Language of document : ECLI:EU:F:2015:107

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

22 september 2015

Zaak F‑20/14

Inge Barnett

tegen

Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)

„Openbare dienst – Pensioen – Ouderdomspensioen – Vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten – AUB van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut – Exceptie van onwettigheid van de AUB – Dienstbelang – Definitie – Ontbreken van definitie – Duur van verzoekers beroepsactiviteit – Inaanmerkingneming van de gehele loopbaan, zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie – Beoordelingsmarge van de instelling – Wettigheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Barnett vraagt om nietigverklaring van het besluit van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van personen die voor 2013 in aanmerking komen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, in de tot en met 31 december 2013 geldende versie (hierna: „Statuut”), voor zover bij dat besluit wordt geweigerd om haar in aanmerking te laten komen voor die maatregel, en van het besluit tot afwijzing van haar klacht.

Beslissing:      Het besluit van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013 tot vaststelling van de lijst van personen die voor 2013 in aanmerking komen voor de maatregel voorzien in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie wordt nietig verklaard, voor zover Barnett niet op die lijst is opgenomen. Het Europees Economisch en Sociaal Comité draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Barnett.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Pensioenen – Ouderdomspensioen – Vervroegd pensioen zonder vermindering – Voorwaarden voor toekenning – Dienstbelang – Criteria gepreciseerd in de door de administratie vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen – Criteria verband houdende met de duur van de beroepsactiviteit van de verzoeker – Inaanmerkingneming van de gehele loopbaan, zowel buiten als binnen de instellingen – Toelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 9, lid 2)

2.      Ambtenaren – Pensioenen – Ouderdomspensioen – Vervroegd pensioen zonder vermindering – Voorwaarden voor toekenning – Dienstbelang – Definitie uitsluitend op basis van criteria verband houdende met de duur van de beroepsactiviteit, de leeftijd en de verdiensten van de verzoeker – Ontoelaatbaarheid

(Ambtenarenstatuut, bijlage VIII, art. 9, lid 2)

1.      In het kader van de in artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde algemene uitvoeringsbepalingen, zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) die heeft vastgesteld voor de berekening van de duur van de beroepsactiviteit van een ambtenaar die om vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten vraagt, mag het EESC rekening houden met alle beroepservaring van de kandidaten, zowel binnen als buiten de instellingen van de Unie. Ten eerste bestaat de ratio legis van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut immers erin om door middel van de verlening van vervroegd pensioen zonder vermindering van pensioenrechten het personeelsbeheer binnen de instellingen van de Unie te vergemakkelijken. Deze bepaling is er dus niet op gericht om ambtenaren of functionarissen die aan het einde van hun beroepsloopbaan meer dienstjaren binnen de instellingen van de Unie hebben, te bevoordelen ten opzichte van ambtenaren met minder dienstjaren binnen die instellingen, omdat hun loopbaan zich in grotere mate dan die van eerstgenoemden buiten die instellingen heeft afgespeeld.

Ten tweede kan de vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten conform artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut alleen worden verleend in het belang van de dienst. Uit deze bepaling volgt eveneens dat de wetgever het tot aanstelling bevoegd gezag van elk van de instellingen van de Unie een beoordelingsbevoegdheid heeft willen geven met betrekking tot de criteria voor de selectie van ambtenaren en functionarissen die in aanmerking kunnen komen voor vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten, mits deze criteria objectief en vooraf bepaald zijn. Bovengenoemde bepaling vereist dus niet dat alle instellingen van de Unie dezelfde criteria voor de keuze van de kandidaten vaststellen. Aangezien artikel 9, lid 2, de instellingen dus niet verplicht om de diensttijd binnen de instellingen van de Unie als objectief criterium te nemen om de kandidaten voor vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten te kiezen, maar het hun evenmin verbiedt om dat te doen, is het dus niet uitgesloten dat een instelling ervoor kiest om middels gebruik van haar beoordelingsmarge in haar algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut onder meer het criterium van de diensttijd binnen de Unie op te nemen.

(cf. punten 54‑57 en 60)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 12 september 2006, De Soeten/Raad, F‑86/05, EU:F:2006:87, punt 48

2.      Vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten kan overeenkomstig artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut alleen worden toegekend indien het dienstbelang dat rechtvaardigt, waarbij elke instelling van de Unie vrij is om in haar algemene uitvoeringsbepalingen van dat artikel het dienstbelang te definiëren. Vervolgens moet het tot aanstelling bevoegd gezag voor de keuze van de kandidaten objectieve criteria en transparante procedures vaststellen en toepassen, welke eveneens worden vastgelegd in de algemene uitvoeringsbepalingen.

Het criterium van de duur van de beroepservaring van de betrokkenen biedt niet de mogelijkheid om, op zich of gezamenlijk met de andere criteria betreffende de leeftijd en de verdiensten die in de door het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen, het dienstbelang te beoordelen in de zin van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, aan de hand waarvan het EESC de aanvragen om vervroegde pensionering zonder vermindering van pensioenrechten moet onderzoeken.

De criteria betreffende de leeftijd, de duur van de beroepservaring en de verdiensten, die eenvoudigweg zijn bedoeld om de kandidaten te selecteren, bieden immers wel de mogelijkheid om te bepalen wie de oudste ambtenaren zijn, met het hoogste aantal dienstjaren en het grootste aantal punten in hun beoordelingsrapporten, doch deze criteria beantwoorden op zich niet aan de ratio legis van artikel 9, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, namelijk het personeelsbeheer door de instellingen te vergemakkelijken.

(cf. punten 67, 71, 72, 75, 76 en 78)