Language of document : ECLI:EU:C:2015:841

Gevoegde zaken C‑250/14 en C‑289/14

Air France-KLM

en

Hop!-Brit Air SAS

tegen

Ministère des Finances et des Comptes publics

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk)]

„Belasting over de toegevoegde waarde – Belastbaar feit en verschuldigdheid – Luchtvervoer – Gekocht maar niet gebruikt biljet – Verrichting van de vervoersdienst – Afgifte van het biljet – Tijdstip van betaling van de belasting”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 december 2015

1.        Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Belastbare handelingen – Diensten die onder bezwarende titel worden verricht – Begrip – Luchtvervoer van passagiers – Daaronder begrepen – Voorwaarden – Biljetten die door de luchtvaartmaatschappij afgegeven, maar die door de passagiers niet zijn gebruikt en waarvan dezen geen terugbetaling kunnen verkrijgen – Geen invloed – Afgifte van biljetten die aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen

(Richtlijn 77/388 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en richtlijn 2001/115, art. 2, punt 1, en 10, lid 2)

2.        Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting – Aankoop van een vliegtuigbiljet door een passagier – Biljet dat vervolgens niet is gebruikt – Verschuldigd worden van de belasting op het ogenblik dat de prijs van het biljet wordt ontvangen – Inning door de luchtvaartmaatschappij, door een derde die in haar naam en voor haar rekening optreedt of door een derde die in eigen naam optreedt – Geen invloed

(Richtlijn 77/388 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en bij richtlijn 2001/115, art. 2, punt 1, en 10, lid 2, eerste en tweede alinea)

3.        Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Belastbare handelingen – Diensten die onder bezwarende titel worden verricht – Begrip – Luchtvervoer van passagiers – Daaronder begrepen – Verkoop door een derde van biljetten van een luchtvaartmaatschappij voor rekening van deze maatschappij in het kader van een franchiseovereenkomst – Forfaitair bedrag dat door de derde aan de luchtvaartmaatschappij voor de uitgegeven maar vervallen biljetten wordt gestort en is berekend als een percentage van de jaaromzet die op de desbetreffende luchtlijnen is behaald – Bedrag belastbaar als tegenprestatie voor deze biljetten

(Richtlijn 77/388 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en richtlijn 2001/115, art. 2, punt 1, en 10, lid 2)

1.        De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en vervolgens bij richtlijn 2001/115, moeten aldus worden uitgelegd dat de afgifte van biljetten door een luchtvaartmaatschappij onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde wanneer de passagiers de uitgegeven biljetten niet hebben gebruikt en geen terugbetaling ervan kunnen verkrijgen.

Een dienst zoals het luchtvervoer van passagiers is immers onderworpen aan belasting over de toegevoegde waarde wanneer ten eerste het bedrag dat een passagier aan een luchtvaartmaatschappij betaalt in het kader van een rechtsbetrekking – die de concrete vorm van een vervoersovereenkomst aanneemt – rechtstreeks verband houdt met en de vergoeding vormt voor een individualiseerbare dienst, en ten tweede deze dienst is verricht.

De luchtvaartmaatschappij kan diensten die worden verstrekt ter uitvoering van de verbintenissen uit een overeenkomst voor het luchtvervoer van personen evenwel slechts verrichten indien de passagier van de luchtvaartmaatschappij op de voorziene datum en plaats van vertrek verschijnt. Tot op het ogenblik van het instappen geeft die maatschappij hem het recht om gebruik te maken van deze prestaties in de omstandigheden die zijn beschreven in de bij aankoop van het biljet afgesloten vervoersovereenkomst.

De passagier krijgt dus, als tegenwaarde voor de prijs die hij bij de aankoop van het biljet betaalt, het recht om gebruik te maken van de uitvoering van de verplichtingen die uit de vervoersovereenkomst voortvloeien, ongeacht of hij dit ook effectief doet. Bijgevolg verricht de luchtvaartmaatschappij haar prestatie zodra zij de passagier in staat stelt om van deze diensten gebruik te maken.

(cf. punten 25‑28, 35, dictum 1)

2.        De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, eerste en tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en vervolgens bij richtlijn 2001/115, moeten aldus worden uitgelegd dat de belasting over de toegevoegde waarde die bij de aankoop van een vliegbiljet is betaald door een passagier die dit biljet uiteindelijk niet heeft gebruikt, verschuldigd wordt op het ogenblik waarop de prijs van het biljet wordt ontvangen door de luchtvaartmaatschappij zelf, door een derde die in haar naam en voor haar rekening optreedt, of door een derde die in eigen naam, maar voor rekening van deze luchtvaartmaatschappij optreedt.

(cf. punt 43, dictum 2)

3.        De artikelen 2, punt 1, en 10, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/59 en vervolgens bij richtlijn 2001/115, moeten aldus worden uitgelegd dat ingeval een derde voor rekening van een luchtvaartmaatschappij biljetten van deze maatschappij verkoopt in het kader van een franchiseovereenkomst en aan deze maatschappij voor de uitgegeven maar vervallen biljetten een forfaitair bedrag betaalt dat is berekend als een percentage van de jaaromzet die op de desbetreffende luchtlijnen is behaald, dit forfaitaire bedrag belastbaar is als tegenprestatie voor deze biljetten.

Krachtens artikel 21, lid 1, onder a), van de Zesde richtlijn en de gewijzigde Zesde richtlijn is de belasting over de toegevoegde waarde over de prijs van de verkochte biljetten immers verschuldigd door de luchtvaartmaatschappij die de vervoersdienst verzorgt.

Indien een derde namens en voor rekening van de luchtvaartmaatschappij biljetten verkoopt, staat het aan deze laatste om de belasting over de toegevoegde waarde over die biljetten te voldoen.

Het forfaitaire bedrag dat de derde aan de luchtvaartmaatschappij heeft gestort voor de verkochte biljetten die zijn vervallen, kan niet worden beschouwd als een door deze derde betaalde vergoeding voor de schade die de luchtvaartmaatschappij heeft geleden door het feit dat de passagier niet is komen opdagen bij het instappen. Deze passagier betaalt de prijs van de vervoersdienst op het ogenblik dat hij zijn biljet koopt. Gewoon door de passagier het recht te geven om gebruik te maken van de uitvoering van de verbintenissen die uit de overeenkomst voor luchtvervoer van passagiers voortvloeien, verricht de luchtvaartmaatschappij de prestatie waartoe zij zich heeft verbonden.

De prijs van het biljet, die de luchtvaartmaatschappij voor zichzelf heeft gehouden, vormt dus de betaling voor de door deze luchtvaartmaatschappij aan de klant aangeboden vervoersdienst, ook al maakt die klant geen gebruik van deze dienst.

Het forfaitaire bedrag vormt dus de betaling die de luchtvaartmaatschappij heeft ontvangen als tegenprestatie voor de biljetten die de derde voor rekening van deze maatschappij heeft uitgegeven maar die door de kopers niet zijn gebruikt. Derhalve bestaat er een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de daarvoor ontvangen vergoeding.

(cf. punten 45, 47‑52, dictum 3)