Language of document :

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 december 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d'État - Frankrijk) – Air France-KLM, voorheen Air France (C-250/14), Hop!-Brit Air SAS, voorheen Brit Air (C-289/14)/Ministère des Finances et des Comptes publics

(Gevoegde zaken C-250/14 en C-289/14)1

(Belasting over de toegevoegde waarde – Belastbaar feit en verschuldigdheid – Luchtvervoer – Gekocht maar niet gebruikt biljet – Verrichting van de vervoersdienst – Afgifte van het biljet – Tijdstip van betaling van de belasting)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d'État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Air France-KLM, voorheen Air France (C-250/14), Hop!-Brit Air SAS, voorheen Brit Air (C-289/14)

Verwerende partij: Ministère des Finances et des Comptes publics

Dictum

De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd door richtlijn 1999/59/EG van de Raad van 17 juni 1999 en vervolgens door richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001, moeten aldus worden uitgelegd dat de afgifte van biljetten door een luchtvaartmaatschappij onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde wanneer de passagiers de uitgegeven biljetten niet hebben gebruikt en geen terugbetaling ervan kunnen verkrijgen.

De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, eerste en tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd door richtlijn 1999/59 en vervolgens door richtlijn 2001/115, moeten aldus worden uitgelegd dat de belasting over de toegevoegde waarde die bij de aankoop van een vliegbiljet is betaald door een passagier die dit biljet uiteindelijk niet heeft gebruikt, verschuldigd wordt op het ogenblik waarop de prijs van het biljet wordt ontvangen door de luchtvaartmaatschappij zelf, door een derde die in haar naam en voor haar rekening optreedt of door een derde die in eigen naam maar voor rekening van deze luchtvaartmaatschappij optreedt.

De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd door richtlijn 1999/59 en vervolgens door richtlijn 2001/115, moeten aldus worden uitgelegd dat ingeval een derde voor rekening van een luchtvaartmaatschappij biljetten van deze maatschappij verkoopt in het kader van een franchiseovereenkomst en aan deze maatschappij voor de uitgegeven maar vervallen biljetten een forfaitair bedrag betaalt dat een percentage uitmaakt van de jaaromzet die op de desbetreffende luchtlijnen is behaald, dit forfaitaire bedrag belastbaar is als tegenprestatie voor deze biljetten.

____________

1 PB C 253 van 4.8.2014.

PB C 261 van 11.8.2014.