Language of document : ECLI:EU:C:2015:814

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. MENGOZZI

van 16 december 2015 (1)

Zaak C‑476/14

Citroën Commerce GmbH

tegen

Zentralvereinigung des Kraftfahrzeuggewerbes zur Aufrechterhaltung lauteren Wettbewerbs eV (ZLW)

[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Advertentie met prijsaanduiding – Afzonderlijke vermelding van transportkosten – Begrippen ‚aanbieden’ en ‚prijs inclusief belastingen’ – Verplichting van nationaal recht om de prijs in een advertentie te vermelden met inbegrip van de verplichte bijkomende kosten van het transport van de auto – Verenigbaarheid met het Unierecht – Oneerlijke handelspraktijk – Uitnodiging tot aankoop – Essentiële informatie betreffende de prijs”





1.        Bevat het Unierecht nauwkeurige voorschriften op het gebied van bekendmaking en aanduiding van de prijs die systematisch verbieden dat een advertentie voor een auto de prijs van het product enerzijds, en het bedrag van de verplichte kosten voor het transport van de fabrikant naar de koper anderzijds, afzonderlijk vermeldt? Dat is de inzet van de onderhavige prejudiciële verwijzing.

I –    Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

1.      Richtlijn 98/6/EG

2.        Uit de eerste overweging van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten(2) blijkt dat „een doorzichtige marktwerking en correcte informatie de consumentenbescherming en gezonde concurrentie tussen ondernemingen en producten ten goede komen”.

3.        De tweede overweging van richtlijn 98/6 wijst erop „dat het van belang is de consumenten een hoog beschermingsniveau te garanderen”.

4.        De zesde overweging van richtlijn 98/6 vermeldt dat „de verplichting tot aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid een aanzienlijke bijdrage levert tot een betere voorlichting van de consumenten, aangezien zulks de consument op de eenvoudigste wijze optimale mogelijkheden biedt om de prijs van de producten te beoordelen en te vergelijken, zodat hij op basis van eenvoudige vergelijkingen weloverwogen keuzes kan maken”.

5.        De zevende overweging van richtlijn 98/6 vervolgt „dat er derhalve een algemene verplichting zou moeten bestaan tot aanduiding van zowel de verkoopprijs als de prijs per meeteenheid voor alle producten”.

6.        Uit de twaalfde overweging blijkt dat „regelgeving op communautair niveau kan zorgen voor een homogene en doorzichtige voorlichting ten behoeve van alle consumenten in het kader van de interne markt”.

7.        Artikel 1 van richtlijn 98/6 vermeldt dat het „[d]oel van deze richtlijn is te voorzien in de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid van de producten die een verkoper aan de consument aanbiedt, teneinde de voorlichting aan de consument te verbeteren en een prijsvergelijking te vergemakkelijken”.

8.        Artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 definieert de verkoopprijs als „de uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product, met inbegrip van de [belasting over de toegevoegde waarde (btw)] en alle overige belastingen”.

9.        Artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/6 bepaalt dat „[i]n reclame waarin de verkoopprijs van de in artikel 1 bedoelde producten wordt vermeld, [...] ook de prijs per meeteenheid [wordt] aangeduid, behoudens het bepaalde in artikel 5”.

10.      Artikel 4, lid 1, van richtlijn 98/6 schrijft onder meer voor dat „[d]e verkoopprijs en de prijs per meeteenheid [...] ondubbelzinnig, gemakkelijk herkenbaar en goed leesbaar [moeten] zijn”.

11.      Volgens artikel 5, lid 1, van richtlijn 98/6 kunnen „[d]e lidstaten [...] vrijstelling verlenen van de verplichting tot aanduiding van de prijs per meeteenheid voor producten waarbij een dergelijke aanduiding wegens de aard of de bestemming van de producten niet zinvol zou zijn of verwarring zou kunnen veroorzaken”.

2.      Richtlijn 2005/29/EG

12.      Uit overwegingen 3 en 4 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)(3) blijkt dat „[d]e wetten van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken [...] duidelijke verschillen [vertonen], die aanzienlijke concurrentieverstoringen en belemmeringen voor een goede werking van de interne markt kunnen veroorzaken. [...] Deze verschillen scheppen onduidelijkheid over de vraag welke nationale regels van toepassing zijn op oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden en werpen een groot aantal belemmeringen op voor ondernemingen en consumenten. [...] Daarnaast maken deze verschillen consumenten onzeker over hun rechten en wordt hun vertrouwen in de interne markt ondermijnd.”

13.      Overweging 6 van richtlijn 2005/29 preciseert dat „de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, bij deze richtlijn [wordt] geharmoniseerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beschermt deze richtlijn de consumenten tegen de gevolgen van oneerlijke handelspraktijken indien deze gevolgen substantieel zijn, maar erkent de richtlijn ook dat de gevolgen voor de consumenten in sommige gevallen verwaarloosbaar kunnen zijn.”

14.      Overweging 10 van richtlijn 2005/29 vermeldt dat „[d]eze richtlijn [...] in overeenstemming [moet] zijn met de bestaande communautaire wetgeving, met name ten aanzien van de gedetailleerde bepalingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die op die specifieke sectoren van toepassing zijn. [...] Deze richtlijn is bijgevolg slechts van toepassing voor zover er geen specifieke communautaire wetsbepalingen bestaan betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, zoals de informatieverplichtingen en regels voor de wijze waarop de informatie aan de consument wordt gepresenteerd. Deze richtlijn beschermt de consument in gevallen waarvoor op communautair niveau geen specifieke, sectorale wetgeving bestaat [...] De richtlijn vormt bijgevolg een aanvulling op het ‚acquis communautaire’ dat van toepassing is op handelspraktijken die de economische belangen van consumenten schaden.”

15.      Volgens artikel 1 van richtlijn 2005/29 is „[h]et doel van deze richtlijn [...] om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren”.

16.      Artikel 2, onder i), van richtlijn 2005/29 definieert de uitnodiging tot aankoop als „een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen”.

17.      Artikel 3, leden 1 en 4 tot en met 6, van richtlijn 2005/29 luidt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

[...]

4.      In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere communautaire voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, prevaleren laatstgenoemde voorschriften en zijn deze van toepassing op deze specifieke aspecten.

5.      De lidstaten kunnen gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf [12 juni 2007] op het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied nationale bepalingen blijven toepassen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn en die uitvoering geven aan richtlijnen die clausules voor minimale harmonisatie bevatten. [...]

6.      De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de nationale bepalingen die uit hoofde van lid 5 worden toegepast.”

18.      Artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 2005/29 luidt als volgt:

„1.      Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2.      Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a)      in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b)      het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is [...] met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.”

19.      Artikel 7 van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„1.      Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

2.      Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

[...]

4.      In het geval van een uitnodiging tot aankoop wordt de volgende informatie als essentieel beschouwd, indien deze niet reeds uit de context blijkt:

[...]

c)      de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht‑, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald;

[...]

5.      Overeenkomstig de communautaire wetgeving vereiste informatie met betrekking tot commerciële communicatie, inclusief reclame en marketing, wordt als essentieel beschouwd (een niet-limitatieve lijst staat in bijlage II).”

20.      Bijlage II bij richtlijn 2005/29 bevat een lijst van communautaire bepalingen inzake reclame en commerciële communicatie. Artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/6 staat in die lijst vermeld.

B –    Duits recht

21.      Volgens het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet tot bestrijding van oneerlijke mededinging; hierna: „UWG”(4)) zijn oneerlijke handelspraktijken die de belangen van consumenten, concurrenten of andere marktdeelnemers aanzienlijk schaden verboden.(5) Eenieder die handelt in strijd met een wettelijk voorschrift dat mede is vastgesteld om in het belang van de marktdeelnemers het marktgedrag te reguleren, maakt zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk.(6)

22.      § 1 van de Preisangabenverordnung (besluit inzake de prijsaanduiding; hierna: „PAngV”(7)) heeft artikel 4, lid 1, van richtlijn 98/6 omgezet in Duits recht. Het bepaalt dat eenieder die op commerciële of bedrijfsmatige basis of op andere wijze regelmatig goederen of diensten aanbiedt of als aanbieder van goederen of diensten reclame maakt bij eindgebruikers en daarbij prijzen vermeldt, de te betalen prijs dient te vermelden inclusief btw en overige prijsbestanddelen.

II – Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

23.      Verzoekster in het hoofdgeding, Citroën Commerce GmbH (hierna: „Citroën Commerce”), is een vennootschap die auto’s verhandelt in Duitsland. Zij heeft op 30 maart 2011 in een Duits dagblad een advertentie geplaatst voor auto’s die door haar filiaal in de deelstaat Beieren werden aangeboden. De advertentie noemde voor een model het volgende voorbeeld: „Bijvoorbeeld Citroën C4 VTI 120 Exclusive: 21 800 € 1”, „inclusief alle opties”, „Maximaal prijsvoordeel: 6 170 € 1”. Exponent „1” verwees naar de volgende, in kleinere letters weergegeven tekst onderaan de advertentie: „Plus 790 € transportkosten [...]”.

24.      De Zentralvereinigung des Kraftfahrzeuggewerbes zur Aufrechterhaltung lauteren Wettbewerbs e.V. (ZLW) (centrale vereniging van de motorvoertuigbranche voor het behoud van eerlijke mededinging) heeft op grond van bepalingen van het UWG, gelezen in samenhang met artikel 1 PAngV, een vordering ingesteld tegen verzoekster in het hoofdgeding, ertoe strekkende haar te verbieden reclame te maken zonder vermelding van de werkelijke uiteindelijke prijs van het voertuig, dat wil zeggen de prijs inclusief de verplichte transportkosten.

25.      Het gerecht van eerste aanleg heeft de vordering van ZLW toegewezen. Citroën Commerce heeft hoger beroep ingesteld. Het gerecht waarbij de zaak was aangebracht heeft het hoger beroep verworpen. Citroën Commerce heeft daarop bij de verwijzende rechter beroep tot „Revision” ingesteld.

26.      De verwijzende rechter licht toe dat het volgens zijn vaste rechtspraak over de uitlegging van artikel 1, PAngV de uiteindelijke prijs van het voertuig is die in beginsel in advertenties moet worden vermeld, dat wil zeggen de prijs inclusief transportkosten, aangezien het publiek deze bijkomende kosten niet opvat als aanvullende kosten maar als bestanddeel van de prijs. De prijs mag alleen apart worden vermeld als de consument kan kiezen tussen twee opties – de auto zelf ophalen bij de fabrikant of de auto laten bezorgen bij de garage waar de koop is gesloten – of als het bedrag van de genoemde kosten niet tevoren kan worden voorzien. De advertentie die in het hoofdgeding aan de orde is voldoet aan geen van deze twee voorwaarden. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze nationale rechtspraak verenigbaar is met het Unierecht.

27.      Hij stelt in dit verband dat de aldus uitgelegde regel van nationaal recht mogelijk „strenger of prescriptiever” is, in de zin van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2005/29, dan de bepalingen die de lidstaten tot 12 juni 2013 in hun rechtsorde konden blijven toepassen.(8) Na die termijn wordt richtlijn 2005/29 geacht dit gebied volledig te hebben geharmoniseerd. Aan nationale opvattingen over de wijze van presentatie van prijzen kan derhalve slechts worden vastgehouden voor zover zij de stand van het Unierecht weergeven.

28.      De verwijzende rechter vraagt zich af of de door Citroën Commerce gepubliceerde advertentie onder de werkingssfeer van richtlijn 98/6 valt en of er sprake is van het „aanbieden van een product” in de zin van die richtlijn. Als dat zo is vraagt hij zich af of, volgens richtlijn 98/6, de verkoopprijs moet worden vermeld inclusief de verplichte kosten van het transport van het voertuig.

29.      De verwijzende rechter vraagt zich echter ook af of richtlijn 2005/29 van toepassing is en sluit niet uit dat de onderhavige prejudiciële verwijzing op grond van die richtlijn moet worden beoordeeld. Als dat zo is wenst hij te vernemen of een „uitnodiging tot aankoop” in de zin van artikel 7, lid 4, onder c), van die richtlijn een totaalprijs, dus inclusief de genoemde kosten, moet vermelden.

30.      Aldus geconfronteerd met een vraag van uitlegging van Unierecht heeft het Bundesgerichtshof (federaal hooggerechtshof) de behandeling van de zaak geschorst en, bij beslissing ingekomen ter griffie van het Hof op 27 oktober 2014, het Hof krachtens artikel 267 VWEU de volgende drie prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Valt een reclameboodschap voor een product waarin de daarvoor te betalen prijs wordt aangeduid onder aanbieden in de zin van artikel 1 van richtlijn [98/6]?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2)      Moet de verkoopprijs die overeenkomstig de artikelen 1 en 3, lid 1, eerste zin, van richtlijn [98/6] bij het aanbieden in de zin van artikel 1 moet worden vermeld, ook de verplichte kosten omvatten voor het van de fabrikant naar de handelaar transporteren van het motorvoertuig?

Indien de eerste of de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

3)      Moet de ‚prijs inclusief belastingen’ die overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder c), eerste alternatief, van richtlijn [2005/29] moet worden vermeld bij een uitnodiging tot aankoop in de zin van artikel 2, onder i), van die richtlijn, in het geval van een motorvoertuig ook de verplichte kosten omvatten voor het van de fabrikant naar de handelaar transporteren van het motorvoertuig?”

31.      Verzoekster in het hoofdgeding, de ZLW, de Oostenrijkse en de Hongaarse regering en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.

32.      Ter terechtzitting van 30 september 2015 hebben verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie hun standpunten mondeling toegelicht.

III – Juridische analyse

33.      Om te beginnen moet de strekking van de aan het Hof gestelde vragen worden bepaald. De vertegenwoordiger van verzoekster in het hoofdgeding heeft er ter terechtzitting op gewezen dat de verwijzende rechter niet probeert vast te stellen of de omstreden advertentie in het hoofdgeding in strijd is met richtlijn 98/6 en/of een door richtlijn 2005/29 verboden oneerlijke handelspraktijk vormt. Hij wil vernemen wat de stand van het toepasselijke Unierecht is teneinde te kunnen beoordelen of zijn uitlegging van het nationale recht(9) verenigbaar is met het Unierecht.

34.      Volgens de toelichting van de verwijzende rechter is de door verzoekster in het hoofdgeding in de pers geplaatste advertentie in strijd met de in het Duitse recht geldende eis dat advertenties de totaalprijs van producten vermelden, in casu dus de prijs inclusief, vanwege het verplichte karakter ervan, de kosten van het transport van het voertuig tot aan de garage van de concessiehouder.

35.      Om de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht te beoordelen moeten in essentie twee reeksen vragen worden beantwoord. Eerst moet worden vastgesteld welke richtlijn de voorwaarden voor de prijsaanduiding in advertenties regelt en wat het eisenniveau, de communautaire standaard, in dit verband is. Daartoe onderzoek ik, gelet op de voorrangsregel van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29, eerst richtlijn 98/6. Indien het Duitse recht de consumenten sterker blijkt te beschermen dan het Unierecht, moet vervolgens worden nagegaan of het Unierecht de lidstaten toestaat regelgeving te handhaven of in te voeren die beperkender is dan het Unierecht zelf voorschrijft.

A –    Inleidende opmerking over de uitsluiting van richtlijn 2006/114

36.      Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat het hoofdgeding niet valt onder de werkingssfeer van richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame(10). Het feit dat de rechtsvordering niet door een consumentenbeschermingsvereniging is ingesteld maar door een organisatie die de belangen van concurrenten in de automobielsector vertegenwoordigt, zou hebben kunnen doen denken dat richtlijn 2006/114 van toepassing is, aangezien deze met name „beoogt handelaren te beschermen tegen misleidende reclame en de onbillijke gevolgen daarvan”.(11) Richtlijn 2006/114 bevat evenwel geen enkele inhoudelijke bepaling over de voorwaarden voor prijsaanduiding in advertenties.(12)

B –    Eerste prejudiciële vraag, over de werkingssfeer van richtlijn 98/6

37.      Met zijn eerste vraag probeert de verwijzende rechter vast te stellen of de advertentie die in het hoofdgeding aan de orde is kan vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 98/6, waarvan artikel 1 PAngV een omzettingsmaatregel is. Volgens de verwijzende rechter volstaat daartoe dat die advertentie een „product aanbiedt” in de zin van artikel 1 van die richtlijn.

38.      Het is mogelijk dat de door verzoekster in het hoofdgeding geplaatste advertentie een product aanbiedt in de brede, algemene betekenis van het woord. Het begrip „producten die een verkoper aan de consument aanbiedt” in artikel 1 van richtlijn 98/6 moet in de context van die richtlijn echter worden uitgelegd binnen de grenzen die het doel ervan stelt.

39.      In gedachten houdend dat de verwijzende rechter probeert te achterhalen welke voorschriften van Unierecht gelden voor de prijsaanduiding in advertenties, moet worden vastgesteld dat dit niet het hoofddoel van richtlijn 98/6 is. Eigenlijk brengt een hele serie factoren mij aan het twijfelen of deze richtlijn wel materieel gezien relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding.

40.      Immers, volgens de titel van richtlijn 98/6 betreft zij de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten. Maar artikel 1 ervan preciseert dat het doel van de richtlijn is te voorzien in de „aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid van de producten die een verkoper aan de consument aanbiedt, teneinde de voorlichting aan de consument te verbeteren en een prijsvergelijking te vergemakkelijken”.

41.      De Uniewetgever heeft aldus een algemene verplichting geschapen – tot aanduiding van zowel de verkoopprijs als de prijs per meeteenheid(13) – maar deze verplichting beperkt tot gevallen waarin die dubbele aanduiding relevant is of althans het doel om prijsvergelijking te vergemakkelijken op effectievere wijze kan bereiken.

42.      Hoewel die verplichting niet uitdrukkelijk nader is bepaald en, prima facie, geldt voor „alle aangeboden goederen” brengt de tekstuele analyse van richtlijn 98/6 mij tot de conclusie dat zij voornamelijk is bedoeld voor zogenoemde gangbare consumptiegoederen, die zowel levensmiddelen als niet voor voeding bestemde producten kunnen zijn.(14) Dat is in elk geval wat ik opmaak uit de verschillende verwijzingen in richtlijn 98/6 naar los verkochte producten(15), verpakking of voorverpakking van producten(16), nettogewicht en netto-uitlekgewicht van producten(17), en kleine detailhandelszaken(18).

43.      Dat richtlijn 98/6 niet is bedoeld als een soort kaderrichtlijn inzake prijsaanduiding of reclame in het algemeen, maar veeleer als een tekst die voorschrijft onder welke voorwaarden prijzen van producten, in beginsel, dubbel moeten worden vermeld wanneer die producten in een verkooppunt worden uitgestald of voor consumptie worden aangeboden, wordt ook bevestigd door de totstandkomingsgeschiedenis.

44.      In de toelichting op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten(19) wordt immers bezorgdheid geuit over praktijken van middelgrote en grote detailhandelsbedrijven(20) wat betreft de etikettering van producten(21) en de ontwikkeling van het aflezen van prijzen door middel van streepjescodes(22).

45.      Het is eveneens interessant dat artikel 1 van het richtlijnvoorstel aldus was geformuleerd dat de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid werd voorgeschreven voor „producten die de handelaren aan de eindverbruiker aanbieden”, waaraan de Commissie echter had toegevoegd dat die dubbele aanduiding relevant moest zijn. Zij erkende derhalve dat er „een aantal situaties [bestaat] waarin prijsvergelijking de consument geen doorslaggevende informatie verstrekt, met name wanneer de producten zeer uiteenlopende kenmerken hebben of aan gedifferentieerde behoeften van de consumenten beantwoorden. Dat is bijvoorbeeld het geval voor persoonlijke producten, kledingstukken, auto’s, meubelen en alle producten waarvoor een meetaanduiding [...] geen nuttige informatie levert om de prijzen te vergelijken.”(23)

46.      Auto’s zijn dus vanwege hun zeer gevarieerde individuele kenmerken geen producten waarvoor een prijsvergelijking door middel van de door richtlijn 98/6 voorgeschreven prijsweergave rechtstreeks relevant is voor de consument. Ter verduidelijking, zozeer richtlijn 98/6 ook is bedoeld om voor de consument het vergelijken van de prijs van een kilo tomaten – een eenvoudig te vergelijken product dat in elk geval volledig gelijk is aan de tomaten die in een andere winkel worden verkocht – te vergemakkelijken, zozeer kan de aanduiding van de prijs overeenkomstig de in richtlijn 98/6 beschreven voorwaarden niet voor dit doel dienen in het geval van producten als auto’s, gelet op de mate van specificiteit van ieder voertuig.(24)

47.      Derhalve moet de door richtlijn 98/6 opgelegde verplichting om de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid te vermelden worden gezien in de context van het door de wetgever nagestreefde doel, te zorgen voor een homogene en doorzichtige voorlichting met betrekking tot met name het kwantificeren van producten door middel van een uniform meetsysteem dat berekening van productprijzen mogelijk maakt(25) om vergelijking te vergemakkelijken. Het Hof heeft niet anders beslist toen het in het arrest Commissie/België oordeelde dat „richtlijn 98/6 [...] niet [beoogt] de consument te beschermen op het vlak van prijsaanduiding in het algemeen of met betrekking tot de economische realiteit van de aankondigingen van prijsverminderingen, maar op het vlak van prijsaanduiding van producten door verwijzing naar verschillende soorten meeteenheden”.(26)

48.      Met de Commissie neig ik derhalve naar de opvatting dat het hoofddoel van richtlijn 98/6 niet is het beschermen van consumenten waar het de prijsaanduiding in het algemeen betreft, maar veeleer te zorgen voor een voldoende informatie van consumenten, door het met name mogelijk te maken prijzen van producten te vergelijken die verwijzen naar verschillende meeteenheden. Voldoende informatie is vereist wanneer hetzelfde product in variabele hoeveelheden en verpakkingen wordt verkocht en de consument er belang bij heeft de prijs van het betrokken product te vergelijken op basis van dezelfde meeteenheid.

49.      Richtlijn 98/6 vormt in het Unierecht derhalve geen referentienorm voor de aanduiding van prijzen in het algemeen voor alle aanbiedingen van producten. Zij beoogt ook niet op algemene wijze te regelen hoe prijzen in advertenties moeten worden vermeld.(27) Zij is derhalve niet de standaard waaraan de verenigbaarheid van de nationale regelgeving moet worden afgemeten.

50.      Uit het voorgaande volgt dat een nationale bepaling die aldus wordt uitgelegd dat zij onder alle omstandigheden verbiedt dat een ondernemer in een advertentie de prijs van een voertuig en het bedrag van de verplichte kosten van het transport van dat voertuig naar de consument afzonderlijk vermeldt, niet kan vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 98/6, die tot doel heeft niet om consumenten te beschermen waar het de prijsaanduiding in het algemeen, maar waar het de prijsaanduiding van producten betreft die worden aangeboden onder verwijzing naar verschillende soorten meeteenheden.

51.      Juist omdat de Duitse bepaling, zoals door de verwijzende rechter uitgelegd, niet onder de werkingssfeer van richtlijn 98/6 valt, kan zij ook niet worden beschouwd als een „gunstiger bepaling” in de zin van artikel 10 van richtlijn 98/6, die de lidstaten mochten handhaven of aannemen omdat die richtlijn op dit gebied niet heeft gezorgd voor een volledige harmonisatie.

52.      In zoverre deel ik opnieuw volledig de analyse van advocaat-generaal Cruz Villalón in zijn conclusie in de zaak Commissie/België, waarin hij van oordeel was dat „[d]ergelijke gunstigere bepalingen [...] uiteraard alleen betrekking [kunnen] hebben op het door richtlijn 98/6 bestreken gebied, namelijk de voorlichting van consumenten over de maatstaven die als referentie dienen voor de berekening van productprijzen, zodat het gemakkelijker is om prijzen te vergelijken [...] op basis van verschillende meetsystemen”.(28) Artikel 10 van richtlijn 98/6 kan derhalve de handhaving van de nationale bepaling zoals uitgelegd door de verwijzende rechter niet rechtvaardigen, omdat die bepaling geen betrekking heeft op het door richtlijn 98/6 bestreken gebied.(29)

C –    Tweede vraag, over het begrip „prijs” in de zin van richtlijn 98/6

53.      Gelet op het antwoord dat ik het Hof voorstel te geven op de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter zal ik slechts enkele korte, subsidiaire opmerkingen over deze vraag maken.

54.      De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de prijs waarnaar de artikelen 1 en 3, lid 1, van richtlijn 98/6 verwijzen ook de verplichte kosten van het transport van het voertuig omvat. Die bepalingen moeten worden gelezen in het licht van artikel 2, onder a), van die richtlijn, dat de prijs definieert als „de uiteindelijke prijs voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product, met inbegrip van de btw en alle overige belastingen”. Uit deze bepaling blijkt dat de uiteindelijke prijs is opgebouwd uit de prijs van het product, de btw en alle overige belastingen.

55.      Ik neig naar de opvatting dat de transportkosten die in het hoofdgeding aan de orde zijn volledig buiten richtlijn 98/6 vallen, en wel om verschillende redenen.

56.      In de eerste plaats moet aan de verwijzende rechter, die aangeeft dat zou kunnen worden aangenomen dat de transportkosten vanwege hun verplichte karakter moeten worden opgenomen in de „verkoopprijs” van het product in de zin van richtlijn 98/6, worden geantwoord dat de analyse van de ontstaansgeschiedenis van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/4 aanleiding geeft te veronderstellen dat dit niet de keuze is die de wetgever, die toch in de gelegenheid was dit in de tekst van die richtlijn expliciet aan te geven, heeft gemaakt.

57.      Het richtlijnvoorstel(30) definieerde de verkoopprijs immers aanvankelijk als „de prijs die geldt voor een gegeven hoeveelheid van het product”(31).

58.      In haar gewijzigd voorstel(32) stelde de Commissie voor deze definitie aanzienlijk uit te breiden en te bepalen dat in de uiteindelijke prijs was begrepen „de btw, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de consument verplicht bijbetaald moeten worden”.(33) In het gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 60/96, door de Raad van de Europese Unie vastgesteld op 27 september 1996 met het oog op de aanneming van de richtlijn betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten(34), heeft de Raad deze formulering echter niet gehandhaafd en zich ertoe beperkt voor te stellen onder de verkoopprijs te verstaan „de prijs die geldt voor een eenheid van het product of een gegeven hoeveelheid van het product”(35), waarbij hij een stukje verderop in de ontwerprichtlijn aantekende dat „[d]e verkoopprijs en de prijs per meeteenheid [...] betrekking [hebben] op de eindprijs van het product volgens de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden”.(36)

59.      Het Europees Parlement heeft daarna een amendement aangenomen, ertoe strekkende de bepaling „kosten van alle diensten die door de consument verplicht bijbetaald moeten worden” uit het gewijzigde voorstel weer in te lassen.(37) In de uiteindelijke versie van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6 komt deze bepaling echter niet voor. Dit toont mijns inziens aan hoe moeilijk het is om overeenstemming te bereiken over een eventuele nauwkeurigere wettelijke definitie van het begrip prijs en de verschillende bestanddelen ervan.

60.      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de wetgever bij het preciseren van het begrip „verkoopprijs” in de zin van richtlijn 98/6 wel de belastingen heeft vermeld maar niet de kosten. Ook die keuze is niet neutraal. Een snel onderzoek van een paar voorbeelden van verschillende taalversies lijkt het „publieke” karakter van die belastingen te bevestigen. De Spaanse taalversie vermeldt „todos los demás impuestos”, de Italiaanse „ogni oltra imposta”, de Engelse „all other taxes”, en de Duitse „alle sonstigen Steuern einschließt”. Volgens de rechtspraak van het Hof is een belasting een eenzijdig opgelegde geldelijke last – hoe gering ook – ongeacht de benaming en de techniek ervan(38), die wordt geheven door de staat of een publiek orgaan. Aangezien de transportkosten door de fabrikant van de auto worden geïnd, kunnen ze niet worden gekwalificeerd als of gelijkgesteld met een „belasting” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 98/6.

61.      Hoe dan ook, gelet op het doel van richtlijn 98/6 dat ik hierboven heb beschreven, blijf ik ervan overtuigd dat dergelijke transportkosten uiteindelijk buiten richtlijn 98/6 vallen. Deze constatering lijkt bovendien logisch indien, zoals ik bepleit, wordt aangenomen dat die richtlijn voornamelijk is bestemd te worden toegepast in een context van onmiddellijke terbeschikkingstelling van zogenoemde gangbare consumptiegoederen die worden aangeboden in kleine detailhandelszaken of middelgrote en grote detailhandelsbedrijven.(39)

62.      Omdat richtlijn 98/6, na mijn analyse niet relevant is gebleken voor de beslechting van het hoofdgeding moet thans richtlijn 2005/29 worden geanalyseerd.

D –    Derde vraag, over het begrip „prijs” in de zin van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29

63.      Richtlijn 2005/29 betreft oneerlijke handelspraktijken. Zij bevat een aantal regels over de voorwaarden waaronder handelaren met consumenten kunnen communiceren, bijvoorbeeld bij het vermelden van de prijs van een product. Artikel 7, lid 4, van die richtlijn somt met name de essentieel geachte informatie op die niet mag worden weggelaten, verborgen, of zodanig weergegeven dat de consument wordt misleid op het moment dat hij een „besluit over een transactie” in de zin van richtlijn 2005/29 neemt.

64.      De prijs „inclusief belastingen” maakt deel uit van die essentiële informatie, en de verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of dit in artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 gedefinieerde begrip aldus moet worden uitgelegd dat de verplichte kosten van het transport van een voertuig van de fabrikant naar de consument erin zijn begrepen. Alvorens die bepaling te analyseren wil ik evenwel twee inleidende opmerkingen maken.

1.      Inleidende opmerkingen

65.      Enerzijds wil ik benadrukken dat richtlijn 2005/29 strekt tot onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die rechtstreeks de economische belangen van de consumenten, en dus onrechtstreeks de economische belangen van legitieme concurrenten schaden(40). Zij heeft de regels op dit gebied volledig geharmoniseerd(41), zodat de lidstaten in beginsel(42) in hun rechtsorde geen strengere maatregelen mogen invoeren of handhaven dan die welke in richtlijn 2005/29 zijn neergelegd, ook niet om een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen.(43)

66.      Anderzijds herinner ik eraan dat volgens richtlijn 2005/29 oneerlijke handelspraktijken twee vormen kunnen aannemen. Zij kunnen misleidende handelingen zijn (artikel 6) of misleidende omissies (artikel 7). Het feit dat de verwijzende rechter uitdrukkelijk verwijst naar het begrip uitnodiging tot aankoop, dat alleen in artikel 7 van richtlijn 2005/29 uitdrukkelijk wordt genoemd, betekent dat hij vooronderstelt dat de handelspraktijk van verzoekster in het hoofdgeding onder de categorie misleidende omissies valt. Aangezien het de verwijzende rechter er in dit stadium niet om te doen is de handelwijze van Citroën Commerce in het licht van richtlijn 2005/29 in concreto te kwalificeren, is er geen reden om in deze conclusie aan die vooronderstelling te tornen.

2.      Essentiële informatie over de prijs in verband met een uitnodiging tot aankoop

67.      Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die „in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen”.(44)

68.      Een uitnodiging tot aankoop is een bijzondere reclamevorm waaraan een verzwaarde informatieverplichting is verbonden die in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 is gepreciseerd.(45) Die uitnodiging is in artikel 2, onder i), van richtlijn 2005/29 gedefinieerd als „een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen”.(46) Het Hof heeft daaruit afgeleid dat deze bepaling „niet vereist dat de definitieve prijs wordt vermeld”.(47)

69.      Bij een uitnodiging tot aankoop worden echter „de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald”(48) als essentiële informatie beschouwd.

70.      Indien wordt uitgegaan van de zuivere bewoordingen van de gestelde vraag, wenst de verwijzende rechter slechts een uitlegging van het begrip „prijs inclusief belastingen”. Dan heeft mutatis mutandis hetzelfde te gelden als wat ik bij de uitlegging van het begrip „overige belastingen” in de context van richtlijn 98/6 heb opgemerkt, aangezien een snelle analyse van de taalversies ook hier het publieke karakter van de genoemde „belastingen” lijkt te bevestigen. De Spaanse taalversie vermeldt „el precio, incluidos los impuestos”, de Italiaanse „il prezzo comprensivo delle imposte”, de Engelse „the price inclusive of taxes”, de Duitse „der Preis einschließlich aller Steuern und Abgaben”, en de Portugese „[o] preço, incluindo impostos e taxas”.

71.      Ik ben er derhalve niet van overtuigd dat de verplichte kosten van het transport van het voertuig aldus kunnen worden uitgelegd dat zij moeten worden opgenomen in een prijs „inclusief belastingen” in de zin van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29.

72.      De gestelde vraag moet echter in elk geval ruimer worden opgevat en niet slechts worden geconcentreerd op de uitdrukking „inclusief belastingen”. Geprobeerd moet worden vast te stellen wat de systematiek van artikel 7 van richtlijn 2005/29 is, teneinde de intensiteit van de verplichtingen die er voor de prijsaanduiding uit voortvloeien nauwkeuriger te definiëren.

73.      Daarbij valt in de eerste plaats op dat artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 niet slechts de prijs inclusief belastingen noemt, maar ook „de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten”. Uit de structuur van de tekst van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 blijkt dat deze bepaling de prijs in al zijn bestanddelen beschouwt en, in zijn geheel gelezen, duidelijk onderscheid lijkt te maken tussen de prijs of de wijze van berekening ervan enerzijds, en de overige bestanddelen van de prijs, zoals de transportkosten, anderzijds. Hoe het ook zij, niets wijst er bij lezing van artikel 7, lid 4, onder c), op dat de prijs de transportkosten mede moet omvatten en als uiteindelijke totaalprijs moet worden vermeld.

74.      In de tweede plaats moet ook worden geconstateerd dat het weglaten van essentiële informatie, waaronder de prijs zoals die in artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 is gedefinieerd, in elk geval niet als zodanig een oneerlijke handelspraktijk oplevert, aangezien altijd in het concrete geval moet worden beoordeeld(49) of die omissie van invloed is op het gedrag van de consument en op zijn besluit over de transactie. Uit de bewoordingen van richtlijn 2005/29 blijkt dat bij die beoordeling eveneens rekening moet worden gehouden met de context(50) die kenmerkend is voor de betrokken handelspraktijk en met de beperkingen qua tijd en ruimte die inherent zijn aan het gebruikte communicatiemedium.(51)

75.      Zo heeft het Hof geoordeeld dat „[h]oeveel informatie over de prijs moet worden verschaft, dient te worden bepaald op basis van de aard en de kenmerken van het product, maar eveneens op basis van het voor de uitnodiging tot aankoop gebruikte medium, waarbij rekening wordt gehouden met de bijkomende informatie die de handelaar eventueel verstrekt. Dat in een uitnodiging tot aankoop enkel een vanafprijs wordt vermeld, kan op zichzelf dus niet als een misleidende omissie worden beschouwd.”(52) Het Hof heeft het derhalve aan de verwijzende rechter overgelaten na te gaan of het weglaten van de berekeningswijze van de „definitieve prijs” de consument niet heeft belet of had kunnen beletten om een geïnformeerd besluit over een aankoop te nemen(53).

76.      Zelfs als het Hof zou oordelen dat transportkosten als die in het hoofdgeding moeten worden begrepen in de „prijs inclusief belastingen” als bedoeld in artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29, blijft een nationale bepaling die aldus wordt uitgelegd dat zij uitnodigingen tot aankoop die de prijs van producten en de verplichte transportkosten afzonderlijk vermelden absoluut verbiedt, verder gaan dan de bescherming die richtlijn 2005/29 biedt, omdat die bepaling het weglaten van de betrokken essentiële informatie – te weten de prijs inclusief verplichte kosten – op algemene wijze verbiedt, daar waar de richtlijn een beoordeling van geval tot geval eist van de concrete gevolgen van die omissie voor het koopgedrag van de consument, alvorens de betrokken handelspraktijk als „oneerlijk” kan worden gekwalificeerd.(54)

77.      De Duitse bepaling zoals door de verwijzende rechter uitgelegd, bestempelt in feite een handelspraktijk als onder alle omstandigheden oneerlijk, terwijl dergelijke praktijken limitatief zijn opgesomd in bijlage I bij richtlijn 2005/29, waarvan artikel 5, lid 5, uitdrukkelijk bepaalt dat die bijlage „alleen mag [...] worden aangepast door wijziging van deze richtlijn”.(55)

78.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat de essentiële informatie betreffende de prijs, in verband met een uitnodiging tot aankoop, niet ongeacht de omstandigheden, de vorm moet aannemen van een uiteindelijke totaalprijs, die niet slechts de prijs van het product omvat maar ook alle andere bestanddelen van de uiteindelijke prijs die de consument zal moeten dragen. Hoe dan ook moet in het concrete geval worden beoordeeld of er bij de vermelding van een prijs in een uitnodiging tot aankoop als gedefinieerd in artikel 7, lid 4, onder c), sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. Richtlijn 2005/29 verzet zich derhalve tegen een nationale bepaling die aldus wordt uitgelegd dat zij voorziet in een algemeen verbod om in een advertentie de prijs van het voertuig en het bedrag van de verplichte transportkosten apart te vermelden, zonder mogelijkheid het oneerlijke karakter van die praktijk in het concrete geval te beoordelen en zo nodig vast te stellen.

IV – Conclusie

79.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof als volgt te beantwoorden:

„1)      Een nationale bepaling die aldus wordt uitgelegd dat zij onder alle omstandigheden verbiedt dat een ondernemer in een advertentie de prijs van een voertuig en het bedrag van de verplichte kosten van het transport van dat voertuig naar de consument afzonderlijk vermeldt, kan niet vallen onder de werkingssfeer van richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten, welke richtlijn tot doel heeft niet om consumenten te beschermen waar het de prijsaanduiding in het algemeen, maar waar het de prijsaanduiding van producten betreft die worden aangeboden onder verwijzing naar verschillende soorten meeteenheden.

2)      Artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn oneerlijke handelspraktijken), moet aldus worden uitgelegd dat de essentiële informatie betreffende de prijs, in verband met een uitnodiging tot aankoop, niet ongeacht de omstandigheden de vorm moet aannemen van een uiteindelijke totaalprijs, die niet slechts de prijs van het product omvat maar ook alle andere bestanddelen van de uiteindelijke prijs die de consument zal moeten dragen. Hoe dan ook moet in het concrete geval worden beoordeeld of er bij de vermelding van een prijs in een uitnodiging tot aankoop als gedefinieerd in artikel 7, lid 4, onder c), sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. Richtlijn 2005/29 verzet zich derhalve tegen een nationale bepaling die aldus wordt uitgelegd dat zij voorziet in een algemeen verbod om in een advertentie de prijs van het voertuig en het bedrag van de verplichte transportkosten apart te vermelden, zonder mogelijkheid het oneerlijke karakter van die praktijk in het concrete geval te beoordelen en zo nodig vast te stellen.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – PB L 80, blz. 27, met rectificatie in PB 1998, L 190, blz. 86.


3 – PB L 149, blz. 22.


4 – In de redactie van BGBl. 2010 I, blz. 254.


5 – § 3, lid 1, UWG.


6 – § 4, lid 11, UWG.


7 – In de redactie van BGBl. 2002 I, blz. 4197.


8 – Ik merk op dit punt evenwel op dat de lidstaten slechts over een dergelijke mogelijkheid beschikten als zij de Commissie van die maatregelen in kennis hadden gesteld (zie artikel 3, leden 5 en 6, van richtlijn 2005/29). Uit het dossier blijkt echter niet dat de Bondsrepubliek Duitsland melding heeft gemaakt van de voor het beslechten van het hoofdgeding relevante nationale bepalingen.


9 – Beschreven in punt 26 van deze conclusie.


10 – PB L 376, blz. 21.


11 – Artikel 1 van richtlijn 2006/114. Zie eveneens arrest Posteshop (C‑52/13, EU:C:2014:150, punt 22).


12 – Artikel 3, onder b), van richtlijn 2006/114 geeft enkel aan dat bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde reclame misleidend is met name mededelingen over de prijs of de wijze van prijsberekening, alsmede de voorwaarden waarop de goederen worden geleverd in aanmerking worden genomen.


13 – Zie de zevende overweging van richtlijn 98/6.


14 – Richtlijn 98/6 vervangt richtlijn 79/581/EEG van de Raad van 19 juni 1979 inzake de bescherming van de consument op het gebied van de prijsaanduiding van levensmiddelen (PB L 158, blz. 19) en richtlijn 88/314/EEG van de Raad van 7 juni 1988 inzake de bescherming van de consument op het gebied van de prijsaanduiding van niet voor de voeding bestemde producten (PB L 142, blz. 19).


15 – Zie de zevende overweging en artikelen 2, onder c), en 3, lid 3, van richtlijn 98/6.


16 – Zie de vijfde en tiende overweging en artikel 4 van richtlijn 98/6.


17 – Zie artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 98/6.


18 – Zie de negende en veertiende overweging en artikel 6 van richtlijn 98/6.


19 – COM(95) 276 def. van 12 juli 1995.


20 – Punt 20 van de toelichting refereert met name aan „winkelstellingen”.


21 – Zie punt 17 van de toelichting op het richtlijnvoorstel.


22 – Zie punt 20 van de toelichting op het richtlijnvoorstel.


23 – Punt 27 van de toelichting op het richtlijnvoorstel. Cursivering van mij.


24 – En dat temeer omdat auto’s zijn uitgerust met een bepaald aantal opties.


25 – Zie punt 60 van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2013:769).


26 – Arrest Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2014:2064, punt 59). Zie eveneens punten 58 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2013:769), waarnaar het Hof overigens verwijst.


27 – Want als artikel 1 van richtlijn 98/6 aldus zou worden uitgelegd dat producten worden aangeboden zodra er sprake is van een advertentie, zou de precisering in artikel 3, lid 4, van diezelfde richtlijn volgens mij volledig overbodig worden.


28 – Conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2013:769, punt 63).


29 – Zie naar analogie punt 64 van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2013:769).


30 – Zie voetnoot 19 van deze conclusie.


31 – Artikel 2 van het richtlijnvoorstel. De verplichte transportkosten voor het voertuig zouden zeker onder deze categorie kunnen vallen.


32 – Gewijzigd richtlijnvoorstel van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten, COM(96) 264 def. van 24 juni 1996.


33 – Zie artikel 2, onder a) en b), van het gewijzigd voorstel.


34 – PB C 333, blz. 7.


35 – Zie artikel 2, onder a), van gemeenschappelijk standpunt nr. 60/96.


36 – Zie artikel 4, lid 2, van gemeenschappelijk standpunt nr. 60/96. Cursivering van mij.


37 – Zie amendement 11 van het besluit betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten, doc. A4‑0015/97 (PB C 85, blz. 26).


38 – Zie voor het begrip „belasting van gelijke werking als een douanerecht” met name arresten Bakker Hillegom (C‑111/89, EU:C:1990:177, punt 9) en Kernkraftwerke Lippe-Ems (C‑5/14, EU:C:2015:354, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


39 – Voor alle duidelijkheid, het is niet de bedoeling dat uit mijn analyse wordt afgeleid dat het, door de onvolledige definitie van de „uiteindelijke prijs” in richtlijn 98/6, mogelijk zou zijn de prijs van een literfles melk en de door de verkoper aan de consument in rekening gebrachte kosten voor het transport ervan naar de winkel afzonderlijk te vermelden. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde kosten zijn van geheel andere aard omdat zij de transportkosten betreffen van een product waarvan niet kan worden gezegd dat het een gangbaar consumptiegoed is. Hoe dan ook, richtlijn 98/6 specificeert niet de voorwaarden waaronder de uiteindelijke prijs moet worden aangeduid.


40 – Arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punt 21).


41 – Zie arresten VTB-VAB en Galatea (C‑261/07 en C‑299/07, EU:C:2009:244, punt 52), Plus Warenhandelsgesellschaft (C‑304/08, EU:C:2010:12, punt 41), Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag (C‑540/08, EU:C:2010:660, punt 27), Citroën Belux (C‑265/12, EU:C:2013:498, punt 20), RLvS (C‑391/12, EU:C:2013:669, punt 33) en Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2014:2064, punten 55, 61 en 64) alsook beschikking Cdiscount (C‑13/15, EU:C:2015:560, punt 34).


42 – Behoudens uitdrukkelijke toestemming door richtlijn 2005/29 zelf: zie artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 en arrest Citroën Belux (C‑265/12, EU:C:2013:498, punten 21‑24).


43 – Zie beschikking Cdiscount (C‑13/15, EU:C:2015:560, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


44 – Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29. Artikel 7, lid 2, van diezelfde richtlijn definieert een andere vorm van misleidende omissie, namelijk het geval dat de handelaar essentiële informatie als bedoeld in artikel 7, lid 1, verborgen houdt of op „onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig” verstrekt en de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. De advertentie die in het kader van het hoofdgeding aan de orde is lijkt, indien wordt aangenomen dat de afzonderlijke vermelding van de prijs van het voertuig en, in de voetnoot, het bedrag van de verplichte transportkosten neerkomt op het op onduidelijk wijze verstrekken van essentiële informatie, veeleer onder deze tweede categorie misleidende omissies te vallen. Maar ook dit is niet de discussie die ons thans bezighoudt.


45 – Zie punt 22 van mijn conclusie in de zaak Ving Sverige (C-122/10, EU:C:2011:47).


46 – Cursivering van mij.


47 – Arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punt 36).


48 – Artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29.


49 – Zie in algemene zin arresten Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punten 51, 58, 59 en 73) en Commissie/België (C‑421/12, EU:C:2014:2064, punt 56) alsook beschikking Cdiscount (C‑13/15, EU:C:2015:560, punten 38 en 39).


50 – Artikel 7, leden 1, 2 en 4, van richtlijn 2005/29. Zie eveneens arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punten 55, 58 en 73).


51 – Artikel 7, lid 3, van richtlijn 2005/29. Zie eveneens arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punt 66).


52 – Arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punten 68 en 69).


53 – Arrest Ving Sverige (C‑122/10, EU:C:2011:299, punt 71).


54 – Zie naar analogie de punten 39‑41 van beschikking Cdiscount (C‑13/15, EU:C:2015:560).


55 – Zie naar analogie de punten 38 en 39 van beschikking Cdiscount (C‑13/15, EU:C:2015:560).