Language of document : ECLI:EU:C:2016:304

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

27 april 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk douanetarief – Verordening (EG) nr. 1186/2009 – Artikel 3 – Vrijstelling van rechten bij invoer – Persoonlijke goederen – Verlegging van de normale verblijfplaats van een derde land naar een lidstaat – Begrip ‚normale verblijfplaats’ – Onmogelijkheid om een normale verblijfplaats in een lidstaat en in een derde land te cumuleren – Criteria ter bepaling van de normale verblijfplaats”

In zaak C‑528/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 14 november 2014, ingekomen bij het Hof op 21 november 2014, in de procedure

X

tegen

Staatssecretaris van Financiën,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Lycourgos, E. Juhász, C. Vajda en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        X, vertegenwoordigd door B. J. B. Boersma, adviseur,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en M. Noort als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Grønfeldt en H. Kranenborg als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 2015,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 324, blz. 23).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen X en de Staatssecretaris van Financiën over de weigering van laatstgenoemde om toe te staan dat X zijn persoonlijke goederen onder vrijstelling van invoerrechten vanuit Qatar naar Nederland overbrengt.

 Toepasselijke bepalingen

 Richtlijn 83/182

3        Artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB L 105, blz. 59), zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/98/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 129; hierna: „richtlijn 83/182”), bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen, of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen, waaruit nauwe banden tussen hemzelf en de plaats waar hij woont blijken.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer lidstaten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. [...]”

 Richtlijn 83/183

4        Artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren (PB L 105, blz. 64), die is ingetrokken bij richtlijn 2009/55/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitief binnenbrengen uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren (PB L 145, blz. 36), had dezelfde inhoud als artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182.

 Verordening nr. 1186/2009

5        Bij verordening nr. 1186/2009 is verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 105, blz. 1) ingetrokken.

6        De overwegingen 3 en 4 van verordening nr. 1186/2009 luiden als volgt:

„(3)      [...] een [...] belasting [is] in bepaalde welomschreven omstandigheden niet gerechtvaardigd, wanneer de bijzondere omstandigheden bij de invoer van de goederen de toepassing van de gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie niet vereisen.

(4)      Zoals in de meeste douanewetgevingen gebruikelijk is, dient te worden vastgesteld dat in dergelijke gevallen de invoer kan plaatsvinden onder een vrijstellingsregeling op grond waarvan de goederen zijn ontheven van toepassing van de rechten bij invoer die normaliter zouden worden geheven.”

7        Artikel 2, lid 1, onder c), van deze verordening luidt als volgt:

„[...] Persoonlijke goederen mogen door hun aard of hoeveelheid geen commerciële bijbedoeling laten blijken”.

8        Artikel 3 van deze verordening bepaalt:

„Behoudens de artikelen 4 tot en met 11, zijn van rechten bij invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengen.”

9        Artikel 4 van deze verordening luidt als volgt:

„De vrijstelling is beperkt tot persoonlijke goederen die:

a)      behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven, in zijn bezit zijn geweest en, wanneer het niet-verbruikbare goederen betreft, door hem in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt;

b)      bestemd zijn om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats.

[...]”

10      Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1186/2009 is als volgt geformuleerd:

„Voor de vrijstelling komen alleen personen in aanmerking die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap hebben gehad.”

11      Krachtens artikel 7, lid 1, van die verordening wordt vrijstelling slechts verleend voor persoonlijke goederen die vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de Europese Unie heeft gevestigd, voor het vrije verkeer zijn aangegeven.

12      Artikel 9 van die verordening biedt de mogelijkheid dat vrijstelling wordt verleend voor persoonlijke goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven voordat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het douanegebied van de Unie vestigt, mits laatstgenoemde zich ertoe verbindt zijn normale verblijfplaats daar binnen een termijn van zes maanden daadwerkelijk te vestigen.

13      Krachtens artikel 10 van die verordening kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de belanghebbende het derde land waar hij zijn normale verblijfplaats had, ingevolge beroepsverplichtingen verlaat zonder deze normale verblijfplaats tegelijkertijd in het douanegebied van de Unie te vestigen, maar met de bedoeling deze daar later te vestigen, vergunning verlenen tot invoer met vrijstelling van de persoonlijke goederen die hij daartoe overbrengt.

14      Artikel 11 van verordening nr. 1186/2009 biedt de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid om af te wijken van bepaalde voorwaarden voor toepassing van de in artikel 3 ervan bedoelde vrijstelling van rechten bij invoer.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      Tot 1 maart 2008 woonde en werkte verzoeker in het hoofdgeding in Nederland. Van 1 maart 2008 tot 1 augustus 2011 werkte hij in Qatar, waar hem woonruimte ter beschikking was gesteld door zijn werkgever. Verzoeker in het hoofdgeding had in dit derde land zowel beroepsmatige als persoonlijke bindingen. Zijn echtgenote was in Nederland blijven wonen en werken. Zij heeft hem zes keer in Qatar bezocht, gedurende in totaal 83 dagen. Gedurende de betrokken periode heeft verzoeker in het hoofdgeding 281 dagen buiten Qatar doorgebracht. In die dagen bracht hij bezoek aan zijn echtgenote, zijn meerderjarige kinderen en zijn familie in Nederland en is hij op vakantie gegaan in andere landen.

16      Met het oog op zijn terugkeer naar Nederland heeft verzoeker in het hoofdgeding erom verzocht dat hem krachtens artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 vergunning wordt verleend om vanuit Qatar persoonlijke goederen in de Unie in te voeren met vrijstelling van rechten bij invoer. Dit is hem bij besluit van de Inspecteur van de Belastingdienst geweigerd op grond dat er geen sprake was van het overbrengen van zijn normale verblijfplaats naar Nederland in de zin van dat artikel. Hij had zijn normale verblijfplaats gedurende zijn verblijf in Qatar immers in deze lidstaat behouden, zodat hij zijn normale verblijfplaats nooit in dit derde land heeft gehad.

17      Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen dit weigeringsbesluit beroep ingesteld bij de Rechtbank Haarlem, die dat beroep heeft toegewezen. De Inspecteur van de Belastingdienst is hiertegen in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Amsterdam. Deze rechter heeft in herinnering gebracht dat volgens de rechtspraak van het Hof de normale verblijfplaats de plaats is waar de belanghebbende het permanente centrum van zijn belangen heeft. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat het in het licht van de persoonlijke en de beroepsmatige bindingen van verzoeker in het hoofdgeding niet mogelijk was te bepalen waar het permanente centrum van diens belangen gelegen was. In die omstandigheden moet volgens die rechter voorrang worden gegeven aan de persoonlijke bindingen zodat verzoeker in het hoofdgeding zijn normale verblijfplaats gedurende de gehele betrokken periode niet in Qatar, maar in Nederland had.

18      Verzoeker in het hoofdgeding heeft cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze rechter wijst er eerst op dat verordening nr. 1186/2009 geen definitie van het begrip „normale verblijfplaats” bevat en merkt vervolgens op dat de opvatting van het Gerechtshof Amsterdam tot de vraag leidt of verzoeker in het hoofdgeding gedurende de betrokken periode zowel in Nederland als in Qatar een normale verblijfplaats had. Hij beklemtoont dat de doelen van deze verordening in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet in de weg lijken te staan aan het bestaan van een normale verblijfplaats zowel in Nederland als in Qatar noch aan toepassing van de in artikel 3 van die verordening voorziene vrijstelling van rechten bij invoer toen verzoeker in het hoofdgeding zijn verblijfplaats in Qatar opgaf en in verband daarmee zijn persoonlijke bezittingen vanuit Qatar naar Nederland overbracht.

19      Voor het geval verordening nr. 1186/2009 in die zin zou moeten worden uitgelegd dat is uitgesloten dat iemand een dubbele normale verblijfplaats zou kunnen hebben, wenst de verwijzende rechter te vernemen welke criteria, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen welke van de twee verblijfplaatsen voor de toepassing van die verordening als de normale verblijfplaats moet worden aangemerkt. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of belang toekomt aan de criteria die het Hof in de arresten Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407) en Alevizos (C‑392/05, EU:C:2007:251) heeft geformuleerd voor de bepaling van de „normale verblijfplaats” in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183, in het bijzonder de voorrang die in het kader van deze bepaling aan de persoonlijke bindingen wordt gegeven.

20      Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Sluit verordening nr. 1186/2009 de mogelijkheid in dat een natuurlijke persoon tegelijkertijd zowel in een lidstaat als in een derde land zijn normale verblijfplaats heeft en, zo ja, geldt de in artikel 3 [van deze verordening] voorziene vrijstelling bij invoer dan voor persoonlijke goederen die in het kader van de beëindiging van de normale verblijfplaats in het derde land [door die natuurlijke persoon] naar de [...] Unie worden overgebracht?

2)      Indien verordening nr. 1186/2009 het hebben van een dubbele normale verblijfplaats uitsluit en een afweging van alle omstandigheden niet volstaat om de normale verblijfplaats vast te stellen, aan de hand van welke regel of met behulp van welke criteria dient dan voor de toepassing van die verordening te worden bepaald in welk land de betrokkene zijn normale verblijfplaats heeft in een geval als [aan de orde in het hoofdgeding] waarin deze in het derde land zowel persoonlijke bindingen als beroepsmatige bindingen heeft en in de lidstaat persoonlijke bindingen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 in die zin moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon voor de toepassing van dit artikel een normale verblijfplaats tegelijkertijd zowel in een derde land als in een lidstaat kan hebben. Voor het geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst deze rechter tevens te vernemen of de in dat artikel voorziene vrijstelling van rechten bij invoer geldt voor de persoonlijke goederen die in het kader van de beëindiging van de normale verblijfplaats in het derde land door die natuurlijke persoon in de Unie worden ingevoerd.

22      Daar verordening nr. 1186/2009 geen definitie geeft van het begrip „normale verblijfplaats” in artikel 3 ervan, moet bij het bepalen van de draagwijdte van dit artikel zowel rekening worden gehouden met de bewoordingen en de context als met de doelstellingen ervan (arrest Angerer, C‑477/13, EU:C:2015:239, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Wat de bewoordingen van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat het begrip „normale verblijfplaats” daarin in het enkelvoud wordt gebruikt, wat zou kunnen bevestigen dat een natuurlijke persoon slechts één normale verblijfplaats tegelijk kan hebben. Ten tweede stelt dit artikel voor toekenning van de vrijstelling van rechten bij invoer de voorwaarde dat de normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Unie wordt overgebracht. Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, veronderstelt het gebruik van het werkwoord „overbrengen” noodzakelijkerwijs de verplaatsing van de normale verblijfplaats van een plaats buiten dat gebied naar een plaats binnen dat gebied en verzet het zich er dus tegen dat in dezelfde periode een normale verblijfplaats in een lidstaat en een andere in een derde land worden gecumuleerd.

24      Wat de context van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 betreft, in de artikelen 4, 5, 7 en 9 tot en met 11 van deze verordening, die specifiek zien op de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 3 van die verordening bedoelde douanevrijstelling, wordt het begrip „normale verblijfplaats” eveneens in het enkelvoud gebruikt. Dit geldt ook voor de andere artikelen van die verordening waarin het begrip „normale verblijfplaats” voorkomt.

25      Voorts biedt de formulering van de artikelen 4, 7 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1186/2009 steun voor een uitlegging van het begrip „normale verblijfplaats” volgens welke een natuurlijke persoon slechts één „normale verblijfplaats” tegelijk kan hebben. Zo bepaalt om te beginnen artikel 4 van deze verordening dat de vrijstelling beperkt is tot persoonlijke goederen die, ten eerste, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende „zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven” door hem „in zijn vroegere normale verblijfplaats” zijn gebruikt, en, ten tweede, bestemd zijn „te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats”. Vervolgens verwijzen de artikelen 7, 9 en 10 van die verordening alle naar een opeenvolging van gebeurtenissen, tijdens welke de belanghebbende eerst zijn normale verblijfplaats in een derde land verlaat en daarna deze verblijfplaats in het douanegebied van de Unie vestigt. Ten slotte herhaalt artikel 11 van verordening nr. 1186/2009 het werkwoord „overbrengen”, dat tevens in artikel 3 van deze verordening is gebruikt, om de verlegging van de normale verblijfplaats van een derde land naar een lidstaat aan te duiden.

26      Wat de doelen van verordening nr. 1186/2009 betreft, preciseert overweging 3 van deze verordening dat de douanevrijstellingen bij die verordening zijn ingesteld omdat „een [...] belasting in bepaalde welomschreven omstandigheden niet gerechtvaardigd [is], wanneer de bijzondere omstandigheden bij de invoer van de goederen de toepassing van de gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie niet vereisen”.

27      Blijkens de rechtspraak over de tweede overweging van verordening nr. 918/83, waarvan de inhoud gelijk is aan die van overweging 3 van verordening nr. 1186/2009, bestonden de doelstellingen die de Uniewetgever bij de vaststelling van die eerste verordening nastreefde, erin om de vestiging van de nieuwe verblijfplaats van een natuurlijke persoon in de lidstaat en het werk van de douanediensten van de lidstaten te vergemakkelijken (arrest Treimanis, C‑487/11, EU:C:2012:556, punt 24). Deze overwegingen gaan ook op voor verordening nr. 1186/2009 aangezien de Uniewetgever daarbij de verschillende voorschriften van de regeling inzake douanevrijstellingen, daaronder begrepen de voorschriften van verordening nr. 918/83, heeft gecodificeerd.

28      Een uitlegging volgens welke een natuurlijke persoon twee normale verblijfplaatsen in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 kan cumuleren, één in een derde land en één in een lidstaat, kan niet worden beschouwd in overeenstemming te zijn met de doelstelling om de vestiging van de nieuwe verblijfplaats in een lidstaat te vergemakkelijken.

29      Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 in die zin moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon voor de toepassing van dit artikel niet tegelijkertijd zowel in een lidstaat als in een derde land een normale verblijfplaats kan hebben. Gezien dit antwoord, hoeft het tweede onderdeel van de eerste vraag niet te worden beantwoord.

 Tweede vraag

30      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen aan de hand van welke criteria moet worden bepaald waar iemand zijn normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 heeft in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de belanghebbende in een derde land zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen heeft en in een lidstaat persoonlijke bindingen.

31      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat volgens op verschillende gebieden van het Unierecht ontwikkelde vaste rechtspraak, de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, als de normale verblijfplaats moet worden aangemerkt (zie naar analogie arresten Schäflein/Commissie, 284/87, EU:C:1988:414, punt 9; Ryborg, C‑297/89, EU:C:1991:160, punt 19; Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 51; Alevizos, C‑392/05, EU:C:2007:251, punt 55; I, C‑255/13, EU:C:2014:1291, punt 44, en B., C‑394/13, EU:C:2014:2199, punt 26).

32      Ook is geoordeeld dat bij de bepaling van de normale verblijfplaats als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft, alle relevante feitelijke elementen in aanmerking moeten worden genomen (zie naar analogie arresten Schäflein/Commissie, 284/87, EU:C:1988:414, punt 10; Ryborg, C‑297/89, EU:C:1991:160, punt 20; Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 55; Alevizos, C‑392/05, EU:C:2007:251, punt 57, en I, C‑255/13, EU:C:2014:1291, punten 45 en 46).

33      In de arresten Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407) en Alevizos (C‑392/05, EU:C:2007:251), ten aanzien waarvan de verwijzende rechter zich in het kader van de tweede vraag afvraagt of zij relevant zijn voor het bepalen van de normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009, heeft het Hof er met betrekking tot artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 op gewezen dat tot de relevante feitelijke elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de normale verblijfplaats als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft, met name behoorden zijn fysieke aanwezigheid, die van zijn gezinsleden, beschikking hebben over woonruimte, de plaats waar de kinderen daadwerkelijk naar school gaan, de plaats van uitoefening van beroepsbezigheden, de plaats waar zijn vermogensrechtelijke belangen zijn gelegen, en de plaats waar hij administratieve banden met de overheid en de sociale instanties heeft, voor zover die elementen de wil van die persoon te kennen geven om aan de plaats van binding een bepaalde stabiliteit te verlenen op grond van een continuïteit die voortvloeit uit een leefgewoonte en normale sociale en beroepsmatige relaties (arresten Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 55, en Alevizos, C‑392/05, EU:C:2007:251, punt 57).

34      Voorts heeft het Hof in die arresten gepreciseerd dat, indien op basis van een algehele afweging van de relevante feitelijke elementen niet kan worden vastgesteld waar het permanente centrum van de belangen van de betrokkene is gevestigd, aan de persoonlijke bindingen voorrang moet worden gegeven (arresten Louloudakis, C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 53, en Alevizos, C‑392/05, EU:C:2007:251, punt 61).

35      Blijkens de verwijzingsbeslissing vraagt de verwijzende rechter zich in het bijzonder af of deze laatste overweging, volgens welke voorrang moet worden gegeven aan de persoonlijke bindingen, kan worden toegepast op de uitlegging van het begrip „normale verblijfplaats” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009, met dien verstande dat het Gerechtshof Amsterdam, waarvan de uitspraak het voorwerp vormt van de procedure voor de verwijzende rechter, heeft geoordeeld dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding voorrang moest worden gegeven aan die persoonlijke bindingen.

36      In dit verband volgt uit de arresten Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 53) en Alevizos (C‑392/05, EU:C:2007:251, punt 61) dat deze voorrang is gebaseerd op de uitlegging van de tekst van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183. Verordening nr. 1186/2009 bevat echter geen daarmee vergelijkbare bepaling.

37      Bovendien betreffen die richtlijnen belastingvrijstellingen die van toepassing zijn binnen de Unie, terwijl deze verordening betrekking heeft op douanevrijstellingen die gelden voor uit derde landen afkomstige goederen die in de Unie worden ingevoerd. De doelstelling van die richtlijnen verschilt dus van de doelstelling van verordening nr. 1186/2009. Uit de overwegingen van die richtlijnen vloeit immers voort dat deze tot doel hebben de uitoefening van het vrije verkeer van personen binnen de Unie te bevorderen door fiscale belemmeringen voor de invoer in een lidstaat van uit een andere lidstaat afkomstige persoonlijke goederen en vervoermiddelen op te heffen. Daarentegen heeft die verordening, blijkens overweging 3 ervan, tot doel om voor de invoer in de Unie van uit derde landen afkomstige goederen die volgens artikel 2, lid 1, onder c), van deze verordening door hun aard of hoeveelheid geen commerciële bijbedoeling laten blijken, vrijstelling van douanerechten te verlenen wanneer de omstandigheden van deze invoer „de toepassing van de gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie niet vereisen”.

38      In die omstandigheden kan de uitlegging van het begrip „normale verblijfplaats” in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 83/182 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 83/183 – volgens welke in het geval waarin niet kan worden vastgesteld waar het permanente centrum van de belangen van de betrokkene is gevestigd, voorrang moet worden gegeven aan de persoonlijke bindingen – niet worden toegepast op het begrip „normale verblijfplaats” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009.

39      Daaruit volgt dat als de normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 moet worden aangemerkt: de plaats waar de belanghebbende het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd. Om voor de toepassing van de douanevrijstelling van artikel 3 te bepalen of iemand zijn normale verblijfplaats in een derde land heeft, moeten alle relevante feitelijke elementen, daaronder begrepen die welke het Hof – niet uitputtend – heeft genoemd in de arresten Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407) en Alevizos (C‑392/05, EU:C:2007:251) en die zijn vermeld in punt 33 van het onderhavige arrest, in aanmerking worden genomen, zonder dat voorrang dient te worden gegeven aan de persoonlijke bindingen.

40      In het kader van deze analyse moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1186/2009 een bijzonder belang hecht aan de duur van het verblijf van de belanghebbende in het betrokken derde land. Zo komen volgens artikel 5, lid 1, van deze verordening voor de in artikel 3 voorziene douanevrijstelling alleen personen in aanmerking die hun normale verblijfplaats sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Unie hebben gehad. Ook heeft de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WCO), waartoe de Unie is toegetreden nadat een verzoek hiertoe in 2007 was aanvaard, er in zijn Aanbeveling van 5 december 1962 betreffende de vrijgestelde toelating van roerende goederen die worden ingevoerd bij verlegging van de woonplaats, op gewezen dat voor de vrijgestelde toelating met name de voorwaarde kan worden gesteld dat de duur van het verblijf toereikend voorkomt.

41      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de belanghebbende in een derde land zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen heeft en in een lidstaat persoonlijke bindingen, teneinde te bepalen of de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 in het derde land heeft, bij de algehele afweging van de relevante feitelijke elementen bijzonder belang moet worden gehecht aan de duur van het verblijf van de betrokkene in dat derde land.

 Kosten

42      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 3 van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, moet in die zin worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon voor de toepassing van dit artikel niet tegelijkertijd zowel in een lidstaat als in een derde land een normale verblijfplaats kan hebben.

2)      In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de belanghebbende in een derde land zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen heeft en in een lidstaat persoonlijke bindingen, moet, teneinde te bepalen of de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1186/2009 in het derde land heeft, bij de algehele afweging van de relevante feitelijke elementen bijzonder belang worden gehecht aan de duur van het verblijf van de betrokkene in dat derde land.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.