Language of document : ECLI:EU:T:2016:481

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

15 september 2016 (*)

„Mededinging – Misbruik van machtspositie – Wereldmarkt van geconsolideerde realtime datafeeds – Besluit waarbij de toezeggingen van de onderneming met een machtspositie verbindend worden verklaard – Artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003”

In zaak T‑76/14,

Morningstar, Inc., gevestigd te Chicago, Illinois (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door S. Kinsella, K. Daly en P. Harrison, solicitors, en door M. Abenhaïm, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castilla Contreras, A. Dawes en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Thomson Reuters Corp., gevestigd te Toronto (Canada),

en

Reuters Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

vertegenwoordigd door A. Nourry, G. Olsen en C. Ghosh, solicitors,

interveniëntes,

betreffende een op artikel 263 VWEU gebaseerd verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2012) 9635 van de Commissie van 20 december 2012 in een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak COMP/D2/39.654 Reuters Instrument Codes (RIC’s)],

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, M. Kancheva en C. Wetter (rapporteur), rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 maart 2016,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 30 oktober 2009 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen besloten om ten aanzien van Thomson Reuters Corporation en de ondernemingen waarover zij direct of indirect zeggenschap uitoefende, waaronder Reuters Limited (hierna samen: „TR”), een procedure in te leiden wegens misbruik van machtspositie op de wereldmarkt van geconsolideerde realtime datafeeds.

2        Op 19 september 2011 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), een voorlopige beoordeling vastgesteld, die zij op 20 september 2011 ter kennis heeft gebracht van TR.

3        Uit die voorlopige beoordeling blijkt dat TR een machtspositie bezit op de wereldmarkt voor geconsolideerde realtime datafeeds. Mogelijk heeft zij misbruik gemaakt van die machtspositie door bepaalde beperkingen inzake het gebruik van de Reuters Instrument Codes (hierna: „RIC’s”) op te leggen. De RIC’s zijn korte, door TR gecreëerde alfanumerieke codes voor de identificatie van effecten en de plaats waar zij worden verhandeld.

4        TR verbiedt haar klanten de RIC’s te gebruiken om gegevens op te zoeken in geconsolideerde realtime datafeeds van andere aanbieders en belet derden en concurrerende aanbieders om mapping tables waarin RIC’s zijn verwerkt te creëren en te onderhouden, waardoor de systemen van TR’s klanten interoperabel zouden worden met de geconsolideerde realtime datafeeds van andere aanbieders. In haar voorlopige beoordeling kwam de Commissie tot de conclusie dat deze praktijken het erg moeilijk maakten om van datafeedaanbieder te veranderen en misbruik van machtspositie opleverden in de zin van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).

5        Op 8 november 2011 heeft TR de Commissie krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 toezeggingen voorgesteld, teneinde tegemoet te komen aan de bezorgdheden die deze instelling in haar voorlopige beoordeling had geuit.

6        TR stelde met name de volgende toezeggingen voor:

–        haar klanten toestaan om een verruimde licentieovereenkomst met betrekking tot de RIC’s (Extended RIC Licence; hierna: „ERL”) te sluiten. Deze ERL zou de klanten de mogelijkheid bieden om de RIC’s, tegen een maandelijkse vergoeding, te gebruiken teneinde gegevens op te zoeken in geconsolideerde realtime datafeeds van concurrerende aanbieders, en hen aldus in staat stellen een of meer van hun toepassingen te wijzigen;

–        de informatie verstrekken die nodig is om klanten in staat te stellen te mappen tussen de RIC’s en de coderingssystemen van andere aanbieders, waardoor klanten zouden kunnen veranderen van aanbieder.

7        Op 14 december 2011 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 4, van verordening nr. 1/2003 een kennisgeving gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, waarin de zaak en de voorgestelde toezeggingen beknopt werden toegelicht en de belanghebbende derden werd verzocht hun opmerkingen over TR’s voorstel in te dienen.

8        Op 7 maart 2012 heeft de Commissie TR in kennis gesteld van de opmerkingen die de belanghebbende derden bij haar hadden ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van de aankondiging van het marktonderzoek.

9        Op 27 juni 2012 heeft TR, in antwoord op de aldus geformuleerde opmerkingen, haar toezeggingen herzien. De voornaamste wijzigingen bestonden hierin:

–        het bedrag van de ERL-vergoeding was lager;

–        de structuur van de ERL-vergoeding hield niet langer verband met bestaande kortingen voor geconsolideerde realtime datafeeds van TR. Zij werd ook transparanter en minder complex gemaakt;

–        de ERL kon wereldwijd worden gebruikt door de klanten die daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten in de Europese Economische Ruimte (EER) uitoefenen,

–        de ERL betrof ook de RIC’s van onderhands verhandelde instrumenten (over-the-counter instruments of OTC’s) afkomstig van één enkele bron, op voorwaarde dat de betrokken contributor ermee instemde (tenzij TR op het ogenblik van de overschakeling naar een andere aanbieder de enige aanbieder is van de gegevens in verband met onderhands verhandelde instrumenten);

–        de ERL betrof ook de „human interfaces” naar servertoepassingen (zonder extra kosten);

–        na de oorspronkelijke periode van vijf jaar waarin het mogelijk zou zijn een ERL-abonnement te nemen, zou de klant – tegen een symbolische vergoeding – nog twee jaar langer op de licentie kunnen intekenen;

–        er werd een afzonderlijke aanvullende licentie ter beschikking gesteld, in casu een licentie voor externe ontwikkelaars (third party developers licence; hierna: „TPDL”), teneinde hen in staat te stellen mapping tables te creëren die de klanten van TR de mogelijkheid bieden om gemakkelijk van aanbieder te veranderen.

10      Op 12 juli 2012 heeft de Commissie een tweede marktonderzoek opgestart en de herziene toezeggingen bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van verordening nr. 1/2003.

11      Op 25 september 2012 heeft de Commissie TR in kennis gesteld van de opmerkingen die belanghebbende derden bij haar hadden ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van de tweede aankondiging van een marktonderzoek.

12      Op 7 november 2012 heeft TR een derde reeks toezeggingen (hierna: „definitieve toezeggingen”) gedaan, die onder meer hierin bestaan:

–        punt 7.1 van de definitieve toezeggingen bevat een gewijzigde definitie van de term „externe ontwikkelaar”, die externe ontwikkelaars de mogelijkheid biedt om met andere aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds overeenkomsten te sluiten met het oog op de creatie van mapping tables, waardoor de klanten van TR van aanbieder kunnen veranderen;

–        de externe ontwikkelaars hebben niet alleen het recht om mapping tables „te creëren”, maar ook om ze „te onderhouden” (punt 1.8 van de TPDL-overeenkomst);

–        de TPDL-overeenkomst die aan de definitieve toezeggingen is gehecht, bevat niet langer de bepaling van punt 3.5 van de TPDL-overeenkomst die aan de herziene toezeggingen was gehecht. Daarin was bepaald dat een externe ontwikkelaar niet mocht „verklaren dat het gebruik van geschikte RIC’s om gegevens van derden op te zoeken, praktisch of mogelijk [zou] zijn in alle omstandigheden of dat dit gebruik geen problemen inzake de integriteit van de gegevens of andere functionaliteitsproblemen [kon] opleveren”;

–        punt 3.2.8 van de definitieve toezeggingen en punt 1.3, onder c), van de TPDL-overeenkomst staan de externe ontwikkelaars en de andere aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds toe om samen te werken bij de creatie, het onderhoud en het op de markt brengen van mapping tables;

–        punt 3.2.9 van de definitieve toezeggingen en de punten 1.3, onder d), en 1.4 van de TPDL-overeenkomst verhogen het niveau van de informatie die de externe ontwikkelaars en de andere aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds kunnen uitwisselen. Als gevolg daarvan kunnen externe ontwikkelaars aan de andere aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds beschrijvende referentiegegevens inzake de RIC’s (maar niet de RIC’s zelf) verstrekken ingeval de externe ontwikkelaar het „mappen” van het coderingssysteem van de concurrerende aanbieder van realtime datafeeds niet heeft kunnen voltooien.

13      De definitieve toezeggingen van TR, meer bepaald bijlage V erbij, voorzagen ook in de aanwijzing van een onafhankelijke gemachtigde die moest toezien op de naleving van deze toezeggingen, hierover op regelmatige basis verslag moest uitbrengen aan de Commissie en haar in voorkomend geval maatregelen moest voorstellen om de naleving van deze toezeggingen te garanderen. Voorts had hij tot taak om te berichten over het resultaat van de in bijlage IV bij de definitieve toezeggingen bedoelde geschillenbeslechtingsprocedure.

14      De Commissie was van mening dat deze toezeggingen volstonden om de door haar vastgestelde mededingingsproblemen te verhelpen. Derhalve heeft zij op 20 december 2012 krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 besluit C(2012) 9635 in een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak COMP/D2/39.654 Reuters Instrument Codes (RIC’s)] (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld, waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2013, C 326, blz. 4). In dit besluit heeft de Commissie de door TR voorgestelde toezeggingen verbindend verklaard en vastgesteld dat er voor haar, gelet op deze toezeggingen, geen reden meer bestond om op te treden.

 Procedure en conclusies van partijen

15      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 februari 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

16      Op 16 mei 2014 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.

17      De memorie van repliek is op 5 augustus 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd.

18      Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang van 27 augustus 2014 heeft het Gerecht (Achtste kamer) de Commissie verzocht om een niet-vertrouwelijke versie over te leggen van de voorlopige beoordeling die zij op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 had verricht in de onderhavige zaak. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

19      De dupliek is op 16 oktober 2014 ter griffie van het Gerecht ingekomen.

20      Bij beschikking van 21 oktober 2014 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht TR’s verzoek om interventie, dat zij op 22 mei 2014 ter griffie van het Gerecht had ingediend, ingewilligd.

21      Op 2 januari 2015 heeft TR haar memorie in interventie ingediend.

22      De opmerkingen van partijen ten principale over TR’s memorie in interventie zijn binnen de gestelde termijn ingekomen ter griffie van het Gerecht.

23      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het de Commissie bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, onder d), van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om de niet-vertrouwelijke versies over te leggen van de antwoorden die de marktdeelnemers bij haar hadden ingediend naar aanleiding van de op 14 december 2011 en 12 juli 2012 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte onderzoeken. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

24      Ter terechtzitting van 3 maart 2016 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

25      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ontvankelijk te verklaren;

–        het bestreden besluit nietig te verklaren in zijn geheel, dan wel voor zover het de aanbieders van realtime datafeeds betreft, dan wel voor zover het haar betreft;

–        iedere andere maatregel te nemen die het gepast acht;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

26      De Commissie en interveniëntes verzoeken het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 Ontvankelijkheid

27      Verzoekster betoogt dat zij het onderhavige beroep mag instellen, aangezien het bestreden besluit haar rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Zij wordt rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt, aangezien het haar mogelijkheden om met TR een overeenkomst betreffende de RIC’s te sluiten beperkt. In het bestreden besluit is immers uitdrukkelijk bepaald dat concurrerende aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds geen aanspraak kunnen maken op een licentie. Wat de individuele geraaktheid betreft, stelt verzoekster dat zij actief heeft deelgenomen aan de administratieve procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid. Bovendien maakt zij deel uit van een besloten en identificeerbare kring van personen die aan de administratieve procedure hebben deelgenomen. Voorts staat het bestreden besluit haar voornaamste concurrent toe zich op professioneel gebied op een bepaalde manier te gedragen, wat verzoeksters positie op de relevante markt beïnvloedt.

28      De Commissie bestrijdt verzoeksters argumenten en stelt – zonder evenwel formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen in de zin van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering – dat het beroep niet-ontvankelijk is.

29      Artikel 263, vierde alinea, VWEU biedt andere personen dan de adressaat van een handeling de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring van deze handeling in te stellen indien deze hen rechtstreeks en individueel raakt.

30      Volgens de rechtspraak wordt de procesbevoegdheid van een verzoeker beoordeeld aan de hand van de gevolgen van de bestreden handeling voor diens rechtspositie. Ten eerste wordt namelijk nagegaan of de verzoeker rechtstreeks door de bestreden handeling wordt geraakt, wat vereist dat de betrokken maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat aan degenen tot wie zij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, omdat die uitvoering zuiver automatisch en uitsluitend op grond van de regeling van de Europese Unie geschiedt, zonder dat daarvoor nadere regels hoeven te worden toegepast (arresten van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie, C‑404/96 P, EU:C:1998:196, punt 42, en van 24 maart 1994, Air France/Commissie, T‑3/93, EU:T:1994:36, punt 80), en ten tweede wordt nagegaan of hij individueel door de bedoelde handeling wordt geraakt, wat het geval is indien deze handeling hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een besluit (zie in die zin arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232).

31      In casu heeft het bestreden besluit de definitieve toezeggingen van TR van 7 november 2012 overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 verbindend verklaard. De Commissie heeft immers de gevolgen van de door TR gestelde beperkingen betreffende de RIC’s onderzocht en geconcludeerd dat zij nefast waren voor de mededinging omdat zij de klanten van TR verhinderden van aanbieder te veranderen en daardoor de mogelijkheden voor concurrenten om toe te treden tot de markt of te concurreren op basis van de intrinsieke kwaliteit van hun diensten inperkten. De definitieve toezeggingen, die tot doel hebben het voor TR’s klanten eenvoudiger te maken om over te stappen naar concurrerende aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds, bepalen uitdrukkelijk dat concurrerende aanbieders geen ERL-overeenkomst of TPDL-overeenkomst kunnen afsluiten. Aangezien het bestreden besluit de mogelijkheid voor verzoekster om dergelijke overeenkomsten af te sluiten, beperkt, heeft het rechtstreeks gevolgen voor haar rechtspositie.

32      Wat de vraag betreft of verzoekster individueel is geraakt, moet worden opgemerkt dat zij bij brieven van 5 maart en 16 juni 2010 heeft verzocht om vergaderingen met de Commissie. Naar aanleiding van die verzoeken is op 27 juli 2010 een eerste vergadering gehouden. Later hebben tussen 2010 en 2012, zowel op verzoek van de Commissie als van verzoekster, nog andere vergaderingen en telefoongesprekken plaatsgevonden. Tevens heeft verzoekster, in antwoord op een verzoek van de Commissie van 18 april 2012, een niet-vertrouwelijke versie van de schriftelijke verslagen van de betrokken telefoongesprekken en vergaderingen overgelegd. Verzoekster heeft eveneens gereageerd op en opmerkingen ingediend over de door TR voorgestelde toezeggingen, meer bepaald via telefoongesprekken, op vergaderingen, bij brieven en via antwoorden op formele verzoeken om inlichtingen van de Commissie.

33      Voorts wordt verzoeksters naam in het bestreden besluit weliswaar niet uitdrukkelijk vermeld, maar uit de administratieve procedure die tot dat besluit heeft geleid, blijkt dat de Commissie rekening heeft gehouden met verzoeksters opmerkingen.

34      Vastgesteld moet worden dat verzoekster actief aan de procedure heeft deelgenomen, niet alleen uit eigen beweging maar ook op initiatief van de Commissie, die haar met name heeft verzocht om haar opmerkingen over diverse aspecten van de markt en over de voorgestelde toezeggingen in te dienen, en dit buiten het kader van de krachtens artikel 27, lid 4, van verordening nr. 1/2003 georganiseerde marktonderzoeken, waaraan verzoekster eveneens heeft deelgenomen. Verzoekster heeft dus actief aan de procedure deelgenomen. De loutere deelname aan de procedure volstaat op zich weliswaar niet als bewijs dat verzoekster individueel door het bestreden besluit wordt geraakt, maar haar actieve deelname aan de administratieve procedure is wel een factor die door de rechtspraak op het gebied van de mededinging, met inbegrip van het specifiekere domein van de toezeggingen krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003, in aanmerking wordt genomen – samen met andere specifieke omstandigheden – bij de beoordeling of haar beroep ontvankelijk is (zie in die zin en naar analogie arresten van 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, EU:C:1986:42, punten 24 en 25, van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, het zogenaamde „Kali & Salz”-arrest, C‑68/94 en C‑30/95, EU:C:1998:148, punten 54‑56, en van 3 april 2003, BaByliss/Commissie, T‑114/02, EU:T:2003:100, punt 95).

35      In casu maakt het feit dat verzoeksters positie op de betrokken markt wordt beïnvloed een dergelijke specifieke omstandigheid uit. Uit het dossier bij het Gerecht blijkt immers dat verzoekster, net als TR, actief is op de markt van de geconsolideerde realtime datafeeds, een markt waarop slechts een klein aantal spelers actief is en waarop TR een machtspositie bezit. Hieruit kan worden afgeleid dat beperkende maatregelen die door TR als onderneming met een machtspositie worden genomen, zoals de maatregelen die het voorwerp van de voorlopige beoordeling van de Commissie uitmaakten, merkbare negatieve gevolgen kunnen hebben voor verzoeksters activiteiten.

36      Uit een en ander volgt dat verzoekster ook individueel wordt geraakt. Derhalve is het onderhavige beroep ontvankelijk.

 Ten gronde

37      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan:

–        met haar eerste middel stelt zij dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, aangezien zij toezeggingen heeft aanvaard die niet tegemoetkomen aan de bezorgdheden op het gebied van de mededinging waarvan zij TR bij haar voorlopige beoordeling op de hoogte heeft gesteld;

–        met haar tweede middel betoogt verzoekster dat de Commissie artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden, aangezien zij – door verbintenissen te aanvaarden die niet tegemoetkomen aan de problemen op het gebied van de mededinging – de haar bij dat artikel toebedeelde bevoegdheden heeft overschreden en derhalve ultra vires is opgetreden;

–        met haar derde middel voert zij aan dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden;

–        met haar vierde middel stelt zij dat de Commissie de motiveringsplicht niet is nagekomen omdat zij niet heeft uitgelegd in welk opzicht de definitieve toezeggingen tegemoetkomen aan de vastgestelde bezorgdheden op mededingingsgebied.

38      Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 9 van verordening nr. 1/2003 volgt dat de Commissie, wanneer zij voornemens is een besluit tot beëindiging van een inbreuk te geven, de door de betrokken ondernemingen aangeboden toezeggingen verbindend kan maken indien deze tegemoetkomen aan de in haar voorlopige beoordeling vastgestelde bezorgdheden op het gebied van de mededinging.

39      Het bij artikel 9 van verordening nr. 1/2003 ingevoerde mechanisme heeft als doel tot een doeltreffende toepassing van de Unierechtelijke mededingingsregels te komen doordat besluiten worden gegeven die de door partijen voorgestelde en door de Commissie passend geachte toezeggingen verbindend maken, opdat de door deze laatste vastgestelde mededingingsproblemen sneller kunnen worden opgelost dan via de formele vaststelling van een inbreuk. Inzonderheid is artikel 9 van deze verordening ingegeven door overwegingen van proceseconomie en biedt het de ondernemingen de mogelijkheid ten volle aan de procedure deel te nemen door oplossingen voor te stellen die hun het meest aangewezen en geschikt lijken om aan de bezorgdheden van de Commissie tegemoet te komen (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punt 35).

40      In deze context beschikt de Commissie, wat de aanvaarding of de afwijzing van de toezeggingen betreft, over een ruime beoordelingsmarge (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punt 94).

41      Voorts moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie een analyse dient te verrichten waarbij zij een groot aantal economische factoren in aanmerking moet nemen, zoals een prospectieve analyse ter beoordeling of de door de betrokken onderneming aangeboden toezeggingen geschikt zijn, en dat zij daarom ook hier over een beoordelingsmarge beschikt waarmee het Gerecht bij de uitoefening van zijn toetsing rekening dient te houden. Hieruit volgt dat de Unierechter, in het kader van het beperkte toezicht dat hij op dergelijke ingewikkelde economische situaties uitoefent, zijn eigen economische beoordeling niet in de plaats mag stellen van die van de Commissie (arresten van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punt 67, en van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 46).

42      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft opgemerkt in verband met gebieden waarop ingewikkelde economische beoordelingen moeten worden verricht, zoals het mededingingsrecht, betekent de ruime beoordelingsmarge van de Commissie evenwel niet dat de Unierechter de interpretatie van de economische gegevens door deze instelling niet mag toetsen (arresten van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, EU:C:2005:87, punt 39; van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 145, en van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 46). Volgens de in deze rechtspraak geformuleerde beginselen dient de Unierechter met name niet alleen de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en samenhang ervan te controleren, maar moet hij ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak; van 11 december 2013, Cisco Systems en Messagenet/Commissie, T‑79/12, EU:T:2013:635, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 13 mei 2015, Niki Luftfahrt/Commissie, T‑162/10, EU:T:2015:283, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43      Uit de rechtspraak vloeit overigens ook voort dat de uit hoofde van de artikelen 7 en 9 van verordening nr. 1/2003 vastgestelde besluiten weliswaar onderworpen zijn aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat de toepassing van dit beginsel verschilt naargelang de ene dan wel de andere van deze bepalingen aan de orde is.

44      Deze bepalingen beantwoorden immers aan verschillende doelstellingen. Artikel 9 van verordening nr. 1/2003 gaat over het tegemoetkomen aan eventuele bezorgdheden die de Commissie heeft vastgesteld bij haar voorlopige beoordeling, terwijl artikel 7 van deze verordening de beëindiging van de vastgestelde inbreuk betreft (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punt 46).

45      Wat de evenredigheid van de toezeggingen betreft, bestaat de door de Commissie in het kader van een procedure krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 te verrichten test dus hierin dat zij moet nagaan of de toezeggingen „volstaan” en „op adequate wijze” kunnen tegemoetkomen aan haar bezorgdheden, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, dit wil zeggen de ernst van de bezorgdheden, de omvang ervan en de belangen van derden (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punten 41 en 61).

46      Uit een en ander volgt dat het toezicht van de Unierechter zich, overeenkomstig de in de punten 40 tot en met 45 hierboven in herinnering gebrachte beginselen, beperkt tot de vraag of de beoordeling van de Commissie kennelijk onjuist is.

 Eerste middel: de Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt

47      In het kader van het eerste middel betoogt verzoekster dat de definitieve toezeggingen er niet toe leiden dat het vastgestelde misbruik een einde neemt of sterk wordt ingeperkt, noch dat aan de geuite bezorgdheden wordt tegemoetgekomen. Daarom berust het bestreden besluit volgens verzoekster op een kennelijke beoordelingsfout.

48      Verzoekster wijst erop dat de definities van „in aanmerking komende klant” en „externe ontwikkelaar”, die respectievelijk in de ERL- en de TPDL-overeenkomst zijn opgenomen, concurrerende aanbieders uitsluiten. Voorts is het concurrerende aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds volgens de toezeggingen niet toegestaan om zelf RIC’s te bewerken voor rekening van een in aanmerking komende licentiehouder. Ondernemingen zoals verzoekster, die de capaciteiten, de kennis en een incentive hebben om concurrerende diensten aan te bieden, worden dus direct verhinderd dit te doen. Gelet op de bewoordingen van de betrokken licentieovereenkomst worden enkel licenties verleend aan klanten die de RIC’s kunnen gebruiken om zelf of door bemiddeling van externe ontwikkelaars middelen te ontwikkelen voor de toegang tot diensten die kunnen concurreren met de door TR aangeboden diensten.

49      In dit verband is verzoekster ten eerste van mening dat de aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds niet in staat zijn om de klanten van TR een doeltreffende mogelijkheid tot overschakeling naar een andere aanbieder te bieden, aangezien zij – doordat zij geen aanspraak kunnen maken op een ERL- of TPDL-licentie – geen volledig geïntegreerde concurrerende dienst kunnen aanbieden. Ten tweede is het zeer onwaarschijnlijk dat externe ontwikkelaars mapping tables ontwikkelen, zodat het in feite om een louter theoretische mogelijkheid gaat. Ten derde zouden TR’s klanten, in geval van overschakeling naar een andere aanbieder, zelf alle lasten en kosten hiervan moeten dragen, terwijl het sowieso al zeer onwaarschijnlijk is dat zij van aanbieder zullen veranderen, vanwege de kosten en de complexiteit die met een dergelijke overstap gepaard gaan, de noodzaak om hun systemen aan te passen en aanvullende onderhandelingen te voeren met derden, de aard van de markt voor geconsolideerde realtime datafeeds, alsook de kosten en complexiteit die het gebruik van een mapping table van een derde met zich brengt. Ten vierde is het voor TR’s klanten niet mogelijk om te werken met conversietools die door een derde – in plaats van door een concurrerende aanbieder – zijn ontwikkeld, omdat die tools een hoog snelheids- en betrouwbaarheidsniveau vereisen. Het beroep op een derde vormt in feite een risico voor de integriteit en de juistheid van de „mapping” van de codes. Bovendien zou een eventuele samenwerking met een externe ontwikkelaar bij het ontwerpen van een mapping table ondoeltreffend zijn, omdat de benodigde informatie inzake de RIC’s niet kan worden uitgewisseld. Ten vijfde houdt de onmogelijkheid voor concurrerende aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds om een gelijkwaardige dienst aan te bieden tevens verband met het feit dat de „RIC-ketens” (een manier om door middel van één enkele identifier toegang te krijgen tot een groep effecten) uitgesloten zijn van de door TR aangeboden licenties, terwijl de banken en de financiële instellingen toegang nodig hebben tot de RIC-ketens, die voor hen een van de voornaamste middelen vormen om gegevens op te vragen. Doordat krachtens de toezeggingen enkel de meest elementaire gegevens beschikbaar zijn, is het voor een andere aanbieder niet mogelijk deze ketens te reconstrueren of ermee te „mappen” zonder toegang tot de onderliggende gegevens. Tot slot merkt verzoekster op dat naar haar weten geen enkele klant van TR een beroep heeft gedaan op een concurrerende aanbieder van geconsolideerde realtime datafeeds. Indien een groot aantal ondernemingen licenties probeerde te verkrijgen en te exploiteren, zouden daar op de markt bewijzen van bestaan. Volgens verzoekster is dit evenwel niet het geval, en zij herhaalt dan ook de door haar tijdens de administratieve procedure reeds verdedigde opvatting dat het erg onwaarschijnlijk is dat de klanten van TR zullen overschakelen naar andere aanbieders.

50      In de eerste plaats betoogt de Commissie dat een ERL die TR’s klanten toestaat om de RIC’s te gebruiken teneinde gegevens op te zoeken in de datafeeds van andere aanbieders, zonder dat zij evenwel verplicht zijn om hun toepassingen aan te passen, volstaat als tegemoetkoming aan de bezorgdheden in verband met de beperkingen op het gebruik van RIC’s wanneer wordt overgeschakeld naar een andere aanbieder. In de tweede plaats stelt zij dat een TPDL die de externe ontwikkelaars toestaat om tabellen voor mapping tussen de RIC’s en de coderingssystemen van andere aanbieders te creëren en te onderhouden, eveneens volstaat als tegemoetkoming aan de bezorgdheden in verband met de beperkingen op het gebruik van RIC’s voor de creatie van dergelijke tabellen. De Commissie wijst ter illustratie op diverse clausules en voorwaarden van de ERL- en de TPDL-overeenkomst die tot doel hebben de overschakeling naar een andere aanbieder te vergemakkelijken. In deze context vermeldt zij dat een ERL op wereldschaal wordt toegekend aan een in aanmerking komende klant indien deze daadwerkelijk een handelsactiviteit uitoefent in de EER, dat een ERL eeuwigdurend is mits zij door de in aanmerking komende klant is aangevraagd binnen de vijf jaar na de ingangsdatum, dat de in aanmerking komende klant op ieder ogenblik het aantal in aanmerking komende RIC’s kan verhogen of verminderen naargelang zijn commerciële behoeften, en dat TR aan de in aanmerking komende klanten regelmatig updates van de in aanmerking komende RIC’s zal aanbieden en de cross-referencing-informatie zal verstrekken die nodig is voor een unieke identificatie van de onderliggende realtime marktgegevens.

51      Tot slot voert de Commissie aan dat geen van de door verzoekster aangevoerde argumenten afdoet aan de conclusie dat de definitieve toezeggingen volstaan als tegemoetkoming aan haar bezorgdheden.

52      Zij voert in dit verband aan dat een concurrent een partnerschap kan aangaan met een externe ontwikkelaar teneinde aan TR’s klanten een gepersonaliseerde en volledig geïntegreerde dienst voor de overstap naar een concurrerende aanbieder te verstrekken, dat de klanten doorgaans een eigen, specifieke IT-architectuur hebben, zodat zij onvermijdelijk aanpassingen zullen moeten doorvoeren en kosten zullen moeten dragen indien zij overstappen naar een andere aanbieder van geconsolideerde realtime datafeeds, dat de voornaamste klanten van TR wereldwijd actieve financiële instellingen zijn die over de nodige expertise en financiële middelen beschikken om van aanbieder te veranderen als zij menen dat dit in hun commercieel belang is, dat de samenwerking tussen de aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds en externe ontwikkelaars schaalvoordelen kan opleveren, dat er geen reden is om aan te nemen dat de door externe ontwikkelaars opgestelde mapping tables onbetrouwbaarder of trager zijn dan TR’s diensten alsook dat de beweringen in verband met de RIC-ketens voor het eerst in repliek zijn geformuleerd en niet zijn gebaseerd op elementen rechtens of feitelijk waarvan tijdens de administratieve procedure en de procedure bij het Gerecht is gebleken, zodat deze beweringen – die overigens hoe dan ook ongegrond zijn – niet-ontvankelijk moeten verklaard. Tot slot wijst de Commissie erop dat de ERL en de TPDL pas op 20 juni 2013 zijn ingevoerd en dat de overschakeling naar een andere aanbieder een lang en ingewikkeld proces is, zodat het niet hoeft te verbazen dat er tussen de datum van instelling van deze licenties en de neerlegging van het verzoekschrift nog geen overschakeling had plaatsgevonden.

53      Wat allereerst de ontvankelijkheid van het betoog inzake de RIC-ketens en inzake de beperkingen bij de voor elke RIC verstrekte beschrijvende gegevens betreft, moet in herinnering worden gebracht dat uit de artikelen 44, lid 1, onder c), en 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991, in hun onderlinge samenhang gelezen, volgt dat het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, en dat nieuwe middelen niet in de loop van het geding mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

54      Een middel of een argument dat een uitwerking vormt van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend aangevoerd middel en daarmee nauw verband houdt, moet volgens vaste rechtspraak evenwel ontvankelijk worden verklaard (arresten van 19 september 2000, Dürbeck/Commissie, T‑252/97, EU:T:2000:210, punt 39, en van 30 september 2003, Cableuropa e.a./Commissie, T‑346/02 en T‑347/02, EU:T:2003:256, punt 111).

55      In casu moet worden geconstateerd dat dit middel, anders dan de Commissie betoogt, een uitwerking vormt van het in het verzoekschrift aangevoerde eerste middel, waarmee wordt betoogd dat de Commissie de definitieve toezeggingen kennelijk onjuist heeft beoordeeld. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat in het verzoekschrift lange uiteenzettingen over de ontoereikendheid van de definitieve toezeggingen zijn opgenomen. Bijgevolg is het in repliek geformuleerde betoog dat de definitieve toezeggingen lacunes bevatten, zoals het ontbreken van regels over de RIC-ketens, en daardoor niet volstaan om de bezorgdheden van de Commissie weg te nemen, ontvankelijk.

56      Wat vervolgens het onderzoek ten gronde van het eerste middel betreft, is de taak van het Gerecht – gelet op de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt wanneer zij nagaat of de voorgestelde toezeggingen toereikend zijn – beperkt tot het nagaan of deze instelling geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, zoals in punt 41 hierboven reeds in herinnering is gebracht. Inzonderheid zal het Gerecht in het kader van zijn toetsing moeten vaststellen of de door TR voorgestelde toezeggingen zijn afgestemd op de bezorgdheden die de Commissie in haar voorlopige beoordeling heeft geuit. Die toezeggingen moeten namelijk, zoals reeds is opgemerkt, afdoende tegemoetkomen aan deze bezorgdheden.

57      Voorts moet de rechtmatigheid van het besluit waarbij de toezeggingen verbindend zijn verklaard, worden getoetst tegen de achtergrond van de bezorgdheden van de Commissie en niet tegen de achtergrond van de vereisten die de concurrenten in verband met de inhoud van de toezeggingen hebben geformuleerd.

58      In het licht van de bezorgdheden van de Commissie, zoals deze in haar voorlopige beoordeling zijn uitgedrukt, bestaat het gepaste criterium er dus in na te gaan of de toezeggingen volstaan om afdoende tegemoet te komen aan deze bezorgdheden, die in casu betrekking hadden op het feit dat klanten gemakkelijker moesten kunnen overschakelen naar een andere aanbieder.

59      Het feit dat deze bezorgdheden konden worden weggenomen door TR’s concurrenten op te nemen in de licentievoorwaarden, zoals verzoekster suggereert, toont op zich overigens niet aan dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout, en de omstandigheid dat andere toezeggingen eveneens hadden kunnen worden aanvaard en misschien zelf gunstiger waren geweest voor de mededinging, kan niet tot de nietigverklaring van dit besluit leiden voor zover de Commissie redelijkerwijs kon concluderen dat de in het bestreden besluit overgenomen toezeggingen ervoor zorgden dat de in haar voorlopige beoordeling geuite bezorgdheden uit de weg werden geruimd.

60      In herinnering zij geroepen dat het bestreden besluit een reeks toezeggingen ten uitvoer brengt die waren voorgesteld door TR, wier activiteit aanleiding gaf tot bezorgdheden op mededingingsgebied, en dat verzoekster in wezen stelt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door toezeggingen verbindend te verklaren die niet afdoende aan deze bezorgdheden tegemoetkomen.

61      Verzoeksters stelling dat de concurrenten geen doeltreffende overschakelingsmogelijkheid kunnen bieden omdat zij – doordat zij van de betrokken licentieovereenkomsten zijn uitgesloten – geen volledig geïntegreerde dienst kunnen aanbieden, moet worden afgewezen.

62      Het is immers van belang om eraan te herinneren dat de bezorgdheden van de Commissie betrekking hadden op de beperkingen die aan TR’s klanten werden opgelegd en op het feit dat derden werd verhinderd om te mappen tussen de verschillende codes, waardoor het erg moeilijk was om van aanbieder te veranderen. De door de Commissie aanvaarde toezeggingen concentreren zich dus voornamelijk op de aan de klanten geboden mogelijkheden om van aanbieder te veranderen, hetzij op eigen kracht, hetzij middels een samenwerking met een externe ontwikkelaar. In die zin was de Commissie van mening dat de bezorgdheden op het gebied van de mededinging uit de weg konden worden geruimd door van TR gedragswijzigingen te eisen, zij het niet ten aanzien van haar concurrenten, maar ten aanzien van haar klanten en van derden. Die vaststelling, namelijk dat de toezeggingen op het eerste gezicht de klanten en externe ontwikkelaars betreffen, wordt ondersteund door de mogelijkheden die aan deze laatsten worden geboden om samen te werken en elkaar bij te staan bij de ontwikkeling van mapping tables met behulp van de door TR voorgestelde licenties. De klanten van TR kunnen ook opteren voor externe ontwikkelaars die partnerschappen zijn aangegaan met concurrerende aanbieders. Deze partnerschappen houden in dat wordt samengewerkt voor het ontwerpen, realiseren, bijwerken en bevorderen van de mapping tables, alsook dat een aftersales-dienst wordt aangeboden. Aldus worden aan de klanten van TR verschillende mogelijkheden geboden om van aanbieder te veranderen, en dit zowel binnen als buiten de grenzen van hun infrastructuur.

63      Door deze toezeggingen te aanvaarden, stelde de Commissie zich dus op het standpunt dat het, teneinde een antwoord te bieden op de door haar geuite bezorgdheden, niet nodig was TR’s concurrenten op te nemen in de licentievoorwaarden. Zoals uit het bestreden besluit voortvloeit, was de Commissie bovendien van mening dat de verlening van toegang tot de RIC’s aan TR’s concurrenten verder ging dan noodzakelijk was om een antwoord te bieden op die bezorgdheden. Gelet op de vaststellingen van het Gerecht in punt 62 hierboven, heeft de Commissie in dit opzicht geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt.

64      Tevens moet het argument worden afgewezen dat het erg onwaarschijnlijk is dat een externe ontwikkelaar mapping tables creëert en het dus om een louter theoretische mogelijkheid gaat, alsook dat die mapping tables onvoldoende betrouwbaar en onvoldoende snel zijn wanneer zij door derden worden ontworpen.

65      Het is niet nodig om te herinneren aan de verschillende mogelijkheden voor externe ontwikkelaars om mapping tables op te stellen, waardoor de waarschijnlijkheid dat dit gebeurt, verhoogt, maar met betrekking tot het vermeende gebrek aan betrouwbaarheid en snelheid van deze mapping tables moet wel worden opgemerkt dat verzoekster geen concrete argumenten tot staving van die beweringen aanvoert. Alleen al om die reden kunnen zij worden afgewezen.

66      Ingeval een klant een betrouwbaarheidsgarantie zou eisen, kunnen een externe ontwikkelaar en een concurrerende aanbieder trouwens overeenkomen deze aan die klant te verstrekken overeenkomstig de clausule in punt 1.3, onder c), iii), van de TPDL. De toezeggingen sluiten de mogelijkheid daartoe immers niet uit. Bijgevolg is het perfect mogelijk een antwoord te bieden op de eventuele vrees van een klant en hem aldus gerust te stellen wanneer hij overweegt van aanbieder te veranderen. Verder hebben TR’s klanten niet alleen de mogelijkheid om een ERL-overeenkomst af te sluiten teneinde voor al hun toepassingen over te schakelen naar een andere aanbieder van geconsolideerde realtime datafeeds, maar kunnen zij er ook voor kiezen om voor een periode van minstens twaalf maanden gedeeltelijk over te schakelen. Een dergelijke gedeeltelijke overschakeling kan een klant in staat stellen om de betrouwbaarheid van een concurrerende gegevensbron te beoordelen door tegelijkertijd te werken met toepassingen die TR’s gegevensbron gebruiken en toepassingen die de concurrerende gegevensbron gebruiken. Die mogelijkheid maakt het voor de klant eenvoudiger om van aanbieder te veranderen.

67      Evenmin kan het argument worden aanvaard dat TR’s klanten zelf alle lasten en kosten van een overstap moeten dragen. In herinnering zij gebracht dat de bezorgdheden van de Commissie voornamelijk betrekking hadden op de beperkingen voor klanten van TR in verband met het gebruik van de RIC’s. Als gevolg van deze beperkingen was het hun verboden om in feeds van concurrerende aanbieders gegevens op te zoeken door gebruik te maken van de RIC’s, zelfs met behulp van mapping tables. Doordat de RIC-codes geïntegreerd zijn in de IT-toepassingen van de klanten, dienen deze toepassingen te worden herschreven wanneer de betrokken klanten willen overstappen naar een andere aanbieder, aangezien deze verandering van aanbieder in de praktijk inhield dat het gebruikte symbolensysteem moest worden gewijzigd, dit ten gevolge van de door TR opgelegde beperkingen. De klanten beschouwen een dergelijk proces van wijziging van de toepassingen als lang en duur. Uit de door de Commissie verrichte marktonderzoeken, waarvan de conclusies in de voorlopige beoordeling zijn opgenomen, blijkt immers dat de kosten voor de omzetting van codes het grootste deel van de overstapkosten uitmaken. Deze kosten zijn soms moeilijk te becijferen, met name omdat iedere klant zijn eigen IT-architectuur heeft. Niettemin heeft de Commissie in haar voorlopige beoordeling aangegeven dat de klanten die de overstapkosten grondig hadden geëvalueerd, deze kosten prohibitief vonden en meenden dat zij de klanten konden ontmoedigen om van aanbieder te veranderen. Als reactie op deze bezorgdheden heeft TR de klanten en de externe ontwikkelaars dus de mogelijkheid geboden om tabellen voor mapping tussen de RIC’s en het symbolensysteem van de nieuwe aanbieders te creëren, zodat de toepassingen niet meer hoeven te worden gewijzigd. Deze toezeggingen maken dus een reële vooruitgang uit voor de klanten van TR, die geen torenhoge kosten meer hoeven te dragen wanneer zij van aanbieder willen veranderen, aangezien hun IT-toepassingen niet meer diepgaand hoeven te worden gewijzigd. Het opstellen van een mapping table door de klant – hetzij intern, hetzij met behulp van een externe ontwikkelaar – kan weliswaar eveneens kosten meebrengen, maar de toezeggingen hebben, zoals hierboven reeds is opgemerkt, niet tot doel om alle kosten te doen verdwijnen, maar wel om de overstap naar een andere aanbieder bereikbaarder te maken door ervoor te zorgen dat de kosten ervan redelijk zijn.

68      Voorts moet worden vastgesteld dat een wijziging van de IT-systemen en ‑toepassingen hoe dan ook kosten met zich kan brengen die door de klant moeten worden gedragen, met name gelet op het feit dat de IT-architectuur van iedere klant specifiek is. Bovendien zijn deze klanten doorgaans wereldwijd actieve instellingen of ondernemingen, die over de financiële middelen kunnen beschikken om dergelijke kosten te dragen.

69      Met de Commissie moet ook worden geconstateerd dat de samenwerking tussen aanbieders van geconsolideerde realtime datafeeds en externe ontwikkelaars schaalvoordelen kan genereren. Deze schaalvoordelen zorgen voor een daling van de overstapkosten, hetgeen voor de klanten – ook voor de klanten van bescheiden omvang – een extra incentive kan vormen om van aanbieder te veranderen.

70      Tot slot zijn ook de argumenten in verband met het ontbreken van gegevens over de RIC-ketens en in verband met de beperkingen inzake de beschrijvende gegevens voor iedere RIC, waardoor de concurrerende aanbieders wordt verhinderd een gelijkwaardige dienst aan te bieden, ongegrond. In de eerste plaats moet in dit verband worden opgemerkt dat tijdens de administratieve procedure noch verzoekster noch een andere derde ook maar enige bezorgdheid heeft geuit over het feit dat bepaalde RIC-ketens niet binnen het toepassingsgebied van de door TR aangeboden licenties zouden vallen. De enige RIC-ketens met betrekking waartoe wel bezorgdheid was gerezen tijdens de administratieve procedure, waren namelijk de indices, en TR is overeenkomstig punt 2.8 van de definitieve toezeggingen en punt 1.6 van de ERL-overeenkomst gehouden om gegevens in verband met de indices te verstrekken. In de tweede plaats blijkt uit het dossier dat de reden waarom de door TR verstrekte gegevens in bepaalde gevallen mogelijkerwijs niet de door de beurs toegekende ticker aangeven, hierin ligt dat deze ticker niet de enige zekere manier vormt om een instrument te identificeren door de bron ervan op te sporen. Relatief eenvoudige financiële instrumenten, zoals beursgenoteerde effecten, kunnen worden geïdentificeerd door middel van ofwel het betrokken handelsplatform, de valuta en de officiële code, ofwel het betrokken handelsplatform, de valuta en de beschrijving ervan. TR dient deze informatie overeenkomstig punt 2.12 van de definitieve toezeggingen aan de houders van ERL’s te verstrekken. Dit geldt ook voor complexere financiële instrumenten, zoals die welke onderhands worden verhandeld, met betrekking waartoe TR de door de beurs toegekende ticker moet verstrekken indien enkel dit de unieke identificatie van het instrument mogelijk maakt.

71      Afgezien van de in punt 13 hierboven vermelde geschillenbeslechtingsprocedure, waarin een bepaalde rol is weggelegd voor de gemachtigde die moet toezien op de naleving van de toezeggingen, bepaalt punt 6, onder f), van bijlage V bij de definitieve toezeggingen voorts uitdrukkelijk dat deze gemachtigde zal bijdragen tot het oplossen van iedere onenigheid inzake gegevensverzoeken in verband met de door TR verstrekte cross-referencing-informatie. Indien de door de beurs toegekende ticker daadwerkelijk de enige manier is om de onderliggende realtime marktgegevens op unieke wijze te identificeren, zal de gemachtigde die de follow-up moet verzorgen, in staat zijn om dit aan TR te signaleren.

72      Concluderend moet de vraag of de Commissie in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat de door TR voorgestelde toezeggingen haar bezorgdheden wegnamen, bevestigend worden beantwoord. Bijgevolg moet het middel waarmee wordt aangevoerd dat het besluit op een kennelijke beoordelingsfout berust, worden afgewezen.

73      Wat daarnaast verzoeksters stelling betreft dat er tot op heden nog geen enkele klant van aanbieder is veranderd, wat volgens verzoekster een aanwijzing vormt van het feit dat de toezeggingen niet werken, moet erop worden gewezen dat het onderzoek van de Commissie een prospectief onderzoek is, net zoals bij procedures van toezicht op concentraties van ondernemingen het geval is. De Commissie moet een besluit geven waarin zij een prognose doet en waarin zij dus inschat hoe de markt zich in de toekomst zal gedragen wanneer de toezeggingen ten uitvoer worden gelegd. Zoals reeds is opgemerkt, berust de beoordeling van de Commissie dat de definitieve toezeggingen geschikt zijn om aan de geuite bezorgdheden tegemoet te komen, niet op een kennelijke vergissing. Het antwoord op de vraag of de definitieve toezeggingen intussen een concreet effect hebben teweeggebracht op de betrokken markt kan, ongeacht hoe het luidt, niet afdoen aan de vaststelling dat deze toezeggingen, op het ogenblik waarop het bestreden besluit werd vastgesteld, op zich volstonden om de opgemerkte mededingingsproblemen weg te werken.

74      In dit verband moet worden opgemerkt dat de definitieve toezeggingen, zoals zij door de Commissie zijn aanvaard, het voor een klant van TR die naar een andere aanbieder wil overstappen, gemakkelijker maken om dit te doen. Dat het gemakkelijker wordt om over te stappen, betekent evenwel niet dat een klant noodzakelijkerwijze naar een andere aanbieder zal overstappen indien hij bijvoorbeeld tevreden is over de door TR aangeboden diensten en voorwaarden.

75      Uit een en ander volgt dat het eerste middel moet worden verworpen.

 Tweede middel: de Commissie heeft artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 geschonden

76      Verzoekster erkent dat artikel 9 van verordening nr. 1/2003 de Commissie toestaat om toezeggingen te aanvaarden wanneer door middel daarvan een antwoord kan worden geboden op de door de Commissie geuite bezorgdheden. Zij mag echter geen toezeggingen aanvaarden waarmee de geuite bezorgdheden kennelijk niet geheel – of zelfs niet in aanzienlijke mate – uit de weg kunnen worden geruimd. De Commissie is, door toezeggingen te aanvaarden waarmee kennelijk niet wordt tegemoetgekomen aan de geuite bezorgdheden, de bevoegdheden te buiten gegaan die haar bij artikel 9 van verordening nr. 1/2003 zijn toebedeeld en is derhalve ultra vires opgetreden.

77      De Commissie en interveniëntes concluderen tot afwijzing van dit middel.

78      Zoals in punt 40 hierboven reeds is opgemerkt, beschikt de Commissie bij het onderzoek van de toezeggingen over een ruime beoordelingsmarge. In het kader van een procedure op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 is de Commissie, zoals uit overweging 13 van deze verordening blijkt, vrijgesteld van haar verplichting de inbreuk in kwestie te benoemen en te constateren. In een dergelijk geval is haar rol beperkt tot het onderzoeken en het eventueel aanvaarden – tegen de achtergrond van de in haar voorlopige beoordeling vastgestelde moeilijkheden en van de door haar nagestreefde doelstellingen – van de toezeggingen die de betrokken ondernemingen hebben voorgesteld. Het staat aan de Commissie om de toezeggingen in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid te aanvaarden, nadat zij is nagegaan of deze tegemoetkomen aan de geuite bezorgdheden. Dienaangaande is reeds vastgesteld dat de Commissie geen kennelijke fouten heeft gemaakt bij haar beoordeling of de betrokken toezeggingen volstonden, zodat het argument dat zij haar bevoegdheid heeft overschreden en aldus ultra vires is opgetreden door deze toezeggingen te aanvaarden, moet worden afgewezen. De afwijzing van het eerste middel brengt dus ook de afwijzing van het tweede middel met zich.

 Derde middel: de Commissie heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden

79      Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit inbreuk maakt op het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Commissie in de eerste plaats ongeschikte toezeggingen heeft aanvaard en zij in de tweede plaats geen rekening heeft gehouden met de belangen van derden.

80      Onder verwijzing naar het arrest van 11 juli 2007, Alrosa/Commissie (T‑170/06, EU:T:2007:220), alsook naar het arrest in hogere voorziening van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa (C‑441/07, EU:C:2010:377), voert verzoekster aan dat de verplichting voor de Commissie om het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen wanneer zij besluit om de aangeboden toezeggingen krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 verbindend te verklaren, inhoudt dat de door de Commissie genomen maatregel geschikt en noodzakelijk moet zijn om het nagestreefde doel te bereiken. Door ongeschikte toezeggingen te aanvaarden, heeft de Commissie volgens verzoekster dus inbreuk gemaakt op dit beginsel.

81      De Commissie zou het evenredigheidsbeginsel eveneens hebben geschonden doordat zij, ondanks de door derden geuite bezorgdheden, geen rekening heeft gehouden met de voorzienbare en voorziene ondoeltreffendheid van de toezeggingen, zoals in het kader van het eerste middel reeds is uiteengezet.

82      De Commissie en interveniëntes concluderen tot afwijzing van dit middel.

83      In dit verband moet worden opgemerkt dat uit het antwoord op de eerste twee middelen voortvloeit dat ook het derde middel moet worden afgewezen.

84      Het evenredigheidsbeginsel verlangt dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken, met dien verstande dat wanneer een keuze tussen meerdere geschikte maatregelen mogelijk is, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting meebrengt (arresten van 17 mei 1984, Denkavit Nederland, 15/83, EU:C:1984:183, punt 25, en van 11 juli 1989, Schräder HS Kraftfutter, 265/87, EU:C:1989:303, punt 21).

85      Als algemeen beginsel van Unierecht vormt het evenredigheidsbeginsel een maatstaf voor de rechtmatigheid van alle handelingen van de instellingen van de Unie. Daarbij zij evenwel aangetekend dat bij het onderzoek van het optreden van de Commissie steeds zowel de vraag aan de orde is naar de exacte omvang en de limieten van de verplichtingen die ter inachtneming van het evenredigheidsbeginsel moeten worden nagekomen, als de vraag naar de grenzen van het uitgeoefende rechterlijk toezicht (zie in die zin arrest van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07, EU:C:2010:377, punten 36 en 37).

86      Zoals uit de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak volgt, is de toepassing door de Commissie van het evenredigheidsbeginsel in de context van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 ertoe beperkt, te verifiëren of de toezeggingen in kwestie tegemoetkomen aan de bezorgdheden die zij aan de betrokken ondernemingen te kennen heeft gegeven, alsook of deze laatste geen minder belastende toezeggingen hebben aangeboden die op even passende wijze aan haar bezorgdheden tegemoetkomen.

87      Bovendien strekt het rechterlijk toezicht zich enkel uit tot de vraag of de beoordeling van de Commissie kennelijk onjuist is.

88      In het kader van het eerste middel is reeds opgemerkt dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door aan te nemen dat met de door TR voorgestelde definitieve toezeggingen kon worden tegemoetgekomen aan de bezorgdheden die deze instelling in haar voorlopige beoordeling had geuit.

89      Indien ondernemingen krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 toezeggingen voorstellen die verder gaan dan de verplichtingen die de Commissie hun zou kunnen opleggen in een besluit dat zij na een grondig onderzoek overeenkomstig artikel 7 van deze verordening zou hebben vastgesteld, kan de Commissie deze toezeggingen overigens aanvaarden en verbindend maken. Zij mag op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 echter niet vereisen dat zulke toezeggingen worden gedaan.

90      Gelet op het voorgaande moet het derde middel worden afgewezen.

 Vierde middel: de Commissie heeft de motiveringsplicht geschonden

91      Verzoekster betoogt dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft uitgelegd waarom de definitieve toezeggingen op passende wijze tegemoetkomen aan de bezorgdheden op mededingingsgebied waarvan TR bij de voorlopige beoordeling op de hoogte is gesteld, aangezien deze toezeggingen het de concurrerende aanbieders van realtime datafeeds niet toestaan om een TPDL-overeenkomst af te sluiten.

92      Verzoekster brengt dienaangaande in herinnering dat zij de Commissie er tijdens de procedure die aanleiding heeft gegeven tot het bestreden besluit herhaaldelijk op heeft gewezen dat de toezeggingen ondoeltreffend zouden zijn indien de concurrenten de in die toezeggingen bedoelde licenties niet zouden kunnen aangaan. In punt 6.3 van het bestreden besluit maakt de Commissie gewag van het feit dat hierover bezorgdheid is geuit, maar zij legt niet uit waarom zij geen rekening heeft gehouden met deze kritiek.

93      De Commissie en interveniëntes betwisten verzoeksters argumenten.

94      Verzoekster stelt dat zij op grond van de motivering van het bestreden besluit niet kan begrijpen waarom de Commissie heeft geconcludeerd dat de toezeggingen passend zijn ondanks het feit dat de concurrenten zijn uitgesloten uit de werkingssfeer ervan.

95      Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke of juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punten 166 en 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96      De Commissie is niet verplicht een standpunt in te nemen over alle argumenten die de belanghebbenden bij haar hebben aangevoerd, maar kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en overwegingen rechtens die in het bestek van haar besluit van wezenlijk belang zijn. Inzonderheid hoeft zij geen standpunt in te nemen over gegevens die kennelijk niet ter zake doende, zonder betekenis of duidelijk bijkomstig zijn (arresten van 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T‑349/03, EU:T:2005:221, punt 64, en van 16 juni 2011, Air liquide/Commissie, T‑185/06, EU:T:2011:275, punt 64).

97      Wat besluiten betreft waarbij krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 gedane toezeggingen verbindend worden verklaard, komt de Commissie haar motiveringsplicht na indien zij toelicht op grond van welke feitelijke en juridische gegevens zij tot de conclusie is gekomen dat met de aangeboden toezeggingen op passende wijze wordt tegemoetgekomen aan de door haar gesignaleerde bezorgdheden op mededingingsgebied, zodat zij niet meer hoeft op te treden.

98      In casu hebben de overwegingen 48 tot en met 90 (punten 5.1‑6.7) van het bestreden besluit betrekking op de door TR voorgestelde toezeggingen en de reacties van derden op deze toezeggingen.

99      Uit deze overwegingen blijkt dat de Commissie heeft uiteengezet waarom met de toezeggingen wordt tegemoetgekomen aan de geuite bezorgdheden alsook – in antwoord op de opmerkingen van derden – waarom de in deze opmerkingen aan de orde gestelde kwesties verder gaan dan de bezorgdheden op mededingingsgebied die in de voorlopige beoordeling zijn geformuleerd (overwegingen 77, 84, 86 en 89 van het bestreden besluit). Wat meer in het bijzonder verzoeksters verwijt betreft, moet worden geconstateerd dat de Commissie in overweging 77 van het bestreden besluit heeft vermeld dat bepaalde derden van mening waren dat de concurrenten toegang moesten krijgen tot de RIC’s, aangezien zij het beste in staat zijn om de mapping tables en technische bijstand te verstrekken. Uit overweging 78 van dat besluit volgt dat de Commissie van oordeel was dat het verlenen van toegang tot de RIC’s aan TR’s concurrenten verder zou gaan dan nodig was om tegemoet te komen aan de bezorgdheden op mededingingsgebied. In overweging 79 van het bestreden besluit heeft zij eraan toegevoegd dat „externe ontwikkelaars krachtens de voorgestelde toezeggingen het recht krijgen om aan concurrerende aanbieders van marktgegevens beschrijvende referentiegegevens in verband met RIC’s (zij het niet de RIC’s zelf) te verstrekken wanneer de externe ontwikkelaars er zelf niet in geslaagd zijn om het mapping-proces succesvol af te ronden” alsook dat „deze informatie-uitwisseling concurrerende aanbieders van marktgegevens in staat stelt om hun eigen symbolensysteem met betrekking tot dezelfde referentiegegevens aldus te mappen dat een externe ontwikkelaar exacte en doeltreffende mapping kan verrichten”.

100    Uit deze vaststellingen volgt dat de Commissie haar motiveringsplicht is nagekomen, aangezien zij duidelijk en ondubbelzinnig heeft vermeld op grond van welke feiten en juridische overwegingen zij tot de conclusie is gekomen dat de toezeggingen volstaan om tegemoet te komen aan de geuite bezorgdheden op mededingingsgebied. Daar deze preciseringen het Gerecht in staat stellen de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid bij de vaststelling van het bestreden besluit daadwerkelijk te toetsen, is dit besluit dienaangaande toereikend gemotiveerd.

101    De Commissie is overigens weliswaar gehouden om het door haar gegeven besluit te motiveren, maar zij hoeft niet uit te leggen waarom zij geen ander besluit heeft gegeven (zie in die zin de in de punten 95 en 96 aangehaalde rechtspraak).

102    Voor zover verzoeksters betoog aldus kan worden opgevat dat daarmee wordt aangevoerd dat de definitieve toezeggingen niet passend zijn, moet in herinnering worden geroepen dat een dergelijke kwestie geen betrekking heeft op een schending van wezenlijke vormvereisten waardoor het bestreden besluit onrechtmatig kan zijn, maar wel op de gegrondheid van de beoordeling die de Commissie met betrekking tot de aangeboden toezeggingen heeft verricht teneinde uit te maken of zij aan de bezorgdheden op mededingingsgebied beantwoordden (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67). Die gegrondheid is in het kader van het eerste, het tweede en het derde middel van het onderhavige beroep reeds onderzocht.

103    Derhalve dient het vierde middel te worden afgewezen en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

104    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

105    Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en interveniëntes te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Morningstar, Inc. wordt verwezen in de kosten.

Gratsias

Kancheva

Wetter

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 september 2016.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.