden handeling verkeerd heeft opgevat door er iets in te lezen wat er niet in staat, of door er onjuist uit te citeren. In dat geval zou het Gerecht blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de betrokken handeling.(20)

55.      Zo oordeelt het Hof in het arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 381‑385) dat „[h]et Gerecht […] bij de berekening van de aan Ciments français opgelegde geldboete de omzet van haar Spaanse en haar Griekse dochteronderneming heeft uitgesloten, omdat was komen vast te staan dat Ciments français deze nog niet controleerde toen zij zich schuldig had gemaakt aan de gedragingen die de inbreuk vormden. Bovendien heeft het Gerecht erkend, dat Ciments français in 1990 elk betwist gedrag had beëindigd. […] Uit de cementbeschikking zelf blijkt, dat Ciments français de controle over CCB heeft overgenomen in 1990, dat wil zeggen hetzelfde jaar waarin zij de controle heeft verworven over haar Spaanse en haar Griekse dochteronderneming. […] [H]et Gerecht [heeft] dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, die kon worden opgemerkt bij lezing van een stuk als de cementbeschikking, die uiteraard van meet af centraal stond in het debat(cursivering van mij).

56.      En in het arrest PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 37‑54) verklaart het Hof dat „[b]ijgevolg […] de vaststelling in punt 35 van de bestreden beschikking dat ‚volgens de in bijlage bij het verzoekschrift gevoegde verklaring van O. Ocalan het congres van de PKK […] haar heeft opgeheven’, onjuist [is] en in strijd met de bewoordingen van de verklaring van O. Ocalan waarnaar die vaststelling verwijst. […] Ook de verklaring in punt 37 van de bestreden beschikking dat ‚in plaats van te bewijzen dat O. Ocalan juridisch bevoegd is om de PKK te vertegenwoordigen, verzoekers integendeel [verklaren] dat deze laatste niet meer bestaat’, strookt niet met de bewijselementen waarover het Gerecht beschikte. […] De feitelijke vaststellingen in de punten 35 en 37 van de bestreden beschikking zijn dus onjuist en vormen een onjuiste opvatting van de bewijselementen die ter beschikking van het Gerecht stonden. Daaruit volgt dat het vierde middel gegrond is” (cursivering van mij).

57.      In dezelfde zin komt het Hof in het arrest Industrias Químicas del Vallés/Commissie (C‑326/05 P, EU:C:2007:443, punten 60‑69) tot de slotsom dat „de feitelijke vaststellingen in de punten 94 en 104 van het bestreden arrest, volgens welke de Commissie haar standpunt over de vraag of het voor rekwirante noodzakelijk was om tot staving van haar verzoek om inschrijving van metalaxyl een ‚volledig dossier’ over te leggen, geenszins had veranderd, onjuist zijn en een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde bewijsmiddelen vormen”.

58.      Tot slot kan, zoals advocaat-generaal Mischo heeft opgemerkt(21), „[v]olgens vaste rechtspraak […] in beginsel een feitelijke beoordeling door het Gerecht in het kader van een hogere voorziening niet worden betwist. Op dit beginsel bestaat echter een uitzondering voor het geval, dat die feitelijke beoordeling berust op een evidente beoordelingsfout. Dit is inzonderheid het geval wanneer de feitelijke beoordeling door het Gerecht door de processtukken wordt tegengesproken” (cursivering van mij).

Analyse

59.      Ik acht het van belang de analyse te beginnen met een volledige weergave van de punten 112 tot en met 121 van het arrest Keramag, die namelijk de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot de in het kader van de AFICS gepleegde inbreuk bevatten.

„112      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat uit de in [overweging] 1223 van het [litigieuze] besluit opgenomen tabel D blijkt dat de Commissie op basis van de aanwezigheid van PCT en Allia bij de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 heeft aangenomen dat deze ondernemingen gedurende een periode van acht maanden – van 25 februari tot en met 9 november 2004 – daadwerkelijk aan de op de Franse markt vastgestelde inbreuk hebben deelgenomen.

113      Bovendien blijkt uit de [overwegingen] 556 en 590 van het [litigieuze] besluit dat de conclusie van de Commissie dat de fabrikanten van keramisch sanitair tijdens de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 hun minimumprijzen voor de producten in het lagere segment op elkaar hebben afgestemd, op vier bewijsmiddelen is gebaseerd: in de eerste plaats het antwoord van Duravit op de mededeling van punten van bezwaar ([overweging] 584 van het [litigieuze] besluit); in de tweede plaats het verzoek van Ideal Standard krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking ([overweging] 583 van het [litigieuze] besluit); in de derde plaats een door laatstgenoemde bij dat verzoek gevoegde tabel ([overweging] 588 van het [litigieuze] besluit), en in de vierde plaats het verzoek van Roca [France] krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking ([overweging] 556 van het [litigieuze] besluit).

114      Die verschillende bewijsmiddelen dienen thans tegen de achtergrond van de in de punten 95 tot en met 108 hierboven aangehaalde rechtspraak achtereenvolgens te worden onderzocht, met name om de bewijswaarde ervan te kunnen vaststellen.

115      Aangaande in de eerste plaats de door Duravit in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar afgelegde verklaring waarmee werd bevestigd dat tijdens de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 besprekingen over de minimumprijzen hadden plaatsgevonden, moet worden opgemerkt dat die verklaring, zoals de Commissie in antwoord op een door het Gerecht tijdens de terechtzitting gestelde vraag heeft erkend, tijdens de administratieve procedure niet aan [Keramag e.a.] is meegedeeld. Bovendien moet worden vastgesteld dat die verklaring niet werd genoemd in de aan [Keramag e.a.] gezonden brief van 9 juni 2009 waarin de feiten werden uiteengezet.

116      Wanneer een document niet ter kennis van de betrokken onderneming is gebracht terwijl de Commissie daaruit wel conclusies heeft getrokken, mag volgens de rechtspraak de in dit document opgenomen informatie niet in de procedure worden gebruikt (zie in die zin arrest […] AKZO/Commissie, C‑62/86, [EU:C:1991:286], punt 21]). Dit betekent dat het betrokken document niet als geldig bewijsmiddel tegen die onderneming kan worden beschouwd (zie in die zin arrest […] AEG-Telefunken/Commissie, 107/82, [EU:C:1983:293], punt 27). Bijgevolg kan de verklaring van Duravit e.a. niet worden beschouwd als een bewijsmiddel dat tegen [Keramag e.a.] kan worden gebruikt.

117      Wat in de tweede plaats de verklaringen betreft die Ideal Standard in het kader van haar verzoek krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking heeft afgelegd, zij eraan herinnerd dat volgens de in punt 105 hierboven aangehaalde rechtspraak de verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als voldoende bewijs dat een inbreuk is gepleegd, tenzij zij door ander bewijs wordt gestaafd.

118      In casu blijkt uit het [litigieuze] besluit dat de verklaringen van Ideal Standard inzake de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 werden betwist. Zo merkt de Commissie in [overweging] 585 van het [litigieuze] besluit op dat Villeroy & Boch en Allia van mening waren dat de coördinatie van de minimumprijzen, met name in het kader van die bijeenkomst, niet was aangetoond. Bijgevolg kunnen de verklaringen van Ideal Standard op zichzelf niet als voldoende bewijs worden beschouwd dat de tijdens die bijeenkomst gehouden besprekingen een mededingingsverstorend karakter hadden.

119      Wat in de derde plaats de door Ideal Standard bij haar verzoek krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking gevoegde tabel betreft, wijst het Gerecht erop dat deze tabel bestaat uit vier kolommen, respectievelijk met het opschrift ‚mini’, maxi’, ‚IS’ en ‚Porcher’, waarbij ‚IS’ staat voor Ideal Standard en ‚Porcher’ een door deze onderneming geregistreerde merknaam is. Die tabel is echter niet gedateerd en bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan hij in verband zou kunnen worden gebracht met de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 of met mededingingsverstorende besprekingen. Met name vermeldt die tabel geen namen van concurrenten of minimum- of maximumprijzen die door die concurrenten zouden moeten worden toegepast. Er kan dan ook niet op goede gronden worden gesteld – zoals de Commissie in haar verweerschrift doet – dat die tabel een schriftelijk bewijs is dat de vaststelling van prijzen tijdens die bijeenkomst, zoals door Ideal Standard in haar verklaringen in het kader van verzoek krachtens genoemde mededeling beschreven, bevestigt.

120      Met betrekking tot, in de vierde plaats, het verzoek van Roca France krachtens de mededeling van 2002 inzake medewerking moet erop worden gewezen dat de Commissie zelf in [overweging 586] van het [litigieuze] besluit verklaart dat Roca [France] in dat verzoek weliswaar de uitwisseling van minimumprijzen binnen AFICS tussen 2002 en 2004 in het algemeen bevestigt, maar meer bepaald over de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 zegt dat de beschrijving door Ideal Standard van de coördinatie van minimumprijzen tijdens die bijeenkomst niet is bevestigd door andere ondernemingen die een op de genoemde mededeling gebaseerd verzoek hebben ingediend. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie zich bij gebrek aan ondersteunend bewijs niet op de verklaringen van Roca [France] in het kader van haar verzoek krachtens die mededeling kon baseren ten bewijze van de coördinatie van minimumprijzen tijdens de genoemde bijeenkomst.

121      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat [Keramag e.a.] de Commissie terecht verwijten dat zij heeft geconcludeerd dat Allia en PCT hebben deelgenomen aan mededingingsverstorende handelingen tijdens de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004. Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel worden aanvaard.”

60.      In punt 1 van het dictum van het arrest Keramag heeft het Gerecht artikel 1, lid 1, punt 6, van het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover de Commissie daarin concludeert dat Allia SAS en PCT tussen 25 februari 2004 en 9 november 2004 aan een inbreuk in de vorm van een mededingingsregeling op de Franse markt hebben deelgenomen. Hoewel Allia SAS en PCT in punt 2 van het dictum niet met zoveel woorden worden genoemd, weerspiegelt de daarin toegepaste boeteverlaging punt 326 van het arrest Keramag.(22)

61.      Uit de hierboven aangehaalde punten van het arrest Keramag komen niet duidelijk de redenen naar voren waarom het Gerecht de verklaring van Roca France bij haar clementieverzoek niet in aanmerking heeft genomen.

62.      Ik denk (met de Commissie) dat het Gerecht vermoedelijk heeft gemeend dat een verwijzing naar overweging 586 van het litigieuze besluit, waarin het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar wordt samengevat(23), volstond om de door die onderneming in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaring buiten beschouwing te laten.

63.      Dat antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar maakte echter geen deel uit van het dossier. Het is dan ook de vraag of het Gerecht het litigieuze besluit wel gedeeltelijk nietig kon verklaren op basis van een niet in het dossier opgenomen document.

64.      Volgens vaste rechtspraak is het Hof „niet bevoegd om de feiten vast te stellen noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen”.(24) Deze beoordeling levert dus „geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de bewijzen”.(25)

65.      Het is ook juist dat het volgens de rechtspraak „aan de [Unierechter] staat om op basis van de omstandigheden van het geding te beslissen over de noodzaak tot overlegging van een stuk, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering inzake de maatregelen van instructie. Wat het Gerecht betreft, volgt uit [zijn] Reglement voor de procesvoering […] dat het verzoek om overlegging van documenten deel uitmaakt van de maatregelen van instructie die het Gerecht in iedere stand van het geding kan gelasten.”(26)

66.      Ook staat het volgens de rechtspraak(27) „uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht, of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die […] door het Hof in hogere voorziening niet wordt getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt” (cursivering van mij).

67.      Zoals in de rechtspraak herhaaldelijk is beklemtoond, levert bovendien „de beoordeling door het Gerecht van de hem voorgelegde bewijsmiddelen, behoudens in het geval van verdraaiing van deze bewijzen, geen rechtsvraag op die vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening”(28), en is „[h]et Hof […] dus niet bevoegd om de feiten vast te stellen noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de bewijzen”.(29)

68.      De toetsingsbevoegdheid van het Hof ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich dus slechts uit tot de „uit de processtukken voortvloeiende feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen, de verdraaiing van de bewijzen en de juridische kwalificatie daarvan, en tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen”.(30)

69.      Om tot slot een voorbeeld te geven van een dergelijke toetsing door het Hof, noem ik het arrest Activision Blizzard Germany/Commissie (C‑260/09 P, EU:C:2011:62, punt 57), waarin is verklaard dat „het Hof in het kader van het […] middel, inzake de verdraaiing van [de in die zaak aan de orde zijnde] faxberichten, enkel nagaat of het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van de berichten niet kennelijk heeft overschreden door op basis van deze berichten vast te stellen dat CD-Contact Data heeft deelgenomen aan een onrechtmatige overeenkomst die ertoe strekte de parallelhandel in het algemeen te beperken. In casu staat het dus niet aan het Hof om zelfstandig te oordelen of de Commissie een dergelijke deelname rechtens genoegzaam heeft aangetoond en zich daarmee heeft bevrijd van de op haar rustende last om te bewijzen dat de regels van mededingingsrecht waren geschonden. Het Hof mag enkel vaststellen of het Gerecht, door te oordelen dat dit inderdaad het geval was, de inhoud van de voornoemde faxberichten kennelijk onjuist heeft beoordeeld, hetgeen niet het geval is” (cursivering van mij).

70.      Er kan een nuttige parallel worden getrokken tussen de onderhavige zaak en het arrest UFEX e.a./Commissie (C‑119/97 P, EU:C:1999:116). Daarin heeft het Hof geoordeeld dat, „[d]aar rekwiranten het Gerecht uitdrukkelijk hadden verzocht de overlegging van die brief te gelasten, […] het Gerecht bij de toepassing van het begrip misbruik van bevoegdheid [zou] hebben gedwaald ten aanzien van het recht door, zonder zich de middelen te verschaffen om de brief te onderzoeken, te oordelen dat deze geen voldoende aanwijzing vormde” (punt 109); dat „het Gerecht het verzoek van rekwiranten om de overlegging te gelasten van een voor de beslechting van het geding kennelijk relevant document, niet kon afwijzen op grond dat dit document niet in het dossier was opgenomen en het bestaan ervan door niets kon worden bevestigd” (punt 110), en dat „[b]lijkens punt 113 van het [in de genoemde zaak] bestreden arrest […] rekwiranten […] de auteur, de geadresseerde en de datum [hadden] genoemd van de brief waarvan zij de overlegging vroegen. Gelet op deze gegevens kon het Gerecht niet eenvoudig de stellingen van partijen wegens onvoldoende bewijs afwijzen. Het stond aan het Gerecht om, door inwilliging van het verzoek van rekwiranten, de overlegging van stukken te gelasten, de onzekerheid die over de juistheid van die stellingen kon bestaan weg te nemen of de redenen uiteen te zetten waarom een dergelijk document, hoe dan ook en ongeacht de inhoud ervan, niet relevant kon zijn voor de beslechting van het geding” (punt 111).

71.      De in de voorgaande punten aangehaalde rechtspraak betekent naar mijn mening niet dat het Gerecht zich voor de nietigverklaring van een besluit kan baseren op in een document opgenomen verklaringen die zijn samengevat in een ander document, zonder dat het heeft beschikt over of onderzoek heeft verricht naar de betrokken verklaringen, te weten het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar.

72.      Bovendien was dat antwoord niet opgenomen in het dossier van de zaak, noch aan verzoeksters in eerste aanleg meegedeeld.(31)

73.      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat „de procespartijen ingevolge het beginsel van hoor en wederhoor in de regel het recht hebben om kennis te nemen van de bewijzen en de opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd en hierover hun standpunt kenbaar te maken[(32)]. Indien een rechterlijke beslissing werd gebaseerd op feiten en stukken waarvan partijen, of een van hen, geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen, zou zulks in strijd zijn met een grondbeginsel van het recht”.(33)

74.      Immers, „[o]m aan de vereisten van het recht op een eerlijk proces te voldoen, is het […] van belang dat de partijen kennis hebben van, en op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over, zowel de feitelijke als de juridische aspecten die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure”.(34)

75.      De rechten van verdediging zijn grondrechten die deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.(35) De eerbiediging van de rechten van verdediging in een voor de Commissie gevoerde procedure die de oplegging van een geldboete wegens schending van de mededingingsregels tot voorwerp heeft, verlangt dat de betrokken onderneming in staat is gesteld naar behoren haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd.(36) Die rechten worden genoemd in artikel 41, lid 2, onder a) en b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

76.      Het feit dat het Gerecht in punt 120 van het arrest Keramag zijn conclusies heeft gebaseerd op een in het litigieuze besluit gegeven samenvatting van de argumenten die Roca France in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had aangevoerd, zonder die argumenten rechtstreeks en via de verklaring van Roca France bij haar clementieverzoek te onderzoeken, is derhalve in strijd met het beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging en met de motiveringsplicht. De Commissie heeft trouwens terecht opgemerkt dat als Roca France haar niet had geholpen, zoals het Gerecht in punt 120 van het arrest Keramag heeft vastgesteld, deze onderneming in het arrest Roca Sanitario ook geen boeteverlaging toegekend had mogen krijgen.

77.      Anders dan het Gerecht (dat suggereert dat Roca France haar standpunt heeft gewijzigd) ben ik van mening dat Roca France de bewijswaarde van de verklaringen van Ideal Standard trachtte te bagatelliseren om zo de toegevoegde waarde van haar eigen verklaringen te vergroten.

78.      Dit is niet alleen mijn eigen interpretatie en die van de Commissie in de onderhavige zaak. Deze interpretatie stemt ook overeen met de bevindingen van het Gerecht in het arrest Roca, een zaak overigens waarin het Gerecht naast de door Roca France in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaringen ook het antwoord van deze onderneming op de mededeling van punten van bezwaar als zodanig heeft onderzocht, aangezien dat document wel in het dossier van die zaak was opgenomen (wat in casu niet het geval is).

79.      Deze interpretatie is te meer geboden wanneer aan het arrest dat is gewezen in de zaak waarin de betrokken documenten als onderdeel van het dossier zijn onderzocht, meer gewicht moet worden toegekend dan aan het arrest dat is gewezen in een zaak waarin die documenten ofwel niet door het Gerecht zijn onderzocht, ofwel niet eens deel uitmaakten van het dossier.

80.      Bij nadere beschouwing van het arrest Roca zien wij dat het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat het door Ideal Standard verstrekte bewijsmateriaal niet volstond om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, terwijl de door Roca France in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaringen een „significante toegevoegde waarde” hadden (punten 197‑202). In de daaropvolgende punten (punten 203 e.v.) heeft het Gerecht onderzocht of die clementieverklaring van Roca France en het antwoord van deze onderneming op de mededeling van punten van bezwaar met elkaar in tegenspraak waren, waarna het in punt 210 heeft vastgesteld dat „de gegevens in [overweging] 586 van het [litigieuze] besluit, die door de Commissie nader zijn uitgewerkt in haar geschriften, niet de conclusie [wettigen] dat verzoekster de door haarzelf verstrekte inlichtingen ongeloofwaardig heeft gemaakt. Verzoekster heeft, blijkens zowel het [litigieuze] besluit als de geschriften van de Commissie, de uitwisseling van minimumprijzen voor keramisch sanitair in het lagere segment binnen AFICS met name in 2004 bevestigd, hetgeen niet is betwist. Verzoekster heeft weliswaar de bewijskracht van de verklaring van Ideal Standard over de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 en van het door haar tot ondersteuning van haar verklaring overgelegde document in twijfel getrokken, maar daarbij voor de Commissie alleen argumenten aangevoerd die moesten aantonen dat de door Ideal Standard verstrekte gegevens niet volstonden voor de vaststelling van de inbreuk inzake keramisch sanitair in Frankrijk in 2004. Zij heeft dit gedaan met het doel om te bewijzen dat de door haarzelf bij haar verzoek om boetevermindering verstrekte inlichtingen voor de Commissie noodzakelijk waren voor het bewijs van deze inbreuk en dus significante toegevoegde waarde hadden.”

81.      De in de arresten Keramag en Roca uiteengezette bevindingen ten aanzien van de verklaringen van Roca France zijn dus duidelijk met elkaar in tegenspraak.

82.      Het Gerecht heeft dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig te verklaren op basis van een document dat niet in het dossier was opgenomen en waaraan het bovendien andere conclusies heeft verbonden in een parallelle zaak, waarin het wél deel uitmaakte van het dossier en uitvoerig is besproken.

83.      Rest de vraag of het Gerecht in hetzelfde punt 120 van zijn arrest Keramag ten onrechte heeft geoordeeld dat „[b]ijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie zich bij gebrek aan ondersteunend bewijs niet op de verklaringen van Roca [France] in het kader van haar verzoek krachtens [de] [clementie-]mededeling kon baseren ten bewijze van de coördinatie van minimumprijzen tijdens de [AFICS-] bijeenkomst”.

84.      Om te beginnen moet ik zeggen dat ik ondanks het woord „bijgevolg” geen verband zie tussen de verwijzing naar overweging 586 van het litigieuze besluit en de onmogelijkheid voor de Commissie om zich op de verklaringen van Roca France bij haar clementieverzoek te baseren.

85.      Verder heeft het Gerecht in punt 197 van het arrest Roca geoordeeld dat „de Commissie, zonder de door [Roca France] verstrekte inlichtingen, op basis van alleen de door Ideal Standard bij haar verzoek om boetevermindering verstrekte gegevens de inbreuk inzake keramisch sanitair in Frankrijk in 2004 niet [had] kunnen aantonen(cursivering van mij).

86.      Bovendien heeft het Gerecht in de arresten Duravit (punt 324) en Villeroy & Boch Austria (punten 289 en 290) de door Roca France in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaring expliciet genoemd als onderdeel van de reeks bewijzen op basis waarvan het kon vaststellen dat de inbreuk inzake keramisch sanitair in Frankrijk was aangetoond. Het Gerecht stelt zich in die twee arresten op het standpunt dat Ideal Standard en Roca elkaars verklaringen bevestigen.(37)

87.      Men hoeft immers niet twee- of driemaal over hetzelfde bewijsmiddel te beschikken om te kunnen spreken van bewijzen die elkaar staven. Het gaat er veeleer om dat men in het bezit is van twee of drie verschillende „puzzelstukken” die in elkaar passen en zo het totaalbeeld onthullen.

88.      Het Gerecht heeft dus – en dit is niet verrassend – in de arresten Villeroy & Boch Austria, Duravit en Roca vastgesteld dat een clementieverklaring door een andere dergelijke verklaring kon worden bevestigd. In het arrest Keramag heeft het Gerecht echter de bewijswaarde van de verklaring van Roca France niet eens onderzocht, noch is het nagegaan in hoeverre deze verklaring die van Ideal Standard bevestigde, maar simpelweg verwezen naar een zin uit de samenvatting van het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar (dat zelfs niet in het dossier van de zaak was opgenomen).

89.      Ik trek uit het voorgaande twee conclusies.

90.      In de eerste plaats ben ik (met de Commissie) van mening dat het Gerecht zijn arrest onvoldoende heeft gemotiveerd, ten eerste omdat het de bewijswaarde van de verklaring van Roca France niet heeft onderzocht, te meer daar deze verklaring in de arresten Villeroy & Boch Austria, Duravit en Roca als beslissend bewijs is beschouwd, en ten tweede omdat het in plaats daarvan heeft volstaan met een verwijzing naar een uit de context gehaalde passage uit een (in het litigieuze besluit gegeven) samenvatting van het antwoord van Roca France op mededeling van punten van bezwaar (dat in het arrest Roca ook nog anders is beoordeeld).

91.      Naar mijn mening kon het Gerecht zich niet zonder nadere motivering beroepen op de rechtspraak volgens welke het kan afzien van een beoordeling van de waarde van bewijsmiddelen die irrelevant zijn(38), daar het zich in drie parallelle arresten op het standpunt heeft gesteld dat het betrokken bewijsmiddel volstrekt relevant was.

92.      In de tweede plaats ben ik het met de Commissie eens dat het Gerecht ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 120 van het arrest Keramag te kennen te geven dat in het kader van clementieverzoeken afgelegde verklaringen elkaar niet kunnen staven, terwijl het in drie parallelle zaken juist terecht heeft geoordeeld dat een clementieverklaring door een andere dergelijke verklaring kan worden gestaafd, en tot de slotsom is gekomen is dat de verklaringen van Ideal Standard en Roca France elkaar bevestigden (althans wat de producten in het „lagere segment” betrof).

–       Tweede argument: tegenstrijdige motiveringen in het arrest Keramag enerzijds en de arresten Villeroy & Boch, Duravit en Roca anderzijds

Overzicht van de rechtspraak

93.      Het is juist dat volgens de rechtspraak(39) „de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, in beginsel niet zo ver kan gaan dat het Gerecht de in een zaak gekozen oplossing moet rechtvaardigen tegen de achtergrond van de oplossing waarvoor het heeft gekozen in een andere zaak die hem is voorgelegd, ook al heeft deze betrekking op hetzelfde besluit. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer een adressaat van een besluit een beroep tot nietigverklaring instelt, de rechter van de Unie alleen kan oordelen over de onderdelen van het besluit die deze adressaat betreffen. De onderdelen die betrekking hebben op andere adressaten en die niet worden betwist, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de rechter van de Unie te beslechten geschil” (cursivering van mij).

94.      Het is ook vaste rechtspraak(40) dat „het Hof in het kader van een middel inzake de verdraaiing van een bewijsmiddel enkel nagaat of het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dat bewijsmiddel niet kennelijk heeft overschreden door op basis daarvan vast te stellen dat aan een kartel is deelgenomen. Het staat dus niet aan het Hof om zelfstandig te oordelen of de Commissie een dergelijke deelname rechtens genoegzaam heeft aangetoond en zich daarmee heeft bevrijd van de op haar rustende last om te bewijzen dat de regels van mededingingsrecht waren geschonden. Het Hof mag enkel vaststellen of het Gerecht, door te oordelen dat dit inderdaad het geval was, de inhoud van het bewijsmiddel kennelijk onjuist heeft beoordeeld” (cursivering van mij).

Analyse

95.      Naar mijn mening heeft het Gerecht „de grenzen van een redelijke beoordeling” van een bewijsmiddel „kennelijk overschreden” wanneer het dit bewijsmiddel volkomen verschillend heeft behandeld in parallelle zaken betreffende dezelfde inbreuk en hetzelfde besluit.

96.      Ook wijs ik erop dat volgens het Hof „de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, in beginsel niet zo ver kan gaan dat het Gerecht de in een zaak gekozen oplossing moet rechtvaardigen tegen de achtergrond van de oplossing waarvoor het heeft gekozen in een andere zaak die hem is voorgelegd, ook al heeft deze betrekking op hetzelfde besluit”. De woorden „in beginsel” impliceren dat er uitzonderlijke situaties kunnen bestaan waarin de rechtspraak inzake tegenstrijdige motivering, die in het algemeen van toepassing is op de in een en hetzelfde arrest gegeven motivering, ook moet worden toegepast ten aanzien van een tegenstrijdige motivering in parallelle arresten. Dat is naar mijn mening in casu het geval.

97.      De in deze conclusie behandelde hogere voorzieningen betreffen immers een vrij ongebruikelijke situatie. De Commissie heeft het bestaan vastgesteld van één enkele, voortdurende en complexe(41) inbreuk, die in verschillende lidstaten is gepleegd en betrekking had op drie soorten producten (keramische producten, douchewanden en kranen). Het Gerecht is echter in vier arresten met betrekking tot dezelfde overwegingen van hetzelfde besluit en met betrekking tot exact dezelfde feiten en hetzelfde samenstel van bewijzen tot twee conclusies gekomen die lijnrecht tegenover elkaar staan. In drie arresten (arresten Villeroy & Boch Austria, Duravit en Roca) heeft het de inbreuk in het kader van de AFICS bewezen geacht, terwijl het in het arrest Keramag heeft gemeend dat het tegendeel het geval was, en wel op basis van hetzelfde bewijsmiddel dat het in de eerste drie arresten als bewijs heeft toegelaten en in het vierde arrest van de hand heeft gewezen, terwijl het dit verschil op geen enkele wijze heeft gemotiveerd.

98.      Dit brengt mij tot de conclusie dat het Gerecht het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal heeft verdraaid door zijn uitlegging van en zijn verwijzing naar het antwoord van Roca France op de mededeling van punten van bezwaar in het arrest Keramag.

99.      Deze onjuiste rechtsopvatting komt bovenop de andere onjuiste rechtsopvattingen die een beslissende invloed hebben gehad op de uitkomst van de zaak (het Gerecht heeft niet gemotiveerd waarom het clementieverzoek van Roca France niet is onderzocht, het heeft het litigieuze besluit nietig verklaard op basis van een niet in het dossier opgenomen document, en het heeft geoordeeld dat een clementieverklaring een andere dergelijke verklaring niet kon staven).

100. Het tweede onderdeel van het eerste middel van de Commissie moet derhalve worden aanvaard.

b)      Derde onderdeel van het eerste middel (het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de door Ideal Standard bij haar clementieverzoek gevoegde tabel op zichzelf het bestaan van mededingingsverstorende contacten moest aantonen, zonder dat het de toelichting bij die tabel heeft onderzocht)

101. De Commissie stelt dat het Gerecht het vereiste inzake de bevestiging van bewijsmiddelen in strijd met de vaste rechtspraak te restrictief heeft uitgelegd als het gaat om voormelde tabel betreffende de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004.

102. Keramag e.a. menen integendeel dat het Gerecht die tabel correct heeft onderzocht en dat de Commissie geen toelichtingen heeft verstrekt die de conclusie konden staven dat tijdens de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 mededingingsverstorende besprekingen hadden plaatsgevonden.

103. Ik merk om te beginnen op dat die tabel volgens het Gerecht niet kan worden beschouwd als een schriftelijk bewijs dat de vaststelling van prijzen tijdens de genoemde AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004, zoals door Ideal Standard in haar verklaringen bij haar clementieverzoek beschreven, bevestigt (zie punt 119 van het arrest Keramag), omdat hij „niet gedateerd [is]”, „geen enkele aanwijzing [bevat] op grond waarvan hij in verband zou kunnen worden gebracht met de AFICS-bijeenkomst van 25 februari 2004 of met mededingingsverstorende besprekingen”, en „geen namen van concurrenten [vermeldt] dan wel minimum- of maximumprijzen die door die concurrenten zouden moeten worden toegepast”.

104. In het arrest Salzgitter Mannesmann/Commissie (C‑411/04 P, EU:C:2007:54, punt 47) heeft het Hof de benadering bevestigd die het Gerecht had gevolgd in het arrest waartegen hogere voorziening was ingesteld, erop neerkomend dat „een anoniem bewijs, zoals het document verdeelsleutel, op zich niet het bewijs kan opleveren van een inbreuk op het communautaire mededingingsrecht” en dat „dient te worden geoordeeld dat [de] elementen elkaar onderling kunnen versterken”.

105. Steunbewijs kan namelijk bestaan uit gegevens die, ook al tonen zij op zichzelf het bestaan van de inbreuk niet aan, andere bewijsmiddelen, zoals een clementieverzoek, kunnen ondersteunen.

106. In hetzelfde arrest Salzgitter Mannesmann/Commissie (C‑411/04 P, EU:C:2007:54, punten 44‑50) heeft het Hof geoordeeld dat zelfs de anonieme oorsprong van het document onvoldoende grond is om aan dat document elke bewijskracht te ontzeggen, indien de herkomst ervan, de vermoedelijke datum waarop het is opgesteld en de inhoud ervan met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld.(42) Ook in geval van een niet ondertekend document moet trouwens de toelichting van de onderneming waarvan een medewerker het document heeft opgesteld, in aanmerking worden genomen.(43)

107. In het onderhavige geval heeft het Gerecht geen aandacht besteed aan de toelichtingen van Ideal Standard over de omstandigheden waarin de betrokken tabel was opgesteld, de datum, de auteur, enz., terwijl de tabel door een getuige van de gebeurtenissen in nauwe samenhang daarmee was opgesteld, wat factoren zijn die in beginsel de betrouwbaarheid ervan vergroten.(44)

108. Ik ben daarom (met de Commissie) van mening dat het Gerecht, door onredelijke en te strenge eisen te stellen aan de afzonderlijke bewijsmiddelen en in ieder geval aan de globale beoordeling ervan, elke betekenis ontneemt aan de bestaande rechtspraak volgens welke die bewijsmiddelen elkaar kunnen bevestigen.

109. Ik ben dan ook van mening dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door zich op het standpunt te stellen dat de betrokken tabel op zichzelf het bestaan van de inbreuk moest aantonen, zonder dat het daarbij de andere bewijzen en de nadere toelichting (zoals opgenomen in het clementieverzoek van Ideal Standard) in aanmerking heeft genomen.

110. Deze conclusie wordt nog versterkt door het feit dat de beoordeling van hetzelfde bewijsstuk in de parallelle zaak Duravit heeft geleid tot een volstrekt andere conclusie, namelijk dat de betrokken tabel bewijskracht had. De uitkomst van de onderhavige zaak zou dus anders zijn geweest als het Gerecht – zoals het in het arrest Duravit terecht heeft gedaan – de toelichting bij de tabel had onderzocht.

111. Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel van de Commissie worden aanvaard.

c)      Vijfde onderdeel (het Gerecht heeft geen globale beoordeling verricht)

112. De Commissie stelt dat het Gerecht, door verschillende bewijsmiddelen niet te onderzoeken (met name de maandelijkse tabellen met vertrouwelijke verkoopcijfers of de verklaring van de heer Laligné) en door te zware bewijsvereisten te stellen aan de gegevens die het wél heeft onderzocht, niet heeft voldaan aan de volgens vaste rechtspraak geldende verplichting om de bewijsmiddelen globaal te beoordelen.

113. Keramag e.a. merken op dat zij zich op de verklaring van de heer Laligné hebben beroepen om aan te tonen dat de clementieverzoeken van Ideal Standard niet coherent waren, en dat die verklaring hoe dan ook niet relevant was voor het litigieuze besluit. Het feit dat het Gerecht bepaalde – met name irrelevante – bewijsmiddelen niet heeft onderzocht, betekent volgens hen nog niet dat het geen globale beoordeling heeft verricht.

114. In mijn ogen heeft het Gerecht inderdaad verzuimd te onderzoeken of het bestaan van mededingingsverstorende gedragingen kon worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die, in hun totaliteit bezien, het bewijs van een inbreuk kunnen leveren.(45)

115. Door meerdere relevante bewijsmiddelen niet te onderzoeken en door zich in punt 119 van het arrest Keramag op het standpunt te stellen dat een als steunbewijs overgelegde tabel betreffende een mededingingsverstorende bijeenkomst gedateerd moet zijn en zowel de namen van concurrenten als indicaties van de minimum- en maximumprijs moet vermelden, heeft het Gerecht immers te kennen gegeven dat een dergelijke tabel op zich al het bestaan van een inbreuk moet kunnen aantonen.

116. Het Hof heeft evenwel zeer duidelijk erkend dat de verschillende bewijzen inzake het bestaan van een mededingingsregeling doorgaans fragmentarisch en schaars zijn.

117. Het heeft erop gewezen dat „de Commissie, om het bestaan van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aan te tonen, ernstige, nauwkeurige en concordante bewijzen moet overleggen […]. De door de Commissie aangebrachte bewijzen hoeven echter niet noodzakelijkerwijs aan die criteria te beantwoorden voor ieder element van de inbreuk. Het volstaat dat de bundel indicaties die genoemde instelling aanvoert, bij een globale beoordeling aan dat vereiste beantwoordt. […] Hieruit volgt dat, ook al mocht […] geen van de verschillende elementen van de betrokken inbreuk, afzonderlijk beschouwd, een ingevolge artikel 81, lid 1, EG verboden overeenkomst of onderling afgestemde gedraging vormen, zulks niet uitsluit dat bedoelde elementen, gezamenlijk beschouwd, een dergelijke overeenkomst of een dergelijke onderling afgestemde gedraging vormen. […] [D]aar het verbod om deel te nemen aan mededingingsbeperkende praktijken of overeenkomsten en de sancties die de overtreders kunnen worden opgelegd, bekend zijn, [is het immers] gebruikelijk dat de activiteiten in verband met die gedragingen en overeenkomsten clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden, meestal in een derde staat, en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals verslagen van een bijeenkomst, zullen deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen vormen dat de mededingingsregels zijn geschonden.”(46)

118. Dat de genoemde fout de uitkomst van de zaak heeft beïnvloed, blijkt uit het feit dat het Gerecht in drie parallelle arresten anders heeft beslist.

119. Doordat het Gerecht heeft verzuimd te onderzoeken of verschillende bewijzen, in hun totaliteit bezien, elkaar konden versterken(47), heeft het zijn motiveringsplicht geschonden.

120. Hieruit volgt dat het vijfde onderdeel van het eerste middel om dezelfde redenen als het derde onderdeel van dit middel moet worden aanvaard.

121. Ik geef het Hof dan ook in overweging het arrest Keramag te vernietigen.(48)

d)      Gevolgen van de vernietiging van het arrest Keramag door het Hof

122. Uit het voorgaande blijkt dat het samenstel van de in het arrest Keramag gebruikte bewijzen nogal beperkt was. Nu het Hof echter het voordeel heeft dat het beschikt over diverse andere arresten van het Gerecht waarin die bewijzen zeer grondig zijn onderzocht, verlangt het beginsel van proceseconomie in mijn ogen dat het Hof zelf uitspraak doet op het beroep tot nietigverklaring dat Keramag e.a. in eerste aanleg hebben ingesteld.

123. Die ondernemingen hebben in wezen betoogd dat de door de Commissie in de overwegingen 556 en 590 van het litigieuze besluit getrokken conclusie dat Allia en PCT tijdens een op 25 februari 2004 in het kader van de AFICS belegde bijeenkomst hun minimumprijzen voor de producten in het lagere segment hadden gecoördineerd, gebaseerd was op bewijsmiddelen die ofwel niet-ontvankelijk, ofwel onbetrouwbaar, niet gestaafd en ontoereikend zijn.

124. Zoals wij hierboven hebben gezien, heeft het Gerecht echter in het arrest Villeroy & Boch Austria (punt 286) – anders dan in het arrest Keramag, waarin het in verschillende opzichten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de analyse van de gebeurtenissen die in het kader van de AFICS hebben plaatsgevonden – terecht vastgesteld dat „[de Commissie] [i]n [overweging] 556 van [het litigieuze] besluit heeft […] aangegeven dat zij slechts over bewijs beschikte dat aantoont dat de leden van de AFICS pas vanaf de vergadering van de AFICS van 25 februari 2004 deelnamen aan besprekingen over prijscoördinatie. In [overweging] 572 van [het litigieuze] besluit heeft de Commissie vermeld dat de deelnemers aan die vergadering volgens Ideal Standard overeen waren gekomen dat hun minimumprijzen te laag waren en dat zij hoger moesten worden, met name door hun catalogusprijs met 3 % te verhogen. In [overweging] 573 van het [litigieuze] besluit heeft de Commissie gepreciseerd dat deze informatie was bevestigd door Roca [France]. In [overweging] 574 van genoemd besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de deelnemers na deze vergadering vertrouwelijke informatie over prijzen en afzet hebben uitgewisseld.”

125. Ten eerste heeft het Gerecht in punt 287 van het arrest Villeroy & Boch Austria geoordeeld dat „ongegrond [is] het argument van Villeroy & Boch en Villeroy & Boch SAS dat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd dat Villeroy & Boch SAS heeft deelgenomen aan 3 vergaderingen van de AFICS die in 2004 zouden zijn gehouden (zie bijlage 11 bij het [litigieuze] besluit). Zoals immers blijkt uit de [overwegingen] 572 en 573 van het [litigieuze] besluit heeft de Commissie zich gebaseerd op de verklaringen van Ideal Standard en Roca [France] voor het bewijs dat Villeroy & Boch SAS aan deze vergaderingen heeft deelgenomen.”

126. Ten tweede zijn volgens punt 288 van dat arrest „ongegrond de argumenten van Villeroy & Boch en Villeroy & Boch SAS dat de Commissie rechtens niet genoegzaam heeft bewezen dat er tijdens de vergadering van de AFICS van 25 februari 2004 ongeoorloofde besprekingen hebben plaatsgevonden, aangezien zij zich baseert op nadien afgelegde, vage en tegenstrijdige mondelinge verklaringen, hetgeen de Commissie overigens ook erkent in het [litigieuze] besluit”.

127. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 289 van het arrest Villeroy & Boch Austria in herinnering geroepen dat „[h]oewel uit de rechtspraak volgt dat de verklaring van een onderneming die gehele of gedeeltelijke boetevermindering heeft gekregen, moet worden gestaafd wanneer zij door een partij wordt betwist[(49)], […] niets zich ertegen [verzet] dat die wordt gestaafd met een getuigenverklaring van een andere onderneming die aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, zelfs wanneer laatstgenoemde ook een boetevermindering heeft gekregen. Deze staving bevestigt ook dat er over minimumprijzen is gesproken, welke discussies ook in de notulen van de vergadering van de AFICS van 25 februari 2004 zijn vermeld.”

128. Bovendien komt het Gerecht in punt 290 van dat arrest, na een analyse van de verklaringen van Roca France en Ideal Standard (waarbij het vaststelt dat de verklaring van Roca France vager is dan die van Ideal Standard), tot de conclusie dat „[d]it […] echter niet af[doet] aan de vaststelling dat de getuigenis van Roca [France] inhoudelijk de periode, de plaats, de deelnemers en het onderwerp van de ongeoorloofde besprekingen in kwestie bevestigt, terwijl naar dergelijke besprekingen ook is verwezen in een agendapunt. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verklaring van Ideal Standard, zoals gestaafd door die van Roca [France], rechtens genoegzaam bewijst dat de betrokken ongeoorloofde besprekingen hebben plaatsgevonden.”

129. In punt 293 van hetzelfde arrest voegt het Gerecht daaraan toe dat „hoewel de Commissie zich in het [litigieuze] besluit niet op [de door Duravit afgelegde verklaring in het kader van haar verzoek om boetevermindering uit hoofde van de mededeling van 2002 inzake medewerking] baseert, dit niet wegneemt dat, anders dan Villeroy & Boch en Villeroy & Boch SAS stellen, Duravit ook bevestigt wat Ideal Standard heeft verklaard over de inhoud van de ongeoorloofde besprekingen die ‚waarschijnlijk’ op 25 februari 2004 zijn gehouden”.

130. Tot slot bevestigt het Gerecht in punt 295 dat „de verklaringen van Ideal Standard en Roca [France] volstaan voor de vaststelling dat [een] inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU […] heeft plaatsgevonden die voortvloeit uit de deelname aan de vergadering van de AFICS van 25 februari 2004”.

131. Het bovenstaande geldt derhalve voor de onderhavige voorziening mutatis mutandis in het geval van Keramag e.a. en volstaat om het door deze ondernemingen ingestelde beroep tot nietigverklaring te verwerpen – zoals het Gerecht in de arresten Villeroy & Boch Austria en Duravit heeft gedaan – met betrekking tot de gebeurtenissen die in het kader van de AFICS hebben plaatsgevonden.

2.      Incidentele hogere voorziening (tweede middel)

132. Het tweede middel van de incidentele hogere voorziening heeft in wezen betrekking op twee aspecten die met elkaar verband houden, namelijk een vermeende onjuiste opvatting van de feiten en een vermeende discrepantie tussen het arrest Keramag en het arrest Wabco Europe e.a./Commissie (T‑380/10, EU:T:2013:449; ook wel bekend onder de naam „arrest Ideal Standard”; hierna: „arrest Wabco”).

a)      Onjuiste opvatting van de feiten?

133. Keramag e.a. stellen subsidiair dat de vaststelling in punt 289 van het arrest Keramag dat de mededeling van punten van bezwaar voldoende informatie bevatte om hen in staat te stellen „precies te weten welk gedrag Pozzi Ginori werd verweten”, overduidelijk neerkomt op een verdraaiing van de inhoud van de mededeling van punten van bezwaar, die in hogere voorziening kan worden onderzocht.

134. Aangezien in punt 277 van de mededeling van punten van bezwaar niet meer werd gezegd dan dat Pozzi aanwezig was geweest bij bepaalde bijeenkomsten waarop „mededingingsverstorende gedragingen” hadden plaatsgevonden, zonder dat de aard van die gedragingen nader werd gespecificeerd, kon het Gerecht die mededeling volgens Keramag e.a. niet als voldoende nauwkeurig beschouwen. De vaststelling in punt 289 van het arrest Keramag („in punt 277 van de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie [Keramag e.a.] geïnformeerd over het karakter van de door haar vastgestelde gedragingen [tijdens de bijeenkomsten van de groep Michelangelo], hun frequentie, de exacte datum waarop zij hebben plaatsgevonden en het bewijs waarover zij beschikte”, zodat die mededeling Keramag e.a. in staat stelde „precies te weten welk gedrag Pozzi Ginori werd verweten”) is volgens Keramag e.a. rechtstreeks in tegenspraak met die betreffende de toereikendheid van dezelfde passage van de mededeling van punten van bezwaar in het arrest Wabco, wat op zich al een aanwijzing is dat de feiten zijn verdraaid.

135. Ik constateer (met de Commissie) dat Keramag e.a. geen enkel bewijsmiddel hebben genoemd dat onjuist zou zijn opgevat, en feitelijk erkennen dat het Gerecht in punt 288 van het arrest Keramag de inhoud van punt 277 van de mededeling van punten van bezwaar correct in herinnering heeft gebracht. Zij verlangen dus simpelweg dat het Hof dit punt opnieuw onderzoekt.

136. Ook al trachten Keramag e.a. steun te vinden in het arrest Archer Daniels Midland/Commissie (C‑511/06 P, EU:C:2009:433), in zoverre zij stellen dat het Gerecht het in dit arrest ontwikkelde juridische criterium om te beoordelen of zij zich naar behoren hebben kunnen verweren, niet heeft toegepast, dit argument kan hoe dan ook niet slagen. De mededingingsverstorende gedragingen stonden namelijk beschreven in de punten 256 en 393 tot en met 400 van de mededeling van punten van bezwaar, en Keramag e.a. hebben met hun antwoord op die mededeling laten zien dat zij wel degelijk hadden begrepen wat de „aard” van de gewraakte gedragingen was. De gestelde ontoereikendheid van de mededeling van punten van bezwaar heeft de procedure dus op geen enkele wijze kunnen beïnvloeden.

b)      Discrepantie tussen de arresten Keramag en Wabco?

137. Keramag e.a. stellen dat aan de bevinding van het Gerecht dat de mededeling van punten van bezwaar toereikend was op het punt van de inbreuk in de sector keramische producten in Italië, een tegenstrijdige motivering ten grondslag ligt en dat het zijn arrest in zoverre niet naar behoren heeft gemotiveerd. Zij betogen dat de wijze waarop in de parallelle zaak Wabco de mededeling van punten van bezwaar is beoordeeld wat de vergaderingen binnen de groep Michelango betreft, in tegenspraak is met de desbetreffende beoordeling in de onderhavige zaak. Volgens Keramag e.a. behoort de mededeling van punten van bezwaar voor alle adressaten eenzelfde strekking te hebben.

138. De door het Gerecht getrokken conclusie is volgens Keramag e.a. hoe dan ook onvoldoende gemotiveerd, daar het niet mogelijk is de redenen te achterhalen waarom de mate van gedetailleerdheid van hetzelfde punt van dezelfde mededeling van punten van bezwaar in de zaken Keramag en Wabco verschillend zou moeten worden beoordeeld.

139. Keramag e.a. menen dat door die verschillende beoordeling van de mededeling van punten van bezwaar hun rechten van verdediging zijn geschonden, daar zij vermoedelijk voor een andere verdedigingsstrategie hadden gekozen als zij correct waren geïnformeerd over wat hun ten laste werd gelegd. Zij stellen dat de omstandigheid dat de mededeling van punten van bezwaar niet de feiten vermeldde waarvan Sanitec Europe en Pozzi Ginori werden verdacht, van invloed is geweest op hun verweer en op het litigieuze besluit. Dit betekent volgens Keramag e.a. dat dit besluit in zijn geheel of gedeeltelijk niet moet worden verklaard, in zoverre daarin wordt vastgesteld dat Sanitec Europe en Pozzi Ginori zich schuldig hebben gemaakt aan inbreuken in de sector keramische producten in Italië, en dat als gevolg daarvan de geldboete moet worden ingetrokken of verlaagd. Keramag e.a. voegen daaraan nog toe dat het litigieuze besluit anders zou zijn uitgevallen als hun rechten van verdediging niet waren geschonden, waarbij zij aantekenen dat ook los daarvan die schending alleen al hoe dan ook tot nietigverklaring van het litigieuze besluit moet leiden.

140. Bij de behandeling van de hogere voorziening van de Commissie hebben wij gezien (punten 93 en 96 van deze conclusie) dat volgens de rechtspraak(50) „de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, in beginsel niet zo ver kan gaan dat het Gerecht de in een zaak gekozen oplossing moet rechtvaardigen tegen de achtergrond van de oplossing waarvoor het heeft gekozen in een andere zaak die hem is voorgelegd, ook al heeft deze betrekking op hetzelfde besluit” (cursivering van mij). Ik heb gepreciseerd dat het gebruik van de woorden „in beginsel” door het Hof impliceert dat de rechtspraak inzake tegenstrijdige motivering, die in het algemeen van toepassing is op de in een en hetzelfde arrest gegeven motivering, in uitzonderlijke omstandigheden ook kan worden toegepast ten aanzien van de motivering in twee of meer in parallelle zaken gewezen arresten betreffende dezelfde inbreuk en hetzelfde besluit.

141. In tegenstelling tot wat ik in verband met de hogere voorziening van de Commissie heb geoordeeld, ben ik van mening dat er bij deze incidentele hogere voorziening geen sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

142. Afgezien van het feit dat het argument van Keramag e.a. inzake het arrest Wabco niet nauwkeurig genoeg is, aangezien niet wordt aangegeven op welke passage van dat arrest het gebaseerd is, kan worden volstaan met de vaststelling dat de door het Gerecht in de twee arresten getrokken conclusies niet incoherent zijn. De context waarin het Gerecht heeft onderzocht of punt 277 van de mededeling van punten toereikend was, alsook de behandelde vragen waren in de twee zaken namelijk wezenlijk verschillend. Ten eerste ging het, zoals de Commissie heeft opgemerkt, in de zaak Wabco om de vraag of een stilzwijgen kon worden opgevat als een erkenning van mededingingsverstorend gedrag, en niet om de vraag of de mededeling van punten van bezwaar al dan niet gedetailleerd genoeg was om Keramag e.a. in staat te stellen hun rechten van verdediging uit te oefenen. Ten tweede heeft Pozzi Ginori, in tegenstelling tot Wabco, niet over de beweringen betreffende de vergaderingen van de groep Michelangelo in Italië gezwegen.

143. Hoe dan ook hebben Keramag e.a. geen enkel ander bewijs genoemd dat zij hadden kunnen aanvoeren indien de „aard van de mededingingsverstorende gedragingen” tijdens de Michelangelo-vergaderingen nader was gespecificeerd. In deze omstandigheden zijn hun argumenten speculatief en ongefundeerd.

144. Het tweede middel van de incidentele hogere voorziening moet derhalve niet-ontvankelijk of in ieder geval ongegrond worden verklaard.

B –    Zaken Duravit e.a./Commissie (derde middel), Villeroy & Boch AG/Commissie (eerste en tweede middel), Villeroy & Boch SAS/Commissie (eerste en tweede middel)

145. Naar mijn mening is het in deze zaken voor het Hof vrij eenvoudig om zijn conclusies te trekken uit de vernietiging van het arrest Keramag en uit mijn voorstel om zelf uitspraak te doen op het beroep van Keramag e.a.

146. Het betoog van Duravit e.a., Villeroy & Boch AG en Villeroy & Boch SAS is namelijk in beginsel louter de keerzijde van wat de Commissie in het kader van haar hogere voorziening tegen het arrest Keramag heeft aangevoerd. Zoals ik heb uitgelegd, is het wel degelijk in het arrest Keramag dat de bewijsvoering tekortschiet. Wat hetzelfde bewijsmateriaal betreft, is er, in tegenstelling tot wat rekwiranten beweren, in de arresten Duravit en Villeroy & Boch Austria noch sprake van verdraaiing van bewijs, noch van ontoereikende motivering. De desbetreffende middelen zijn dus niet-ontvankelijk en, als gevolg van hetgeen ik ten aanzien van de hogere voorziening in de zaak Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. heb geconcludeerd, is er automatisch van enige ongelijke behandeling in de verschillende arresten geen sprake meer, nog afgezien van de vraag of dat argument ontvankelijk was geweest.

147. Het is dus slechts subsidiair, omdat dit nu eenmaal de taak is van de advocaat-generaal, dat ik hieronder nader op die zaken inga.

1.      Zaak Duravit e.a./Commissie (derde middel)

148. Duravit e.a. betogen dat het Gerecht herhaaldelijk de inhoud van het dossier kennelijk en op een voor de uitkomst van hun zaak beslissende wijze onjuist heeft voorgesteld, waardoor het blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en erkende beginselen op het gebied van de bewijsvoering heeft geschonden.

149. Van de 14 door Duravit e.a. gestelde onjuiste opvattingen van bewijs hebben de zevende en de twaalfde (betreffende de punten 213 en 312 en volgende van het arrest van het Gerecht) betrekking op het feit dat het Gerecht hetzelfde bewijsmateriaal in hun zaak en in parallelle zaken verschillend zou hebben beoordeeld.

150. Volgens de Commissie moeten alle beweringen inzake onjuiste opvatting van bewijs van de hand worden gewezen, ofwel omdat er een verkeerde lezing van het arrest Duravit aan ten grondslag ligt, ofwel omdat Duravit e.a. met dit middel eigenlijk, althans ten dele, het Hof tot een herbeoordeling van de feiten trachten te bewegen, zonder dat is aangetoond dat het Gerecht die feiten kennelijk onjuist heeft opgevat.

151. Conform het verzoek van het Hof zal de analyse van dit middel in deze conclusie beperkt blijven tot de vraag of de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot bepaalde bewijsmiddelen, die in andere zaken anders zijn beoordeeld, in deze zaak in aanmerking kunnen worden genomen (ik zal dus uitsluitend de zevende en de twaalfde door Duravit e.a. gestelde onjuiste opvatting van bewijs onderzoeken).

152. Duravit e.a. verwijten het Gerecht dat het hetzelfde bewijs in de onderhavige zaak anders heeft beoordeeld dan in parallelle zaken (arresten Keramag en Villeroy & Boch Austria). Het zou dan met name gaan om de inhoud van bepaalde bijeenkomsten waaraan zij zouden hebben deelgenomen, en om de inaanmerkingneming daarvan om het bestaan van mededingingsverstorende praktijken aan te tonen.

153. Naar mijn mening heeft het Gerecht in de onderhavige zaak de grenzen van een redelijke beoordeling van het bewijsmateriaal niet kennelijk overschreden.

a)      Zevende vermeende onjuiste opvatting van bewijs

154. Duravit e.a. stellen dat het Gerecht in punt 213 van het arrest Duravit bewijs heeft verdraaid en de beginselen op het gebied van de bewijsvoering heeft geschonden in verband met de inhoud van de aantekeningen van de medewerker van Hansgrohe, de heer Schinle, met betrekking tot de bijeenkomst van de DSI (Freundeskreis der deutschen Sanitärindustrie)/IFS (Industrie Forum Sanitär) van 5 oktober 2000, die in het arrest Keramag anders zouden zijn geïnterpreteerd.

155. In mijn ogen zijn deze argumenten slechts een voorwendsel om de wijze waarop het Gerecht in punt 213 van het arrest Duravit het bewijs heeft beoordeeld, ter discussie te stellen, terwijl tegen deze beoordeling als zodanig in hogere voorziening niet kan worden opgekomen.

156. Het is immers vaste rechtspraak dat een onjuiste opvatting van bewijs duidelijk uit de processtukken moet blijken, zonder dat daartoe een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen noodzakelijk is.(51)

157. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, blijkt hoe dan ook uit punt 213 van het arrest Duravit, waarin wordt verwezen naar de in de punten 210 tot en met 212 van dat arrest aangehaalde rechtspraak, dat het Gerecht daarin hetzelfde zegt als in het door Duravit e.a. genoemde punt 133 van het arrest Keramag.

158. In dat punt 133 heeft het Gerecht er geen enkele twijfel over laten bestaan dat het mededingingsbeperkende doel in zijn ogen bleek uit de aantekeningen betreffende de bijeenkomst van 5 oktober 2000: „De in punt 132 hierboven aangehaalde passage uit de aantekeningen van Hansgrohe toont het mededingingsbeperkende doel van de genoemde bijeenkomst ondubbelzinnig aan. De voor 2001 geplande prijsverhogingen die de deelnemers bij die gelegenheid aan elkaar meedeelden, vormen gevoelige informatie in de zin van de in de punten 54 tot en met 57 hierboven in herinnering geroepen rechtspraak” (cursivering van mij).

b)      Twaalfde vermeende onjuiste opvatting van bewijs

159. Duravit e.a. stellen dat het Gerecht in de punten 312 e.v. van het arrest Duravit het litigieuze besluit onjuist heeft opgevat waar het gaat om de bewijswaarde van de bewijsmiddelen betreffende de IFS‑bijeenkomst van 24 april 2001 en de bijeenkomsten van het Fachverband Sanitärkeramische Industrie (hierna: „FSKI”) van 23 januari en 5 juli 2002.

160. Net zoals ik met betrekking tot de zevende vermeende onjuiste opvatting van bewijs heb opgemerkt, trachten Duravit e.a. ook met deze argumenten de beoordeling van het bewijs door het Gerecht ter discussie te stellen, terwijl tegen deze beoordeling als zodanig in hogere voorziening niet kan worden opgekomen.

161. Het Gerecht heeft inderdaad in het arrest Keramag vastgesteld dat de twee FSKI‑bijeenkomsten niet in de motivering van het litigieuze besluit werden genoemd als gebeurtenissen die de deelnemers hebben aangezet tot mededingingsverstorend gedrag. Het Gerecht constateert hetzelfde met betrekking tot de IFS-bijeenkomst van 23 januari 2002 (punt 129 van het arrest Keramag).

162. Naar mijn mening wordt echter in het arrest Duravit niet het tegendeel beweerd. De drie betrokken bijeenkomsten worden nergens in dat arrest onderzocht. Wanneer in punt 313 van dat arrest wordt gesproken van de grote bewijskracht van „vrijwel alle” bewijsmiddelen die verband houden met de bijeenkomsten van de overkoepelende organisaties IFS en FSKI, kan dit slechts gelden voor de bijeenkomsten die door het Gerecht zijn onderzocht. De drie door Duravit genoemde bijeenkomsten zijn daarvan dus uitgesloten. Hetzelfde moet gelden voor de IFS-bijeenkomst van 14 november 2001.

c)      Conclusie

163. Het derde middel van Duravit e.a. moet, althans wat de zevende en de twaalfde vermeende onjuiste opvatting van bewijs betreft, niet-ontvankelijk dan wel ongegrond worden verklaard.

2.      Zaak Villeroy & Boch AG/Commissie

a)      Eerste middel (de beoordeling van de voor Frankrijk verweten inbreuk is tegenstrijdig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het beginsel in dubio pro reo en de regels van de logica)

i)      Beknopte samenvatting van de argumenten van Villeroy & Boch AG

164. Villeroy & Boch AG hekelt de beoordeling van het bewijs betreffende de in Frankrijk gepleegde feiten. De bewijsanalyse vertoont in haar ogen grote tegenstrijdigheden. Een zo tegenstrijdige analyse van het bewijsmateriaal is in haar ogen in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, terwijl het Gerecht bovendien in verschillende opzichten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waardoor zij is benadeeld. Ten eerste heeft het Gerecht volgens Villeroy & Boch AG twee bewijsmiddelen (namelijk de clementieverklaringen van Ideal Standard en Roca France) volkomen anders beoordeeld dan in het arrest Keramag. Daarmee heeft het haar benadeeld en behalve het beginsel van gelijke behandeling ook het beginsel in dubio pro reo geschonden. Daarnaast heeft het Gerecht volgens Villeroy & Boch AG eveneens in haar nadeel een onbruikbaar bewijsmiddel (de verklaring van Duravit e.a.) geanalyseerd – in strijd met zijn eigen rechtspraak en met het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel in dubio pro reo, alsook met de artikelen 263 VWEU en 296, tweede alinea, VWEU – en daarmee tegelijkertijd onrechtmatig de motivering van het litigieuze besluit vervangen.

165. Villeroy & Boch AG stelt bovendien dat de getuigenis van een onderneming die een clementieverzoek heeft ingediend, als gevolg van het uit de rechtspraak voortvloeiende beginsel testis unus, testis nullus ook door die van andere kartelleden kan worden gestaafd. Dit is volgens haar in de onderhavige zaak het geval, aangezien de in het kader van het clementieverzoek van Ideal Standard verstrekte getuigenis door de verklaring van Roca France is bevestigd. De beoordeling van het bewijs op grond waarvan haar deelname aan de inbreuk in Frankrijk is vastgesteld, is volgens Villeroy & Boch AG volkomen in tegenspraak met de beoordeling van hetzelfde bewijs in het arrest Keramag.

166. Aangezien geen enkel ander bewijsmiddel rechtmatig is gebruikt waar het gaat om de in Frankrijk gepleegde inbreuk die aan haar zou kunnen worden toegerekend, is Villeroy & Boch AG van mening dat haar veroordeling gebaseerd is op eenzelfde soort onjuiste rechtsopvatting als de hierboven genoemde, wat de in Frankrijk gepleegde feiten betreft. Zij meent dan ook dat het arrest van het Gerecht moet worden vernietigd voor zover daarin wordt vastgesteld dat zij heeft deelgenomen aan één enkele inbreuk, aangezien niet aan de voorwaarden voor één enkele, complexe en voortdurende inbreuk is voldaan wat Frankrijk betreft. Op zijn minst zouden de op Frankrijk betrekking hebbende vaststellingen in de artikelen 1 en 2 van het litigieuze besluit nietig moeten worden verklaard.

167. De Commissie wijst dit betoog als ongefundeerd van de hand.

ii)    Analyse

168. Zoals ik bij mijn analyse van de hogere voorziening Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. (punten 45‑131 van deze conclusie) heb opgemerkt, zijn enkele beoordelingen in het arrest Keramag volkomen in tegenspraak met de op hetzelfde aspect betrekking hebbende beoordelingen in drie parallelle arresten (arresten Roca Sanitario, Duravit en Villeroy & Boch Austria), die op dezelfde dag en door dezelfde rechters zijn gewezen naar aanleiding van tegen hetzelfde Commissiebesluit ingestelde beroepen. In al die arresten draait het om dezelfde feiten en is door de Commissie hetzelfde bewijsmateriaal aangebracht.

169. Anders dan Villeroy & Boch AG beweert, heeft het Gerecht zich echter in zijn arrest Villeroy & Boch Austria terecht op het standpunt gesteld dat rechtens genoegzaam was bewezen dat er tijdens de AFICS‑bijeenkomst van 25 februari 2004 mededingingsverstorende besprekingen hadden plaatsgevonden, zich daarbij baserend op de met elkaar overeenstemmende verzoeken die Ideal Standard en Roca France met het oog op de toepassing van de clementiemededeling hadden ingediend. Het Gerecht heeft zich daarbij gehouden aan de vaste rechtspraak volgens welke de inhoud van een verzoek om toepassing van de clementiemededeling door een ander verzoek om toepassing van die mededeling kan worden bevestigd.(52) In zijn arrest Duravit (punt 324) is het tot dezelfde conclusie gekomen. In zijn arrest Roca (punten 198 en 239) ten slotte heeft het Gerecht, zoals ik in punt 49 (derde streepje) van deze conclusie heb opgemerkt, een boeteverlaging van 6 % toegekend omdat de verstrekte inlichtingen significante toegevoegde waarde hadden in zoverre zij aantoonden dat tijdens de AFICS‑bijeenkomst van 25 februari 2004 mededingingsverstorende besprekingen hadden plaatsgevonden. Het arrest Roca had dus betrekking op hetzelfde onderdeel van de inbreuk als hier aan de orde.

170. Daar waar het Gerecht dus in drie arresten (te weten de arresten Roca, Duravit en Villeroy & Boch Austria) heeft vastgesteld dat de in het kader van de AFICS gepleegde inbreuk was aangetoond, is het in het arrest Keramag juist tot een tegengestelde conclusie gekomen. Zoals ik in punt 99 van deze conclusie reeds heb opgemerkt, is het Gerecht op het punt van de bewijsvoering in de fout gegaan in het laatstgenoemde arrest, dat volgens mij moet worden vernietigd.

171. Zelfs als het Hof mijn voorstel in de zaak Commissie/Keramag e.a. niet zou volgen, moet hoe dan ook worden opgemerkt dat Villeroy & Boch AG niet stelt dat het arrest Villeroy & Boch Austria ontoereikend is gemotiveerd of dat het Gerecht daarin blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van bewijs. De Commissie stelt terecht dat als het Gerecht het arrest Keramag niet had gewezen, Villeroy & Boch AG het betrokken gedeelte van het arrest ook niet zou hebben aangevochten.

172. In het arrest Koninklijke Wegenbouw Stevin/Commissie(53) had rekwirante eveneens schending van het beginsel van gelijke behandeling en van fundamentele vereisten inzake consistentie van rechterlijke uitspraken aangevoerd. Het Hof heeft dit middel niet-ontvankelijk verklaard omdat rekwirante niet had gesteld dat het litigieuze bewijs onjuist was opgevat. Hetzelfde moet gelden voor het argument inzake ontoereikende motivering van het arrest Villeroy & Boch Austria (punt 18 van het verzoekschrift in hogere voorziening).

173. Wat de beweerde schendingen van de beginselen „testis unus, testis nullus” en „in dubio pro reo” en van het vermoeden van onschuld betreft, en met name met betrekking tot de gestelde ontoereikendheid van het bewijsmateriaal dat is onderzocht ten bewijze van de inbreuk die Villeroy & Boch AG in Frankrijk zou hebben gepleegd, herinner ik eraan (zie punt 169 van deze conclusie) dat volgens de rechtspraak(54) een clementieverzoek door een ander clementieverzoek kan worden gestaafd. In het arrest Keramag heeft het Gerecht simpelweg verzuimd de bewijskracht van de verklaringen van Roca France bij haar clementieverzoek te onderzoeken (zie hierover de punten 77 e.v. van deze conclusie).

174. In casu, dat wil zeggen in het arrest Villeroy & Boch Austria (maar, zoals gezegd, ook in het arrest Duravit), heeft het Gerecht echter met zoveel woorden verklaard dat de door Roca France in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaringen onderdeel waren van het samenstel van bewijzen aan de hand waarvan de inbreuk betreffende keramische producten in Frankrijk kon worden vastgesteld. Het heeft in die twee arresten opgemerkt dat Ideal Standard en Roca France elkaars verklaringen bevestigden, althans wat de producten in het lagere segment betrof, aangezien de conclusies van de Commissie op die productcategorie betrekking hadden.

175. Het Gerecht heeft het niet noodzakelijk geacht daarnaast nog ander bewijs te onderzoeken(55), daar het van oordeel was dat de verklaringen van Ideal Standard en Roca France volstonden. Alleen als het Hof zou menen dat de twee verklaringen van Ideal Standard en Roca France niet volstonden om de inbreuk in Frankrijk te kunnen vaststellen, zou het Gerecht (of het Hof, mocht het de zaak in staat van wijzen achten) de bewijswaarde van die aanvullende gegevens moeten onderzoeken.

176. Het eerste middel van Villeroy & Boch AG moet bijgevolg niet-ontvankelijk dan wel ongegrond worden verklaard.

b)      Tweede onderdeel van het tweede middel (schending van de regels van de logica en van het beginsel van gelijke behandeling wat de materiële beoordeling en de toerekening voor Italië betreft)

177. Villeroy & Boch AG hekelt het feit dat het Gerecht haar als fabrikant van keramisch sanitair inbreuken heeft toegerekend die in Italië zijn gepleegd door ondernemingen die geen concurrenten van haar zijn (fabrikanten van kranen), terwijl zij niet in dat land actief was en de vermeende mededingingsverstorende bijeenkomsten niet heeft bijgewoond. Ook heeft het Gerecht in parallelle zaken geoordeeld dat de op die markt aanwezige ondernemingen moesten worden vrijgepleit. Villeroy & Boch AG meent dat zij hierdoor niet alleen overduidelijk is gediscrimineerd, maar dat het Gerecht bovendien de onschuldpresumptie en de regels van de logica heeft geschonden.

178. De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het middel waarmee rekwirante stelt dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden gelet op hetgeen het in drie parallelle procedures betreffende andere fabrikanten van keramisch sanitair heeft vastgesteld. De Commissie stelt namelijk dat zelfs al zouden er in andere arresten vaststellingen zijn gedaan die ook voor Villeroy & Boch AG zouden kunnen gelden, deze onderneming hoe dan ook in eerste aanleg geen vergelijkbaar middel heeft aangevoerd.

179. In dit verband volstaat het op te merken dat Villeroy & Boch AG volgens de rechtspraak „een hogere voorziening [mag] instellen waarbij zij voor het Hof middelen aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien”(56) (namelijk ongelijke behandeling ten opzichte van de andere partijen).

180. Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de relevantie van het argument inzake een eventuele ongelijke behandeling ten opzichte van andere ondernemingen die partij waren in parallelle zaken waarin het Gerecht arrest heeft gewezen, moet ten gronde worden opgemerkt dat de gedeeltelijke nietigverklaring waartoe het Gerecht heeft besloten wat de in Italië vastgestelde inbreuk betreft, uitsluitend een gevolg is van de kortere duur van de deelname van bepaalde ondernemingen aan die inbreuk. Die gedeeltelijke nietigverklaring is echter van geen enkele betekenis voor de vraag of Villeroy & Boch AG van de inbreuk in dat land op de hoogte kon zijn dan wel die inbreuk redelijkerwijs kon voorzien. Om een totale inbreuk aan een onderneming te kunnen toerekenen, moet worden vastgesteld dat die onderneming, ongeacht of zij weet had van alle details, niet onkundig kon zijn van de algemene strekking en de wezenlijke kenmerken van het algehele kartel.(57)

181. Meer in het bijzonder wijs ik op de volgende omstandigheden.

182. Ten eerste heeft het Gerecht, zoals de Commissie heeft opgemerkt, in het arrest Duravit (punten 37‑41 van het verzoekschrift in hogere voorziening) vastgesteld dat het bewijs niet toereikend was voor de conclusie dat Duravit e.a. van de in Italië gepleegde inbreuk op de hoogte waren, wat deze ondernemingen duidelijk en nauwkeurig hadden betwist.

183. Bovendien bevonden Villeroy & Boch AG en Duravit e.a. zich niet in dezelfde situatie, ten eerste omdat Duravit e.a. in drie lidstaten aan de inbreuk hebben deelgenomen, tegen vijf in het geval van Villeroy & Boch AG, en ten tweede omdat deze laatste onderneming aanzienlijk langer bij de inbreuk betrokken is geweest – twee factoren die het normaal gesproken gemakkelijker maken om zich een beeld te vormen van de werkelijke omvang van het inbreukmakende gedrag.

184. Ten tweede ligt aan de gedeeltelijke nietigverklaring waartoe het Gerecht heeft besloten in het arrest Wabco (punten 42 en 43 van het verzoekschrift in hogere voorziening), een specifiek probleem ten grondslag. Een groot deel van de geldboete had betrekking op een inbreuk met betrekking tot de in Italië verkochte keramische producten, zodat een deel van die geldboete was berekend op basis van de waarde van de verkopen van die producten in Italië, terwijl in het geval van Villeroy & Boch AG bij de berekening van de geldboete juist geen rekening is gehouden met de waarde van de Italiaanse verkopen.

185. Ten derde heeft het Gerecht in de zaak Wabco vastgesteld dat de deelname van die onderneming aan de inbreuk met betrekking tot keramische producten in Italië slechts voor een bepaalde periode was aangetoond, wat in een boeteverlaging heeft geresulteerd. Het Gerecht heeft echter duidelijk te kennen gegeven dat Ideal Standard ook aan die mededingingsregeling had deelgenomen door de uitwisseling van informatie met de fabrikanten van kranen.(58) Het gedeelte van de geldboete dat gebaseerd was op de waarde van de verkopen van kranen op de betrokken markt, is door Ideal Standard niet betwist en door het Gerecht ook niet nietig verklaard. Daar het Gerecht niet heeft geoordeeld dat Ideal Standard van een deel van de inbreuk geen weet had gehad, zie ik (met de Commissie) niet in hoe de situatie van Villeroy & Boch AG in Italië zou kunnen worden vergeleken met die van Ideal Standard.

186. Ten vierde heeft in het arrest Keramag (punten 44‑47 van het verzoekschrift in hogere voorziening) de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring betrekking op een beperkt gedeelte van de inbreuk; zij vloeit voort uit het feit dat de deelname van Pozzi voor een periode van enkele maanden niet is bewezen. Die nietigverklaring heeft niet geresulteerd in een verlaging van de geldboete, die ook is berekend op basis van de waarde van de verkopen van keramische producten in Italië.(59)

187. Daar het Gerecht niet heeft geoordeeld dat Keramag e.a. niet van het inbreukmakende gedrag in Italië op de hoogte waren, zie ik niet in hoe de situatie van Villeroy & Boch AG in Italië zou kunnen worden vergeleken met die van Keramag e.a..

188. Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

3.      Zaak Villeroy & Boch SAS/Commissie

a)      Eerste middel (tegenstrijdige beoordeling van het bewijsmateriaal betreffende de feiten in Frankrijk, waardoor het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel in dubio pro reo zijn geschonden en afbreuk is gedaan aan de logische en juridische samenhang van het arrest)

189. Villeroy & Boch SAS merkt op dat de wijze waarop het Gerecht de verklaringen van Ideal Standard, Roca France en Duravit betreffende alle in Frankrijk geconstateerde feiten heeft beoordeeld, niet overeenstemt met de wijze waarop het hetzelfde bewijsmateriaal in de arresten Keramag en Wabco heeft beoordeeld. Daarmee heeft het Gerecht volgens Villeroy & Boch SAS het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel in dubio pro reo geschonden.

190. Wat Villeroy & Boch SAS betreft, heeft het Gerecht zijn arrest Villeroy & Boch Austria namelijk gebaseerd op de verklaringen van Ideal Standard en Roca France, terwijl het in het arrest Keramag heeft geoordeeld dat de verklaring van Ideal Standard op zichzelf niet als voldoende bewijs kon worden beschouwd en dat de Commissie zich niet op de verklaringen van Roca France had kunnen baseren bij gebrek aan bewijsmateriaal waardoor de coördinatie van minimumprijzen werd bevestigd.

191. Met betrekking tot de verklaring van Duravit e.a. merkt Villeroy & Boch SAS op dat het Gerecht in het arrest Keramag heeft vastgesteld dat die verklaring tijdens de administratieve procedure niet aan haar was meegedeeld en dat zij dus niet tegen haar kon worden gebruikt. Volgens Villeroy & Boch SAS is de motivering van het litigieuze besluit aangetast in zoverre het Gerecht heeft vastgesteld dat de verklaring van Duravit die van Ideal Standard bevestigde.

192. Volgens Villeroy & Boch SAS heeft het Gerecht daarmee zowel de artikelen 263 VWEU en 296, tweede alinea, VWEU geschonden als de onschuldpresumptie van artikel 48, lid 1, van het Handvest en van artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

193. Wat de tegenstrijdigheid met het arrest Keramag betreft, verwijs ik naar de op dit arrest betrekking hebbende punten 45 en volgende van deze conclusie alsmede naar de punten 148 en volgende (Duravit e.a.) en 168 en volgende (Villeroy & Boch AG), waarin ik duidelijk heb gemaakt waarom de desbetreffende middelen van Duravit e.a. en Villeroy & Boch AG in mijn ogen moeten worden afgewezen.

194. Ik ben het overigens met Villeroy & Boch SAS eens dat het antwoord van Duravit e.a. op de mededeling van punten van bezwaar niet als bewijs kan worden gebruikt. Dit argument van Villeroy & Boch SAS is echter niet ter zake dienend, aangezien het Gerecht zich in het arrest Villeroy & Boch Austria duidelijk niet op dat antwoord heeft gebaseerd (zie punt 295 van dat arrest). De Commissie zelf betwist niet dat het antwoord van Duravit e.a. slechts volledigheidshalve ter sprake is gebracht en dat dit antwoord niet in aanmerking kon worden genomen, daar het noch in de mededeling van punten van bezwaar, noch in de brief met de uiteenzetting van de feiten was genoemd.

195. Het eerste middel moet dus worden afgewezen.

b)      Tweede middel (vermeende onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie als één enkele, voortdurende en complexe inbreuk – de tegenstrijdigheden tussen de diverse arresten)

196. Villeroy & Boch SAS stelt in wezen dat het Gerecht te haren aanzien niet dezelfde vaststellingen heeft gedaan als in de arresten Keramag, Duravit en Wabco. Als het dat wel had gedaan, zou het niet hebben kunnen vaststellen dat er sprake was van één enkele, voortdurende en complexe inbreuk. Met deze grief stelt Villeroy & Boch SAS namelijk subsidiair dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk in a) Frankrijk, wegens de vaststellingen in het arrest Keramag; b) Italië, wegens de gedeeltelijke of volledige nietigverklaring, in de arresten Duravit, Wabco en Keramag, van de vaststellingen ten aanzien van de deelname aan de delicten; c) Duitsland en d) Nederland, wegens de gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit wat de gedragingen van de moedermaatschappij betreft.

197. Los van de argumenten op grond waarvan ik heb voorgesteld om het eerste middel van Villeroy & Boch SAS, betreffende tegenstrijdigheden tussen verschillende parallelle arresten van het Gerecht, af te wijzen (zie de punten 189 e.v. van deze conclusie), dient de bewering te worden verworpen dat een „aanzienlijk deel van de vaststellingen” (verzoekschrift in hogere voorziening, punt 52) door het Gerecht nietig is verklaard.

198. Wat Frankrijk betreft, is de nietigverklaring een gevolg van het feit dat één onderneming in mindere mate bij de inbreuk betrokken was geweest of dat de inbreuk een beperktere geografische reikwijdte had.

199. Wat Duitsland en Italië betreft, heeft het Gerecht zich ertoe beperkt de duur van de deelname van twee andere ondernemingen te verminderen, op basis van de specifieke omstandigheden van hun deelname.

200. Wat Nederland betreft, heeft de nietigverklaring de betrokkenheid van de moedermaatschappij slechts marginaal verminderd.

201. Bovendien betekent, zoals de Commissie heeft beklemtoond, het enkele feit dat sommige ondernemingen mogelijk geen weet hebben gehad van de gehele inbreuk, niet dat er geen sprake kan zijn van één enkele inbreuk. De rechtspraak heeft juist onderscheid gemaakt tussen de vaststelling van één enkele inbreuk en de aansprakelijkheid van elke onderneming. Dat sommige ondernemingen mogelijk niet op de hoogte zijn geweest van de totale omvang van de inbreuk, valt te verklaren doordat die ondernemingen hun activiteiten slechts op enkele markten concentreerden, terwijl zij op de andere markten nauwelijks actief waren.

202. Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

C –    Zaak Roca Sanitario/Commissie (uitsluitend het eerste onderdeel van het tweede middel)

1.      Beknopte samenvatting van de argumenten van partijen

203. Met dit onderdeel stelt Roca Sanitario dat het Gerecht weliswaar heeft erkend dat de inbreuk waarvoor zij aansprakelijk is gehouden, geografisch gezien minder ernstig was dan de inbreuken die zijn toegerekend aan de ondernemingen die de „harde kern” (of „kerngroep”) van het kartel (60) vormden, maar daaraan niet de noodzakelijke consequenties heeft verbonden: het heeft verzuimd in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de aan Roca Sanitario opgelegde geldboeten te verlagen door de coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag” aan te passen dan wel te erkennen dat er sprake was van verzachtende omstandigheden. Daarmee heeft het Gerecht volgens Roca Sanitario zijn motiveringsplicht verzaakt alsook het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en van persoonlijke verantwoordelijkheid, het evenredigheidsbeginsel (zoals verankerd in artikel 49, lid 3, van het Handvest), het beginsel van gelijke behandeling en het vertrouwensbeginsel geschonden.

204. De Commissie stelt om te beginnen dat de beperkte geografische reikwijdte van de door Roca Sanitario en haar dochterondernemingen gepleegde inbreuken reeds wordt weerspiegeld in het basisbedrag van de geldboeten, bij de berekening waarvan immers uitsluitend de verkopen in Frankrijk en Oostenrijk in aanmerking zijn genomen.

205. Vervolgens merkt zij op dat hoewel de geografische reikwijdte in de richtsnoeren van 2006 wordt genoemd als een factor die bij het bepalen van de toepasselijke coëfficiënten in aanmerking moet worden genomen, dit geografische bereik slechts een marginale rol speelt, daar de waarde van de verkopen in dit verband al genoeg zegt en de aard van de inbreuk de belangrijkste beoordelingsfactor is. Zo heeft de Commissie een praktijk ontwikkeld die erin bestaat dat een geringe verhoging – doorgaans 1 % – wordt toegepast wanneer de inbreuk geografisch gezien het hele grondgebied van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte bestrijkt. Het is in haar ogen echter gerechtvaardigd om die praktijk niet toe te passen wanneer de inbreuk een beperktere geografische reikwijdte heeft, omdat anders dat percentage van decimalen zou moeten worden voorzien al naargelang het aantal lidstaten waarover de inbreuk zich heeft uitgestrekt. De Commissie meent dan ook dat zij met de toepassing van de coëfficiënt van 15 % niet is afgeweken van de in haar richtsnoeren van 2006 uiteengezette methode.

206. De Commissie merkt ook op dat niets het Gerecht verplicht om een geldboete die in zijn ogen proportioneel is, te verlagen enkel omdat het van mening is dat de aan andere karteldeelleden opgelegde geldboete hoger had moeten uitvallen. Het Gerecht heeft juist herhaaldelijk geweigerd een dergelijke boeteverlaging toe te kennen, en wel op grond van het beginsel dat „niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander”. Volgens de Commissie blijkt zowel uit de rechtspraak als uit haar beschikkingspraktijk dat niet elk verschil in betrokkenheid bij de inbreuk per se in een lagere geldboete hoeft te resulteren, zolang de geldboete de individuele deelname van de betrokken onderneming maar correct weerspiegelt.

207. De Commissie betoogt bovendien dat het Hof geen gedetailleerde motivering verlangt wanneer de coëfficiënten (die worden toegepast ter verhoging van het basisbedrag van de geldboete) in de buurt van 15 % liggen.(61) Hoe dan ook wordt in haar ogen in het arrest Roca Sanitario duidelijk uitgelegd waarom die coëfficiënten passend waren.

208. De grief van Roca Sanitario dat er sprake is van een inconsistentie tussen het in haar zaak gewezen arrest en de arresten in parallelle zaken, is volgens de Commissie niet-ontvankelijk omdat het onderzoek ervan een vergelijkende analyse van de relevante feitelijke omstandigheden zou vergen. Hoe dan ook heeft het Gerecht dezelfde coëfficiënten van 15 % toegepast ten aanzien van de andere ondernemingen die niet voor de gehele inbreuk aansprakelijk zijn gesteld, zoals Duravit en Dornbracht.

2.      Analyse

a)      Overzicht van de rechtspraak

209. Ik refereer om te beginnen aan mijn conclusie in de zaak Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, EU:C:2013:619), waarin ik uitgebreid op de problematiek rondom de volledige rechtsmacht van het Gerecht ben ingegaan.(62)

210. Voor de onderhavige hogere voorziening dient met betrekking tot de omvang van het rechterlijk toezicht van het Hof op dit gebied in herinnering te worden geroepen dat, hoewel het Gerecht als enige bevoegd is om na te gaan hoe de Commissie in elk afzonderlijk geval de zwaarte van de onrechtmatige gedragingen heeft beoordeeld, het Hof in hogere voorziening dient te onderzoeken of het Gerecht op een juridisch correcte wijze alle wezenlijke factoren in aanmerking heeft genomen om de ernst van een bepaalde gedraging aan artikel 101 VWEU en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 te toetsen.(63)

211. Verder gelden voor het Gerecht, wanneer het zich in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht uitspreekt over het bedrag van de geldboeten, dezelfde juridische verplichtingen als voor de Commissie bij het opleggen van een sanctie. Het Gerecht dient zich dus onder meer te houden aan het beginsel dat ondernemingen die aan een met artikel 101 VWEU strijdige overeenkomst hebben deelgenomen, gelijk moet worden behandeld.(64)

212. Het uitgangspunt dat wanneer het Gerecht in de uitoefening van die rechtsmacht uitspraak heeft gedaan, het niet aan het Hof is om uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het Gerecht (65), vormt voor het Hof geen beletsel om na te gaan of het Gerecht aan die verplichting heeft voldaan.

213. Het Hof heeft immers reeds boeteverlagingen toegekend in situaties waarin het Gerecht zonder objectieve rechtvaardiging een bepaalde onderneming strenger had behandeld dan andere bij hetzelfde kartel betrokken ondernemingen (66), aangezien de uitoefening van de volledige rechtsmacht niet ertoe mag leiden dat wordt gediscrimineerd tussen ondernemingen die aan een en dezelfde inbreuk hebben deelgenomen(67).

b)      Het Gerecht heeft een ongelijke behandeling vastgesteld zonder daaraan enige consequentie te verbinden

214. In casu heeft het Gerecht met zijn vaststelling (in punt 187) dat de inbreuk die was gepleegd door de tot de harde kern behorende ondernemingen, met name wegens de ruimere geografische reikwijdte ervan had „moeten” worden bestraft met een geldboete die was berekend op basis van hogere coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag”, erkend dat verschillende situaties (namelijk die van de tot de harde kern behorende ondernemingen en die van de overige ondernemingen) ten onrechte gelijk waren behandeld.

215. Het Gerecht heeft het basisbedrag van de geldboete evenwel voor geen enkele onderneming naar boven of naar beneden bijgesteld, in zoverre het voor alle ondernemingen dezelfde zwaartecoëfficiënt en dezelfde afschrikkingsfactor (68) van 15 % heeft gehandhaafd.

216. Ter rechtvaardiging daarvan heeft het Gerecht in punt 169 van het arrest Roca Sanitario in het kader van zijn onderzoek van de ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde middelen overwogen dat, „[z]elfs indien zou moeten worden geoordeeld dat de Commissie bij de vaststelling van die coëfficiënten de ondernemingen die aan één enkele inbreuk op de grondgebieden van zes lidstaten van de Unie en met betrekking tot de drie productsubgroepen hebben deelgenomen, anders had moeten behandelen dan de ondernemingen die hebben deelgenomen aan de één geheel vormende inbreuk op louter het grondgebied van één lidstaat, […] dit evenwel niet weg[neemt] dat een dergelijke verschillende behandeling [rekwirante] niet tot voordeel had kunnen strekken. Zoals in punt 155 [van dat arrest] met betrekking tot de coëfficiënt ‚extra bedrag’ is opgemerkt, heeft de Commissie bij de berekening van het boetebedrag terecht overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren van 2006 een coëfficiënt ‚extra bedrag’ van 15 % in aanmerking genomen, die niet onevenredig is in het licht van de ernst van de mededingingsverstorende gedragingen waarvoor [rekwirante] aansprakelijk is gehouden. Om dezelfde als de in punt 155 [van genoemd arrest] uiteengezette redenen heeft de Commissie terecht, en zonder het evenredigheidsbeginsel te schenden, overeenkomstig de punten 21 tot en met 23 van de genoemde richtsnoeren een coëfficiënt ‚ernst van de inbreuk’ van 15 % toegepast. Dat er niet tussen de adressaten van het [litigieuze] besluit is gedifferentieerd, heeft [rekwirante] derhalve niet tot nadeel gestrekt.”

217. Wij zien dus dat het Gerecht, na in punt 168 van zijn arrest te hebben geconstateerd dat de aan Roca Sanitario toegerekende inbreuk relatief minder ernstig was, de vraag of er al dan niet sprake is van discriminatie, uit de weg gaat door simpelweg te stellen dat Roca Sanitario daardoor hoe dan ook niet zou zijn benadeeld, en oordeelt dat een verschillende behandeling deze onderneming niet tot voordeel had kunnen strekken, daar het bedrag van haar geldboete niet disproportioneel was.

218. In punt 185 van het arrest Roca Sanitario brengt het Gerecht in antwoord op de ter ondersteuning van de vordering tot boeteverlaging aangevoerde middelen in herinnering dat „in de punten 168 tot en met 170 [van dat arrest] is vastgesteld dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden door voor [rekwirante] coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % te hanteren. Bovendien kon de Commissie, zoals in punt 155 [van genoemd arrest] is vastgesteld, overeenkomstig de punten 21 tot en met 23 en 25 van de richtsnoeren van 2006 op goede gronden oordelen dat coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % niet onevenredig waren in het licht van de ernst van de inbreuk”.

219. In punt 187 van het arrest voegt het Gerecht daaraan toe dat „het feit dat aan de ondernemingen die aan de één geheel vormende inbreuk met betrekking tot drie productsubgroepen in zes lidstaten hebben deelgenomen, een geldboete had moeten worden opgelegd die was berekend op basis van hogere coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ dan de coëfficiënten van 15 % die werden gehanteerd voor de bestraffing van [rekwirante], […] niet [kan] rechtvaardigen dat het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht [rekwirante] een geldboete oplegt waarvan het bedrag onvoldoende afschrikkend is, gelet op de ernst van de inbreuk waaraan zij heeft deelgenomen”.

220. De behandeling zou dus ongelijk zijn geweest, maar het beginsel van gelijke behandeling zou niet zijn geschonden omdat de geldboete proportioneel bleef!

221. Artikel 49, lid 3, van het Handvest bepaalt dat „[d]e zwaarte van de straf […] niet onevenredig [mag] zijn aan het strafbare feit”. Volgens deze regel is het onlogisch om vast te stellen dat een inbreuk minder ernstig was en toch de straf voor die inbreuk op hetzelfde niveau te handhaven als de straf die is opgelegd voor zwaardere inbreuken die in parallelle arresten zijn vastgesteld.

222. Ik herinner eraan dat het Gerecht na zijn vaststelling dat de aan Roca Sanitario ten laste gelegde inbreuk minder ernstig was, de aan deze onderneming opgelegde geldboete niet heeft verlaagd in zoverre het daarop dezelfde zwaarte‑ en afschrikkingscoëfficiënt is blijven toepassen als op de geldboeten van de tot de harde kern behorende ondernemingen, waarvoor de Commissie naar het oordeel van het Gerecht hogere coëfficiënten had moeten hanteren.

223. In dit verband is het de vraag of het Gerecht mocht weigeren om voor Roca Sanitario lagere coëfficiënten te hanteren, die de gelijke behandeling met de andere kartelleden konden herstellen, met het argument dat zulks in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat verlangt dat geldboeten hoog genoeg zijn om afschrikkende werking te hebben.

224. Naar mijn mening is dat niet het geval.

225. Volgens de gedachtegang van het Gerecht, dat wat de ernst van de feiten betreft onderscheid heeft gemaakt tussen de door Roca Sanitario gepleegde inbreuken en de inbreuken waaraan de overige kartelleden zich schuldig hebben gemaakt, zou de conclusie namelijk moeten zijn dat het afschrikkende karakter van een geldboete op geen enkele wijze verband houdt met de ernst van de inbreuk, terwijl het Gerecht in punt 187 spreekt van een boetebedrag dat afschrikkend is gelet op de ernst van de inbreuk.

226. Het is van tweeën één: als voor twee niet even ernstige inbreuken dezelfde geldboete wordt opgelegd, is deze boete ofwel onvoldoende afschrikkend voor de ene inbreuk, ofwel disproportioneel voor de andere. Gegeven het feit dat het bedrag van de geldboete niet is herzien voor degenen die verantwoordelijk zijn gesteld voor de zwaarste inbreuk, kan een aan de pleger van de minder ernstige inbreuk opgelegde identieke geldboete niet anders dan disproportioneel zijn.

227. Het Gerecht kon niet de geografische omvang van de één geheel vormende, voortdurende en complexe inbreuk waaraan een onderneming had deelgenomen, corrigeren en bijvoorbeeld terugbrengen van zes naar slechts twee lidstaten (zoals het heeft gedaan in de zaak Dornbracht, T‑386/10, EU:T:2013:450), dan wel, door te erkennen dat de inbreuk die was gepleegd door de tot de harde kern behorende ondernemingen, wegens de grotere geografische omvang had „moeten” worden bestraft met een geldboete die was berekend op basis van hogere coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag” (punt 187 van het arrest Roca Sanitario), toegeven dat verschillende situaties ten onrechte gelijk waren behandeld (zoals het in het onderhavige geval heeft gedaan), en tegelijkertijd enerzijds ervan afzien de aan de ondernemingen van de harde kern opgelegde geldboeten te verhogen, en anderzijds oordelen dat een verlaging van de geldboete (of zelfs van de genoemde coëfficiënten) voor, bijvoorbeeld, Roca Sanitario niet mogelijk was, zonder een en ander genoegzaam te motiveren.

228. Zoals het Gerecht in het arrest Mamoli Robinetteria/Commissie (T‑376/10, EU:T:2013:442, punt 174) heeft geoordeeld, „[kan] [e]en inbreuk die de grondgebieden van zes lidstaten van de Unie bestreek en drie productsubgroepen betrof, […] immers niet op goede gronden worden geacht even ernstig te zijn als een inbreuk die enkel op het grondgebied van één lidstaat werd gemaakt en twee productsubgroepen betrof. Gelet op de omvang van de gevolgen ervan voor de mededinging binnen de Unie, moet die eerste inbreuk ernstiger worden geacht dan die tweede”.

229. Ik ben overigens van mening dat het Gerecht zich niet heeft gehouden aan zijn eigen rechtspraak op het gebied van boetedifferentiatie naargelang van de ernst van de inbreuken die zijn toegerekend aan elk van de ondernemingen die betrokken zijn geweest bij één enkele, voortdurende en complexe inbreuk. Ingevolge de beginselen van het persoonlijke karakter van straffen, van persoonlijke verantwoordelijkheid en van non-discriminatie behoort een geringere verantwoordelijkheid immers in beginsel in het bedrag van de geldboete tot uitdrukking te komen.

230. Om de proportionaliteit of de afschrikkende werking een objectief karakter te geven, meent het Gerecht zich te moeten laten leiden door de richtsnoeren van 2006. Ik wijs er in dit verband op dat die richtsnoeren „een gedragsregel vormen […] waarvan de administratie […] niet mag afwijken zonder redenen te geven die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling”.(69) Het blindelings en automatisch toepassen van die richtsnoeren is dus – ook voor het Gerecht – uitgesloten, wanneer die toepassing in een ongelijke behandeling resulteert.(70)

231. Het is trouwens al voorgekomen dat het Gerecht schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft vastgesteld en daaraan consequenties heeft verbonden in de vorm van een boeteverlaging. Dit was het geval in de arresten Bolloré e.a./Commissie (T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, EU:T:2007:115, punten 694 e.v.)(71) en Chalkor/Commissie (T‑21/05, EU:T:2010:205, punten 104‑113). In dat laatste arrest overweegt het Gerecht terecht dat „[a]an een onderneming […] nooit een geldboete [kan] worden opgelegd waarvan het bedrag wordt berekend aan de hand van een deelneming aan een heimelijke afspraak waarvoor zij niet verantwoordelijk is gesteld” (punt 93).(72)

232. Ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat er een positieve verplichting (en dus niet een mogelijkheid, zoals het Gerecht lijkt te menen) bestaat om bij de boetebepaling rekening te houden met het minder ernstige karakter van de door de beboete onderneming gepleegde inbreuk: „[h]et feit […] dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, dient in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete(cursivering van mij).(73)

c)      De motivering

233. Opgemerkt moet worden dat het Gerecht op geen enkele wijze heeft toegelicht waarom zelfs een geringe verlaging van het basisbedrag van de aan Roca Sanitario opgelegde geldboete zou hebben geresulteerd in een bedrag met onvoldoende afschrikkende werking (noch overigens genoegzaam heeft gemotiveerd waarom het percentage van 15 % passend was). Het Gerecht heeft volstaan met op te merken dat de toegepaste coëfficiënten „passend” waren voor Roca Sanitario. Dat is uiteraard geen behoorlijke motivering! Daar komt nog bij dat het in het arrest Roca Sanitario uitsluitend over de coëfficiënt „extra bedrag” gaat, terwijl over de hoogte van de coëfficiënt „ernst van de inbreuk” niet eens wordt gesproken.

d)      Moet elk verschil in de situatie van de betrokken ondernemingen in het boetebedrag worden weerspiegeld?

234. De rechtspraak verlangt ook dat wanneer een inbreuk door meerdere ondernemingen is gepleegd, bij de vaststelling van de boetebedragen rekening wordt gehouden met het relatieve gewicht van de aan elk van die ondernemingen toegerekende gedragingen.(74) Op die manier moet de eerbiediging van het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen worden verzekerd.

235. Het is juist dat dit beginsel volgens het Hof niet zo ver gaat, dat in de boetebedragen elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun omzet zou moeten worden weerspiegeld.(75)

236. Deze restrictie – waarmee in feite wordt erkend dat het onmogelijk is om volledige gelijkheid tussen de verschillende kartelleden te garanderen – moet logischerwijs naar analogie ook gelden voor verschillen wat de geografische omvang en dus de ernst van de geconstateerde inbreuken betreft.

237. Dit geldt te meer daar die verschillen, zoals ook bij de verschillen op het gebied van de omzet het geval is, reeds worden weerspiegeld in de waarde van de verkopen die bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete in aanmerking worden genomen.

238. Daarom moet worden nagegaan of het feit dat er bij de vaststelling van de coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag” geen rekening mee is gehouden dat de aan Roca Sanitario toegerekende inbreuk relatief minder ernstig was, heeft geleid tot een verschil in behandeling dat te groot is om geen correctie te behoeven.

239. Om te beginnen ben ik van mening dat in het arrest van het Gerecht, afgezien van de geografische omvang, geen onderscheid wordt gemaakt tussen de ernst van de gedragingen van de dochterondernemingen van Roca Sanitario, waarvoor deze laatste verantwoordelijk is gehouden, en de ernst van de gedragingen van de tot de harde kern behorende ondernemingen (die de aanstichters van het kartel waren en volgens Roca Sanitario maatregelen hebben genomen om het kartel uit te breiden en de uitvoering en coördinatie ervan op Europese schaal te waarborgen(76)). Er kan hier worden volstaan met de constatering dat het Gerecht nergens in zijn arrest heeft gerefereerd aan het feit dat Roca Sanitario niet tot de harde kern van het kartel behoorde en dat een van haar dochterondernemingen slechts voor twee in plaats van drie productsubgroepen aan het kartel had deelgenomen.

240. Zoals het Hof in het arrest Deutsche Telekom/Commissie (C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 274) heeft verklaard, „[behoren] [t]ot de factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken […] het gedrag van de betrokken onderneming, de rol die zij heeft gespeeld bij de totstandkoming van de betrokken praktijk[(77)], de winst die zij uit deze praktijk heeft kunnen behalen, haar omvang, de waarde van de betrokken goederen en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie” (cursivering van mij).(78)

241. De rechtspraak laat er ook geen twijfel over bestaan dat het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij het bepalen van de geldboete.(79)

242. Met name in het geval van één enkele inbreuk in de zin van een voortdurende en complexe inbreuk, die bestaat uit een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen op verschillende markten waarop de overtreders niet allemaal aanwezig zijn of mogelijk slechts gedeeltelijk van het totaalplan op de hoogte zijn, moeten de sancties worden geïndividualiseerd in die zin dat zij moeten worden gerelateerd aan de gedragingen en eigenschappen van de betrokken ondernemingen.(80)

243. In die context houdt het evenredigheidsbeginsel in dat de geldboete moet worden bepaald in verhouding tot de factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij zowel de beoordeling van de objectieve ernst van de inbreuk als zodanig, als de beoordeling van de relatieve ernst van de deelname aan de inbreuk door de onderneming waaraan de sanctie wordt opgelegd.(81)

244. Vervolgens moet erop worden gewezen dat het Gerecht in punt 186 van het arrest Roca Sanitario de in het litigieuze besluit gevolgde benadering terecht corrigeert en opmerkt dat het feit dat de dochterondernemingen van Roca Sanitario slechts aan twee van de zes nationale onderdelen van het totale bestrafte kartel hebben deelgenomen, hoe dan ook hun gedrag minder ernstig maakt dan dat van de ondernemingen die bij een groter aantal onderdelen van het kartel betrokken zijn geweest.(82)

245. In punt 187 heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat „het feit dat aan de ondernemingen die aan de één geheel vormende inbreuk met betrekking tot drie productsubgroepen in zes lidstaten hebben deelgenomen, een geldboete had moeten worden opgelegd die was berekend op basis van hogere coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ dan de coëfficiënten van 15 % die werden gehanteerd voor de bestraffing van [rekwirante], […] niet [kan] rechtvaardigen dat het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht [rekwirante] een geldboete oplegt waarvan het bedrag onvoldoende afschrikkend is, gelet op de ernst van de inbreuk waaraan zij heeft deelgenomen”.

246. Het bovenstaande maakt duidelijk dat het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen niet is geëerbiedigd en – ik herhaal – dat niet is gemotiveerd waarom aan de vaststelling van een minder ernstige inbreuk geen consequenties zijn verbonden voor het bedrag van de geldboete.

247. Weliswaar werd volgens de Commissie het minder ernstige karakter van het gedrag van de ondernemingen al in voldoende mate weerspiegeld in de selectie van de verkopen waarop de zwaartecoëfficiënt en de afschrikkingsfactor zijn toegepast, maar dit standpunt is door het Gerecht zowel in het arrest Roca Sanitario (zie punt 186) als in diverse parallelle arresten betreffende hetzelfde kartel van de hand gewezen. Bovendien blijkt uit die arresten dat het minder ernstige karakter van de geconstateerde inbreuken voor de Commissie reden had moeten zijn om andere coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag” toe te passen.

248. Zo heeft het Gerecht in het arrest Zucchetti Rubinetteria/Commissie (T‑396/10, EU:T:2013:446, punten 114‑119) – in mijn ogen terecht – terecht geoordeeld dat, „[w]at […] de door verzoekster aangevoerde onjuiste beoordeling van de feiten betreft, dient te worden vastgesteld dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % gerechtvaardigd waren doordat de ondernemingen waarop het [litigieuze] besluit betrekking heeft, hadden deelgenomen aan één enkele inbreuk die drie productsubgroepen betrof en zes lidstaten bestreek. Zoals de Commissie zelf in [overweging] 879 van het [litigieuze] besluit heeft opgemerkt, was verzoekster immers betrokken bij een inbreuk inzake een coördinatie van prijsverhogingen in Italië, en niet in de vijf andere lidstaten die in punt 1 hierboven worden vermeld, daar de ongeoorloofde besprekingen die hadden plaatsgevonden betrekking hadden op kranen en keramische producten, maar niet op douchewanden. In dit verband dient te worden beklemtoond dat verzoekster in deze context niet opkomt tegen de opvatting van de Commissie dat zij heeft deelgenomen aan een inbreuk die niet alleen kranen, maar ook keramische producten betrof” (punt 114).

249. Aldus „vloeit uit de vaststelling van de Commissie in [overweging] 879 van het [litigieuze] besluit voort dat zij niet op goede gronden de toepassing van coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % op verzoekster kon rechtvaardigen op grond dat deze had deelgenomen aan één enkele inbreuk die drie productsubgroepen en de grondgebieden van zes lidstaten betrof. De Commissie heeft derhalve de feiten op dit punt onjuist beoordeeld” (punt 115).

250. Om te beginnen „zijn niet ter zake dienend de argumenten van de Commissie dat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete haar deelname aan louter het Italiaanse deel van de vastgestelde inbreuk weerspiegelt, dat de voor elke onderneming in aanmerking genomen waarde van de verkopen hun individuele, daadwerkelijke en concrete betrokkenheid bij de inbreuk weerspiegelt en dat de coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % bescheiden zijn, gelet op de ernst van de door verzoekster gemaakte inbreuk. Geen enkel van deze argumenten kan immers afdoen aan de vaststelling dat de Commissie zich niet mocht baseren op de in punt 115 hierboven uiteengezette grond om de coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ op 15 % vast te stellen” (punt 116).

251. Vervolgens „zijn eveneens niet ter zake dienend de argumenten van de Commissie dat zij de verschillende in de richtsnoeren van 2006 voorziene stappen van de berekening van de geldboete heeft geëerbiedigd, dat zij de omzet heeft gehanteerd die is meegedeeld door de ondernemingen waarop het [litigieuze] besluit betrekking heeft, dat zij beschikt over een beoordelingsmarge bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten en dat de ernst van de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen, wordt weerspiegeld in het in aanmerking genomen bedrag van de waarde van de verkopen. Deze argumenten zijn immers niet van invloed op de vaststelling dat de Commissie zich niet mocht baseren op de in punt 115 hierboven uiteengezette grond” (punt 117).

252. Ten slotte „faalt het argument dat de Commissie in antwoord op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting heeft aangevoerd, te weten dat het feit dat de deelname van ondernemingen, enerzijds, aan de enkele inbreuk in haar geheel en, anderzijds, op louter het Italiaanse grondgebied van verschillende geografische omvang was, niet rechtvaardigt dat andere coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ worden toegepast. Een inbreuk die de grondgebieden van zes lidstaten van de Unie bestreek en drie productsubgroepen betrof, kan immers niet op goede gronden worden geacht even ernstig te zijn als een inbreuk die enkel op het grondgebied van één lidstaat werd gemaakt en twee productsubgroepen betrof. Gelet op de omvang van de gevolgen ervan voor de mededinging binnen de Unie, moet die eerste inbreuk ernstiger worden geacht dan die tweede” (punt 118).

253. Het Gerecht komt in punt 119 van het betrokken arrest tot de slotsom dat „dient te worden vastgesteld dat de Commissie op twee punten blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door de toepassing van de coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ van 15 % te baseren op het feit dat verzoekster had deelgenomen aan één enkele inbreuk die de grondgebieden van zes lidstaten van de Unie en drie productsubgroepen betrof. Verzoeksters argument ter zake slaagt dus.”

254. Het Gerecht is tot dezelfde bevinding gekomen in het parallelle arrest Dornbracht/Commissie (T‑386/10, EU:T:2013:450, punten 163‑168). In vier andere parallelle arresten – Duravit (punten 366 e.v.), Villeroy & Boch Austria (punten 384 en 385), Hansa Metallwerke e.a./Commissie (T‑375/10, EU:T:2013:475, punten 180 e.v.) en Mamoli Robinetteria/Commissie (T‑376/10, EU:T:2013:442, punten 170 e.v.)(83) – wijst het Gerecht de grieven volgens welke de toegepaste coëfficiënten hadden moeten worden geïndividualiseerd, niet a priori van de hand.

255. Ik voeg hieraan toe dat de Commissie in tal van zaken een dergelijke benadering heeft gevolgd: om een niet-discriminerende behandeling te waarborgen, heeft zij verschillende zwaartecoëfficiënten en afschrikkingsfactoren toegepast en aldus het basisbedrag van de geldboete aangepast naargelang van het relatieve gewicht van de inbreuk die is toegerekend aan elke onderneming die heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende mededingingsregeling.(84)

256. De grief van Roca Sanitario dat het minder ernstige karakter van de aan haar toegerekende inbreuk, bij gebreke van een verlaging van de coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en „extra bedrag”, niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking is genomen, heeft het Gerecht in mijn ogen terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat hij te laat was aangevoerd.

257. Hoewel een dergelijke grief was opgeworpen in een voetnoot in de fase van het verzoekschrift – en niet, zoals het Gerecht heeft beweerd, tijdens de terechtzitting – was hij in mijn ogen namelijk niet duidelijk en nauwkeurig genoeg, zoals de rechtspraak van het Hof verlangt.(85) Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de in een voetnoot opgenomen algemene verwijzing naar punt 29 van de richtsnoeren van 2006 onvoldoende nauwkeurig om als grondslag voor een dergelijke grief te dienen.

258. Met betrekking tot het argument van Roca Sanitario ten slotte dat de aan haar opgelegde geldboete ook los van enige discriminatie disproportioneel is, kan ik volstaan met de vaststelling dat deze onderneming niet heeft aangetoond dat dit in casu het geval is.

e)      Conclusie

259. Mijn conclusie is dan ook dat het Gerecht, in zoverre het zonder passende motivering enerzijds heeft erkend dat het gedrag van de dochterondernemingen van Roca Sanitario minder ernstig was dan dat van de tot de harde kern behorende ondernemingen, en anderzijds heeft besloten de aan laatstgenoemde ondernemingen opgelegde geldboeten niet te verhogen, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de op Roca Sanitario toegepaste coëfficiënten „ernst van de inbreuk” en/of „extra bedrag” had moeten verlagen teneinde de eerbiediging van de beginselen van gelijke behandeling en van het persoonlijke karakter van straffen te verzekeren.(86)

260. Het is uiteraard onjuist dat „een […] verschillende behandeling [van de twee groepen ondernemingen] [rekwirante] niet tot voordeel had kunnen strekken” (punt 169 van het arrest Roca Sanitario).

261. Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel van Roca Sanitario moet worden aanvaard en dat het arrest Roca Sanitario in zoverre gedeeltelijk moet worden vernietigd.

f)      Gevolgen van de vernietiging van het arrest Roca Sanitario door het Hof

262. Ik ben van mening dat de zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de geldboete met inachtneming van bovenstaande overwegingen ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel van Roca Sanitario.

IV – Conclusie

263. Om deze redenen – en onverminderd het onderzoek van de overige middelen van deze hogere voorzieningen – geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

264. In de zaak Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. (C‑613/13 P):

1.         Punt 1 van het dictum van het arrest Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, EU:T:2013:457) te vernietigen voor zover daarin de nietigverklaring is uitgesproken van artikel 1 van besluit C(2010) 4185 definitief van de Commissie van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39092 – Badkamersanitair) met betrekking tot de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden binnen de Association française des industries de céramique sanitaire (AFICS) en de verantwoordelijkheid die Allia SAS, Produits Céramique de Touraine SA en Sanitec daarvoor dragen.

2.         Punt 2 van het dictum van het genoemde arrest in zijn geheel te vernietigen.

3.         Het beroep tot nietigverklaring te verwerpen voor zover dit betrekking heeft op de gebeurtenissen binnen de AFICS, en de aan Allia SAS, Produits Céramique de Touraine SA en Sanitec opgelegde geldboeten te bevestigen.

4.         Het tweede middel van de incidentele hogere voorziening van Keramag e.a. niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren.

265. In de zaak Duravit e.a./Commissie (C‑609/13 P): het derde middel, althans wat de zevende en de twaalfde gestelde onjuiste opvatting van bewijs betreft, niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.

266. In de zaak Villeroy & Boch AG/Commissie (C‑625/13 P): het eerste middel niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren en het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond te verklaren.

267. In de zaak Villeroy & Boch SAS/Commissie (C‑644/13 P): het eerste middel ongegrond te verklaren en het tweede middel ongegrond te verklaren in zoverre het Gerecht daarmee wordt verweten dat het zich niet heeft gehouden aan zijn vaststellingen in de arresten Keramag Keramische Werke e.a./Commissie (T‑379/10 en T‑381/10, EU:T:2013:457), Duravit e.a./Commissie (T‑364/10, EU:T:2013:477) en Wabco Europe e.a./Commissie (T‑380/10, EU:T:2013:449).

268. In de zaak Roca Sanitario/Commissie (C‑636/13 P): het eerste onderdeel van het tweede middel van Roca Sanitario te aanvaarden; het arrest Roca Sanitario/Commissie (T‑408/10, EU:T:2013:440) gedeeltelijk te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de geldboete met inachtneming van hetgeen in deze conclusie ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel van Roca Sanitario is overwogen.

269. De beslissing omtrent de kosten aan te houden.


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Zie punt 5 van deze conclusie.


3      Zaak Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. (C‑613/13 P).


4      Hierna: „Duravit e.a.”. Zaak Duravit e.a./Commissie (C‑609/13 P).


5      Zaak Villeroy & Boch AG/Commissie (C‑625/13 P).


6      Zaak Villeroy & Boch SAS/Commissie (C‑644/13 P).


7      Zaak Roca Sanitario/Commissie (C‑636/13 P).


8      In het vervolg van deze conclusie zal ik enkel nog naar artikel 101 VWEU verwijzen.


9      Namelijk de zaken C‑604/13 P, C‑609/13 P, C‑611/13 P, C‑613/13 P, C‑614/13 P, C‑618/13 P, C‑619/13 P, C‑625/13 P, C‑626/13 P, C‑636/13 P, C‑637/13 P, C‑638/13 P, C‑642/13 P en C‑644/13 P.


10      Tweede, derde en vijfde onderdeel van het eerste middel van de Commissie in de zaak Commissie/Keramag Keramische Werke e.a. (C‑613/13 P), en tweede middel van Keramag e.a. in de incidentele hogere voorziening in die zaak; derde middel in de zaak Duravit e.a./Commissie (C‑609/13 P); eerste middel en tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak Villeroy & Boch AG/Commissie (C‑625/13 P), en, ten slotte, eerste en tweede middel in de zaak Villeroy & Boch SAS/Commissie (C‑644/13 P).


11      Eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak Roca Sanitario/Commissie (C‑636/13 P).


12      Op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling van 2002 inzake medewerking”).


13      De zeven middelen in zaak T‑379/10 kwamen in wezen overeen met de eerste vijf middelen en het achtste en het negende middel in zaak T‑381/10. Het Gerecht heeft de nummering van de in laatstgenoemde zaak aangevoerde middelen aangehouden.


14      De bevestiging hoeft niet noodzakelijkerwijs voort te vloeien uit documenten uit de tijd van de feiten. Verschillende verklaringen kunnen geloofwaardig zijn als zij elkaar staven. Zie in dit verband arresten Lögstör Rör/Commissie (T‑16/99, EU:T:2002:72, punten 45‑47), Bolloré e.a./Commissie (T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, EU:T:2007:115, punt 168) en Polimeri Europa/Commissie (T‑59/07, EU:T:2011:361, punt 55). Bevestiging van een in het kader van een clementieverzoek afgelegde verklaring door een andere dergelijke verklaring kan afdoende zijn als de twee verklaringen onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en „in hoofdlijnen” met elkaar overeenstemmen. Zie in dit verband arrest Total Raffinage Marketing/Commissie, T‑566/08, EU:T:2013:423, punt 74 (de hogere voorziening tegen dit arrest is afgewezen: arrest Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614).


15      Arrest Roca/Commissie (T‑412/10, EU:T:2013:444, punten 198 en 239; hierna: „arrest Roca”). Het Gerecht heeft bij een op dezelfde dag gewezen arrest die boeteverlaging ook toegekend aan de moedermaatschappij van Roca France (zaak Roca Sanitario/Commissie, T‑408/10, EU:T:2013:440, punt 213).


16      Zie met name, op het gebied van het mededingingsrecht, arresten Hüls/Commissie (C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punten 64 en 65) en Technische Unie/Commissie (C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punten 111‑113 en 161). Zie in het algemeen arrest Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punten 66 en 81), beschikkingen San Marco/Commissie (C‑19/95 P, EU:C:1996:331, punt 39) en AIUFFASS en AKT/Commissie (C‑55/97 P, EU:C:1997:465, punt 25), alsmede arresten Somaco/Commissie (C‑401/96 P, EU:C:1998:208, punt 54) en Schröder e.a./Commissie (C‑221/97 P, EU:C:1998:597, punten 22–24).


17      Arrest Raad/de Nil en Impens (C‑259/96 P, EU:C:1998:224, punt 32).


18      Arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 71). Zie ook arresten Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 25), Somaco/Commissie (C‑401/96 P, EU:C:1998:208, punt 53), Cubero Vermurie/Commissie (C‑446/00 P, EU:C:2001:703, punt 20), BEI/Hautem (C‑449/99 P, EU:C:2001:502, punt 45), Aristrain/Commissie (C‑196/99 P, EU:C:2003:529, punten 40 en 41) en Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie (C‑404/04 P, EU:C:2007:6, punt 90). Voor gevallen waarin een arrest van het Gerecht wegens ontoereikende motivering is vernietigd, zie bijvoorbeeld arresten Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 428), België/Commissie (C‑197/99 P, EU:C:2003:444, punt 130) en International Power e.a./NALOO (C‑172/01 P, C‑175/01 P, C‑176/01 P en C‑180/01 P, EU:C:2003:534, punt 121).


19      Zie in die zin en naar analogie arresten Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punten 392‑405), Chassagne/Commissie (T‑253/06 P, EU:T:2008:386, punt 57) en Michail/Commissie (T‑50/08 P, EU:T:2009:457, punt 50).


20      Zie in dit verband arrest DIR International Film e.a./Commissie (C‑164/98 P, EU:C:2000:48, punten 43‑48). Voor zaken waarin het Gerecht de bestreden handeling verkeerd heeft gelezen, zie ook arresten België/Commissie (C‑197/99 P, EU:C:2003:444, punten 58‑67) en International Power e.a./NALOO (C‑172/01 P, C‑175/01 P, C‑176/01 P en C‑180/01 P, EU:C:2003:534, punt 156).


21      Zie zijn conclusie in de zaak IPK/Commissie (C‑433/97 P, EU:C:1999:133, punt 36). Hij verwijst naar het arrest Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, EU:C:1994:211).


22      „Wat in de tweede plaats artikel 2, lid 7, van het [litigieuze] besluit betreft, moet om te beginnen, gelet op de in punt 325 [van genoemd arrest] getrokken conclusie, artikel 2, lid 7, onder d) en e), nietig worden verklaard voor zover daarin hoofdelijk aan Allia en Sanitec Europe een geldboete van 4 579 610 EUR en hoofdelijk aan PCT, Allia en Sanitec Europe een geldboete van 2 529 689 EUR wordt opgelegd. Bijgevolg moet het totaalbedrag van de aan [Keramag e.a.] opgelegde geldboete van 57 690 000 EUR, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 7, van het [litigieuze] besluit, nietig worden verklaard voor zover het meer bedraagt dan 50 580 701 EUR (57 690 000 EUR – 4 579 610 EUR – 2 529 689 EUR).”


23 –      In die overweging wordt ook verklaard dat Roca France „de uitwisseling van minimumprijzen binnen AFICS” heeft bevestigd, maar „de bevestigende verklaring van Ideal Standard ongeloofwaardig [tracht] te doen overkomen” (verzoekschrift in hogere voorziening van de Commissie, voetnoot 20).


24      Zie met name arrest Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 24). Zie ook arrest Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, EU:C:1994:211, punt 66), beschikking San Marco/Commissie (C‑19/95 P, EU:C:1996:331, punt 40), arrest Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie (C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 29), en de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, EU:C:1998:37, punt 105).


25      Zie met name arresten New Holland Ford/Commissie (C‑8/95 P, EU:C:1998:257, punt 26) en Glencore en Compagnie Continentale/Commissie (C‑24/01 P en C‑25/01 P, EU:C:2002:642, punt 65).


26      Arrest Corus UK/Commissie (C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 67). Zie ook arresten Commissie/ICI (C‑286/95 P, EU:C:2000:188, punten 49 en 50), Salzgitter/Commissie (C‑182/99 P, EU:C:2003:526, punt 41), Aristrain/Commissie (C‑196/99 P, EU:C:2003:529, punt 67) en Ensidesa/Commissie (C‑198/99 P, EU:C:2003:530, punt 28).


27      Arrest Ismeri Europa/Rekenkamer (C‑315/99 P, EU:C:2001:391, punt 19). Zie ook arrest Glencore en Compagnie Continentale/Commissie (C‑24/01 P en C‑25/01 P, EU:C:2002:642, punten 77 en 78) en beschikking L/Commissie (C‑230/05 P, EU:C:2006:270, punten 45‑49).


28      Beschikking NDC Health/IMS Health en Commissie [C‑481/01 P(R), EU:C:2002:223, punt 88].


29      Arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punten 69 en 70).


30      Arrest Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie (C‑403/04 P en C‑405/04 P, EU:C:2007:52, punt 39).


31      Zie punt 11, onder b), van de memorie van antwoord van Keramag e.a..


32      Arrest Varec (C‑450/06, EU:C:2008:91, punt 47).


33      Arresten Snupat/Hoge Autoriteit (42/59 en 49/59, EU:C:1961:5, blz. 103, blz. 158), Plant e.a./Commissie en South Wales Small Mines (C‑480/99 P, EU:C:2002:8, punt 24) en Corus UK/Commissie (C‑199/99 P, EU:C:2003:531, punt 19). Zie ook arrest Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 52).


34      Arrest Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 56).


35      Arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 64). Zie ook arresten Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 61) en Solvay/Commissie (C‑109/10 P, EU:C:2011:686, punten 51 e.v.).


36      Arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 66).


37      Althans wat de producten in het „lagere segment” betreft, waarop de conclusies van de Commissie namelijk betrekking hebben. Zie de laatste volzin van overweging 590 van het litigieuze besluit.


38      Arrest Dorsch Consult/Raad en Commissie (C‑237/98 P, EU:C:2000:321, punten 50 en 51).


39      Arrest Team Relocations e.a./Commissie (C‑444/11 P, EU:C:2013:464, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


40      Arrest Siemens e.a./Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


41      Zie in dit verband Riley, D., „Revisiting the Single and Continuous Infringement of Article 101: The Significance of Anic in a New Era of Cartel Detection and Analysis”, World Competition Law and Economics Review, Kluwer, 2014, deel 37, nr. 3, blz. 293–318.


42      Arrest Shell/Commissie (T‑11/89, EU:T:1992:33, punt 86). Zie ook arresten Cimenteries CBR e.a./Commissie (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, EU:T:2000:77, punt 901) en Groupe Danone/Commissie (T‑38/02, EU:T:2005:367, punt 288), FNCBV e.a./Commissie (T‑217/03 en T‑245/03, EU:T:2006:391, punt 124; de hogere voorziening tegen dit arrest is afgewezen: arrest Coop de France bétail et viande e.a./Commissie, C‑101/07 P en C‑110/07 P, EU:C:2008:741) en Total Raffinage Marketing/Commissie (T‑566/08, EU:T:2013:423, punt 81) (zie voetnoot 14 van deze conclusie).


43      Zie bijvoorbeeld arrest Lafarge/Commissie (T‑54/03, EU:T:2008:255, punten 369 en 373), waarin Lafarge de bewijskracht betwistte van een anonieme nota zonder geadresseerde. Het Gerecht hield rekening met hetgeen Gyproc had verklaard over de opsteller van de nota en de omstandigheden waarin de nota was opgesteld.


44      Zie met name arresten Ensidesa/Commissie (C‑198/99 P, EU:C:2003:530, punt 312), Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (T‑5/00 en T‑6/00, EU:T:2003:342, punt 181) en JFE Engineering e.a./Commissie (T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, EU:T:2004:221, punt 207).


45      Arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 55‑57).


46      Arrest Knauf Gips/Commissie (C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punten 47‑49).


47      Arrest Salzgitter Mannesmann/Commissie (C‑411/04 P, EU:C:2007:54, punt 47).


48      Ik wijs het Hof erop dat de Commissie met haar hogere voorziening niet opkomt tegen de in het arrest Keramag getrokken conclusies die ertoe hebben geleid dat de duur van de deelname van Pozzi Ginori aan de inbreuk op de Italiaanse markt enigszins is verkort (punt 245 van het arrest Keramag), waarbij ik trouwens opmerk dat die conclusies geen gevolgen hebben gehad voor het bedrag van de geldboete (punten 337 en 338 van het arrest).


49      Arrest JFE Engineering e.a./Commissie (T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, EU:T:2004:221, punt 219).


50      Arrest Team Relocations e.a./Commissie (C‑444/11 P, EU:C:2013:464, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


51      Arrest Siemens e.a./Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punt 42), waarin wordt verwezen naar het arrest Activision Blizzard Germany/Commissie (C‑260/09 P, EU:C:2011:62, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


52      De bevestiging hoeft niet noodzakelijkerwijs voort te vloeien uit documenten die dateren uit de periode waarin de feiten zijn gepleegd. Verschillende verklaringen kunnen geloofwaardig zijn als zij elkaar staven. Zie in dit verband arrest Siemens e.a./Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punten 190 en 191). Zie ook arresten Lögstör Rör/Commissie (T‑16/99, EU:T:2002:72, punten 45‑47), Bolloré e.a./Commissie (T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, EU:T:2007:115, punt 168) en Polimeri Europa/Commissie (T‑59/07, EU:T:2011:361, punt 55). Bevestiging van een in het kader van een clementieverzoek afgelegde verklaring door een andere dergelijke verklaring kan afdoende zijn als de twee verklaringen onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en „in hoofdlijnen” met elkaar overeenstemmen wat de beschrijving van de inbreuk betreft. Zie in dit verband arrest Total Raffinage Marketing/Commissie (T‑566/08, EU:T:2013:423, punt 74).


53      C‑586/12 P, EU:C:2013:863, punten 22‑29.


54      Zie voetnoot 52 van deze conclusie.


55      Zie de conclusies in punt 295 van het arrest Villeroy & Boch Austria, waarmee in feite wordt gedoeld op de van de bijeenkomst van 25 februari 2004 afkomstige tabel, op de toelichtingen van Ideal Standard ter zake van de omstandigheden waarin dat document is opgesteld, de auteur, de datum, enz., op de maandelijkse tabellen met vertrouwelijke verkoopcijfers en op de verklaringen van de heer Laligné.


56      Arresten Stadtwerke Schwäbisch Hall e.a./Commissie (C‑176/06 P, EU:C:2007:730, punt 17) en Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 102).


57      Arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie (T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, EU:T:2006:396, punt 193). Zie ook arrest Team Relocations e.a./Commissie (C‑444/11 P, EU:C:2013:464, punt 54).


58      Punten 91 en 99.


59      In tegenstelling tot de geldboete tot betaling waarvan Villeroy & Boch AG is veroordeeld.


60      Het gaat hier om de acht concerns die volgens overweging 797 van het litigieuze besluit tot de harde kern van het kartel behoorden omdat zij in alle of vrijwel alle betrokken lidstaten aan het kartel deelnamen en bovendien bij minstens een van de overkoepelende organisaties waren aangesloten.


61      Arrest Team Relocations e.a./Commissie (C‑444/11 P, EU:C:2013:464, punten 118‑126).


62      Zie onder meer ook de conclusies van de advocaten-generaal Fennelly (Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:1998:518, punt 184), Mischo (Weig/Commissie, C‑280/98 P, EU:C:2000:260, punten 43‑45); Kokott (Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2005:752, punt 132), Poiares Maduro (Groupe Danone/Commissie, C‑3/06 P, EU:C:2006:720, punten 41‑59), Bot (E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:375, punt 115) en Mengozzi (Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2013:578, punt 94).


63      Arresten Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 128) en Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 244).


64      Zie in die zin aresten Sarrió/Commissie (C‑291/98 P, EU:C:2000:631, punten 96 en 97) en Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 105), alsmede de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Groupe Danone/Commissie (C‑3/06 P, EU:C:2006:720, punt 53).


65      Zie met name arrest Finsider/Commissie (C‑320/92 P, EU:C:1994:414, punt 46).


66      Zie in die zin arrest Weig/Commissie (C‑280/98 P, EU:C:2000:627, punten 67 en 68). In punt 68 van het arrest Salzgitter Mannesmann/Commissie (C‑411/04 P, EU:C:2007:54, punt 68) staat te lezen: „Weliswaar mag het Hof in het kader van een hogere voorziening niet uit billijkheidsoverwegingen zijn oordeel in de plaats stellen van dat van het Gerecht, dat zich in de uitoefening van zijn volle rechtsmacht heeft uitgesproken over het bedrag van de geldboeten die ondernemingen wegens schending van het gemeenschapsrecht opgelegd hebben gekregen, maar de uitoefening van die rechtsmacht mag er niet toe leiden dat bij de bepaling van de hoogte van deze geldboeten wordt gediscrimineerd tussen ondernemingen die aan een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen (arresten […] Sarrió/Commissie, C‑291/98 P, [EU:C:2000:631], punten 96 en 97, en […] Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, [EU:C:2002:582], punt 617).” Zie ook arresten Dalmine/Commissie (C‑407/04 P, EU:C:2007:53, punten 152 e.v.) en Evonik Degussa/Commissie (C‑266/06 P, EU:C:2008:295, punten 95 en 114).


67      Arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 337), waarin wordt verklaard dat „het Gerecht, indien het met betrekking tot een van die ondernemingen wil afwijken van de berekeningsmethode van de Commissie, die het niet in twijfel heeft getrokken, zulks in het bestreden arrest moet motiveren”. In het arrest Guardian Industries en Guardian Europe/Commissie (C‑580/12 P, EU:C:2014:2363, punt 78) heeft het Hof geoordeeld dat „[i]n dit verband kan worden volstaan met op te merken dat het Hof, aangezien het de onwettigheid van de litigieuze beschikking heeft vastgesteld, in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht zijn beoordeling in de plaats van die van de Commissie kan stellen en dus de geldboete kan verlagen of verhogen […] Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden […] Bovenvermeld argument van de Commissie moet derhalve worden afgewezen”. In punt 80 van dat arrest heeft het Hof daarom vastgesteld dat de bij artikel 2 van de litigieuze beschikking aan Guardian opgelegde geldboete met 30 % moest worden verlaagd en dat dit bedrag diende te worden vastgesteld op 103 600 000 EUR (het oorspronkelijke bedrag was 148 000 000 EUR).


68      Door het Gerecht aangeduid als „extra bedrag”.


69      Arrest KME Germany e.a./Commissie (C‑389/10 P, EU:C:2011:816, punt 127).


70      Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, EU:C:2013:619) al duidelijk heb gemaakt, kan het Gerecht zich niet op de in de richtsnoeren van de Commissie geformuleerde regels beroepen en deze regels automatisch toepassen, zoals in punt 185 van het arrest Roca Sanitario wordt gesuggereerd, vooral wanneer bij een dergelijk toepassing de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling niet is gegarandeerd.


71      Het arrest is door het Hof deels vernietigd, maar op andere gronden en uitsluitend wat de partij Bolloré betrof (arrest Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, EU:C:2009:500).


72      Zie ook arrest Sigma Tecnologie/Commissie (T‑28/99, EU:T:2002:76, punten 79‑82), waarin het Gerecht de bestreden beschikking deels nietig heeft verklaard omdat Sigma niet aan het gehele kartel had deelgenomen, en de aan die onderneming opgelegde geldboete met 10 % heeft verlaagd. In het arrest IMI e.a./Commissie (T‑18/05, EU:T:2010:202, punt 157) is eenzelfde boeteverlaging toegepast om rekening te houden met het feit dat IMI aan bepaalde mededingingsverstorende praktijken niet had deelgenomen. Zie ook arrest Adriatica di Navigazione/Commissie (T‑61/99, EU:T:2003:335, punten 190 en 191).


73      Arrest Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 90). In dezelfde zin arresten Archer Daniels Midland/Commissie (T‑59/02, EU:T:2006:272, punt 296), AC-Treuhand/Commissie (T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 131), IMI e.a./Commissie (T‑18/05, EU:T:2010:202, punt 164) en Chalkor/Commissie (T‑21/05, EU:T:2010:205, punt 92).


74       Arresten Suiker Unie e.a./Commissie (40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1975:174, punt 623), Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 150) en Hercules Chemicals/Commissie (C‑51/92 P, EU:C:1999:357, punt 110).


75      Arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 312).


76      Zie de punten 97‑102 en voetnoot 71 van het verzoekschrift in eerste aanleg.


77      Arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, EU:T:2000:77, punt 4949 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest voestalpine en voestalpine Wire Rod Austria/Commissie (T‑418/10, EU:T:2015:516, punten 408 e.v.). In dat laatste arrest merkt het Gerecht met betrekking tot de hoofdelijk aan voestalpine en aan voestalpine Austria Draht opgelegde geldboete op dat de Commissie niet heeft aangetoond dat voestalpine Austria Draht rechtstreeks had deelgenomen aan club Zürich, club Europa of club España, die wezenlijke aspecten van het kartel waren. Daarentegen is het Gerecht van oordeel dat de Commissie terecht heeft aangenomen dat voestalpine Austria Draht aan club Italia had deelgenomen wegens het mededingingsverstorende gedrag van haar verkoopagent in Italië, ook al was er geen enkel bewijs voorhanden dat voestalpine Austria Draht van dat inbreukmakende gedrag op de hoogte was. Voor zover handelend in het kader van zijn exclusieve mandaat voor Italië, moest de verkoopagent namelijk als een onderdeel van de onderneming worden beschouwd. Het Gerecht is evenwel van mening dat het mededingingsverstorende gedrag van die agent buiten Italië niet aan voestalpine Austria Draht kon worden toegerekend. Het Gerecht heeft daarom het bedrag van de aan de twee vennootschappen opgelegde hoofdelijke geldboete van 22 miljoen EUR verlaagd naar 7,5 miljoen EUR.


78      Zie naar analogie arresten Musique Diffusion française e.a./Commissie (100/80–103/80, EU:C:1983:158, punt 129) en Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 242). Wanneer een inbreuk door meerdere ondernemingen is gepleegd, moet het relatieve gewicht van de deelneming van elk van hen worden onderzocht (arrest Hercules Chemicals/Commissie, C‑51/92 P, EU:C:1999:357, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


79      Arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 90) en Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 86).


80      Zie naar analogie arrest Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (C‑76/06 P, EU:C:2007:326, punt 44).


81      Zie in die zin en met betrekking tot het onderscheid tussen de objectieve ernst van de inbreuk, in de zin van de punten 22 en 23 van de richtsnoeren van 2006, en de op basis van de specifieke omstandigheden te beoordelen relatieve ernst van de deelname aan de inbreuk door de onderneming waaraan de sanctie wordt opgelegd, in de zin van de punten 27 en volgende van die richtsnoeren, arrest Jungbunzlauer/Commissie (T‑43/02, Jurispr., EU:T:2006:270, punten 226‑228 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


82      „Het is juist dat de Commissie de coëfficiënten ‚ernst van de inbreuk’ en ‚extra bedrag’ op 15 % heeft vastgesteld voor de berekening van de geldboeten die werden opgelegd aan de ondernemingen die hadden deelgenomen aan de één geheel vormende inbreuk die drie productsubgroepen en zes lidstaten betrof, zoals uit [overweging] 1211 van het [litigieuze] besluit volgt. Die inbreuk is evenwel wegens de geografische omvang ervan ernstiger dan die waaraan [rekwirante] heeft deelgenomen” (cursivering van mij).


83      Punt 176: „niet ter zake dienend zijn de argumenten dat de fundamentele mechanismen van het ten uitvoer gebrachte kartel, bestaande in de coördinatie van het jaarlijkse prijsbeleid, voor alle ondernemingen identiek waren. Het feit dat alle ondernemingen aan een coördinatie van prijsverhogingen hebben deelgenomen, is immers niet van invloed op de vaststelling dat de Commissie niet op alle ondernemingen die adressaat van het [litigieuze] besluit waren, een coëfficiënt ‚extra bedrag’ van 15 % kon toepassen op grond dat zij hadden deelgenomen aan één enkele inbreuk, terwijl sommige van die ondernemingen niet hadden deelgenomen aan die ene inbreuk die de grondgebieden van zes lidstaten en drie productsubgroepen betrof” (cursivering van mij).


84      Zie zaak COMP/F/38.344 – Spanstaal, overweging 953, alsmede de in voetnoot 86 van deze conclusie aangehaalde beschikkingen.


85      Zie in die zin arrest België/Commissie (C‑197/99 P, EU:C:2003:444, punt 81).


86      De Commissie heeft tijdens de voor het Gerecht gehouden terechtzitting in het kader van de door Roca France en Laufen Austria ingestelde beroepen toegegeven dat het gedrag van deze ondernemingen minder ernstig was dan dat van de ondernemingen die de harde kern van het bestrafte kartel in zijn geheel vormden, en dat zij op hen een lager percentage (van 14 %) had kunnen toepassen om de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling te verzekeren en rekening te houden met de omstandigheid dat hun gedrag relatief minder ernstig was (zie het proces-verbaal van de op 6 maart 2013 gehouden terechtzittingen in de zaken Laufen Austria/Commissie, T‑411/10, EU:T:2013:443, en Roca). De Commissie heeft zich in dezelfde zin uitgesproken in het kader van het door Zucchetti tegen het litigieuze besluit ingestelde beroep. Arrest Zucchetti Rubinetteria/Commissie (T‑396/10, EU:T:2013:446), zie punt 42 van het rapport ter terechtzitting, dat als bijlage 11 is gevoegd bij het verzoekschrift in hogere voorziening van Roca Sanitario. Zie ook arrest Team Relocations e.a./Commissie (T‑204/08 en T‑212/08, EU:T:2011:286, punt 91), waarin melding wordt gemaakt van de beschikkingen „Candle waxes”, C(2008) 5476, van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/C.39.181 – Kaarsenwas) en „Heat stabilisers”, C(2009) 8682, van 11 november 2009 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.589 – Hittestabilisatoren), waarin de Commissie verschillende percentages heeft toegepast op de verschillende categorieën van deelnemers aan de betrokken kartels, rekening houdend met het relatieve gewicht van hun deelneming aan de inbreuk.