Language of document : ECLI:EU:C:2016:577

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

21 juli 2016 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Steunregeling in de vorm van verlagingen van milieubelastingen – Verordening (EG) nr. 800/2008 – Categorieën steun die als verenigbaar met de interne markt en als vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting kunnen worden beschouwd – Dwingende karakter van de vrijstellingsvoorwaarden – Artikel 3, lid 1 – Uitdrukkelijke verwijzing naar die verordening in de steunregeling”

In zaak C‑493/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzgericht (federaal financieel gerechtshof, Oostenrijk) bij beslissing van 31 oktober 2014, ingekomen bij het Hof op 6 november 2014, in de procedure

Dilly’s Wellnesshotel GmbH

tegen

Finanzamt Linz,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, A. Arabadjiev, C. G. Fernlund, S. Rodin en E. Regan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 januari 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        Dilly’s Wellnesshotel GmbH, vertegenwoordigd door M. Kroner, Rechtsanwalt, en K. Caspari,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer en M. Klamert als gemachtigden,

–        de Estse regering, vertegenwoordigd door K. Kraavi-Käerdi als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Sauer, P. Němečková en K. Herrmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 maart 2016,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17, lid 1, en artikel 25 van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen [107 en 108 VWEU] met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PB 2008, L 214, blz. 3).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Dilly’s Wellnesshotel GmbH, een dienstverlener, en het Finanzamt Linz (belastingkantoor van Linz, Oostenrijk) over de afwijzing door laatstgenoemde van een aanvraag van die onderneming voor teruggave van energiebelasting over het jaar 2011.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Verordening (EG) nr. 659/1999

3        In artikel 2 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1), met het opschrift „Aanmelding van nieuwe steun”, was bepaald:

„1.      Tenzij anders is bepaald in verordeningen op grond van artikel [109 VWEU] of op grond van andere desbetreffende bepalingen, wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld [...].”

 Verordening (EG) nr. 994/98

4        De overwegingen 4 tot en met 7 van verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB 1998, L 142, blz. 1), luidden als volgt:

„(4)      Overwegende dat de Commissie de artikelen [107 en 108 VWEU] in tal van beschikkingen heeft toegepast en tevens haar beleid heeft vastgelegd in een aantal mededelingen; dat het, gelet op de grote ervaring van de Commissie met de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] en de algemene teksten die de Commissie ter uitwerking van die bepalingen heeft vastgesteld, aangewezen is om met het oog op een doelmatige controle en een vereenvoudigde administratie, zonder het toezicht van de Commissie te verzwakken, de Commissie de mogelijkheid te geven om bij verordening, op gebieden waar zij over voldoende ervaring beschikt om algemene criteria inzake verenigbaarheid te definiëren, te verklaren dat bepaalde soorten van steunmaatregelen verenigbaar zijn met de [interne] markt uit hoofde van een of meer van de bepalingen van artikel [107, leden 2 en 3, VWEU] en vrijgesteld zijn van de in artikel [108, lid 3, VWEU] bedoelde procedure;

(5)      Overwegende dat groepsvrijstellingsverordeningen de doorzichtigheid en de rechtszekerheid zullen vergroten [...];

(6)      Overwegende dat de Commissie bij de vaststelling van verordeningen waarbij bepaalde soorten van steunmaatregelen worden vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van artikel [108, lid 3, VWEU] een nauwkeurige omschrijving moet geven van [...] de voorwaarden [...] inzake controle, om ervoor te zorgen dat de steunmaatregel die onder de onderhavige verordening valt, verenigbaar is met de [interne] markt;

(7)      Overwegende dat het dienstig is om de Commissie de mogelijkheid te geven bij de vaststelling van verordeningen, waarbij bepaalde soorten van steunmaatregelen worden vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van artikel [108, lid 3, VWEU], hieraan verdere voorwaarden te verbinden om te waken over de verenigbaarheid met de [interne] markt van de steunmaatregel die binnen de werkingssfeer van de onderhavige verordening valt”.

5        Artikel 1 van deze verordening, „Generieke vrijstellingen”, bepaalde:

„1.      De Commissie kan bij verordening, vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 8 van de onderhavige verordening neergelegde procedures en in overeenstemming met artikel [107 VWEU], vaststellen dat de volgende soorten van steunmaatregelen verenigbaar zijn met de [interne] markt en niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsverplichtingen van artikel [108, lid 3, VWEU]:

a)      categorieën van steun ten behoeve van:

[...]

iii)      milieubescherming;

[...]

2.      In de in lid 1 bedoelde verordeningen zal met name voor elke categorie van steun worden gespecificeerd:

[...]

e)      de voorwaarden inzake toezicht, zoals gepreciseerd in artikel 3.

[...]”

6        Artikel 3 van deze verordening, „Transparantie en toezicht”, luidde:

„1.      Bij de vaststelling van verordeningen overeenkomstig artikel 1 legt de Commissie de lidstaten gedetailleerde voorschriften op om de transparantie van en het toezicht op de steunmaatregelen die uit hoofde van die verordeningen van aanmelding vrijgesteld zijn, te waarborgen. Die voorschriften bestaan met name in de verplichtingen die in de leden 2, 3 en 4 worden omschreven.

[...]”

7        Verordening nr. 994/98 is gewijzigd bij verordening (EU) nr. 733/2013 van de Raad van 22 juli 2013 (PB 2013, L 204, blz. 11), en vervolgens ingetrokken bij verordening (EU) nr. 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (PB 2015, L 248, blz. 1).

 Verordening nr. 800/2008

8        De overwegingen 5, 7 en 46 van verordening nr. 800/2008 luidden als volgt:

„(5)      Deze verordening dient alle steun vrij te stellen die aan alle desbetreffende voorwaarden van deze verordening voldoet, alsmede alle steunregelingen, mits alle individuele steun die in het kader van dergelijke regeling kan worden verleend, aan alle desbetreffende voorwaarden van deze verordening voldoet. Om doorzichtigheid en een doelmatiger toezicht te garanderen, dient alle individuele steun die krachtens deze verordening wordt verleend, een uitdrukkelijke verwijzing te bevatten naar de toepasselijke bepaling van hoofdstuk II en naar de nationale rechtsgrondslag waarop de individuele steun is gebaseerd.

[...]

(7)      Voor staatssteun in de zin van artikel [107, lid 1, VWEU] die niet onder deze verordening valt, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] gelden [...]

[...]

(46)      Daar bij de toepassing van de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming voldoende ervaring is opgedaan, [dient] [...] bepaalde steun in de vorm van verlagingen van milieubelastingen te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting.”

9        Artikel 1 van verordening nr. 800/2008, „Toepassingsgebied”, dat zich bevond in hoofdstuk I van deze verordening met het opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen”, bepaalde in lid 1:

„Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën steun:

[...]

d)      steun voor milieubescherming;

[...]”

10      Artikel 3 van deze verordening, „Vrijstellingsvoorwaarden”, dat zich eveneens in genoemd hoofdstuk I bevond, bepaalde in lid 1:

„Steunregelingen die aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk II van deze verordening voldoen, zijn verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107, lid 3, VWEU] en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel [108, lid 3, VWEU] vrijgesteld mits alle krachtens die regeling verleende steun aan alle voorwaarden van deze verordening voldoet, en de regeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat, waarbij de titel van deze verordening en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald.”

11      Artikel 25 van die verordening, „Milieusteun in de vorm van verlagingen van milieubelastingen”, dat zich bevond in deel 4, „Steun voor milieubescherming”, van hoofdstuk II van verordening nr. 800/2008, met het opschrift „Bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën steun”, luidde:

„1.      Milieusteunregelingen in de vorm van verlagingen van milieubelastingen die aan de voorwaarden voor richtlijn 2003/96/EG [van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51)] voldoen, zijn verenigbaar met de [interne] markt in de zin van artikel [107], lid 3, [VWEU] en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel [108], lid 3, [VWEU] vrijgesteld, mits aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan.

[...]”

12      Verordening nr. 800/2008 is gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1224/2013 van de Commissie van 29 november 2013 (PB 2013, L 320, blz. 22) wat betreft de toepassingsperiode ervan. Deze is verlengd tot en met 30 juni 2014. Verordening nr. 800/2008 is vervolgens ingetrokken bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1).

 Oostenrijks recht

13      Krachtens het Budgetbegleitgesetz (begeleidende begrotingswet) van 30 december 2011 (BGBl. I, 111/2010; hierna: „BBG 2011”) zijn dienstverlenende bedrijven uitgesloten van de teruggave van energiebelasting.

14      Artikel 2, lid 1, van het Energieabgabenvergütungsgesetz (wet inzake de teruggave van energiebelasting; hierna: „EAVG”), zoals gewijzigd bij artikel 72 van het BBG 2011, bepaalt:

„Enkel bedrijven waarvan is aangetoond dat hun hoofdactiviteit bestaat in de productie van materiële goederen hebben recht op teruggave, mits zij niet de in artikel 1, lid 3, bedoelde energiebronnen of met de in dat artikel 1, lid 3, bedoelde energiebronnen gegenereerde warmte (stoom of heet water) leveren.”

15      De temporele werkingssfeer van genoemd artikel 2 is vastgelegd in artikel 4, lid 7, van het EAVG, dat het volgende bepaalt:

„De artikelen 2 en 3 [van het EAVG] zijn behoudens goedkeuring door de Europese Commissie van toepassing op aanvragen voor teruggave over de periode na 31 december 2010.”

16      In de op het EAVG betrekking hebbende totstandkomingsgeschiedenis wordt omtrent artikel 4, lid 7, van deze wet het volgende opgemerkt:

„De toepassing van de gewijzigde bepalingen is afhankelijk van goedkeuring door de Europese Commissie. Deze wijziging treedt in werking voor na 31 december 2010 verbruikte energie. Aanvragen van dienstverlenende bedrijven voor perioden na 31 december 2010 zullen dus niet meer worden aanvaard. Indien de wijziging van het EAGV door de Commissie wordt goedgekeurd als toegestane staatssteun, dan zal de wettelijke beperking tot producerende bedrijven worden toegepast met ingang van 1 januari 2011, zodat dienstverlenende bedrijven vanaf deze datum geen recht meer zullen hebben op teruggave van energiebelasting voor verbruikte energie. Mocht de wijziging niet door de Commissie worden goedgekeurd, dan blijft de huidige juridische situatie voortbestaan en zouden zowel producerende bedrijven als dienstverlenende bedrijven recht hebben op teruggave van energiebelasting.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Op 29 december 2011 heeft Dilly’s Wellnesshotel een aanvraag ingediend voor teruggave van energiebelasting over het jaar 2011.

18      Bij besluit van 21 februari 2012 is deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de nieuwe regeling van het BBG 2011, op grond waarvan met ingang van 1 januari 2011 enkel nog aan producerende bedrijven teruggave van energiebelasting wordt toegekend. Het beroep van Dilly’s Wellnesshotel bij de Unabhängiger Finanzsenat (onafhankelijke financiële kamer, Oostenrijk), waarvan het Bundesfinanzgericht (federaal financieel gerechtshof, Oostenrijk) de opvolger is, is verworpen.

19      Bij uitspraak van 19 maart 2013 (2013/15/0053) heeft het Verwaltungsgerichtshof (administratief gerechtshof, Oostenrijk) geoordeeld dat als gevolg van een door deze rechter gewezen arrest van 22 augustus 2012 (2012/17/0175) de teruggave van energiebelasting voor de maand januari 2011 nog had moeten worden toegekend aan dienstverlenende bedrijven. Volgens het Verwaltungsgerichtshof had de Commissie voor die maand de nieuwe regeling nog niet goedgekeurd, waarvoor op grond van verordening nr. 800/2008 een melding was gedaan die enkel betrekking had op de periode vanaf 1 februari 2011.

20      Dilly’s Wellnesshotel heeft bij de Unabhängiger Finanzsenat (onafhankelijke financiële kamer) aanvullend bestuursrechtelijk beroep ingesteld, waarmee zij in essentie vorderde dat haar aanvraag voor teruggave van energiebelasting over de periode van januari tot en met december 2011 volledig zou worden toegewezen. Volgens Dilly’s Wellnesshotel zou de bij het BBG 2011 ingevoerde nieuwe regeling niet van toepassing zijn en zouden dienstverlenende bedrijven voor het gehele jaar 2011 en verder voor teruggave van energiebelasting in aanmerking blijven komen ingeval de gecombineerde toepassing van artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 7, van het EAVG in strijd zou zijn met het Unierecht.

21      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de oorspronkelijke versie van het EAVG (BGBl. 201/1996) in artikel 2, lid 1, voorzag in teruggave van energiebelasting voor bedrijven die zich hoofdzakelijk bezighielden met de „productie van materiële goederen”. Dienstverlening was uitgesloten van de teruggave van deze belasting.

22      In zijn arrest van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke (C‑143/99, EU:C:2001:598), heeft het Hof geoordeeld dat nationale maatregelen die slechts voorzien in gedeeltelijke restitutie van energieheffingen op aardgas en elektriciteit voor ondernemingen die zich aantoonbaar hoofdzakelijk bezighouden met de productie van stoffelijke goederen, moeten worden gekwalificeerd als steunmaatregelen in de zin van artikel 107 VWEU.

23      De Oostenrijkse regeling inzake de teruggave van energiebelasting is vervolgens herhaaldelijk gewijzigd.

24      In deze zaak twijfelt de verwijzende rechter of de nieuwe regeling van het BBG 2011 inzake de teruggave van energiebelasting verenigbaar is met verordening nr. 800/2008.

25      In de eerste plaats twijfelt deze rechter of de Republiek Oostenrijk voor de betrokken nationale regeling gebruik kan maken van de vrijstelling als neergelegd in artikel 25 van verordening nr. 800/2008 terwijl niet is voldaan aan drie voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening.

26      Ten eerste bevat deze regeling geen verwijzing naar verordening nr. 800/2008 en geen vermelding van de vindplaats van die verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ten tweede bepaalt artikel 9, lid 1, van die verordening dat binnen 20 werkdagen „na de inwerkingtreding van de steunregeling” aan de Commissie een samenvatting van de gegevens betreffende die steunmaatregel wordt toegezonden, maar de verzending heeft in dit geval te laat plaatsgevonden. Ten derde merkt de verwijzende rechter op dat bekendmaking van de tekst van de betrokken steunregeling op internet niet in overeenstemming met artikel 9, lid 2, van verordening nr. 800/2008 is verricht, aangezien de betrokken tekst via het aan de Commissie meegedeelde internetadres niet kon – en nog steeds niet kan – worden geraadpleegd.

27      In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter of een steunmaatregel in aanmerking kan komen voor de vrijstelling als vervat in artikel 25 van verordening nr. 800/2008 terwijl niet is voldaan aan de in hoofdstuk II van die verordening neergelegde verplichtingen. In het bijzonder leidt de steunregeling in het hoofdgeding niet tot het tegengaan of voorkomen van de aantasting van de natuurlijke omgeving dan wel tot een rationeler gebruik van de natuurlijke hulpbronnen of energiebesparing. De verwijzende rechter koestert dus twijfels of de nationale regeling in het hoofdgeding een steunmaatregel ten behoeve van de „milieubescherming” vormt in de zin van artikel 17, lid 1, van die verordening.

28      In de derde plaats uit de verwijzende rechter twijfels of is voldaan aan de in artikel 25, lid 3, van verordening nr. 800/2008 vervatte voorwaarde dat de belastingverlagingen voor een periode van ten hoogste tien jaar worden toegestaan, aangezien de steunregeling in het hoofdgeding geen uitdrukkelijke beperking bevat van de periode gedurende welke de belastingteruggave wordt verleend, en niet verwijst naar de periode genoemd in de op 7 februari 2011 aan de Commissie toegezonden vrijstellingskennisgeving.

29      In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof (federaal financieel gerechtshof) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Is het in strijd met het Unierecht indien een steunregeling gebruik maakt van de bijzondere procedure ingevolge artikel 25 van verordening nr. 800/2008 om daarmee van de aanmeldingsverplichting op grond van artikel 108, lid 3, VWEU te worden vrijgesteld, maar verschillende verplichtingen uit hoofdstuk I van die verordening niet eerbiedigt en bovendien ook geen verwijzing naar genoemde verordening bevat?

2)      Is het in strijd met het Unierecht indien een steunregeling wordt gebaseerd op de voor milieusteun geldende bijzondere procedure ingevolge artikel 25 van verordening nr. 800/2008, maar niet is voldaan aan de in hoofdstuk II opgenomen voorwaarden, te weten de stimulering van milieubeschermings- of energiebesparende maatregelen overeenkomstig artikel 17, punt 1, van genoemde verordening?

3)      Staat het Unierecht in de weg aan een nationale regeling die geen beperking in de tijd en geen verwijzing naar de in de vrijstellingskennisgeving vermelde periode bevat, zodat alleen uit de vrijstellingskennisgeving de volgens artikel 25, lid 3, van verordening nr. 800/2008 vereiste beperking van de energiebelastingrestitutie tot tien jaar kan worden afgeleid?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

30      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 aldus moet worden uitgelegd dat, indien een steunregeling zoals die in het hoofdgeding geen uitdrukkelijke verwijzing naar die verordening bevat waarbij de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald, dit in de weg staat aan het oordeel dat die regeling voldoet aan de voorwaarden om op grond van artikel 25, lid 1, van genoemde verordening te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

31      In dit verband zij eraan herinnerd dat de aanmeldingsverplichting een van de fundamentele aspecten vormt van het bij het VWEU ingevoerde controlesysteem op het gebied van staatssteun. In het kader van dit systeem moeten de lidstaten bij de Commissie elke maatregel tot invoering of wijziging van steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aanmelden, en mogen zij voorts overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU een dergelijke maatregel niet ten uitvoer leggen zolang deze instelling geen definitief besluit heeft genomen betreffende deze maatregel (arrest van 8 december 2011, France Télécom/Commissie, C‑81/10 P, EU:C:2011:811, punt 58).

32      De op de betrokken lidstaat rustende verplichting om elke nieuwe steunmaatregel bij de Commissie aan te melden wordt verduidelijkt in artikel 2 van verordening nr. 659/1999.

33      De Raad van de Europese Unie is op grond van artikel 109 VWEU evenwel bevoegd om alle verordeningen vast te stellen die dienstig zijn voor de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU, en met name om de voorwaarden voor de toepassing van artikel 108, lid 3, VWEU te bepalen alsmede de soorten van steunmaatregelen die zijn vrijgesteld van de in laatstgenoemde bepaling vervatte procedure.

34      Voorts kan de Commissie krachtens artikel 108, lid 4, VWEU verordeningen vaststellen betreffende de soorten van staatssteun waaromtrent de Raad overeenkomstig artikel 109 VWEU heeft bepaald dat zij van de in artikel 108, lid 3, VWEU bedoelde procedure kunnen worden vrijgesteld.

35      In lijn hiermee was op grond van artikel 94 EG (later artikel 89 EG, thans artikel 109 VWEU) verordening nr. 994/98 vastgesteld, en op basis van die verordening is vervolgens verordening nr. 800/2008 vastgesteld.

36      Daaruit vloeit voort dat een lidstaat gebruik kan maken van de mogelijkheid van vrijstelling van zijn aanmeldingsverplichting indien een door die lidstaat vastgestelde steunmaatregel voldoet aan de relevante voorwaarden van verordening nr. 800/2008, een en ander niettegenstaande de verplichting om elke maatregel tot invoering of wijziging van nieuwe steun vooraf aan te melden, welke verplichting krachtens de Verdragen op de lidstaten rust en die een van de fundamentele aspecten vormt van het controlesysteem voor staatssteun. Omgekeerd volgt uit overweging 7 van verordening nr. 800/2008 dat staatssteun die niet onder die verordening valt, aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU onderworpen blijft.

37      Zoals de advocaat-generaal in punt 1 van zijn conclusie heeft opgemerkt, betekent dit dat verordening nr. 800/2008 en de daarin vervatte voorwaarden, als versoepeling van de als algemene regel geldende aanmeldingsverplichting, strikt moeten worden uitgelegd.

38      Een dergelijke benadering vindt steun in de doelstellingen die met de algemene groepsvrijstellingsverordeningen worden nagestreefd, zoals uiteengezet in de overwegingen 4 en 5 van verordening nr. 994/98. De Commissie heeft immers de bevoegdheid gekregen om dergelijke verordening vast te stellen om te zorgen voor een doelmatige controle op de voorschriften inzake staatssteun en om de administratie te vereenvoudigen, zonder het toezicht van de Commissie op dit vlak te verzwakken, maar dergelijke verordeningen hebben ook tot doel de transparantie en de rechtszekerheid te vergroten. Door te voldoen aan de in deze verordeningen – dus met inbegrip van verordening nr. 800/2008 – vervatte voorwaarden, kan worden gewaarborgd dat deze doelstellingen volledig worden bereikt.

39      In dit geval staat vast dat de betrokken nationale regeling niet overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 659/1999 bij de Commissie is aangemeld, en dat als vrijstelling van de aanmeldingsverplichting enkel de in artikel 25 van verordening nr. 800/2008 vervatte mogelijkheid in aanmerking komt.

40      Volgens artikel 25, lid 1, van verordening nr. 800/2008, dat zich bevindt in hoofdstuk II van die verordening, met het opschrift „Bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën steun”, zijn milieusteunregelingen in de vorm van verlagingen van milieubelastingen die aan de voorwaarden voor richtlijn 2003/96 alsmede aan de in artikel 25, leden 2 en 3, van verordening nr. 800/2008 vastgestelde voorwaarden voldoen, verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

41      Zonder dat het nodig is om te beoordelen of is voldaan aan de in de tweede en de derde vraag aan de orde gestelde voorwaarden waarnaar wordt verwezen in artikel 25 van verordening nr. 800/2008, dient erop te worden gewezen dat een steunregeling op grond van artikel 3, lid 1, van deze verordening – dat zich bevindt in hoofdstuk I van die verordening, met het opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen – enkel kan worden vrijgesteld van genoemde aanmeldingsverplichting indien die regeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening bevat, waarbij de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald.

42      In het hoofdgeding staat vast dat de betrokken steunregeling niet een zodanige verwijzing naar verordening nr. 800/2008 bevat.

43      In dit verband heeft de Oostenrijkse regering ter terechtzitting opgemerkt dat later op nationaal niveau een uitvoeringsmaatregel is vastgesteld om te voorzien in de ontbrekende verwijzing naar verordening nr. 800/2008 in de steunregeling in het hoofdgeding, en dat deze maatregel op grond van verordening nr. 651/2014 aan de Commissie is meegedeeld in de loop van het jaar 2014.

44      Het volstaat evenwel op te merken dat, daargelaten het eventuele rechtskarakter van die maatregel, deze in ieder geval wat de betrokken periode betreft niet kan wegnemen dat in de nationale regeling in het hoofdgeding niet werd verwezen naar verordening nr. 800/2008.

45      Zoals de advocaat-generaal erop heeft gewezen in de punten 54 en 55 van zijn conclusie, blijkt uit de tekst van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 zelf het dwingende karakter van een verwijzing naar verordening nr. 800/2008 in een gegeven steunregeling, wil een lidstaat voor deze regeling een beroep kunnen doen op een vrijstelling ingevolge die verordening. Volgens genoemde bepaling zijn steunregelingen die voldoen aan „alle voorwaarden” van hoofdstuk I van verordening nr. 800/2009 van de aanmeldingsverplichting vrijgesteld, mits alle krachtens die regeling verleende steun aan „alle voorwaarden” van die verordening voldoet, en de regeling „een uitdrukkelijke verwijzing” naar genoemde verordening bevat.

46      Deze lezing vindt zowel steun in de met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 nagestreefde doelstelling als in de context waarvan die bepaling deel uitmaakt.

47      Wat in de eerste plaats de context betreft waarvan die bepaling deel uitmaakt, dient te worden opgemerkt dat artikel 3 van verordening nr. 800/2008 het opschrift „Vrijstellingsvoorwaarden” draagt, hetgeen betekent dat vervulling van de in dat artikel vervatte voorwaarden noodzakelijk is, wil een gegeven steunmaatregel met toepassing van die verordening kunnen worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting. Verder dient artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 te worden gelezen in het licht van de overwegingen van die verordening, waaronder met name overweging 5. In deze overweging heet het dat genoemde verordening alle steun dient vrij te stellen die aan „alle desbetreffende voorwaarden” van die verordening voldoet, alsmede alle steunregelingen, mits alle individuele steun die in het kader van een dergelijke regeling kan worden verleend, aan „alle desbetreffende voorwaarden” van die verordening voldoet.

48      In de tweede plaats kan de doelstelling die met de eis van een uitdrukkelijke verwijzing naar verordening nr. 800/2008 wordt nagestreefd, eveneens worden afgeleid uit genoemde overweging 5, waarin het heet dat „[o]m doorzichtigheid en een doelmatiger toezicht te garanderen, [...] alle individuele steun die krachtens deze verordening wordt verleend, een uitdrukkelijke verwijzing [dient] te bevatten naar de toepasselijke bepaling van hoofdstuk II en naar de nationale rechtsgrondslag waarop de individuele steun is gebaseerd”.

49      Voorts bepaalt artikel 3, lid 1, van verordening nr. 994/98 meer in het algemeen dat „[de Commissie] [b]ij de vaststelling van verordeningen overeenkomstig artikel 1 [...] de lidstaten gedetailleerde voorschriften op[legt] om de transparantie van en het toezicht op de steunmaatregelen die uit hoofde van die verordeningen van aanmelding vrijgesteld zijn, te waarborgen”. Evenzo wordt in overweging 5 opgemerkt dat „groepsvrijstellingsverordeningen de doorzichtigheid en de rechtszekerheid zullen vergroten [...]”.

50      Zoals de Commissie stelt en de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen de begunstigden alsmede hun concurrenten immers dankzij een verwijzing naar verordening nr. 800/2008 in een gegeven steunmaatregel achterhalen waarom die maatregel ten uitvoer mag worden gelegd terwijl zij niet is aangemeld bij de Commissie en door haar ook niet is goedgekeurd. Een dergelijke verwijzing stelt zodoende niet alleen de Commissie in staat om haar toezicht uit te oefenen, maar zij stelt ook geïnteresseerde derden in staat om op de hoogte te geraken van voorgenomen steunmaatregelen teneinde zo nodig hun procedurele rechten uit te oefenen

51      Gelet op een en ander dient te worden geconstateerd dat de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 vervatte voorwaarde dat een steunregeling een uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening dient te bevatten om te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting als bedoeld in artikel 108, lid 3, VWEU, niet louter een formaliteit is, maar een dwingend karakter heeft, zodat de niet-vervulling ervan zich ertegen verzet dat op grond van die verordening vrijstelling van deze verplichting wordt verleend.

52      Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 800/2008 aldus moet worden uitgelegd dat, indien een steunregeling zoals die in het hoofdgeding geen uitdrukkelijke verwijzing naar die verordening bevat waarbij de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald, dit in de weg staat aan het oordeel dat die regeling voldoet aan de voorwaarden om op grond van artikel 25, lid 1, van genoemde verordening te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

 Tweede en derde vraag

53      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

54      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen [107 en 108 VWEU] met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”), moet aldus worden uitgelegd dat, indien een steunregeling zoals die in het hoofdgeding geen uitdrukkelijke verwijzing naar die verordening bevat waarbij de titel ervan en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald, dit in de weg staat aan het oordeel dat die regeling voldoet aan de voorwaarden om op grond van artikel 25, lid 1, van genoemde verordening te worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.