Language of document : ECLI:EU:C:2015:262

Zaak C‑96/14

Jean-Claude Van Hove

tegen

CNP Assurances SA

(verzoek van het Tribunal de grande instance de Nîmes om een prejudiciële beslissing)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen – Verzekeringsovereenkomst – Artikel 4, lid 2 – Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen – Uitsluiting van bedingen betreffende het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst – Beding dat ertoe strekt de aflossing van een hypothecaire lening te garanderen – Volledige arbeidsongeschiktheid van de kredietnemer – Uitsluiting van die dekking wanneer de betrokkene geschikt wordt verklaard om een al dan niet bezoldigde activiteit uit te oefenen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 april 2015

Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Werkingssfeer – Bedingen die het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepalen of die betrekking hebben op de prijs of de vergoeding en op de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten – Begrip – Beding dat is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst die gekoppeld is aan een hypothecaire lening en dat ertoe strekt de betaling van de aan de kredietgever verschuldigde aflossingen te garanderen in geval van volledige arbeidsongeschiktheid van de kredietnemer – Daaronder begrepen – Voorwaarden

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 4, lid 2)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een beding in een verzekeringsovereenkomst dat ertoe strekt de betaling van de aan de kredietgever verschuldigde aflossingen te garanderen in geval van volledige arbeidsongeschiktheid van de kredietnemer, slechts onder de in die bepaling bedoelde uitzondering valt voor zover de nationale rechterlijke instantie vaststelt dat dat beding:

–        enerzijds, gelet op de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van het contractuele kader waarvan het deel uitmaakt alsook op de juridische en feitelijke context ervan, een kernprestatie van dat contractuele kader vastlegt, die er als zodanig kenmerkend voor is, en

–        anderzijds duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, dat wil zeggen dat het beding uit grammaticaal oogpunt begrijpelijk is voor de consument en dat bovendien in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft, alsook de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen op een transparante wijze wordt uiteengezet, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan inschatten.

In deze context kan ook relevantie toekomen aan het feit dat de verzekeringsovereenkomst deel uitmaakt van een ruimer contractueel geheel en gekoppeld is aan de kredietovereenkomsten. Van de consument kan namelijk niet worden verlangd dat hij bij de sluiting van onderling verbonden overeenkomsten even oplettend is, wat de omvang van de door die verzekeringsovereenkomst gedekte risico’s betreft, als wanneer hij die overeenkomst en de kredietovereenkomsten afzonderlijk had gesloten.

(cf. punten 48, 50 en dictum)