Language of document : ECLI:EU:C:2016:696

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 15 september 2016 (1)

Zaak C‑503/15

Ramón Margarit Panicello

tegen

Pilar Hernández Martínez

Verzoek van de Secretario Judicial del Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa (griffier van de voor geweld tegen vrouwen bevoegde rechterlijke instantie van Terrassa, Spanje) om een prejudiciële beslissing

„Prejudiciële verwijzing – Voorlegging aan het Hof – Nationale rechter – Begrip – Griffier – ‚Jura de cuentas’-procedure – Advocatenhonoraria – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten – Richtlijn 2005/29 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op onpartijdig gerecht – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten”





I –    Inleiding

1.        In de onderhavige prejudiciële procedure gaat het in wezen om de verenigbaarheid van een nationale procedure voor de vereenvoudigde invordering van advocatenhonoraria („‚jura de cuentas’-procedure”) met richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.(2)

2.        Deze vraag, die ook in meerdere andere bij het Hof aanhangige zaken speelt, heeft in Spanje een groot belang, aangezien daar op dit moment tal van „jura de cuentas”-procedures in afwachting van een antwoord van het Hof zijn geschorst.(3)

3.        Voordat het Hof deze vraag kan behandelen, zal het evenwel moeten onderzoeken of de verwijzende, met de uitvoering van de betrokken procedure belaste griffier („Secretario Judicial”) een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267 VWEU.

4.        Mocht dit bevestigend worden beantwoord, dan biedt de onderhavige procedure het Hof de gelegenheid zijn rechtspraak inzake de concrete vereisten van een doeltreffende waarborging van de in het Unierecht verankerde consumentenbescherming in nationale kortgedingprocedures en procedures tot gedwongen executie verder te ontwikkelen. Hierbij zal het Hof niet alleen worden verzocht om zich uit te spreken over richtlijn 93/13, maar ook over richtlijn 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken(4) alsmede over artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

II – Toepasselijke bepalingen

A –    Unierecht

1.      Richtlijn 93/13

5.        Artikel 4 van richtlijn 93/13 is als volgt geformuleerd:

„1. […] worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst […] in aanmerking genomen […].

2. De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie […] te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

6.        Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:

„1.      De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

7.        Artikel 7 van richtlijn 93/13 bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

2. De in lid 1 bedoelde middelen dienen wettelijke bepalingen te omvatten waarbij personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, overeenkomstig het nationale recht een beroep kunnen doen op de rechtbanken of de bevoegde administratieve instanties om te oordelen of contractuele bedingen die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn, en de passende en doeltreffende middelen aan te wenden om een eind te maken aan het gebruik van deze bedingen.”

8.        Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 bevat deze in de bijlage een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Punt 1, onder q), van deze bijlage noemt

„het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden, door de bewijsmiddelen waarop de consument een beroep kan doen op ongeoorloofde wijze te beperken of hem een bewijslast op te leggen die volgens het geldende recht normaliter op een andere partij bij de overeenkomst rust.”

2.      Richtlijn 2005/29

9.        Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„2. Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.”

10.      Artikel 6, lid 1, onder d), van richtlijn 2005/29 definieert „misleidende handelingen” als volgt:

„1. Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

d) de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel”

11.      Artikel 7, lid 1, definieert „misleidende omissies” als volgt:

„1. Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument er toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.”

12.      Overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder c), wordt

„4. [...i]n het geval van een uitnodiging tot aankoop […] de volgende informatie als essentieel beschouwd, indien deze niet reeds uit de context blijkt:

c) de prijs […]”

13.      Artikel 11 van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„1. De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.

Daartoe behoren wettelijke bepalingen op grond waarvan personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een rechtmatig belang hebben bij het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken, met inbegrip van de concurrenten:

a)      in rechte kunnen optreden tegen die oneerlijke handelspraktijken,

en/of

b)      die oneerlijke handelspraktijken kunnen voorleggen aan een administratieve instantie die bevoegd is om hetzij zelf een uitspraak te doen over een klacht, hetzij een passende gerechtelijke procedure in te leiden.

[…]”

14.      Artikel 12 van richtlijn 2005/29 luidt als volgt:

„De lidstaten verlenen de rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, tijdens de in artikel 11 bedoelde civielrechtelijke of administratieve procedure,

a)      te eisen dat de handelaar bewijzen aandraagt voor de juistheid van de feitelijke beweringen in verband met een handelspraktijk indien, met inachtneming van de rechtmatige belangen van de handelaar en van elke andere partij bij de procedure, die eis passend lijkt, gelet op de omstandigheden van de zaak in kwestie,

en

b)      feitelijke beweringen als onjuist te beschouwen, indien de overeenkomstig het bepaalde onder a) geëiste bewijzen niet worden aangedragen of door de rechterlijke of administratieve instanties onvoldoende worden geacht.”

B –    Spaans recht

15.      Aangezien zowel voor het beantwoorden van de vraag of de Secretario Judicial als een rechterlijke instantie kan worden beschouwd, als voor de bespreking van de prejudiciële vragen die betrekking hebben op de verenigbaarheid van het Spaanse recht met het Unierecht, de toepasselijke bepalingen van het Spaanse recht moeten worden onderzocht, zullen deze hieronder worden weergegeven.

1.      Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial

16.      De Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial (organieke wet op de rechterlijke organisatie; hierna: „LOPJ”)(5) regelt in boek V, titel II (artikelen 440 tot en met 469 bis), onder het opschrift „Beroepsgroep van de Secretarios Judiciales”, de juridische status en de taken van de griffiers van de rechterlijke instanties.

17.      Na indiening van het aan de onderhavige procedure ten grondslag liggende verzoek werd de LOPJ gewijzigd bij de organieke wet 7/2015(6) en werd de naam van de „Secretarios Judiciales” gewijzigd in „Letrados de la Administración de Justicia”. In overeenstemming met de overgangsbepalingen van de organieke wet 7/2015 en het betoog van partijen in de onderhavige procedure die uitgaan van een onmiddellijke toepasselijkheid van de bij deze wet ingevoerde wijzigingen, zullen in het vervolg van deze conclusie de bepalingen van de LOPJ in hun bij de organieke wet 7/2015 gewijzigde versie worden toegepast. Voor een beter begrip zal ik evenwel de benaming „Secretario Judicial” voor de verwijzende instantie blijven gebruiken.(7)

18.      Overeenkomstig artikel 440 LOPJ zijn de Secretarios Judiciales onder het ministerie van Justitie ressorterende ambtenaren en behoren zij tot het justitieel personeel. De artikelen 442 en 450 van de LOPJ bepalen dat de kandidaten voor het ambt van Secretario Judicial door middel van selectieprocedures worden gekozen en benoemd. In artikel 443, lid 2, LOPJ worden limitatief de gevallen opgesomd waarin een Secretario Judicial uit zijn functie wordt ontheven. Dit is met name het geval bij strafrechtelijke veroordelingen of bij ontslag in het kader van een tuchtmaatregel. Verder bepaalt artikel 468 quater, lid 2, tweede alinea, juncto artikel 468 bis, lid 1, LOPJ dat de Secretarios Judiciales alleen in de vermelde gevallen van uitermate ernstige misdragingen uit hun functie kunnen worden ontheven. Ten slotte bevat artikel 446 LOPJ de regeling van de verschoning en de wraking van de Secretarios Judiciales die verregaand overeenstemt met die van de rechters.

19.      Verder bepaalt artikel 452, lid 1, eerste zin, LOPJ dat de Secretarios Judiciales bij de uitoefening van hun functie steeds de beginselen van wettigheid en onpartijdigheid moeten eerbiedigen, dat zij hun bevoegdheid tot het opmaken van akten autonoom en onafhankelijk uitoefenen en dat zij in het algemeen verplicht zijn aanwijzingen van hun meerderen op te volgen. Artikel 452, lid 1, tweede zin, LOPJ bepaalt dat de taken van de Secretarios Judiciales met uitzondering van de in artikel 451, lid 3, LOPJ genoemde bevoegdheden tot het opmaken van akten niet kunnen worden overgedragen.

20.      Ten slotte bepaalt artikel 465, punt 8, LOPJ dat de leidinggevenden de Secretarios Judiciales geen aanwijzingen kunnen geven met betrekking tot lopende procedures waarvoor dezen bevoegd zijn:

„De Secretarios de Gobierno beschikken over de volgende bevoegdheden:

8. […] Ook mogen zij geen specifieke aanwijzingen geven met betrekking tot concrete zaken waarin een Secretario Judicial als griffier of in uitoefening van zijn bevoegdheden tot vormgeving en regeling van het proces optreedt.”

2.      Real Decreto 1608/2005

21.      Het Real Decreto 1608/2005 por el que se aprueba el Reglamento Orgánico del Cuerpo de Secretarios Judiciales (Koninklijk Decreet 1608/2005 betreffende de goedkeuring van het organieke reglement met betrekking tot de Secretarios Judiciales, hierna: „Real Decreto 1608/2005”)(8) regelt eveneens de rechtspositie van de Secretarios Judiciales.

22.      Artikel 16, onder h), en artikel 21, punt 2, van Real Decreto 1608/2005 bevestigen nog eens dat de leidinggevenden de Secretarios Judiciales geen aanwijzingen kunnen geven met betrekking tot lopende procedures waarvoor dezen bevoegd zijn. Artikel 16, onder h), van Real Decreto 1608/2005 luidt als volgt:

„De Secretarios de Gobierno beschikken over de volgende bevoegdheden, telkens met betrekking tot hun concrete werkgebied:

h) […] Ook mogen zij geen specifieke aanwijzingen geven met betrekking tot concrete zaken waarin een Secretario Judicial als griffier of in uitoefening van zijn bevoegdheden tot vormgeving en regeling van het proces optreedt.”

23.      Artikel 21, punt 2, van Real Decreto 1608/2005 luidt:

„De Secretario General de la Administración de Justicia beschikt over de volgende bevoegdheden:

2) […]

[…] Ook mag hij geen specifieke aanwijzingen geven met betrekking tot concrete zaken waarin een Secretario Judicial als griffier of in uitoefening van zijn bevoegdheden tot vormgeving en regeling van het proces optreedt.”

24.      Overeenkomstig artikel 81, lid 1, onder a), van Real Decreto 1608/2005 hebben de Secretarios Judiciales ieder voor zich het recht om hun status als ambtenaar te behouden, de aan hun beroepsgroep opgedragen taken feitelijk te vervullen en slechts in de wettelijk bepaalde gevallen en onder de bij of krachtens de wet voorziene voorwaarden uit hun functie te worden ontheven.

3.      Ley 1/2000 de Enjuiciamento Civil

25.      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde „jura de cuentas”-procedure is geregeld in de Ley 1/2000 de Enjuiciamento Civil (Spaanse wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, hierna: „LEC”).(9) Met de bij wet 13/2009(10) in de LEC aangebrachte wijzigingen werd de exclusieve bevoegdheid voor deze procedure, die oorspronkelijk onder de rechterlijke bevoegdheid viel, ter ontlasting van de rechters(11) overgedragen aan de Secretarios Judiciales. Hierbij werden de procedurele bepalingen niet gewijzigd.

26.      Na indiening van het verzoek dat ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure, werd de LEC gewijzigd bij wet 42/2015.(12) De hierbij aangebrachte wijzigingen zijn overeenkomstig de overgangsbepalingen van wet 42/2015 echter niet van toepassing op lopende procedures. Bijgevolg worden de hierna genoemde bepalingen van de LEC in hun op de onderhavige procedure toepasselijke versie van vóór de wijziging bij wet 42/2015 vermeld.(13)

27.      Artikel 34 LEC regelt de „jura de cuentas”-procedure voor procureurs. Lid 2, tweede en derde alinea, LEC bepaalt:

„2. […]

Indien de volmachtgever binnen de genoemde termijn verzet aantekent, onderzoekt de Secretario Judicial de declaratie en de procesakten alsmede de overgelegde stukken en neemt hij binnen een termijn van tien dagen een beslissing waarbij het aan de procureur verschuldigde bedrag wordt vastgesteld en waarbij hij erop wijst dat de beslissing ten uitvoer zal worden gelegd, indien niet binnen vijf dagen na de betekening betaling plaatsvindt.

De in de vorige alinea bedoelde beschikking is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel, maar loopt niet vooruit, ook niet gedeeltelijk, op het eventueel later in een gewone procedure te wijzen vonnis.”

28.      Artikel 35 LEC regelt de „jura de cuentas”-procedure voor advocaten en bepaalt:

„1. Advocaten kunnen van de partij die zij in rechte bijstaan, betaling van de hun in de zaak verschuldigde honoraria vorderen door een gespecificeerde declaratie in te dienen en formeel te verklaren dat die honoraria hun verschuldigd zijn en niet zijn voldaan.

2. Na de indiening van deze vordering maant de Secretario Judicial de schuldenaar aan om het genoemde bedrag, vermeerderd met de kosten, te betalen of de declaratie te betwisten, binnen een termijn van tien dagen, op straffe van executie, indien de schuldenaar niet tot betaling of betwisting overgaat.

Indien de honoraria binnen de genoemde termijn worden betwist wegens onverschuldigdheid, is het bepaalde in de tweede en de derde alinea van het tweede lid van het voorgaande artikel van toepassing.

Indien de honoraria worden betwist wegens bovenmatigheid, worden zij eerst overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 241 e.v. aangepast, tenzij de advocaat het bestaan aantoont van een voorafgaande schriftelijke offerte die is aanvaard door de schuldenaar die deze betwist, en wordt het verschuldigde bedrag bij beschikking vastgesteld, en wel op straffe van executie, indien niet binnen een termijn van vijf dagen vanaf de betekening wordt betaald.

De in de vorige alinea bedoelde beschikking is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel, maar loopt niet vooruit, ook niet gedeeltelijk, op het eventueel later in een gewone procedure te wijzen vonnis.

3. Indien de schuldenaar van de honoraria geen verzet aantekent binnen de gestelde termijn, wordt verlof verleend tot tenuitvoerlegging voor het bedrag van de declaratie vermeerderd met de kosten.”

29.      Artikel 206 LEC heeft als opschrift „Soorten beslissingen”. Lid 2 ervan bepaalt:

„2. De beslissingen van de Secretarios Judiciales worden maatregelen en beschikkingen genoemd.”

30.      Artikel 207 LEC, met het opschrift „Eindbeslissingen. Onherroepelijke beslissingen. Kracht van gewijsde”, luidt als volgt:

„1. Eindbeslissingen zijn beslissingen waardoor de procedure in eerste aanleg wordt beëindigd, en beslissingen waarbij over het daartegen ingestelde rechtsmiddel wordt beslist.

2. Onherroepelijke beslissingen zijn beslissingen waartegen geen rechtsmiddel openstaat, aangezien de wet hier niet in voorziet of omdat de wettelijke termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is verstreken, zonder dat een van de partijen een rechtsmiddel heeft ingesteld.

3. Onherroepelijke beslissingen hebben kracht van gewijsde en de rechter die deze heeft vastgesteld, is steeds aan de inhoud ervan gebonden.

4. Indien de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing is verstreken, zonder dat een van de partijen een rechtsmiddel heeft ingesteld, is deze onherroepelijk en heeft zij kracht van gewijsde en is de rechter die deze heeft vastgesteld, steeds aan de inhoud ervan gebonden.”

31.      Artikel 222 LEC heeft als opschrift „Gezag van gewijsde”. Lid 1 ervan luidt:

„1. Het gezag van gewijsde van onherroepelijke rechterlijke uitspraken, ongeacht of daarbij de eis werd ingewilligd of afgewezen, sluit een latere procedure uit waarvan het voorwerp overeenstemt met dat van de procedure waarin dit gezag van gewijsde optreedt.”

32.      Artikel 246, lid 1, LEC waarnaar artikel 35, lid 2, onder 3, LEC verwijst, bepaalt:

„1. Indien wordt opgekomen tegen de vastgestelde honoraria, omdat zij als bovenmatig worden beschouwd, wordt de betrokken advocaat binnen een termijn van vijf dagen gehoord en, indien hij niet instemt met de gevorderde verlaging van de honoraria, wordt een gewaarmerkt afschrift van de processtukken of van enkel de relevante stukken meegedeeld aan de orde van advocaten met het oog op een advies.”

33.      Artikel 517 LEC heeft als opschrift „Tenuitvoerlegging. Executoriale titels”. Lid 1 en lid 2, punt 9.º, bepalen:

„1. De feitelijke tenuitvoerlegging dient te zijn gebaseerd op een titel die voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

2. Voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn uitsluitend de volgende titels:

9.º andere processuele beslissingen en akten die op grond van deze of een andere wet vatbaar zijn voor tenuitvoerlegging.”

34.      Artikel 552 LEC heeft als opschrift „Afwijzing van de uitvoerbaarverklaring. Rechtsmiddelen”. Het eerste lid ervan luidt:

„1. Indien de rechter vaststelt dat niet is voldaan aan de wettelijk voorgeschreven voorwaarden en vereisten van de uitvoerbaarverklaring, wijst hij de uitvoerbaarverklaring bij besluit af.

Indien de rechter vaststelt dat een van de bedingen in één van de in artikel 557, lid 1, bedoelde executoriale titels als oneerlijk zou kunnen worden aangemerkt, zal hij de partijen binnen vijftien dagen horen. Daarna zal hij binnen vijf werkdagen in overeenstemming met artikel 561, lid 1, punt 3.ª, de vereiste maatregelen opleggen.”

35.      Artikel 556 LEC heeft als opschrift „Verzet tegen de tenuitvoerlegging van processuele of arbitrale beslissingen of van overeenkomsten in het kader van mediation”. De leden 1 en 2 ervan bepalen:

„1. Indien de executoriale titel een processuele of arbitrale beslissing is die een veroordeling inhoudt, of een overeenkomst in het kader van mediation is, kan de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van het besluit waarbij deze uitvoerbaar is verklaard, verzet aantekenen door zich schriftelijk te beroepen op de betaling of de nakoming van de verplichting voortvloeiende uit de rechterlijke uitspraak, de arbitrale beslissing of de overeenkomst en documentair bewijs daarvan te leveren.

Ook kan hij aanvoeren dat de vordering tot tenuitvoerlegging verjaard is of dat overeenkomsten of schikkingen zijn getroffen om de tenuitvoerlegging te voorkomen, voor zover deze overeenkomsten en schikkingen zijn opgenomen in een openbare akte.

2. Het aangetekende verzet in de gevallen zoals omschreven in de leden hiervoor leidt niet tot opschorting van de tenuitvoerlegging.”

36.      Artikel 557 LEC, met het opschrift „Verzet tegen de tenuitvoerlegging op grond van andere dan rechterlijke of arbitrale titels”, bepaalt in lid 1, punt 7.ª, en lid 2 het volgende:

„1. Indien de tenuitvoerlegging berust op titels zoals genoemd in de punten 4.º, 5.º, 6.º en 7.º alsmede op andere executoriale akten in de zin van punt 9.º van lid 2 van artikel 517, kan de schuldenaar daartegen alleen verzet aantekenen binnen de in het voorgaande artikel genoemde termijn en op de daarin genoemde wijze, voor zover hij zich baseert op een van de volgende redenen:

7.ª de titel bevat oneerlijke bedingen.

2. Indien verzet wordt aangetekend zoals bedoeld in het voorgaande lid, neemt de Secretario Judicial een maatregel tot organisatie van de procesgang en schort hij de tenuitvoerlegging op.”

III – Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing

37.      Ter beslechting van een geschil over het gezagsrecht heeft de voor geweld tegen vrouwen bevoegde rechter van Terrassa [Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa] op verzoek van Pilar Hernández Martínez procedure nr. 206/2013 ingeleid. Hernández Martínez verzocht Ramón Margarit Panicello haar als advocaat in deze procedure bij te staan. Op 27 juli 2015 heeft Margarit Panicello bij de Secretario Judicial van de Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa overeenkomstig artikel 35 LEC een verzoek ingediend tot het voeren van een „jura de cuentas”-procedure voor de invordering van zijn honorarium.

38.      De Secretario Judicial, bij wie de „jura de cuentas”-procedure aanhangig is gemaakt, vraagt zich af of deze procedure verenigbaar is met het Unierecht, aangezien de toepasselijke nationale bepalingen hem niet de mogelijkheid bieden ambtshalve te toetsen of de gesloten overeenkomst oneerlijke bedingen bevat dan wel of de advocaat oneerlijke handelspraktijken heeft toegepast. Ook is op grond van deze bepalingen – met uitzondering van akten of deskundigenrapporten – geen bewijsverkrijging toegestaan.

39.      Gezien deze omstandigheden heeft de Secretario Judicial de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Zijn artikel 34, artikel 35 en artikel 207, leden 2, 3 en 4, [LEC], die de procedure van de ‚jura de cuentas’ regelen, in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover zij rechterlijke toetsing uitsluiten? Ingeval deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is de Secretario Judicial in het kader van de procedure van artikelen 34 en 35 [LEC] een ‚rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie?

2)      Zijn artikelen 34 en 35 [LEC], die de ambtshalve rechterlijke toetsing uitsluiten van mogelijk oneerlijke bedingen of oneerlijke handelspraktijken in overeenkomsten tussen advocaten en natuurlijke personen die anders dan in het kader van hun beroepsuitoefening handelen, in strijd met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 2, van richtlijn 93/13 en artikel 6, lid 1, onder d), artikel 11 en artikel 12, van richtlijn 2005/29?

3)      Zijn artikelen 34 en 35 [LEC], die bewijsverkrijging ten behoeve van de beslechting van het geding in de procedure van de ‚jura de cuentas’ verbieden, in strijd met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 2, en punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13?”

IV – Beoordeling

40.      Onderzocht moet worden of de Secretario Judicial in de functie die hij binnen de „jura de cuentas”-procedure vervult, een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267 VWEU. Indien dit het geval is, dient het Hof te beslissen of de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure ambtshalve moet toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen of oneerlijke handelspraktijken. De vormgeving van de „jura de cuentas”-procedure is derhalve beslissend voor alle in de onderhavige prejudiciële procedure gestelde vragen. Om die reden wil ik allereerst de betrokken procedure beschrijven.

A –    „Jura de cuentas”-procedure bij de Secretario Judicial

41.      Op basis van de in artikelen 34 en 35 LEC geregelde „jura de cuentas”-procedure kan een advocaat een executoriale titel voor zijn vorderingen tot betaling van zijn honorarium verkrijgen, zonder dat een contradictoir debat ten gronde hoeft te worden gevoerd, tenzij de schuldenaar verzet aantekent tegen de vordering. De in casu betrokken procedure lijkt in zoverre op de in de zaken Banco Español de Crédito en Finanmadrid aan de orde zijnde betalingsbevelprocedure. Deze voorziet namelijk ook in een verlegging van het procesinitiatief naar de schuldenaar – een zogenoemde „omkering van het geschil” –, waarbij het aan de ontvanger van het betalingsbevel staat om de contradictoire procedure in te leiden, teneinde te voorkomen dat het bevel uitvoerbaar wordt.(14)

42.      De „jura de cuentas”-procedure die speciaal is ontwikkeld voor de invordering van advocatenhonoraria die in het kader van een bepaalde gerechtelijke procedure ontstaan, is niet de enige mogelijkheid voor een advocaat om zijn honoraria in te vorderen. Deze kunnen ook in een gewone gerechtelijke procedure of betalingsbevelprocedure worden ingevorderd.

43.      De „jura de cuentas”-procedure dient te worden gevoerd bij de Secretario Judicial van het gerecht waar de procedure aanhangig was in het kader waarvan de advocaat voor zijn cliënt werkzaamheden heeft verricht, en kan alleen de invordering van honoraria betreffen die in het kader van deze procedure zijn ontstaan.

1.      Verloop van de „jura de cuentas”-procedure bij de Secretario Judicial

44.      Indien een advocaat zijn vordering inzake honoraria indient bij de Secretario Judicial, toetst deze of de vorderingen overeenkomen met de door de advocaat in de gerechtelijke procedure verrichte prestaties, en sluit hij vorderingen uit die niet voor een vergoeding in aanmerking komen.(15) Daarna maant hij de schuldenaar aan tot betaling. Indien deze geen verzet aantekent, wordt verlof tot tenuitvoerlegging verleend.

45.      Indien de schuldenaar de vordering echter betwist wegens onverschuldigdheid, onderzoekt de Secretario Judicial de declaratie, de procesdossiers en de ingediende documenten en stelt hij aansluitend middels een beschikking het bedrag vast dat aan de advocaat dient te worden betaald.(16)

46.      Indien de vordering wordt betwist als zijnde bovenmatig en er geen door de schuldenaar aanvaarde offerte is, bepaalt de Secretario Judicial het bedrag van de vordering in het kader van een procedure tot begroting van de proceskosten zoals geregeld in de artikelen 241 e.v. LEC; deze procedure voorziet overeenkomstig artikel 246 LEC in de mogelijkheid om de schuldeiser te horen en de kwestie voor te leggen aan de orde van advocaten.(17)

47.      Volgens de bewoordingen van de artikelen 34 en 35 LEC is alleen in het geval van verzet uitdrukkelijk bepaald dat de Secretario Judicial ter vaststelling van de vordering een beschikking („decreto”) vaststelt. Desondanks neemt de Secretario Judicial ook een beslissing, wanneer hij de declaratie van de advocaat onderzoekt, eventueel vorderingen uitsluit waarvoor geen vergoeding mogelijk is, de schuldenaar overeenkomstig artikel 35, lid 2, eerste alinea, LEC tot betaling van de declaratie aanmaant en wanneer deze vordering alsdan, omdat geen verzet is aangetekend, overeenkomstig artikel 35, lid 3, LEC voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt. Daarom wordt met het begrip „beslissing van de Secretario Judicial” hierna zowel bedoeld de in de artikelen 34 en 35 LEC uitdrukkelijk voorziene beschikking die de Secretario Judicial in het geval van verzet vaststelt, als ook de beslissing die hij neemt door de schuldenaar aan te manen tot betaling van de door hem onderzochte declaratie, en deze vordering voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, omdat geen verzet is aangetekend. Verondersteld wordt dat deze beslissing eveneens in de vorm van een beschikking („decreto”) wordt vastgesteld.

2.      Werking van de beslissing van de Secretario Judicial

48.      Overeenkomstig de artikelen 34 en 35 LEC is de beslissing die de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure vaststelt, niet vatbaar voor enig rechtsmiddel, maar loopt zij ook niet vooruit op een latere gewone procedure. Bijgevolg kan een vordering inzake honoraria die door een Secretario Judicial is vastgesteld, in een latere gewone procedure worden gewijzigd. De beslissing van de Secretario Judicial heeft dus alleen kracht van gewijsde, maar geen gezag van gewijsde.

49.      Kracht van gewijsde betekent namelijk overeenkomstig artikel 207 LEC alleen dat de beslissing niet vatbaar is voor enig rechtsmiddel, ofwel omdat dit niet bij wet is voorzien ofwel omdat de termijn hiervoor is verlopen. Gezag van gewijsde betekent daarentegen overeenkomstig artikel 222, lid 1, LEC dat de inhoud van de betrokken beslissing ook bindend is voor latere procedures.

50.      Het feit dat de beslissing die de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure vaststelt, geen gezag van gewijsde heeft, staat evenwel geenszins in de weg aan de tenuitvoerlegging van deze beslissing. Zo is de schuldenaar overeenkomstig de artikelen 34 en 35 LEC verplicht om het door de Secretario Judicial vastgestelde bedrag te betalen, op straffe van tenuitvoerlegging van de beslissing.

3.      Tenuitvoerlegging van de beslissing van de Secretario Judicial

51.      Met betrekking tot de tenuitvoerlegging zelf bestaan er in het Spaanse recht afhankelijk van de aard van de executoriale titel twee verschillende procedures. Indien het gaat om „processuele” of arbitrale beslissingen(18) alsmede overeenkomsten in het kader van mediation, kan de verweerder op grond van artikel 556, leden 1 en 2, LEC in het kader van een niet-opschortend verweer slechts een beroep doen op de nakoming van de verplichting, de verjaring van de feitelijke tenuitvoerlegging of een schikking tussen partijen. Indien daarentegen noch sprake is van een gerechtelijke titel noch van een arbitrale titel(19), voorziet artikel 557 LEC in duidelijk verdergaande mogelijkheden om opschortend verweer te voeren, waarbij het met name is toegestaan om op te komen tegen oneerlijke bedingen. Bovendien toetst de met de tenuitvoerlegging van dergelijke titels belaste rechter op grond van artikel 552, lid 1, LEC ambtshalve of sprake is van oneerlijke bedingen.(20)

52.      De vraag tot welke van deze twee categorieën de beslissing van de Secretario Judicial in een „jura de cuentas”-procedure behoort, lijkt niet definitief te zijn beantwoord. Zo is de Spaanse regering van mening dat deze beschikking behoort tot de in artikel 557 LEC vermelde noch gerechtelijke noch arbitrale titels. Hieruit blijkt naar haar opvatting dat in het kader van de tenuitvoerlegging van deze beslissing de hiervoor bevoegde rechter ambtshalve moet toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen. Deze zienswijze is de voornaamste grondslag van het betoog van de Spaanse regering zowel met betrekking tot de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de Secretario Judicial als ook met betrekking tot de beantwoording van de voorgelegde prejudiciële vragen.

53.      Het betoog van de Spaanse regering is echter moeilijk te volgen. Als de verwijzingsketen van de bepalingen van de LEC inzake de tenuitvoerlegging (artikelen 517, 556 en 557 LEC) nauwkeurig wordt gevolgd, blijkt dat de beslissingen van de Secretario Judicial ten uitvoer moeten worden gelegd net zoals rechterlijke beslissingen.

54.      De Spaanse regering baseert haar zienswijze op het feit dat artikel 557 LEC voor de definitie van de noch gerechtelijke noch arbitrale titels verwijst naar artikel 517, lid 2, LEC waarin alle executoriale titels worden gedefinieerd en waar in punt 9.º de „andere ‚processuele’ beslissingen en akten die volgens deze […] wet voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn”(21) worden vermeld, waartoe de overeenkomstig de artikelen 34 en 35 LEC vastgestelde beslissingen behoren.

55.      Artikel 557, lid 1, LEC verwijst evenwel slechts naar de in artikel 517, lid 2, punt 9.º, LEC vermelde andere „executoriale akten”(22) en niet naar de daar eveneens genoemde andere „‚processuele’ beslissingen” („resoluciones procesales”). Deze vallen namelijk onder artikel 556 LEC dat volgens zijn uitdrukkelijke bewoordingen juist de tenuitvoerlegging van „‚processuele’ beslissingen” betreft.

56.      Bovendien behoren de door de Secretario Judicial overeenkomstig de artikelen 34 en 35 LEC in het kader van de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beschikkingen („decretos”) niet tot de in artikel 517, lid 2, punt 9.º, genoemde „executoriale akten”, maar tot de daar vermelde „‚processuele’ beslissingen” („resoluciones procesales”). Volgens artikel 206, lid 2, LEC vallen de door de Secretario Judicial vastgestelde beschikkingen („decretos”) immers onder de door dit orgaan te nemen beslissingen („resoluciones”). Daarmee staat vast dat de door de Secretario Judicial in het kader van de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beschikkingen („decretos”) „processuele” beslissingen („resoluciones procesales”) zijn als bedoeld in artikel 556 LEC en dat deze bijgevolg voor de tenuitvoerlegging gelijkgesteld moeten worden met rechterlijke beslissingen.

57.      De Spaanse regering kon tegen deze op de expliciete bewoordingen van de bepalingen van de LEC gebaseerde uitlegging ter terechtzitting ondanks uitdrukkelijk verzoek geen onderbouwde argumenten aanvoeren: zij volstond, zonder specifiek in te gaan op de bewoordingen van de betrokken bepalingen, met een vage verwijzing naar de „systematische uitlegging” van deze bepalingen.

58.      In tegenstelling tot dit betoog bevestigt echter ook een systematische uitlegging van de LEC dat de door de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beslissingen voor de tenuitvoerlegging ervan net als rechterlijke beslissingen onder de in artikel 556 LEC opgenomen regeling vallen. Bij wet 13/2009, waarbij de „jura de cuentas”-procedure werd overgedragen aan de Secretarios Judiciales(23), werd immers ook de titel van artikel 556 LEC gewijzigd van „Verzet tegen de tenuitvoerlegging van rechterlijke of arbitrale beslissingen […]” („Oposición a la ejecución de resoluciones judiciales o arbitrales […]”) in „Verzet tegen de tenuitvoerlegging van ‚processuele’ of arbitrale beslissingen […]” („Oposición a la ejecución de resoluciones procesales o arbitrales”). Hiermee werd, zoals in de preambule van wet 13/2009 uitdrukkelijk vermeld, beoogd om rekening te houden met de bij deze wet in het leven geroepen nieuwe bevoegdheden van de Secretario Judicial. Daarom worden thans, zoals in de preambule van wet 13/2009 vermeld, met het begrip „‚processuele’ beslissingen” („resoluciones procesales”) zowel rechterlijke beslissingen als ook de beslissingen van de Secretarios Judiciales aangeduid.(24)

59.      In tegenstelling tot de opvatting van de Spaanse regering toont deze uiteenzetting de wil van de Spaanse wetgever aan om niet alleen de eerder aan de rechters voorbehouden „jura de cuentas”-procedure over te dragen aan de Secretarios Judiciales, maar ook ervoor te zorgen dat de beslissingen die in het kader van deze procedure door de Secretarios Judiciales worden vastgesteld, overeenkomstig artikel 556 LEC ten uitvoer worden gelegd net als rechterlijke beslissingen.

60.      Gezien het bovenstaande moet in de onderhavige prejudiciële procedure ervan worden uitgegaan dat de beslissingen die door de Secretario Judicial in het kader van de „jura de cuentas”-procedure worden vastgesteld, met betrekking tot de tenuitvoerlegging ervan gelijkgesteld zijn met rechterlijke beslissingen. Dit betekent dat in het kader van de tenuitvoerlegging noch de verplichting bestaat tot ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen noch de mogelijkheid wordt geboden om een op het bestaan van dergelijke bedingen gebaseerd opschortend verweer te voeren.

B –    Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

61.      Voordat ik de vraag zal behandelen of de beschreven „jura de cuentas”-procedure verenigbaar is met het Unierecht, zal ik allereerst de vraag naar de verwijzingsbevoegdheid van de Secretario Judicial alsmede andere ontvankelijkheidsvragen bespreken.

1.      Verwijzingsbevoegdheid van de Secretario Judicial

62.      In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing uit de Secretario Judicial twijfels omtrent zijn hoedanigheid van rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU, aangezien hij in Spanje uit formeel oogpunt tot de rechtsprekende macht behoort, maar een ambtenaar in dienst van het ministerie van Justitie is. Uiteindelijk bevestigt hij echter zijn verwijzingsbevoegdheid. Terwijl deze opvatting wordt gedeeld door de Commissie, is de Spaanse regering een volstrekt andere mening toegedaan.

63.      De vraag of de verwijzende instelling een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267 VWEU, dient uitsluitend vanuit het Unierecht te worden beoordeeld. Om die reden is niet van belang hoe een instelling in het nationale recht wordt gekwalificeerd. Dit geldt ook voor de beoordeling van een instelling door de nationale rechtspraak en daarmee in de onderhavige procedure voor de door de Secretario Judicial aangehaalde en ter terechtzitting besproken rechtspraak van de Spaanse constitutionele rechter waarin een beslissing die de Secretario Judicial in een andere dan de onderhavige procedure had genomen, niet als rechterlijke handeling in de zin van het Spaanse recht inzake het constitutionele proces werd gekwalificeerd.

64.      Voor de Unierechtelijke beoordeling van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van een instelling is daarentegen een samenstel van factoren doorslaggevend zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, het uitspraak doen na een procedure op tegenspraak, de toepassing van rechtsregels door het orgaan alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan.(25)

65.      Voorts is de nationale rechter alleen bevoegd tot verwijzing naar het Hof, indien bij hem een geding aanhangig is en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet leiden tot een rechterlijke beslissing.(26)

66.      De bevoegdheid van een orgaan om zich tot het Hof te wenden moet dus zowel aan structurele als aan functionele criteria worden getoetst. Een nationale instantie kan dan als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU worden gekwalificeerd, wanneer zij een rechtsprekende functie uitoefent. Die kwalificatie is echter niet mogelijk, in zoverre zij andere, met name bestuursfuncties uitoefent.(27)

67.      Om vast te stellen of een nationale instantie die krachtens de wet functies van verschillende aard uitoefent, als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU moet worden aangemerkt, dient na te worden gegaan wat de specifieke aard is van de functie die zij uitoefent in de bijzondere normatieve context waarin zij zich tot het Hof wendt.(28)

68.      In casu moet derhalve worden onderzocht of de Secretario Judicial specifiek in zijn in de „jura de cuentas”-procedure overeenkomstig artikel 35 LEC uitgeoefende functie als rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU kan worden aangemerkt.

69.      De wettelijke grondslag van de werkzaamheden van de Secretario Judicial alsmede zijn permanente karakter leveren geen problemen op.(29) Verder bestaat in het kader van de in de artikelen 34 en 35 LEC geregelde „jura de cuentas”-procedure geen twijfel omtrent de toepassing van rechtsregels door de Secretario Judicial.

70.      Omstreden zijn in het onderhavige geval daarentegen de onafhankelijkheid van dit orgaan alsmede de vraag of de litigieuze „jura de cuentas”-procedure een verplichte procedure op tegenspraak is die resulteert in een beslissing over een geschil die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak.

a)      Onafhankelijkheid van de Secretarios Judiciales

71.      Het begrip rechterlijke onafhankelijkheid omvat volgens vaste rechtspraak twee aspecten: een extern en een intern aspect.

72.      Het tweede, interne aspect van de onafhankelijkheid sluit aan bij het begrip onpartijdigheid en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding.(30)

73.      De interne onafhankelijkheid van de Secretario Judicial is in het kader van de „jura de cuentas”-procedure gewaarborgd doordat hij jegens de advocaat en diens cliënt de positie inneemt van een onafhankelijke derde. Verder bepaalt artikel 452, lid 1, eerste zin, LOPJ dat hij zijn taken steeds onpartijdig uitoefent. En ten slotte stemt de regeling van de verschoning en wraking verregaand overeen met die van de rechters.(31)

74.      In het onderhavige geval is het externe aspect van de onafhankelijkheid van belang, dat de eis inhoudt dat het orgaan dat bevoegd is om uitspraak te doen, wordt beschermd tegen interventie of druk van buitenaf waardoor de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van zijn leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zou kunnen komen.(32)

75.      Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn bovendien regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die het mogelijk maken elke legitieme twijfel omtrent de onvatbaarheid van dit orgaan voor externe factoren en omtrent zijn neutraliteit ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen uit de geest van de justitiabelen te bannen. Om de voorwaarde van onafhankelijkheid van het verwijzende orgaan vervuld te achten, eist de rechtspraak met name dat de gevallen waarin de leden van dit orgaan kunnen worden afgezet, in uitdrukkelijke wetsbepalingen worden genoemd.(33)

76.      Met betrekking tot de Secretarios Judiciales moet allereerst worden vastgesteld dat deze middels een selectieprocedure worden benoemd. Verder heeft elk van hen het recht zijn status als ambtenaar te behouden, de aan zijn beroepsgroep opgedragen taken feitelijk te vervullen en slechts in de wettelijk bepaalde gevallen en onder de bij of krachtens de wet vastgelegde voorwaarden te worden ontslagen.(34) Ten slotte kunnen zij alleen op grond van strafrechtelijke veroordelingen of in gevallen van uitermate ernstige misdragingen die in de wet limitatief zijn opgesomd en voldoende nauwkeurig zijn gedefinieerd, uit hun functie worden ontheven.(35)

77.      Bovendien kan de bevoegdheid van de Secretarios Judiciales voor de „jura de cuentas”-procedure niet worden gedelegeerd aan andere ambtenaren.(36) In de toepasselijke bepalingen is echter vooral vastgelegd dat de Secretarios Judiciales in individuele procedures uitsluitend handelen overeenkomstig de hun toebedeelde bevoegdheden, en niet zijn gebonden aan eventuele aanwijzingen. Zo mag hun werkgever, zoals de Secretario Judicial in zijn verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk benadrukt, geenszins invloed uitoefenen op lopende procedures of hun aanwijzingen ten aanzien van concrete zaken geven.(37) Ondanks hun status als ambtenaar en niet als rechter binnen het nationale stelsel alsmede hun algemene ondergeschiktheid aan de dienst waaronder zij vallen(38), zijn de Secretarios Judiciales bij de uitoefening van de taken die hun in een concrete „jura de cuentas”-procedure zijn toebedeeld, dus ontegenzeggelijk onafhankelijk.

78.      In tegenstelling tot de door de Spaanse regering ter terechtzitting aangedragen opvatting moet er in dit verband van worden uitgegaan dat de bepalingen die het de dienst waaronder de Secretarios Judiciales vallen, verbieden om hun aanwijzingen ten aanzien van concrete zaken te geven(39), ook betrekking hebben op de „jura de cuentas”-procedure. In deze bepalingen worden weliswaar alleen de bevoegdheid van de Secretario Judicial tot het opmaken van akten en de bevoegdheden van dit orgaan tot vaststelling van de procedure inleidende beslissingen genoemd. Maar de tekst van deze bepalingen komt nog uit de tijd voordat de bevoegdheid voor de „jura de cuentas”-procedure werd overgedragen aan de Secretarios Judiciales. Bijgevolg staat vast dat het beginsel van niet-inmenging in het individuele geval van overeenkomstige toepassing is op de beslissingen die de Secretario Judicial in het kader van de „jura de cuentas”-procedure dient te nemen.

79.      Gezien de bovengenoemde criteria is dus voldoende gewaarborgd dat de Secretarios Judiciales, zowel wat hun status betreft als ook wat de uitoefening van hun taken in het kader van de „jura de cuentas”-procedure betreft, voldoen aan het criterium van onafhankelijkheid.

80.      De tegenovergestelde opvatting van de Spaanse regering, die uitsluitend berust op de bewoordingen van artikel 452 LOPJ en die luidt dat de Secretarios Judiciales alleen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheid tot waarmerking autonoom en onafhankelijk handelen, terwijl zij in het kader van hun andere taken in het algemeen verplicht zijn aanwijzingen op te volgen, kan derhalve niet worden gevolgd. Voor het overige wil ik in dit verband opmerken dat ook de bewoordingen van deze bepaling nog dateren uit de tijd voordat de bevoegdheid voor de „jura de cuentas”-procedure werd overgedragen aan de Secretarios Judiciales, en derhalve nog geen rekening houden met de nieuwe, met de taken van een rechterlijke instantie vergelijkbare taken van dit orgaan.

81.      Gezien het bovenstaande kan worden vastgesteld dat de Secretario Judicial, ondanks zijn hoedanigheid van ambtenaar binnen het justitieel apparaat, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het kader van de „jura de cuentas”-procedure voldoende onafhankelijk is om te worden aangemerkt als rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU.

b)      Functie van de Secretarios Judiciales binnen de „jura de cuentas”-procedure

82.      Partijen zijn het oneens over de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de Secretario Judicial in de onderhavige „jura de cuentas”-procedure wat betreft de vraag of het gaat om een contentieuze procedure op tegenspraak, de verplichte aard van de procedure respectievelijk de vraag of de procedure resulteert in een beslissing over een geschil die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak.

83.      Wat het eerste aspect betreft, zij allereerst in herinnering gebracht dat de „jura de cuentas”-procedure overduidelijk aspecten van een procedure op tegenspraak vertoont.(40) In het kader van deze procedure is het weliswaar theoretisch mogelijk dat een advocaat zonder een contradictoir debat inzake zijn vorderingen een executoriale titel verkrijgt, tenzij de schuldenaar verzet aantekent.(41) Uiterlijk met een dergelijk verzet van de tegenpartij zal de procedure een procedure op tegenspraak worden, voor zover de Secretario Judicial in dit geval niet alleen de vorderingen van de advocaat dient te toetsen, maar hem ook moet horen.(42)

84.      Volgens het betoog van de Spaanse regering is de „jura de cuentas”-procedure evenwel niet gebaseerd op een geschil waarover de Secretario Judicial dient te beslissen. Dit orgaan heeft immers volgens de Spaanse regering als enige taak de aangevoerde werkzaamheden van de advocaat te toetsen en het bedrag vast te stellen dat de cliënt aan de advocaat verschuldigd is.

85.      Aangezien het binnen de „jura de cuentas”-procedure echter wel degelijk gaat om een geschil, namelijk over een daadwerkelijk of beweerdelijk niet voldane vordering van de advocaat tot betaling van zijn honorarium, moet dit bezwaar worden afgewezen.(43) Door de uitvoerbaarverklaring van de vordering respectievelijk de vaststelling ervan beslecht de Secretario Judicial dit geschil. Door de vordering aan de hand van de overgelegde documenten te toetsen, beoordeelt hij daarbij noodzakelijkerwijs ook de bewijzen én toetst hij in zekere mate de gegrondheid van de vordering. Aan deze vaststelling staat niet in de weg dat in de prejudiciële vragen, die hierna zullen worden behandeld, de vraag wordt gesteld of het onderzoek en de bewijsverkrijging in het kader van de „jura de cuentas”-procedure voldoen aan de Unierechtelijke regelingen inzake consumentenbescherming.

86.      Ook het feit dat de „jura de cuentas”-procedure thans door de Secretarios Judiciales wordt uitgevoerd om de rechters van taken te ontlasten die niet binnen het kerngebied van de rechtsprekende werkzaamheden vallen, pleit niet tegen het contradictoire karakter van deze procedure. Dit is des te meer het geval omdat het verloop van de procedure en de uitvoerbaarheid van de definitieve beslissing in het kader van de overdracht van de „jura de cuentas”-procedure aan de Secretarios Judiciales niet werden gewijzigd.(44) Juist om die reden, aldus het verwijzende orgaan, heeft het feit dat de Secretario Judicial met de „jura de cuentas”-procedure werd belast, in Spanje een discussie doen ontstaan over de vraag in hoeverre het overdragen van quasi-rechterlijke bevoegdheden aan andere bij de rechtspleging betrokken organen voldoet aan het rechtsstaatbeginsel. En ten slotte kan ook uit het incidentele karakter van de „jura de cuentas”-procedure en uit de afhankelijkheid ervan van een eerdere gerechtelijke procedure(45) niet worden afgeleid dat de „jura de cuentas”-procedure, die in zoverre te vergelijken is met de ook bij het Hof bekende procedure tot begroting van de proceskosten, geen procedure op tegenspraak ter beslechting van een aanhangig geschil zou zijn.

87.      Wat het verplichte karakter van de „jura de cuentas”-procedure betreft, moet verder worden vastgesteld dat de bevoegdheid van de Secretario Judicial in het kader van deze procedure niet afhankelijk is van overeenstemming tussen partijen en dat zijn beslissingen voor hen bindend zijn.(46)

88.      Enerzijds is de rechtsmacht van de Secretarios Judiciales in de „jura de cuentas”-procedure verplicht, voor zover deze procedure wettelijk voorgeschreven is, en dus los van welke toestemming van partijen dan ook. Het feit dat een advocaat voor de invordering van zijn honoraria ook andere procedures kan gebruiken, verzet zich niet tegen de kwalificatie van de „jura de cuentas”-procedure als een verplichte procedure. Zodra een advocaat immers een dergelijke procedure aanhangig maakt, wordt de betreffende cliënt automatisch daarbij betrokken, zonder dat hij zich daartegen kan verzetten. In dit verband wil ik verder benadrukken dat het Hof reeds in het arrest Consorci Sanitari del Maresme een facultatieve bevoegdheid als verplichte rechtsmacht heeft erkend.(47) Het onderhavige geval is hiermee in zoverre vergelijkbaar.

89.      Zelfs als, zoals aangegeven ter terechtzitting, een litigieuze vordering tot betaling van honoraria gelijktijdig het voorwerp van een „jura de cuentas”-procedure als ook het voorwerp van een gewone procedure zou kunnen zijn en dit geen aanhangigheid zou vestigen, zou dit geen argument zijn tegen de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure. In dat geval zou ook de in casu niet bestreden hoedanigheid van rechterlijke instantie van de naast de Secretario Judicial voor de litigieuze vordering bevoegde gewone rechter in twijfel moeten worden getrokken.

90.      Anderzijds kunnen ook de argumenten die de Spaanse regering aanvoert met betrekking tot de werking van de in de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beslissing, geen afbreuk doen aan de bindende aard respectievelijk het rechtsprekend karakter van deze beslissing.

91.      Allereerst kan het ontbrekende gezag van gewijsde(48) in casu niet in de weg staan aan het rechtsprekend karakter van de in de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beslissing. Ongeacht de mogelijkheid van de latere aanvechting ervan in een afzonderlijke procedure heeft de beslissing van de Secretario Judicial jegens de partijen in de „jura de cuentas”-procedure ontegenzeggelijk dezelfde werking als een rechterlijke uitspraak. Aangezien daartegen niet kan worden opgekomen, heeft deze namelijk kracht van gewijsde en vestigt derhalve een zelfstandig uitvoerbare vordering tot betaling voor de schuldenaar respectievelijk een zelfstandig werkende verplichting tot aanvaarding van een verlaging van de vordering voor de schuldeiser.(49) Hiermee bestaat er een zekere overeenstemming met beslissingen in kortgedingprocedures. Deze zijn eveneens uitvoerbaar bij voorraad en lopen desondanks niet vooruit op de beslissing in een latere procedure in de hoofdzaak.

92.      Wat de eigenlijke tenuitvoerlegging betreft, snijdt het argument van de Spaanse regering dat niet de beschikking van de Secretario Judicial, maar de declaratie van de advocaat de executoriale titel is, geen hout. Zelfs in het geval van een betalingsbevel voor het oorspronkelijk gevorderde bedrag moet de „jura de cuentas”-procedure immers verplicht worden doorlopen om van de declaratie van een advocaat een executoriale titel te maken.

93.      Dienaangaande kan uit de bespreking van de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de in de „jura de cuentas”-procedure vastgestelde beslissing(50) worden afgeleid dat deze tenuitvoerlegging valt onder dezelfde regeling als de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken. Het is de schuldenaar inzonderheid niet toegestaan om de gedwongen executie middels een opschortend verweer te voorkomen. Dit aspect is een duidelijke aanwijzing dat het hier gaat om een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak.

94.      Ten slotte is de vraag of de verplichting tot onderzoek naar het bestaan van oneerlijke bedingen binnen de bevoegdheid van de Secretario Judicial valt of – zoals voorgestaan door de Spaanse regering – binnen de bevoegdheid van de executierechter, niet van belang voor de beoordeling van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de Secretario Judicial. Of het gezien het verloop van de „jura de cuentas”-procedure en de daarop volgende tenuitvoerlegging volgens het Unierecht geboden is dat de Secretario Judicial een onderzoek verricht naar het oneerlijke karakter van bedingen, zal het Hof immers moeten beslissen in het kader van de inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vragen.

95.      Samenvattend ben ik derhalve van mening dat de Secretario Judicial in het kader van de „jura de cuentas”-procedure een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 267 VWEU, aangezien hij onafhankelijk en zelfstandig een geschil in een procedure op tegenspraak beslecht en een beslissing vaststelt die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak.

2.      Verdere ontvankelijkheidsvragen

96.      Terwijl de Commissie de vraag stelt of het Hof beschikt over voldoende informatie om het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Secretario Judicial te beantwoorden, is de Spaanse regering van mening dat de aan het Hof voorgelegde uitleggingsvragen voor de beslechting van het hoofdgeding niet relevant zijn.

a)      Uitvoerigheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

97.      De vraag of de door de Secretario Judicial verstrekte informatie toereikend is, kan in overeenstemming met de opvatting van de Commissie per saldo worden bevestigd. Ondanks zijn beknopte karakter beschrijft het verzoek om een prejudiciële beslissing immers niet alleen de aard van het te beslechten geschil en de betrokken procedure alsmede het probleem van de mogelijk verzuimde mededeling van de prijs aan de cliënte, maar ook de juridische grondslagen van de „jura de cuentas”-procedure alsmede de twijfels van de Secretario Judicial omtrent de verenigbaarheid daarvan met Unierechtelijke handelingen waarvan hij om uitlegging verzoekt.

98.      De door de Spaanse regering ter terechtzitting nog uitvoerig aangevoerde bezwaren dat de Secretario Judicial onvoldoende informatie over de precieze vormgeving van de tussen de advocaat en zijn cliënte overeengekomen bedingen zou hebben verstrekt, moeten derhalve worden afgewezen. Met deze bezwaren wordt er voor het overige aan voorbijgegaan dat het Hof zich in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet zal uitspreken over de verenigbaarheid van de inhoud van bepaalde bedingen met richtlijn 93/13, maar over de verenigbaarheid van de „jura de cuentas”-procedure met deze richtlijn.

99.      Bijgevolg zijn de gegevens, feitelijk en rechtens, die de Secretario Judicial over het hoofdgeding heeft verstrekt, voldoende om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen. Bovendien hebben die gegevens partijen feitelijk de mogelijkheid geboden om opmerkingen in te dienen. Dit blijkt ook uit de inhoud van de bij het Hof ingediende opmerkingen.

100. Voor het overige berust bovenstaande uiteenzetting weliswaar op intensief onderzoek, maar dit heeft slechts geleid tot bevestiging van de beknopte informatie van de Secretario Judicial. Als de Spaanse regering geen – uiteindelijk ongegrond gebleken –twijfel omtrent de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte informatie had gezaaid, dan was dit onderzoek niet nodig geweest.

b)      Relevantie van de prejudiciële vragen voor de beslechting van het hoofdgeding

101. De Spaanse regering voert aan dat noch de uitlegging van de richtlijnen 93/13 en 2005/29 noch de uitlegging van artikel 47 van het Handvest relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding.

i)      Relevantie van de uitlegging van richtlijn 93/13

102. Wat allereerst richtlijn 93/13 betreft, zijn de gestelde vragen naar de opvatting van de Spaanse regering niet relevant voor de beslissing die de Secretario Judicial dient te nemen. Het staat immers niet aan dit orgaan om het bestaan van oneerlijke bedingen te onderzoeken, maar aan de met de tenuitvoerlegging belaste rechter.

103. Dit bezwaar moet worden afgewezen.

104. Enerzijds is, zoals boven uiteengezet(51), geenszins aangetoond dat de voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Secretario Judicial bevoegde rechter ambtshalve dient te beoordelen of sprake is van oneerlijke bedingen.

105. Anderzijds is richtlijn 93/13 volgens vaste rechtspraak van toepassing op wettelijke bepalingen met betrekking tot de bevoegdheden van de nationale rechter bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen.(52) Bijgevolg valt de „jura de cuentas”-procedure bij de Secretario Judicial binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. De vraag of het de taak van dit orgaan of van de daarna voor de tenuitvoerlegging bevoegde rechter is om ambtshalve te beoordelen of er sprake is van oneerlijke bedingen, kan derhalve weliswaar een rol spelen in verband met de verenigbaarheid van de „jura de cuentas”-procedure met richtlijn 93/13, maar deze vraag moet in het kader van de materiële beoordeling van de gestelde prejudiciële vragen worden besproken en niet in het kader van de beoordeling of deze prejudiciële vragen relevant zijn voor de beslechting van het geding en daarmee of deze ontvankelijk zijn.

ii)    Relevantie van de uitlegging van richtlijn 2005/29

106. Naar de opvatting van de Spaanse regering voorziet richtlijn 2005/29 niet in een ambtshalve toetsing door de nationale rechter of er sprake is van oneerlijke handelspraktijken, maar bepaalt deze slechts dat de lidstaten moeten zorgen voor specifieke middelen ter bestrijding van dergelijke praktijken.

107. Met dit betoog miskent de Spaanse regering echter eveneens het verschil tussen de ontvankelijkheid en de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een prejudiciële beslissing. De vraag of richtlijn 2005/29 voorschrijft dat nationale rechters ambtshalve toetsen of er sprake is van oneerlijke handelspraktijken, betreft de uitlegging van deze richtlijn zelf en niet haar relevantie voor het hoofdgeding. Bij de vraag of de uitlegging van een handeling in het kader van een prejudiciële vraag noodzakelijk is, gaat het evenwel niet om uitlegging van deze handeling, maar om de daaraan voorafgaande vraag of een dergelijke uitlegging noodzakelijk is voor de Unierechtelijke beoordeling van de aan de orde zijnde situatie.

108. Wat dit aangaat wijst de Secretario Judicial er in zijn onderhavige verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk op dat niet uit de processtukken blijkt dat Margarit Panicello mevrouw Hernández Martínez vooraf over de kosten van zijn dienstverlening heeft geïnformeerd. Om die reden lijkt het de Secretario Judicial, zoals hij verder verklaart, niet juist om Hernández Martínez aan te manen tot betaling van een betrekkelijk hoog bedrag zonder te kunnen onderzoeken of het feit dat zij niet is geïnformeerd over de prijs, een oneerlijke handelspraktijk vormt.

109. Verder is richtlijn 2005/29 van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.(53) Naar analogie met de rechtspraak van het Hof inzake richtlijn 93/13 dient een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënte over de verlening van juridische diensten te worden aangemerkt als een commerciële transactie met betrekking tot een product in de zin van richtlijn 2005/29.(54)

110. Mocht de Secretario Judicial dus vaststellen dat Margarit Panicello daadwerkelijk heeft verzuimd zijn cliënte te informeren over de prijs van zijn diensten, en dit haar ertoe heeft gebracht een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen, dan moet deze verzuimde mededeling van de prijs worden aangemerkt als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29.(55)

111. Gezien het bovenstaande lijkt het niet aan de orde dat de vraag naar de uitlegging van richtlijn 2005/29 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat deze vraag voor de beslechting ervan niet relevant is.(56)

iii) Relevantie van artikel 47 van het Handvest

112. Volgens de Spaanse regering valt de „jura de cuentas”-procedure overeenkomstig artikel 51 van het Handvest niet binnen de werkingssfeer van het Handvest, aangezien er geen Unierechtelijke regeling inzake de invordering van honoraria door advocaten is. Om die reden kan een uitlegging van artikel 47 van het Handvest niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.

113. Deze redenering kan niet worden gevolgd.

114. Uit het arrest in de zaak Åkerberg Fransson blijkt namelijk dat het Hof, wanneer een nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en ingeval het om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, alle uitleggingsgegevens moet verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of deze regeling verenigbaar is met de grondrechten.(57)

115. In casu staat vast dat de bepalingen die de „jura de cuentas”-procedure regelen, binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst tussen een advocaat en een consument werd gesloten en daarmee binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt.(58) Bovendien is deze richtlijn van toepassing op wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de bevoegdheden van de nationale rechter om te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is.(59)

116. Verder heeft het Hof reeds beslist dat de voor de lidstaten geldende verplichting tot waarborging van de effectiviteit van de rechten die de justitiabelen aan richtlijn 93/13 ontlenen om op te komen tegen het gebruik van oneerlijke bedingen, impliceert dat moet worden gezorgd voor rechterlijke bescherming, welk vereiste tevens in artikel 47 van het Handvest is neergelegd en door de nationale rechter in acht dient te worden genomen.(60)

117. Daarom moet de verenigbaarheid van een nationale regeling met de vereisten van richtlijn 93/13 met betrekking tot de toetsingsbevoegdheden van de nationale rechter ook in het licht van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde vereiste van rechterlijke bescherming worden beoordeeld.

118. De conclusie luidt derhalve dat de prejudiciële vragen relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.

3.      Tussenconclusie

119. Gezien het bovenstaande is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk en dienen de in het kader daarvan gestelde vragen door het Hof te worden beantwoord.

C –    Prejudiciële vragen

120. Hierna zal ik allereerst het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag en de tweede prejudiciële vraag bespreken die de verenigbaarheid van de „jura de cuentas”-procedure met de richtlijnen 93/13 en 2005/29 juncto artikel 47 van het Handvest betreffen. Alsdan zal ik de derde prejudiciële vraag behandelen, waarbij het gaat om de vraag of inzonderheid de bevoegdheden van de Secretario Judicial tot bewijsverkrijging binnen de „jura de cuentas”-procedure voldoen aan de vereisten van richtlijn 93/13.

1.      Eerste deel van de eerste prejudiciële vraag en tweede prejudiciële vraag

a)      Vereisten inzake de toetsingsbevoegdheden van nationale rechters in het kader van richtlijn 93/13 en de analoge toepassing daarvan op richtlijn 2005/29

121. Aangezien de ongelijkheid tussen consumenten en verkopers enkel kan worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om, is het de taak van de nationale rechters om de effectiviteit van de rechten te waarborgen die consumenten ontlenen aan richtlijn 93/13. Om die reden moeten de nationale rechters ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is.(61)

122. Voor zover te overzien, heeft het Hof tot dusver nog niet aangegeven of een dergelijke verplichting ook binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 bestaat en of de nationale rechter derhalve verplicht is om ook ambtshalve te toetsen of er sprake is van oneerlijke handelspraktijken.

123. De Commissie is van mening dat de rechtspraak inzake richtlijn 93/13 naar analogie kan worden toegepast op richtlijn 2005/29. De Spaanse regering verzet zich tegen een dergelijke analoge toepassing, aangezien artikel 11 en artikel 12 van richtlijn 2005/29 de lidstaten niet de verplichting opleggen om in het algemeen te verzekeren dat rechters ambtshalve toetsen of er sprake is van oneerlijke handelspraktijken, maar enkel om te zorgen voor speciale middelen ter bestrijding van dergelijke handelspraktijken.

124. In het onderhavige geval kan de vraag naar de algemene analoge toepassing op richtlijn 2005/29 van de voor richtlijn 93/13 ontwikkelde beginselen met betrekking tot de ambtshalve toetsing door de nationale rechters of er sprake is van oneerlijke bedingen, evenwel onbeantwoord blijven.

125. Zoals namelijk blijkt uit de informatie van de Secretario Judicial, zou in een situatie als die in het hoofdgeding het mogelijke bestaan van een oneerlijke handelspraktijk, namelijk dat geen informatie over de prijs is verstrekt, niet op zichzelf relevant zijn, maar slechts in het kader van de beoordeling of de bedingen van de tussen de advocaat en diens cliënte gesloten overeenkomst oneerlijk zijn.

126. In dit verband is de vaststelling van het oneerlijke karakter van een handelspraktijk één van meerdere elementen waarop de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding kan worden gebaseerd, aangezien overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 het oneerlijke karakter van een beding met inachtneming van alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst wordt beoordeeld. Hieraan staat niet in de weg dat de vaststelling van het oneerlijke karakter van een handelspraktijk niet geschikt is om automatisch en op zichzelf te bewerkstelligen dat een contractueel beding oneerlijk is, aangezien artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 bepaalt dat deze richtlijn „het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet laat”.(62)

127. Hiermee staat vast dat de nationale rechter in een situatie zoals de onderhavige verplicht is om bij de toetsing of er sprake is van oneerlijke bedingen, ook te onderzoeken of er mogelijk oneerlijke handelspraktijken bestaan en dus richtlijn 2005/29 in acht te nemen.

128. De conclusie moet derhalve luiden dat de beginselen die in het kader van richtlijn 93/13 zijn ontwikkeld in verband met de noodzakelijkheid van een ambtshalve toetsing of er sprake is van oneerlijke bedingen, in een situatie als die in het hoofdgeding analoog moeten worden toegepast op richtlijn 2005/29, voor zover een beoordeling van het oneerlijke karakter in de zin van richtlijn 93/13 noodzakelijkerwijs in het licht van een beoordeling van het oneerlijke karakter van de betrokken handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29 moet geschieden.

129. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 verzet zich hier niet tegen. Daarin is weliswaar bepaald dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen geen betrekking heeft op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te verrichten diensten. Dit geldt echter alleen voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.

130. In een situatie als de onderhavige is het derhalve zeer wel mogelijk dat een contractueel beding, voor de beoordeling waarvan de ontbrekende informatie over de prijs relevant zou kunnen zijn, betrekking heeft op de gelijkwaardigheid van de vergoeding en de verrichte dienst. Het betrokken beding zou in dat geval echter vermoedelijk juist niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, waardoor artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 zich niet zou verzetten tegen de beoordeling van de inhoud ervan door de nationale rechter.(63)

b)      Verenigbaarheid van de „jura de cuentas”-procedure met richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest

131. In overeenstemming met de voorgaande overwegingen dienen het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag alsmede de tweede prejudiciële vraag aldus te worden opgevat dat de Secretario Judicial wenst te vernemen of richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest zich verzet tegen een nationale regeling als die betreffende de „jura de cuentas”-procedure, die het beslissende orgaan niet de mogelijkheid biedt om ambtshalve te toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen of oneerlijke handelspraktijken.

132. Richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest verzet zich tegen een procedure die het voor een verkoper mogelijk maakt om de tenuitvoerlegging van een vordering jegens een consument te bewerkstelligen zonder dat op enig moment binnen de ter tenuitvoerlegging te doorlopen procedure ambtshalve wordt onderzocht of er sprake is van oneerlijke bedingen of oneerlijke handelspraktijken. Indien de procedure is onderverdeeld in een eerste fase, waarin de executoriale titel wordt verkregen, en een tweede fase, waarin de feitelijke tenuitvoerlegging geschiedt, moet daarom op zijn minst in één van deze fasen een onderzoek plaatsvinden naar het oneerlijke karakter van bedingen of handelspraktijken.(64)

133. Tegen de achtergrond van dit beginsel zou de indruk kunnen ontstaan dat het voldoende is om de vraag van de Secretario Judicial als volgt te beantwoorden: richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest verzet zich alleen dan tegen de onmogelijkheid van een onderzoek naar het oneerlijke karakter van een beding of handelspraktijk door de met de „jura de cuentas”-procedure belaste Secretario Judicial, als ook de daarna voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Secretario Judicial bevoegde rechter niet bevoegd zou zijn een dergelijk onderzoek te verrichten. Dit antwoord zou overeenstemmen met het in de onderhavige procedure door de Spaanse regering ingenomen standpunt.

134. Een dergelijk antwoord moet evenwel worden afgewezen.

135. Wanneer namelijk de procedure ter vaststelling en tenuitvoerlegging van de in de „jura de cuentas”-procedure genomen beslissing in haar totaliteit wordt beschouwd, wordt duidelijk dat het geen doel treft als de toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen of handelspraktijken wordt verschoven naar de fase van de tenuitvoerlegging.(65) Dit zou immers betekenen dat een consument in de voorafgaande, op de vaststelling van de executoriale titel gerichte procedure op straffe van de daarop volgende tenuitvoerlegging zou worden aangemaand tot betaling van een mogelijk op oneerlijke bedingen of oneerlijke handelspraktijken berustende vordering.

136. Om die reden moet een verschuiving van de toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen of handelspraktijken naar het stadium van de tenuitvoerlegging worden afgewezen, en wel zowel om proceseconomische redenen als ook om redenen van de doeltreffende uitvoering van de betrokken Unierechtelijke regelingen. Door een dergelijke verschuiving zou immers het niet te verwaarlozen risico bestaan dat de schuldenaar vanwege de natuurlijke autoriteit van de beslissing van de Secretario Judicial bij ontvangst van deze beslissing onmiddellijk tot betaling overgaat, zonder dat een latere executieprocedure überhaupt noodzakelijk wordt. Het bestaan van een executoriale beslissing oefent immers op zichzelf al een niet te onderschatten druk uit op de consument om zijn (vermeende) betalingsverplichtingen na te komen, vooral wanneer de procedure tot vaststelling van de executoriale titel zoals in casu een procedure op tegenspraak is die resulteert in een beslissing over een geschil die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak. Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft benadrukt, is een verzet in een executieprocedure bovendien geenszins te vergelijken met de mogelijkheid om op te komen tegen de beslissing van de Secretario Judicial. Dit geldt des te meer, als – zoals boven uiteengezet(66) – een dergelijk verzet in de executieprocedure geen opschortende werking heeft, zoals hier het geval is.

137. Wanneer de toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen of handelspraktijken niet in het kader van de procedure bij de Secretario Judicial, maar in het kader van de aansluitende executieprocedure zou plaatsvinden, zou dit dus de betaling van in de „jura de cuentas”-procedure uitvoerbaar verklaarde, maar desondanks mogelijk oneerlijke vorderingen in de hand werken. Een dergelijke oplossing zou zonder meer in strijd zijn met de in richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 en artikel 47 van het Handvest gevorderde bescherming van de consument.

138. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag en de tweede prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden: richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest dient aldus te worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan het met de „jura de cuentas”-procedure belaste orgaan het oneerlijke karakter van een in een overeenkomst tussen een advocaat en een consument opgenomen beding of het bestaan van oneerlijke handelspraktijken niet ambtshalve mag toetsen.

2.      Derde prejudiciële vraag

139. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de Secretario Judicial te vernemen of de regelingen inzake de „jura de cuentas”-procedure in strijd zijn met richtlijn 93/13, omdat zij de bevoegdheden van dit orgaan tot een handeling tot verkrijging van bewijs en daarmee het recht van de consument op bewijsvoering beperken.

140. Allereerst rijzen twijfels omtrent de ontvankelijkheid van deze vraag, aangezien de Secretario Judicial overweegt dat zijn beperkte onderzoeksbevoegdheden in de „jura de cuentas”-procedure zouden kunnen verhinderen dat aspecten zoals een eventuele wijziging van de contractuele bedingen, reeds verrichte betalingen van een deel van de honoraria of een gebruikelijke praktijk bij de betaling van honoraria worden getoetst, die niet in verband staan met het bestaan van oneerlijke bedingen. De vraag van de Secretario Judicial zou evenwel ook aldus kunnen worden opgevat dat hij wenst te vernemen of de beperkingen bij de bewijsverkrijging in de „jura de cuentas”-procedure in de weg staan aan de doeltreffendheid van richtlijn 93/13.

141. De taak van de nationale rechters op het gebied van de uitvoering van richtlijn 93/13 houdt niet alleen de loutere bevoegdheid in om uitspraak te doen over de vraag of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is, maar ook de verplichting om die kwestie ambtshalve te onderzoeken.(67) Daarmee spelen de nationale rechters in het kader van richtlijn 93/13 een actieve rol bij de bescherming van de consument. Bovendien vloeit in het algemeen uit de Unierechtelijke vereisten ten aanzien van de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing ter uitvoering van richtlijn 93/13 voort dat nationale procedurele regels de uitoefening van de door deze richtlijn aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.(68)

142. Een situatie waarin een rechterlijke instantie over aanwijzingen beschikt dat mogelijk sprake is van oneerlijke bedingen, maar dit op grond van zijn beperkte toetsingsbevoegdheden niet nader zou mogen onderzoeken, zou derhalve kennelijk bezwaarlijk zijn.(69)

143. In het onderhavige geval vloeit uit de bepalingen van de LEC inzake de „jura de cuentas”-procedure voort dat de Secretario Judicial niet alleen het dossier van de gerechtelijke procedure, voor de uitvoering waarvan de vordering door de advocaat is ingediend, maar ook de declaratie van de advocaat alsmede andere documenten zoals een offerte of overeenkomst inzake het onderzoek van de vordering raadpleegt. Bovendien moet de Secretario Judicial, ingeval wordt opgekomen tegen de vordering wegens bovenmatigheid, de advocaat horen en, indien deze een verlaging van de vordering weigert, het dossier voor verder onderzoek aan de orde van advocaten doorsturen.(70) Deze onderzoeksbevoegdheden moeten in de regel voldoende zijn om het bestaan van oneerlijke bedingen te kunnen toetsen en beoordelen.

144. Zoals de Commissie benadrukt, kunnen hooguit in het geval van een slechts mondeling gesloten overeenkomst verdergaande onderzoeksbevoegdheden, zoals met name de mogelijkheid om getuigen te horen, nodig zijn om het bestaan van oneerlijke bedingen te kunnen beoordelen. Naar de opvatting van de Commissie zouden, tegen de achtergrond van de in dit verband door de Spaanse constitutionele rechter gewezen arresten, de bepalingen van de LEC evenwel conform het Unierecht kunnen worden uitgelegd, voor zover de onderzoeksbevoegdheden van de Secretario Judicial om gegronde redenen ook verder kunnen gaan dan het onderzoek van schriftelijk bewijsmateriaal, en zouden deze derhalve het horen van getuigen kunnen omvatten.

145. Gezien deze overwegingen stel ik voor de derde prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat richtlijn 93/13 zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, voor zover die regeling een voor een doeltreffende toetsing van het bestaan van oneerlijke bedingen toereikende bewijsverkrijging toestaat. Het staat aan de nationale rechter dit te onderzoeken.

V –    Conclusie

146. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Secretario Judicial del Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa (griffier van de voor geweld tegen vrouwen bevoegde rechterlijke instantie van Terrassa) te beantwoorden als volgt:

„1)      De Secretario Judicial is in het kader van de in de artikelen 34 en 35 van wet 1/2000 geregelde procedure aan te merken als een rechterlijke instantie die uit hoofde van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bevoegd is het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

2)      Richtlijn 93/13 juncto richtlijn 2005/29 alsmede artikel 47 van het Handvest dient aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan het met de ‚jura de cuentas’-procedure belaste orgaan het oneerlijke karakter van een in een overeenkomst tussen een advocaat en een consument opgenomen beding of het bestaan van oneerlijke handelspraktijken niet ambtshalve mag toetsen.

3)      Richtlijn 93/13 verzet zich niet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding voor zover die regeling een voor een doeltreffende toetsing van het bestaan van oneerlijke bedingen toereikende bewijsverkrijging toestaat. Het staat aan de nationale rechter dit te onderzoeken.”


1 – Oorspronkelijke taal: Duits.


2 – Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), in de bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 gewijzigde versie.


3 – Zie de informatie van het verwijzende orgaan in de thans geschorste procedure in zaak C‑269/16 waaruit blijkt dat alleen al bij dit orgaan meer dan 50 ‚jura de cuentas’-procedures aanhangig zijn die het heeft geschorst totdat uitspraak is gedaan in de onderhavige procedure.


4 – Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2005, L 149, blz. 22).


5 – Ley Orgánica 6/1985, de 1 de julio, del Poder Judicial, BOE 157 van 2 juli 1985.


6 – Ley Orgánica 7/2015, de 21 de julio, por la que se modifica la Ley Orgánica 6/1985, de 1 de julio, del Poder Judicial, BOE 174 van 22 juli 2015, in werking getreden op 1 oktober 2015.


7 – Voor de volledigheid wil ik erop wijzen dat bij de organieke wet 7/2015, voor zover te overzien, in de voor de onderhavige procedure relevante bepalingen van de LOPJ geen wijzigingen zijn aangebracht die gevolgen hebben voor de beoordeling van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de Secretario Judicial of voor de beantwoording van de prejudiciële vragen.


8 – BOE 17 van 20 januari 2006.


9 – BOE 7 van 8 januari 2000.


10 – Ley 13/2009 de reforma de la legislación procesal para la implantación de la nueva Oficina judicial (wet 13/2009 inzake de hervorming van het reglement ter inrichting van de nieuwe griffie), BOE 266 van 4 november 2009.


11 – Zie de preambule van wet 13/2009 tot herziening van het reglement tot instelling van de nieuwe griffie.


12 – Ley 42/2015, de 5 de octubre, de reforma de la Ley 1/2000, de 7 de enero, de Enjuiciamiento Civil, BOE 239 van 6 oktober 2015.


13 – Van belang is dat bij deze wet in de voor de onderhavige procedure relevante bepalingen van de LEC, voor zover te overzien, geen wijzigingen zijn aangebracht die gevolgen kunnen hebben voor de beoordeling van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de verwijzende Secretario Judicial en voor de beantwoording van de aan het Hof voorgelegde vragen. Hierna zal in de voetnoten 16, 17, 20 en 42 wel een aantal noemenswaardige wijzigingen worden vermeld. Dit is van nut met het oog op twee andere, bij het Hof aanhangige en thans geschorste prejudiciële procedures (zaken C‑609/15 en C‑269/16), die eveneens de „jura de cuentas”-procedure betreffen en, voor zover te overzien, reeds onder de regeling van de LEC in haar bij wet 42/2015 gewijzigde versie vallen.


14 – Zie de beschrijving in de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2015:746, punten 27 en 46): in tegenstelling tot de „jura de cuentas”-procedure leidt bij de betalingsbevelprocedure een verzet er evenwel toe dat een gewone procedure in gang wordt gezet. Zie in het algemeen met betrekking tot vereenvoudigde procedures voor de invordering van geldvorderingen de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:74, punten 23‑25, 50 en 51).


15 – Overeenkomstig het arrest van de Spaanse constitutionele rechter van 25 maart 1993 in zaak 110/1993, BOE 100 van 27 april 1993.


16 – In de bij wet 42/2015 gewijzigde versie van de LEC is bovendien vastgelegd dat de Secretario Judicial voorafgaand aan de vaststelling van deze beschikking de schuldeiser in kennis stelt van het verzet en hem hoort; zie artikel 35, lid 2, tweede alinea, juncto artikel 34, lid 2, tweede alinea, LEC in de bij wet 42/2015 gewijzigde versie.


17 – De bij wet 42/2015 gewijzigde versie van de LEC bepaalt bovendien dat de Secretario Judicial reeds vóór de inleiding van de in artikelen 241 e.v. LEC voorziene procedure tot begroting van de proceskosten de advocaat de mogelijkheid biedt om te reageren en in te stemmen met een verlaging van zijn honorarium; zie artikel 35, lid 2, derde alinea, LEC in de bij wet 42/2015 gewijzigde versie.


18 – „Resoluciones procesales o arbitrales”.


19 – „Títulos no judiciales ni arbitrales”.


20 – Terwijl in de in casu toepasselijke versie van de LEC slechts sprake is van de „vaststelling van het bestaan van oneerlijke bedingen” („Cuando el tribunal apreciare que alguna de las cláusulas incluidas en un título ejecutivo […] pueda ser calificada como abusiva”), bevat artikel 552, lid 1, tweede alinea, LEC in zijn bij wet 42/2015 gewijzigde versie uitdrukkelijk de verplichting tot een ambtshalve toetsing („El tribunal examinará de oficio si alguna de las cláusulas incluidas en un título ejecutivo […] puede ser calificada como abusiva”).


21 – „Las demás resoluciones procesales y documentos que, por disposición de esta […] ley, lleven aparejada ejecución”.


22 – „Otros documentos con fuerza ejecutiva a que se refiere el número 9.º del apartado 2 del artículo 517”.


23 – Zie punt 25 en voetnoot 10 hierboven.


24 – „[C]on el objeto de unificar la terminología y adaptarla a las nuevas competencias del Secretario judicial, se utiliza la expresión ‚resoluciones procesales’, para englobar tanto las resoluciones judiciales […] como las del Secretario judicial […]”.


25 – Zie bijvoorbeeld arrest van 24 mei 2016, MT Højgaard en Züblin (C‑396/14, EU:C:2016:347, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


26 – Zie beschikking van 12 januari 2010, Amiraike Berlin (C‑497/08, EU:C:2010:5, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak); arrest van 31 januari 2013, Belov (C‑394/11, EU:C:2013:48, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


27 – Zie arrest van 31 januari 2013, Belov (C‑394/11, EU:C:2013:48, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 19 december 2012, Epitropos tou Elegktikou Synedriou (C‑363/11, EU:C:2012:825, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo bezit een nationale rechterlijke instantie in het kader van een procedure waarin zij als bestuursorgaan handelt, niet de hoedanigheid van „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU; zie bijvoorbeeld voor een Duits Amtsgericht in het kader van de procedure tot benoeming van een „vereffenaar na doorhaling” de beschikking van 12 januari 2010, Amiraike Berlin (C‑497/08, EU:C:2010:5).


28 – Zie arrest van 31 januari 2013, Belov (C‑394/11, EU:C:2013:48, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29 – Artikelen 440‑469 bis LOPJ (punten 16 e.v. hierboven) en Real Decreto 1608/2005 (punten 21 e.v. hierboven); zie met betrekking tot het permanente karakter van de Secretarios Judiciales met name ook artikel 81, lid 1, onder a), van Real Decreto 1608/2005 (punt 24 hierboven).


30 – Arresten van 19 september 2006, Wilson (C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 52), en 22 december 2010, RTL Belgium (C‑517/09, EU:C:2010:821, punt 40); vergelijkbaar arrest van 6 juli 2000, Abrahamsson en Anderson (C‑407/98, EU:C:2000:367, punten 34‑37) en beschikking van 14 mei 2008, Pilato (C‑109/07, EU:C:2008:274, punt 24).


31 – Artikel 446 LOPJ (punt 18 hierboven).


32 – Arresten van 19 september 2006, Wilson (C‑506/04, EU:C:2006:587, punten 50 en 51), en 22 december 2010, RTL Belgium (C‑517/09, EU:C:2010:821, punt 39); beschikking van 14 mei 2008, Pilato (C‑109/07, EU:C:2008:274, punt 23) en vergelijkbaar arrest van 6 juli 2000, Abrahamsson en Anderson (C‑407/98, EU:C:2000:367, punt 34).


33 – Beschikking van 14 mei 2008, Pilato (C‑109/07, EU:C:2008:274, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak); arrest van 31 januari 2013, HID en BA (C‑175/11, EU:C:2013:45, punt 97).


34 – Artikel 442 en artikel 450 LOPJ alsmede artikel 81, lid 1, onder a), van Real Decreto 1608/2005 (punten 18 en 24 hierboven).


35 – Artikel 443, lid 2, alsmede artikel 468 quater, lid 2, tweede alinea, juncto artikel 468 bis, lid 1, eerste alinea, LOPJ (punt 18 hierboven).


36 – Artikel 452, lid 1, LOPJ (punt 19 hierboven).


37 – Artikel 465, lid 8, LOPJ (punt 20 hierboven), alsmede artikel 16, onder h), en artikel 21, lid 2, van Real Decreto 1608/2005 (punten 22 en 23 hierboven).


38 – Artikel 440 en artikel 452, lid 1, eerste zin, LOPJ (punten 18 en 19 hierboven).


39 – Voetnoot 37 hierboven.


40 – Volgens de rechtspraak van het Hof is het vereiste van een procedure op tegenspraak geen absoluut criterium voor de vaststelling van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van een orgaan in de zin van artikel 267 VWEU; zie arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult (C‑54/96, EU:C:1997:413, punt 31), 16 december 2008, Cartesio (C‑210/06, EU:C:2008:723, punt 63 en punt 1 van het dictum), en 31 januari 2013, HID en BA (C‑175/11, EU:C:2013:45, punt 88).


41 – Zie punten 41 en 44 hierboven.


42 – In de in casu toepasselijke versie van de LEC is voorzien in het horen van de advocaat in het geval van een verzet dat is gebaseerd op de bovenmatigheid van vorderingen waarvoor geen aanvaarde offerte is uitgebracht; overeenkomstig de LEC in de bij wet 42/2015 gewijzigde versie is zelfs bij elk verzet van welke aard dan ook het horen van de advocaat vereist (zie punt 46 en voetnoten 16 en 17 hierboven).


43 – Om die reden moet de door de Spaanse regering gemaakte vergelijking met gevallen waarin het Hof de hoedanigheid van rechterlijke instantie van het verwijzende orgaan heeft ontkend, omdat het als bestuursorgaan fungeerde en geen geschil diende te beslechten, worden afgewezen; zie arrest van 15 januari 2002, Lutz e.a. (C‑182/00, EU:C:2002:19, punten 13 en 14).


44 – Zie punt 25 hierboven.


45 – Zie punt 43 hierboven.


46 – Zie met betrekking tot deze criteria arrest van 6 oktober 2015, Consorci Sanitari del Maresme (C‑203/14, EU:C:2015:664, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


47 – Arrest van 6 oktober 2015, Consorci Sanitari del Maresme (C‑203/14, EU:C:2015:664, punten 23‑25).


48 – Zie punten 48‑50 hierboven.


49 – In zoverre verschilt de beslissing van de Secretario Judicial in de „jura de cuentas”-procedure van in het kader van andere verzoeken om een prejudiciële beslissing aan de orde zijnde beslissingen waarvan het ontbrekende gezag van gewijsde mede had geleid tot de ontkenning van de hoedanigheid van rechterlijke instantie van de verwijzende instellingen; zie arrest van 19 december 2012, Epitropos tou Elegktikou Synedriou (C‑363/11, EU:C:2012:825, punt 27); zie ook beschikking van 17 juli 2014, Emmeci (C‑427/13, EU:C:2014:2121, punt 30).


50 – Zie punten 53‑59 hierboven.


51 – Zie punten 51‑60 hierboven.


52 – Zie in die zin arrest van 30 april 2014, Barclays Bank (C‑280/13, EU:C:2014:279, punten 38‑40).


53 – Zie artikel 3, lid 1, juncto artikel 2, onder a)‑d), van richtlijn 2005/29.


54 – Arrest van 15 januari 2015, Šiba (C‑537/13, EU:C:2015:14, punten 24 en 35).


55 – Zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič (C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 41).


56 – In zoverre verschilt de onderhavige situatie van die zoals beschreven in het arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punten 85‑87), waarin geen aanwijzing bestond voor het bestaan van een oneerlijke handelspraktijk.


57 – Arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C‑617/10,EU:C:2013:105, punt 19).


58 – Zie punt 109 hierboven.


59 – Zie in die zin arrest van 30 april 2014, Barclays Bank (C‑280/13, EU:C:2014:279, punten 38‑40).


60 – Arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García (C‑169/14, EU:C:2014:2099, punt 35); beschikking van 16 juli 2015, Sánchez Morcillo en Abril García (C‑539/14, EU:C:2015:508, punt 36).


61 – Arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punten 41‑43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


62 – Arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič (C‑453/10, EU:C:2012:144, punten 42‑44); zie ter toelichting ook de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Pereničová en Perenič (C‑453/10, EU:C:2011:788, punten 82‑85, 88 e.v. [91] en 111).


63 – Arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid (C‑484/08, EU:C:2010:309, punt 32); zie in die zin ook beschikking van 16 november 2010, Pohotovosť (C‑76/10, EU:C:2010:685, punten 73 en 77) en arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič (C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 43). Voor een uitvoerige bespreking van deze vraag zie de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Pereničová en Perenič (C‑453/10, EU:C:2011:788, punten 115‑119).


64 – Arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 57 en punt 1 van het dictum), in het licht van het arrest van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98, punt 55 en dictum). Met betrekking tot de achtergrond van de in deze twee zaken aan de orde zijnde procedures moet worden opgemerkt dat de ten tijde van de procedure in de zaak Banco Español de Crédito nog onder de bevoegdheid van een rechterlijke instantie vallende betalingsbevelprocedure ten tijde van de zaak Finanmadrid aan de Secretario Judicial was overgedragen; zie arrest van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2016:98, punten 37 en 38). Voor het specifieke en niet op de onderhavige uitgangssituatie toepasselijke geval van de notarissen zie arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary (C‑32/14, EU:C:2015:637, punten 47‑49, 59, 64 en 65).


65 – Zie in dit verband ook de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Finanmadrid EFC (C‑49/14, EU:C:2015:746, punten 53 e.v.).


66 – Zie punt 60 hierboven.


67 – Arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 43).


68 – Zie in die zin arrest van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 46).


69 – In dit verband heeft het Hof reeds beslist dat de nationale rechter ambtshalve maatregelen van instructie dient te nemen teneinde vast te stellen of een beding binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt en, zo ja, ambtshalve dient te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is; zie arresten van 9 november 2010, Pénzügyi Lízing (C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 56 en punt 3 van het dictum), 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 44), en 21 februari 2013, Banif Plus Bank (C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 24).


70 – Sinds de in casu nog niet toepasselijke, bij wet 42/2015 ingevoerde wijzigingen moet de advocaat zelfs bij ieder verzet worden gehoord, zie voetnoot 16 hierboven.