Language of document :

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 april 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský soud v Praze - Tsjechië) – Ernst Georg Radlinger, Helena Radlingerová / Finway a.s.

(Zaak C-377/14)1

[Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 7 – Nationale regels inzake de insolventieprocedure – Schulden die voortvloeien uit een consumentenkredietovereenkomst – Effectief beroep in rechte – Punt 1, onder e), van de bijlage – Onevenredig hoge schadevergoeding – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 3, onder l) – Totaal kredietbedrag – Punt I van bijlage I – Bedrag van de kredietopneming – Berekening van het jaarlijkse kostenpercentage – Artikel 10, lid 2 – Informatieplicht – Ambtshalve onderzoek – Sanctie]

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Krajský soud v Praze

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Ernst Georg Radlinger, Helena Radlingerová

Verwerende partij: Finway a.s.

Dictum

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale procesregeling als in het hoofdgeding, die in een insolventieprocedure de rechter bij wie die procedure aanhangig is, niet toestaat ambtshalve te onderzoeken of contractuele bedingen waaruit in die procedure aangemelde vorderingen voortvloeien, oneerlijk zijn, ook al beschikt die rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, en die voorts die rechter alleen toestaat niet door een zekerheid gedekte vorderingen te onderzoeken, en alleen wegens een beperkt aantal grieven inzake de verjaring of het tenietgaan van die vorderingen.

Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over vorderingen die voortvloeien uit een kredietovereenkomst in de zin van die richtlijn, verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de in die bepaling bedoelde informatieplicht is nagekomen en de consequenties te trekken die naar nationaal recht uit niet-nakoming van die plicht voortvloeien, mits de sancties voldoen aan de eisen van artikel 23 van die richtlijn.

De artikelen 3, onder l), en 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 en punt I van bijlage I bij die richtlijn moeten aldus worden uitgelegd dat het totale kredietbedrag en het bedrag van de kredietopneming alle aan de consument beschikbaar gestelde bedragen omvatten. Hieronder vallen derhalve niet de bedragen die door de kredietgever worden bestemd voor de betaling van de aan het betrokken krediet verbonden kosten en die niet daadwerkelijk worden uitbetaald aan die consument.

Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling of de schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn, moet worden nagegaan wat de cumulatieve werking is van alle desbetreffende bedingen van de betrokken overeenkomst, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming van al die bedingen nastreeft, en dat het in voorkomend geval aan de nationale rechter staat om krachtens artikel 6, lid 1, van die richtlijn alle consequenties te trekken die voortvloeien uit de vaststelling dat bepaalde bedingen oneerlijk zijn, en alle bedingen waarvan is erkend dat zij oneerlijk zijn, buiten toepassing te laten opdat de consument door die bedingen niet is gebonden.

____________

1 PB C 395 van 10.11.2014.