Language of document :

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 april 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajowa Izba Odwoławcza - Polen) – Partner Apelski Dariusz / Zarząd Oczyszczania Miasta

(Zaak C-324/14)1

(Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Richtlijn 2004/18/EG – Technische bekwaamheid en/of beroepsbekwaamheid van de ondernemers – Artikel 48, lid 3 – Mogelijkheid om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten – Voorwaarden en modaliteiten – Aard van de banden tussen de inschrijver en de andere entiteiten – Wijziging van de inschrijving – Annulering en herhaling van een elektronische veiling – Richtlijn 2014/24/EU)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Krajowa Izba Odwoławcza

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Partner Apelski Dariusz

Verwerende partij: Zarząd Oczyszczania Miasta

in tegenwoordigheid van: Remondis sp. z o.o., MR Road Service sp. z o.o.

Dictum

De artikelen 47, lid 2, en 48, lid 3, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten juncto artikel 44, lid 2, van die richtlijn moeten aldus worden uitgelegd dat:

–    zij het recht erkennen van iedere ondernemer om zich voor een welbepaalde opdracht te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de aard van zijn banden met die entiteiten, mits bij de aanbestedende dienst wordt aangetoond dat de gegadigde of de inschrijver werkelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van die opdracht noodzakelijk middelen van die entiteiten, en

–    het niet is uitgesloten dat de uitoefening van dat recht, gelet op het voorwerp en de doelstellingen van de betrokken opdracht, in bijzondere omstandigheden kan worden beperkt. Dit is met name het geval wanneer de voor de uitvoering van die opdracht noodzakelijke bekwaamheden waarover een derde entiteit beschikt, niet kunnen worden overgedragen aan de gegadigde of de inschrijver, zodat deze laatste zich slechts op die bekwaamheden kan beroepen indien die derde entiteit rechtstreeks en persoonlijk deelneemt aan de uitvoering van die opdracht.

Artikel 48, leden 2 en 3, van richtlijn 2004/18 moet aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst, gelet op het voorwerp en de doelstellingen van een bepaalde opdracht, met het oog op de correcte uitvoering van die opdracht in bijzondere omstandigheden in de aankondiging van de opdracht of in het bestek uitdrukkelijk nauwkeurige regels kan vaststellen volgens welke een ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten kan beroepen, voor zover die regels verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp en de doelstellingen van die opdracht.

De in artikel 2 van richtlijn 2004/18 neergelegde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie van ondernemers moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich in omstandigheden als in het hoofdgeding ertegen verzetten dat een aanbestedende dienst na de opening van de in een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht ingediende inschrijvingen het verzoek aanvaardt van een ondernemer die een inschrijving voor de gehele opdracht heeft ingediend, om zijn inschrijving slechts bij de gunning van bepaalde delen van die opdracht in aanmerking te nemen.

De in artikel 2 van richtlijn 2004/18 neergelegde beginselen van gelijkheid en non-discriminatie van ondernemers moeten aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat een elektronische veiling voor de deelname waaraan een ondernemer die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft ingediend, niet is uitgenodigd, wordt geannuleerd en opnieuw wordt begonnen, ook al kan niet worden vastgesteld dat de deelname van de uitgesloten ondernemer de uitkomst van de veiling zou hebben gewijzigd.

In omstandigheden als in het hoofdgeding kunnen de bepalingen van artikel 48, lid 3, van richtlijn 2004/18 niet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van artikel 63, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18.

____________

1 PB C 339 van 29.9.2014.