Language of document : ECLI:EU:F:2015:156

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

17 december 2015

Zaak F‑94/14

Carlos Bowles

tegen

Europese Centrale Bank (ECB)

„Openbare dienst – Personeel van de ECB – Leden van het personeelscomité – Beloning – Salaris – Extra salarisverhoging – Voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 36.2 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het VEU en het VWEU, waarmee Bowles vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit waarbij de Europese Centrale Bank (ECB) heeft geweigerd om hem voor 2014 een extra salarisverhoging te geven alsmede om vergoeding van de materiële en de immateriële schade die hij zou hebben geleden.

Beslissing:      Het besluit van de directie van de Europese Centrale Bank van 25 februari 2014 om Bowles voor 2014 geen extra salarisverhoging te geven wordt nietig verklaard. Het beroep wordt verworpen voor het overige. De Europese Centrale Bank draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van Bowles.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Personeelsleden van de Europese Centrale Bank – Bijzonder beroep – Beroep gericht tegen het besluit tot verwerping van dit bijzondere beroep – Ontvankelijkheid

(Arbeidsvoorwaarden van het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 41)

2.      Ambtenaren – Personeelsleden van de Europese Centrale Bank – Beloning – Extra salarisverhogingen – Voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen – Absolute onmogelijkheid om daarvoor in aanmerking te komen voor een functionaris die gedurende de volledige referentieperiode een functie op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging uitoefent – Schending van het recht op gelijke behandeling

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 20, 21, 27 en 28; Europese Centrale Bank, administratieve circulaire nr. 1/2011, art. 2, lid 3)

1.      In het kader van een beroep van een personeelslid van de Europese Centrale Bank dat een vordering bevat strekkende tot nietigverklaring van het besluit tot verwerping van zijn bijzonder beroep, behoeft die vordering niet zelfstandig te worden onderzocht, waar deze alleen tot gevolg heeft dat bij de rechter beroep wordt ingesteld tegen bezwarende besluiten ten aanzien waarvan een verzoek om een precontentieus onderzoek is ingediend.

(cf. punt 32)

Referentie:

Hof: arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking van 18 mei 2006, Corvoisier e.a./ECB, F‑13/05, EU:F:2006:35, punt 25

2.      Wat de extra salarisverhogingen betreft die worden verleend aan personeelsleden van de Europese Centrale Bank wier prestatie gedurende de drie jaren voorafgaande aan het besluit tot toekenning daarvan uitmuntend is geacht, is artikel 2, lid 3, van de administratieve circulaire nr. 1/2011, betreffende die verhogingen, onwettig voor zover het een vertegenwoordiger van het personeel discrimineert wegens het feit dat hij, omdat hij gedurende de drie betrokken jaren voltijds werkzaam was als personeelsvertegenwoordiger, onmogelijk een tweede jaar van uitmuntende prestatie kan aantonen. In dat opzicht kan niet met succes worden gesteld dat de uitoefening door de betrokkene van zijn recht op vrijstelling van het werk om zijn functie binnen het personeelscomité uit te oefenen, het gevolg is van een persoonlijke keuze. Die keuze om aanspraak te kunnen maken op vrijstelling van het werk om een mandaat van personeelsvertegenwoordiger uit te oefenen is immers een fundamenteel recht, hetgeen blijkt uit de artikelen 27 en 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Bovendien kan de uitoefening van het fundamentele recht op gelijke behandeling, dat is neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest, niet worden beperkt door een regeling die personeelsvertegenwoordigers in een ongunstige en discriminatoire situatie plaatst in vergelijking met de andere leden van het personeel, terwijl die beperkingen noch noodzakelijk zijn noch beantwoorden aan een doel van algemeen belang of de behoefte om rechten of vrijheden van anderen te beschermen.

Daar de situatie van een personeelsvertegenwoordiger en die van een personeelslid feitelijk verschillen, kunnen zij echter niet op gelijke wijze worden behandeld en kunnen dus alleen voorwaarden om in aanmerking te komen voor de extra salarisverhoging worden toegepast, die rekening houden met de verschillen in positie van de personeelsleden en de personeelsvertegenwoordigers, door laatstgenoemden, evenals elk ander personeelslid, de mogelijkheid te geven een tweede jaar van uitmuntende prestatie aan te tonen over een periode van drie jaar, zelfs al kiezen zij ervoor om voltijds en voor langer dan één jaar werkzaam te zijn binnen het personeelscomité.

(cf. punten 51‑54 en 60)

Referentie:

Hof: arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 2 december 2014, Migliore/Commissie, F‑110/13, EU:F:2014:257, punt 40