Language of document : ECLI:EU:F:2015:106

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

22 september 2015

Zaak F‑83/14

Juha Tapio Silvan

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Bevorderingsronde 2013 – Besluit om verzoeker niet te bevorderen – Artikelen 43 en 45, lid 1, van het Statuut – AUB van de Commissie – Exceptie van onwettigheid – Vergelijking van verdiensten – Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten – Geen punten of gespecificeerde beoordelingen – In woorden uitgedrukt commentaar”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Silvan in wezen vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie om hem in het kader van de bevorderingsronde 2013 niet naar de rang AST 10 te bevorderen.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Silvan draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Modaliteiten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Invoering van een systeem, gebaseerd op commentaar van de beoordelaars, zonder gebruikmaking van punten of specifieke beoordelingen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 43 en 45)

2.      Ambtenaren – Bevordering – Vergelijking van verdiensten – Voorafgaand onderzoek van de dossiers binnen elk directoraat-generaal – Toelaatbaarheid – Later onderzoek door het bevorderingscomité en vervolgens door het tot aanstelling bevoegd gezag – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 21, lid 1, en 45, lid 1)

1.      Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over de bevoegdheid om de vergelijking van de verdiensten te verrichten volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht. Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de instelling beschikt om in overeenstemming met haar eigen behoeften op het gebied van organisatie en personeelsbeheer de doelen van artikel 45 van het Statuut te verwezenlijken, bestaat er voor haar geen verplichting om een specifiek beoordelings‑ en bevorderingsstelsel vast te stellen.

De aldus aan dat gezag toegekende bevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de vergelijking van de verdiensten zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. Ook moet die vergelijking plaatsvinden op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen.

Ofschoon niet kan worden gesteld dat artikel 43 van het Statuut het gebruik van een becijferde en specifieke beoordeling verplicht stelt, vereist de verplichting om de verdiensten op gelijke basis te beoordelen en op grond van vergelijkbare informatie en inlichtingen, die inherent is aan artikel 45 van het Statuut, een procedure of methode die geschikt is om de subjectiviteit weg te nemen die het gevolg is van de beoordelingen door verschillende beoordelaars.

Elke beoordeling van de verdiensten van ambtenaren in het kader van een beoordelingsronde houdt echter in het algemeen een zeker en inherent risico van heterogeniteit in als gevolg van de subjectiviteit van de verschillende beoordelaars. Voor een vergelijking met het oog op bevordering conform de vereisten van artikel 45 van het Statuut, is het noodzakelijk en voldoende dat de instellingen deze heterogeniteit van de beoordelingen in goede banen leiden, door deze zoveel mogelijk te beperken tot het risico dat inherent is aan elke beoordeling.

(cf. punten 24‑26 en 34)

Referentie:

Hof: arrest van 1 juli 1976, de Wind/Commissie, 62/75, EU:C:1976:103, punt 17

Gerecht van eerste aanleg: arresten van 16 mei 2006, Magone/Commissie, T‑73/05, EU:T:2006:127, punt 28; van 19 oktober 2006, Buendía Sierra/Commissie, T‑311/04, EU:T:2006:329, punten 131 en 172 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 14 februari 2007, Simões Dos Santos/BHIM, T‑435/04, EU:T:2007:50, punt 132

Gerecht van de Europese Unie: arrest van 15 januari 2014, Stols/Raad, T‑95/12 P, EU:T:2014:3, punt 32

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 14 juli 2011, Praskevicius/Parlement, F‑81/10, EU:F:2011:120, punt 53; van 28 september 2011, AC/Raad, F‑9/10, EU:F:2011:160, punt 16, en van 18 maart 2015, Ribeiro Sinde Monteiro/EDEO, F‑51/14, EU:F:2015:11, punt 41, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑278/15 P

2.      Artikel 45, lid 1, van het Statuut verplicht het tot aanstelling bevoegd gezag om vóór een bevorderingsbesluit de verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te vergelijken. Meer bepaald, in het kader daarvan kan dat gezag zich laten bijstaan door de administratieve diensten op verschillend niveau van de hiërarchische weg, overeenkomstig de beginselen die inherent zijn aan elke administratieve organisatie die hiërarchisch is opgebouwd en die gestalte hebben gekregen in artikel 21, eerste alinea, van het Statuut, bepalende dat iedere ambtenaar, ongeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, verplicht is zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen. Een voorafgaand onderzoek binnen elk directoraat-generaal van de dossiers van de ambtenaren die bevorderbaar zijn kan echter niet in de plaats komen van de vergelijking die, wanneer dat is voorzien, daarna moet plaatsvinden door een bevorderingscomité en vervolgens door het tot aanstelling bevoegd gezag. Meer bepaald, wil de vergelijking van de verdiensten van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet worden uitgehold, dan kan niet worden aanvaard dat het gezag enkel de verdiensten onderzoekt van de ambtenaren die bovenaan staan op de lijsten van de verschillende diensten of directoraten-generaal.

(cf. punt 48)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arresten van 30 november 1993, Tsirimokos/Parlement, T‑76/92, EU:T:1993:106, punt 17; van 8 mei 2001, Caravelis/Parlement, T‑182/99, EU:T:2001:131, punt 34, en van 3 februari 2005, Heurtaux/Commissie, T‑172/03, EU:T:2005:34, punt 40