Language of document : ECLI:EU:C:2016:88

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

17 februari 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verdrag van Montreal – Artikelen 19, 22 en 29 – Aansprakelijkheid van de luchtvervoerder bij vertraging in het internationaal vervoer van passagiers – Vervoerovereenkomst die is gesloten door de werkgever van de passagiers – Uit vertraging voortvloeiende schade – Door de werkgever geleden schade”

In zaak C‑429/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen, Litouwen) bij beslissing van 16 september 2014, ingekomen bij het Hof op 18 september 2014, in de procedure

Air Baltic Corporation AS

tegen

Lietuvos Respublikos specialiųjų tyrimų tarnyba,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, D. Šváby, J. Malenovský (rapporteur), M. Safjan en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 oktober 2015,

gelet op de opmerkingen van:

–        Air Baltic Corporation AS, vertegenwoordigd door I. Jansons, juridisch adviseur, M. Freimane, juriste, en E. Matulionytė, avokatė,

–        de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en A. Svinkūnaitė als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, J. Möller en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en M.‑L. Kitamura als gemachtigden,

–        de Letse regering, vertegenwoordigd door L. Skolmeistare en I. Kalniņš als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė, N. Yerrell en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 19, 22 en 29 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB L 194, blz. 38; hierna: „Verdrag van Montreal”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Air Baltic Corporation AS (hierna: „Air Baltic”) en Lietuvos Respublikos specialiųjų tyrimų tarnyba (bijzondere onderzoeksdienst van de Republiek Litouwen; hierna: „onderzoeksdienst”) over de vergoeding van de schade die deze dienst heeft geleden door vertraging van vluchten waarmee twee van zijn medewerkers zijn vervoerd krachtens een met Air Baltic gesloten overeenkomst voor internationaal vervoer van passagiers.

 Toepasselijke bepalingen

3        In de derde alinea van de preambule van het Verdrag van Montreal erkennen de staten die daarbij partij zijn „het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van een billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie”. Voorts zijn zij, aldus de vijfde alinea ervan, „ervan overtuigd dat een gezamenlijk optreden van de staten ter verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling van het internationale luchtvervoer het beste middel is om een billijk evenwicht van de belangen te bereiken”.

4        In hoofdstuk 1 van dit Verdrag, „Algemene bepalingen”, bepaalt artikel 1, „Toepassingsgebied”, met name:

„1.      Dit verdrag is van toepassing op al het internationale vervoer van personen, bagage of goederen dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaatsheeft. Het is eveneens van toepassing op kosteloos vervoer per luchtvaartuig door een luchtvervoeronderneming verricht.

2.      Onder internationaal vervoer in de zin van dit verdrag wordt verstaan alle vervoer waarbij, volgens overeenkomst tussen partijen, de plaats van vertrek en de plaats van bestemming, zij er al dan niet onderbreking van het vervoer of overlading, zijn gelegen hetzij op het grondgebied van twee staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij op het grondgebied van één enkele staat die partij is bij dit verdrag indien een tussenlanding wordt voorzien binnen het grondgebied van een andere staat, zelfs indien die staat geen partij is bij het verdrag. [...]

3.      Het vervoer, te verrichten door verschillende opeenvolgende luchtvervoerders, wordt voor de toepassing van dit verdrag geacht een enkel vervoer te vormen, wanneer het door de partijen als een enkele handeling is beschouwd, of het nu in de vorm van een enkele overeenkomst dan wel in de vorm van een reeks van overeenkomsten is gesloten, en het verliest zijn internationaal karakter niet door de omstandigheid dat een enkele overeenkomst of een reeks van overeenkomsten ten volle moet worden uitgevoerd binnen het grondgebied van dezelfde staat.

[...]”

5        In hoofdstuk II van dit Verdrag „Documenten en verplichtingen van de partijen betreffende het vervoer van passagiers, bagage en goederen”, luidt lid 5 van artikel 3, „Passagiers en bagage”:

„Niet-inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden doet niet af aan het bestaan of de geldigheid van de vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan de regels van dit verdrag, met inbegrip van die betreffende de beperking van de aansprakelijkheid.”

6        Hoofdstuk III van dit Verdrag, „Aansprakelijkheid van de vervoerder en omvang van de vergoeding van de schade”, bevat de artikelen 17 tot en met 37 ervan.

7        Artikel 19 van het Verdrag van Montreal, „Vertraging”, bepaalt:

„De vervoerder is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen. De vervoerder is echter niet aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging indien hij bewijst dat hij en zijn hulppersonen alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was dergelijke maatregelen te nemen.”

8        Artikel 22 van dit Verdrag, „Aansprakelijkheidsgrenzen met betrekking tot vertraging, bagage en goederen”, bepaalt in lid 1:

„In geval van schade geleden door passagiers ten gevolge van vertraging, zoals bedoeld in artikel 19, is de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot het bedrag van 4150 bijzondere trekkingsrechten per passagier.”

9        Artikel 25 van dit Verdrag, „Beding over aansprakelijkheidsgrenzen”, luidt:

„De vervoerder kan bedingen dat de vervoerovereenkomst hogere aansprakelijkheidsgrenzen bevat dan die welke zijn bepaald in dit verdrag, of dat zij geen enkele aansprakelijkheidsgrens bevat.”

10      Artikel 29 van dit Verdrag, „Basis voor vorderingen”, bepaalt:

„Bij het vervoer van passagiers, bagage en goederen kan elke vordering tot schadevergoeding, op welke grond dan ook, hetzij uit hoofde van dit verdrag hetzij op grond van een overeenkomst, een onrechtmatige daad of anderszins, slechts worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de aansprakelijkheidsgrenzen bedoeld in dit verdrag, zonder dat hiermee iets bepaald is omtrent de personen die een vordering kunnen instellen en omtrent hun onderscheiden rechten. Bij een dergelijke vordering kan men geen schadevergoeding verkrijgen bij wijze van straf of voorbeeld noch uit anderen hoofde dan tot herstel van geleden schade.”

11      Artikel 33 van het Verdrag van Montreal, „Rechterlijke bevoegdheid”, bepaalt in lid 1:

„De rechtsvordering tot schadevergoeding moet ter keuze van de eiser worden ingesteld binnen het gebied van een der staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder, of van de hoofdzetel van diens onderneming of van de plaats waar hij een vestiging heeft, door de zorg waarvan de overeenkomst is gesloten, hetzij voor de rechter van de plaats van bestemming.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12      De onderzoeksdienst kocht via een reisagentschap vliegtuigbiljetten voor het vervoer van twee van zijn medewerkers tussen Vilnius (Litouwen) en Bakoe (Azerbeidzjan), via Riga (Letland) en Moskou (Rusland) voor een beroepsopdracht. Het vertrek van de betrokken medewerkers uit Vilnius was gepland op 16 januari 2011 om 9:55 uur met aankomst in Bakoe dezelfde dag om 22:40 uur. Ook was gepland dat Air Baltic de vluchten tussen Vilnius, Riga en Moskou zou verrichten.

13      Het vertrek van de medewerkers van de onderzoeksdienst uit Vilnius en hun aankomst in Riga verliepen op schema. Het vertrek van hun vlucht uit Riga en de landing in Moskou liepen evenwel vertraging op. Zij haalden bijgevolg niet de derde vlucht van Moskou naar Bakoe. Daarom zette Air Baltic hen op een andere vlucht van Moskou naar Bakoe met aankomst de dag na de geplande dag.

14      Doordat de beroepsopdracht van de betrokkenen uitliep als gevolg van de meer dan 14 uur vertraging waarmee zij hun eindbestemming bereikten, betaalde de onderzoeksdienst hun overeenkomstig de Litouwse regeling extra dagvergoedingen en sociale bijdragen ten belope van in totaal 1 168,35 Litouwse litas (LTL) (ongeveer 338 EUR). Deze dienst verzocht Air Baltic vervolgens om vergoeding van dat bedrag, maar Air Baltic weigerde.

15      Derhalve verzocht de onderzoeksdienst de Vilniaus miesto 1-asis apylinkės teismas (eerste rechtbank van het district Vilnius) Air Baltic te veroordelen tot betaling van 1168,35 LTL (ongeveer 338 EUR) schadevergoeding. Deze rechtbank wees deze vordering toe bij vonnis van 30 november 2012.

16      Air Baltic stelde hoger beroep tegen dat vonnis in bij de Vilniaus apygardos teismas (regionale rechtbank te Vilnius). Deze rechterlijke instantie verwierp het beroep en bevestigde dat vonnis bij arrest van 7 november 2013.

17      Air Baltic stelde daarop cassatieberoep in bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen).

18      Air Baltic stelt in cassatie dat een rechtspersoon, zoals de onderzoeksdienst, de luchtvervoerder niet aansprakelijk kan stellen in de zin van artikel 19 van het Verdrag van Montreal. Zij stelt in wezen dat deze aansprakelijkheid alleen geldt jegens de passagiers zelf en niet jegens anderen en nog minder jegens personen die geen natuurlijke persoon zijn en dus niet als consument kunnen worden beschouwd.

19      De onderzoeksdienst stelt in wezen dat de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder in de zin van dat artikel 19 geldt jegens een persoon die enerzijds, zoals deze dienst, partij is bij een met een luchtvervoerder gesloten overeenkomst voor internationaal vervoer van passagiers, en anderzijds schade heeft geleden door vertraging.

20      Daarom heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten de artikelen 19, 22 en 29 van het Verdrag van Montreal aldus worden opgevat en uitgelegd dat een luchtvervoerder aansprakelijk is jegens derden, met name jegens de werkgever van een passagier (een rechtspersoon waarmee hij een overeenkomst voor internationaal vervoer van passagiers heeft gesloten) voor schade die voortvloeit uit vluchtvertraging, waarbij voor de verzoeker (de werkgever) in verband met de vertraging extra kosten (bijvoorbeeld de betaling van de dagvergoedingen voor een beroepsopdracht) ontstonden?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 29 van het Verdrag van Montreal aldus worden opgevat en uitgelegd dat deze derden op andere gronden, bijvoorbeeld op basis van het nationale recht, het recht hebben om te vorderen tegen de luchtvervoerder?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Verdrag van Montreal, met name de artikelen 19, 22 en 29 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvervoerder die een overeenkomst voor internationaal vervoer met een werkgever van als passagiers vervoerde personen als in het hoofdgeding heeft gesloten, jegens deze werkgever wegens door deze werkgever gemaakte extra kosten aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit de vertraging van vluchten waarmee zijn werknemers krachtens deze overeenkomst zijn vervoerd.

22      Vooraf dient erop te worden gewezen dat het Verdrag van Montreal op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en vervolgens in haar naam op 5 april 2001 is goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie. Het Verdrag is voor de Europese Unie op 28 juni 2004 in werking getreden.

23      Bijgevolg maken de bepalingen van het Verdrag van Montreal vanaf deze inwerkingtreding integrerend deel uit van de rechtsorde van de Unie, zodat het Hof bevoegd is om een prejudiciële beslissing te geven over de uitlegging ervan (zie in die zin arresten IATA en ELFAA, C‑344/04, EU:C:2006:10, punt 36, en Walz, C‑63/09, EU:C:2010:251, punt 20), met dien verstande dat dit verdrag is opgesteld in het Engels, Arabisch, Chinees, Spaans, Frans en Russisch en deze zes taalversies gelijkelijk authentiek zijn.

24      Inzake een dergelijke uitlegging is het vaste rechtspraak dat een internationaal verdrag wordt uitgelegd op basis van de bewoordingen waarin het is opgesteld alsook in het licht van de doelstellingen ervan. Volgens artikel 31 van het voor de Unie geldende Verdrag inzake het verdragenrecht, ondertekend te Wenen op 23 mei 1969, waarbij regels van algemeen volkenrecht zijn gecodificeerd, moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de bewoordingen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van dat verdrag (zie in die zin arresten IATA en ELFAA, C‑344/04, EU:C:2006:10, punt 40, en Walz, C‑63/09, EU:C:2010:251, punt 23).

25      Ten gronde zij opgemerkt dat, aldus artikel 29 van het Verdrag van Montreal betreffende vorderingen, bij het vervoer van passagiers, bagage en goederen elke schadevordering, op welke grond dan ook, hetzij uit hoofde van dit verdrag hetzij op grond van een overeenkomst, een onrechtmatige daad of anderszins, slechts kan worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de aansprakelijkheidsgrenzen bedoeld in dit Verdrag, zonder dat hiermee iets bepaald is omtrent de personen die een vordering kunnen instellen of omtrent hun onderscheiden rechten. Voorts wordt in dat artikel bepaald dat bij een dergelijke vordering geen schadevergoeding kan worden verkregen bij wijze van straf of voorbeeld noch uit anderen hoofde dan tot herstel van geleden schade.

26      Tot bepaling of een schadevordering met aansprakelijkstelling van een luchtvervoerder op basis van het Verdrag van Montreal kan worden ingesteld, dient dus vooraf te worden nagegaan of schade als in het hoofdgeding waarop deze aansprakelijkstelling ziet, onder dit verdrag valt.

27      Dienaangaande volgt uit artikel 19 van het Verdrag van Montreal dat de luchtvervoerder in beginsel gehouden is tot een algemene plicht tot vergoeding van „schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen”.

28      Dat artikel omschrijft weliswaar de bij vertraging vergoedbare schade aan de hand van het schadeveroorzakende feit, maar laat de mogelijk gelaedeerde onbenoemd.

29      Derhalve kan artikel 19 van het Verdrag van Montreal, hoewel het een luchtvervoerder niet uitdrukkelijk aansprakelijk stelt jegens een werkgever als in het hoofdgeding, bij schade door vluchtvertraging bij de uitvoering van de tussen deze werkgever en deze vervoerder gesloten overeenkomst voor internationaal vervoer, aldus worden uitgelegd dat het niet alleen van toepassing is bij schade die een passagier heeft geleden maar ook bij schade die een werkgever heeft geleden.

30      Gelet op de in punt 24 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dient te worden nagegaan of deze uitlegging op basis van de tekst van artikel 19 van het Verdrag van Montreal bevestiging vindt in de context van dat artikel en in de door dit Verdrag nagestreefde doelstellingen.

31      Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal, in de Franse taalversie, weliswaar het begrip uit vertraging voortvloeiende schade afbakent, zodat de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder zich beperkt tot uitsluitend schade „geleden door passagiers”.

32      Maar deze bepaling verwijst uitdrukkelijk naar artikel 19 van het Verdrag van Montreal, zodat niet kan worden aangenomen dat in deze bepaling het begrip schade anders wordt gedefinieerd dan in dat artikel.

33      Bovendien verschilt de Engelse, Spaanse en Russische taalversie van artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal van de Franse taalversie, daar de eerste taalversies verwijzen naar schade als gevolg van vertraging („damage caused by delay”, „daño causado por retraso” en „вред, причиненный при перевозке лиц в результате задержки”), zonder dat die schade wordt beperkt tot door passagiers geleden schade.

34      Lezing van artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal in de verschillende authentieke taalversies ervan bevestigt dus de in punt 29 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging.

35      In de tweede plaats volgt uit artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Montreal, dat het toepassingsgebied ervan omschrijft, dat dit Verdrag van toepassing is op al het internationale vervoer van personen, bagage of goederen dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaatsvindt.

36      Deze bepaling ziet dus in het algemeen alleen op personen in hun hoedanigheid van passagiers die, net zoals ook bagage en goederen, krachtens een overeenkomst voor internationaal luchtvervoer worden vervoerd.

37      Zij definieert evenwel niet de personen die een beroep op een internationale luchtvervoerder doen om bagage, goederen of passagiers te vervoeren en uit dien hoofde schade kunnen lijden.

38      In dit verband dient artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Montreal evenwel te worden uitgelegd in het licht van de derde alinea van de preambule van dit verdrag, waarin het belang wordt erkend van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer, met dien verstande dat het begrip „consument” in de zin van dat Verdrag niet noodzakelijkerwijze samenvalt met het begrip „passagier”, maar naar omstandigheden personen omvat die niet zelf worden vervoerd en dus geen passagier zijn.

39      In het licht van deze doelstelling kan het feit dat de tekst van artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Montreal niet verwijst naar personen die een beroep op een internationale luchtvervoerder doen om hun werknemers als passagier te vervoeren, niet worden opgevat als een uitsluiting van deze personen en dus van de schade die zij uit dien hoofde kunnen lijden, van het toepassingsgebied van dit Verdrag.

40      Uit de analyse van artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Montreal vloeit dus voort dat de door deze personen geleden schade binnen het toepassingsgebied van dit verdrag kan vallen.

41      In de derde en laatste plaats legt het Verdrag van Montreal blijkens verschillende onderling overeenstemmende bepalingen ervan een verband tussen de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder enerzijds en het bestaan van een tussen een luchtvervoerder en een andere partij gesloten overeenkomst voor internationaal vervoer anderzijds, zonder dat het feit dat deze andere partij al dan niet zelf passagier is, in het bijzonder relevant is voor de aansprakelijkstelling van de vervoerder op basis van deze overeenkomst.

42      Zo definieert artikel 1, lid 2, van het Verdrag van Montreal het begrip internationaal vervoer onder verwijzing naar de „overeenkomst tussen partijen” inzake de plaats van vertrek en bestemming van het vervoer, dat dus in een contractueel verband wordt opgevat.

43      Bovendien volgt, zoals is opgemerkt in punt 25 van het onderhavige arrest, uit artikel 29 van het Verdrag van Montreal dat elke schadevordering, op welke grond dan ook, uit hoofde van dit Verdrag en op grond van een overeenkomst, een onrechtmatige daad of anderszins, slechts kan worden ingesteld onder de voorwaarden en binnen de aansprakelijkheidsgrenzen bedoeld in dit verdrag, tenzij de luchtvervoerder overeenkomstig artikel 25 ervan in de overeenkomst hogere aansprakelijkheidsgrenzen heeft vastgesteld of tenzij deze overeenkomst geen enkele aansprakelijkheidsgrens bevat.

44      Voorts, aldus artikel 33, lid 1, van het Verdrag van Montreal, moet een dergelijke rechtsvordering ter keuze van de eiser worden ingesteld binnen het gebied van de plaats van vestiging van de luchtvervoerder met wie de overeenkomst is gesloten.

45      Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 5, van dit Verdrag dat niet-inachtneming van de daarbij aan de luchtvervoerder opgelegde specifieke verplichtingen van informatie en afgifte van documenten in het kader van internationaal personenvervoer niet afdoet aan het bestaan of de geldigheid van de vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan de regels van dit verdrag, met inbegrip van die betreffende de beperking van de aansprakelijkheid.

46      Uit al het voorgaande volgt dat artikel 19 van het Verdrag van Montreal, gelet op de bewoordingen en de context ervan alsook het door dit Verdrag nagestreefde doel van bescherming van de consumentenbelangen, aldus moet worden uitgelegd dat het niet alleen van toepassing is op door een passagier geleden schade, maar ook op schade geleden door een persoon in zijn hoedanigheid van werkgever, die met een luchtvervoerder een overeenkomst voor internationaal vervoer heeft gesloten voor het vervoer van passagiers die zijn werknemers zijn.

47      Blijkens punt 12 van het onderhavige arrest vordert, in het hoofdgeding, de betrokkene evenwel vergoeding van schade die voor hem voortvloeide uit de vertraging van een krachtens een overeenkomst voor internationaal vervoer uitgevoerde vlucht voor het vervoer van niet één, maar van twee passagiers die zijn werknemers zijn. In een dergelijke situatie kan niet worden uitgesloten dat deze persoon een groter schadebedrag vordert dan het schadebedrag dat elk van de betrokken passagiers individueel had kunnen vorderen.

48      Gelet op de bij artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal gestelde beperking „per passagier” van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder dient dus te worden nagegaan of aan de in punt 46 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 19 van dit Verdrag kan worden afgedaan door het feit dat de partijen bij dat verdrag bij sluiting ervan ook een billijk evenwicht van de aanwezige belangen hebben willen bereiken, zoals blijkt uit de vijfde alinea van de preambule ervan.

49      Uit het vereiste van aansprakelijkheidsbeperking „per passagier” volgt dat het schadebedrag dat kan worden toegekend aan een persoon als in het hoofdgeding, die als gevolg van vertraging in het internationaal vervoer van passagiers schadevergoeding vordert, in geen geval meer kan bedragen dan het bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van de in artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal gestelde grens met het aantal personen die zijn vervoerd krachtens de tussen deze persoon en de betrokken luchtvervoerder(s) gesloten overeenkomst.

50      Een dergelijke schadevergoeding verzekert een billijk evenwicht tussen de aanwezige belangen. Personen als in het hoofdgeding krijgen, gelet op de in artikel 22, lid 1, van het Verdrag van Montreal gestelde grens, namelijk geen gunstigere of ongunstigere behandeling dan de passagiers die zelf door vertraging schade hebben geleden.

51      De luchtvervoerders krijgen de waarborg dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gesteld boven de bij deze bepaling gestelde grens „per passagier”, daar de aan dergelijke personen toegekende vergoeding, zoals is uiteengezet in punt 49 van het onderhavige arrest, in geen geval meer kan bedragen dan de som van alle vergoedingen die kunnen worden toegekend aan alle betrokken passagiers als zij individueel zouden vorderen.

52      Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord dat het Verdrag van Montreal, met name de artikelen 19, 22 en 29 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvervoerder die een overeenkomst voor internationaal vervoer met een werkgever van als passagiers vervoerde personen als in het hoofdgeding heeft gesloten, jegens deze werkgever wegens door deze werkgever gemaakte extra kosten aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit de vertraging van vluchten waarmee zijn werknemers krachtens deze overeenkomst zijn vervoerd.

 Tweede vraag

53      Met zijn tweede vraag, die wordt gesteld ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 29 van het Verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat een werkgever als in het hoofdgeding een luchtvervoerder aansprakelijk kan stellen op andere grondslagen dan dit Verdrag, met name op grond van het nationale recht.

54      Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, met name de artikelen 19, 22 en 29 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een luchtvervoerder die een overeenkomst voor internationaal vervoer met een werkgever van als passagiers vervoerde personen als in het hoofdgeding heeft gesloten, jegens deze werkgever wegens door deze werkgever gemaakte extra kosten aansprakelijk is voor schade die voortvloeit uit de vertraging van vluchten waarmee zijn werknemers krachtens deze overeenkomst zijn vervoerd.

ondertekeningen


* Procestaal: Litouws.