Language of document : ECLI:EU:F:2016:129

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

15 juni 2016

Zaak F‑55/12

Hilke Riemer-Sullivan

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Pensioenen – Overdracht van nationale pensioenrechten – Voorstel voor extra pensioenjaren – Geen bezwarend besluit – Niet-ontvankelijkheid van het beroep – Niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde – Artikel 82 van het Reglement voor de procesvoering”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Hilke Riemer-Sullivan vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie van 6 maart 2012 tot afwijzing van haar klacht tegen de „besluiten” tot vaststelling van de extra pensioenjaren in de pensioenregeling van de Europese Unie, volgende uit de pensioenrechten die zij in het kader van twee Duitse pensioenregelingen had verworven en, voor zover nodig, van de „besluiten” van 7 november 2011 tot berekening van die extra pensioenjaren.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Riemer-Sullivan draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Beroep voor het Gerecht voor ambtenarenzaken – Verzoekende partij die het Gerecht niet heeft gevraagd om een verstekvonnis te wijzen – Inaanmerkingneming van de antwoorden van de instelling op een maatregel tot organisatie van de procesgang – Verweerschrift dat niet binnen de termijn is neergelegd – Geen invloed

2.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Voorstel voor extra pensioenjaren met het oog op de overdracht aan de regeling van de Unie van pensioenrechten die vóór de indiensttreding van de Unie zijn verworven – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1, en bijlage VIII, art. 11, lid 2)

1.      Wanneer een verzoekende partij het Gerecht voor ambtenarenzaken op geen enkel moment van de procedure heeft gevraagd om een verstekvonnis te wijzen en haar vorderingen toe te wijzen, moet rekening worden gehouden met de antwoorden van de instelling op een maatregel tot organisatie van de procesgang, zelfs al heeft die instelling niet binnen de gestelde termijn haar verweerschrift neergelegd.

(cf. punt 12)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arresten van 13 oktober 2015, Commissie/Verile en Gjergji, T‑104/14 P, EU:T:2015:776, en Teughels/Commissie, T‑131/14 P, EU:T:2015:778

2.      De vordering tot nietigverklaring van een voorstel voor extra pensioenjaren met het oog op de overdracht aan de pensioenregeling van de Europese Unie van pensioenrechten die in het kader van een ander stelsel zijn verworven, moet worden opgevat als strekkende tot nietigverklaring van het eindbesluit tot toekenning van extra pensioenjaren indien, ten eerste, tussen partijen vaststaat dat de belanghebbende zijn toestemming heeft gegeven voor de voortzetting van de procedure om de vóór zijn indiensttreding verworven pensioenrechten over te dragen, door in te stemmen met het hem gedane voorstel, en, ten tweede, dat eindbesluit was genomen vóór de instelling van het beroep bij de Unierechter.

Wanneer de eindbesluiten tot toekenning van extra pensioenjaren volgende uit de pensioenrechten die de verzoekende partij bij twee nationale pensioenregelingen heeft verworven zijn vastgesteld na de instelling van het beroep, kan dat beroep niet worden aangemerkt als gericht tegen die twee eindbesluiten en moet het niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het tegen besluiten is gericht die niet bezwarend zijn.

(cf. punten 22‑24)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arresten van 13 oktober 2015, Commissie/Verile en Gjergji, T‑104/14 P, EU:T:2015:776, punten 62, 110 en 120, en Teughels/Commissie, T‑131/14 P, EU:T:2015:778, punt 58