Language of document : ECLI:EU:T:2017:1

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

10 januari 2017 (*)

„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Nauwkeurigheid van het verzoekschrift – Verjaring – Ontvankelijkheid – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten – Redelijke procestermijn – Materiële schade – Geleden verliezen – Rente over het niet-voldane bedrag van de geldboete – Kosten van een bankgarantie – Verlies van een kans – Immateriële schade – Causaal verband”

In zaak T‑577/14,

Gascogne Sack Deutschland GmbH, gevestigd te Wieda (Duitsland),

Gascogne, gevestigd te Saint-Paul-les-Dax (Frankrijk),

vertegenwoordigd door F. Puel, E. Durand en L. Marchal, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Placco, vervolgens door J. Inghelram en S. Chantre, als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Khan, V. Bottka en P. van Nuffel als gemachtigden,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden wegens de duur van de procedure voor het Gerecht in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, I. Labucka, E. Bieliūnas (rapporteur), V. Kreuschitz en I. S. Forrester, rechters,

griffier: G. Predonzani, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 juni 2016,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 februari 2006, hebben Sachsa Verpackung GmbH, thans Gascogne Sack Deutschland GmbH, enerzijds, en Groupe Gascogne SA, thans Gascogne, anderzijds, elk voor zich beroep ingesteld tegen beschikking C(2005) 4634 van de Commissie van 30 november 2005 betreffende een procedure overeenkomstig artikel [101 VWEU] (zaak COMP/F/38.354 – Industriezakken) (hierna: „beschikking C(2005) 4634”). In hun verzoekschriften hebben zij in wezen geconcludeerd tot nietigverklaring van deze beschikking voor zover zij hen betreft of, subsidiair, verlaging van de hun opgelegde geldboete.

2        Bij arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674), heeft het Gerecht deze beroepen verworpen.

3        Bij op 27 januari 2012 neergelegde verzoekschriften hebben Gascogne Sack Deutschland en Groupe Gascogne hogere voorziening tegen de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674), ingesteld.

4        Bij arresten van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768) en Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770), heeft het Hof deze hogere voorzieningen afgewezen.

 Procedure en conclusies van partijen

5        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 augustus 2014, hebben verzoeksters, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne, het onderhavige beroep tegen de Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld.

6        Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 november 2014, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

7        Bij beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80), heeft het Gerecht de door het Hof van Justitie van de Europese Unie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

8        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 maart 2015, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening tegen de beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80), ingesteld. Deze hogere voorziening is ingeschreven onder nummer C‑125/15 P.

9        Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht de behandeling van de onderhavige zaak op verzoek van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschorst tot aan de beslissing van het Hof waardoor een einde kwam aan het geding in zaak C‑125/15 P, Hof van Justitie/Gascogne Sack Deutschland en Gascogne.

10      Bij beschikking van 18 december 2015, Hof van Justitie/Gascogne Sack Deutschland en Gascogne (C‑125/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:859), is de zaak doorgehaald in het register van het Hof.

11      Na de hervatting van de behandeling van de onderhavige zaak heeft de Europese Commissie bij een op 15 januari 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

12      Op 17 februari 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een verweerschrift ingediend.

13      Op diezelfde datum heeft het Gerecht de onderhavige zaak verwezen naar de Derde kamer in uitgebreide samenstelling.

14      Op 2 maart 2016 heeft het Gerecht beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig was. Voorts heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als voorzien in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om aan te geven of het aan verzoeksters en aan de Commissie toestemming had gevraagd en die had verkregen voor de overlegging van bepaalde documenten in de bijlagen bij het verweerschrift die betrekking hadden op de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671; hierna ook: „zaak T‑72/06”) en de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 november 2011, Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674; hierna ook: „zaak T‑79/06”).

15      Bij beschikking van 15 maart 2016, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:189), heeft de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht het verzoek van de Commissie om toelating tot interventie aan de zijde van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingewilligd en daarbij gepreciseerd dat de Commissie de rechten zal hebben die zijn voorzien in artikel 116, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991.

16      Op 18 maart 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord gegeven op de in punt 14 hierboven vermelde vraag. Het heeft het Gerecht verzocht om primair te oordelen dat zij voor de overlegging van de op de zaken T‑72/06 en T‑79/06 betrekking hebbende stukken geen toestemming aan verzoeksters of de Commissie hoefde te vragen of die hoefde te verkrijgen en, subsidiair, dat die toestemming impliciet door verzoeksters en de Commissie was gegeven. Uiterst subsidiair heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om zijn antwoord te behandelen als een verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang die ertoe strekt dat het Gerecht gelast dat de documenten die het procesdossier van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 vormen, en meer bepaald de documenten in de bijlagen bij het verweerschrift, in het kader van het onderhavige beroep worden overgelegd.

17      Op 4 april 2016 heeft de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht in de eerste plaats beslist om de documenten betreffende de zaken T‑72/06 en T‑79/06 in de bijlagen bij het in de onderhavige zaak neergelegde verweerschrift uit het dossier te verwijderen. Deze beslissing was ingegeven door het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie geen toestemming aan de partijen in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 voor de overlegging van die documenten had gevraagd of die had verkregen en het feit dat het niet om toegang tot het procesdossier in die zaken had verzocht overeenkomstig artikel 38, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. In de tweede plaats heeft de president van de uitgebreide Derde kamer van het Gerecht op grond van artikel 88, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslist om verzoeksters uit te nodigen om een standpunt in te nemen ten aanzien van het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang dat uiterst subsidiair door het Hof van Justitie van de Europese Unie was geformuleerd in zijn antwoord van 18 maart 2016, dat hierboven in punt 16 is vermeld.

18      Op 20 april 2016 hebben verzoeksters het Gerecht verzocht om het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang van het Hof van Justitie van de Europese Unie af te wijzen, op grond dat dit verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering voldeed en zou neerkomen op omzeiling van de regels inzake overlegging van bewijsstukken en toegang tot het procesdossier van datzelfde Reglement.

19      Op 27 april 2016 heeft het Gerecht geconstateerd dat het voor het in staat brengen en de afdoening van de onderhavige zaak, gelet op het voorwerp ervan, de beschikking diende te hebben over het procesdossier van de zaken T‑72/06 en T‑79/06. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als voorzien in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht dan ook beslist om het procesdossier van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 in het dossier van de onderhavige zaak op te nemen.

20      Het Hof van Justitie van de Europese Unie en verzoeksters hebben op 8 respectievelijk 20 juni 2016 om de betekening van de dossiers van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 verzocht.

21      Partijen hebben ter terechtzitting van 28 juni 2016 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondeling gestelde vragen van het Gerecht.

22      Verzoeksters verzoeken het Gerecht:

–        vast te stellen dat de Unie op niet-contractuele basis aansprakelijk is voor de voor het Gerecht gevolgde procedure, in het kader waarvan de vereisten in verband met de inachtneming van de redelijke termijn niet zijn nageleefd;

–        de Unie te gelasten tot gepaste en volledige vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door haar onrechtmatige gedrag hebben geleden, en meer bepaald tot betaling van de hiernavolgende bedragen, vermeerderd met compenserende en vertragingsrente tegen de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet, vermeerderd met twee procentpunten, te rekenen vanaf de dag waarop het verzoekschrift is ingediend:

–        1 193 467 EUR voor het verlies dat zij hebben geleden door de betaling van aanvullende wettelijke rente op het nominale bedrag van de door de Commissie opgelegde sanctie na het verstrijken van de redelijke termijn;

–        187 571 EUR voor het verlies dat zij hebben geleden door de extra betalingen voor de bankgarantie na het verstrijken van de redelijke termijn;

–        2 000 000 EUR voor de winst die zij door de onzekerheid hebben gederfd of het verlies dat zij daardoor hebben geleden;

–        500 000 EUR voor de immateriële schade;

–        subsidiair, indien wordt geoordeeld dat het bedrag van de geleden schade opnieuw moet worden begroot, een deskundigenonderzoek te bevelen overeenkomstig artikel 65, onder d), artikel 66, lid 1, en artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991;

–        de Unie te verwijzen in de kosten.

23      Het Hof van Justitie van de Europese Unie, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Gerecht:

–        primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het verzoek om vergoeding van de gestelde materiële en immateriële schade ongegrond te verklaren;

–        nog meer subsidiair, de vordering tot schadevergoeding ongegrond te verklaren voor zover zij op de gestelde materiële schade betrekking heeft, en verzoeksters een vergoeding voor de gestelde immateriële schade toe te kennen van ten hoogste 5 000 EUR;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

 In rechte

A –  Ontvankelijkheid

24      Het Hof van Justitie van de Europese Unie voert twee middelen van niet-ontvankelijkheid aan, waarvan het eerste is ontleend aan de onnauwkeurigheid en onduidelijkheid van het verzoekschrift en het tweede aan verjaring van het verzoek om vergoeding van de gestelde immateriële schade.

1.     Primair aangevoerd middel van niet-ontvankelijkheid: onduidelijkheid en onnauwkeurigheid van het verzoekschrift

25      Krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut en artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze gegevens dienen zo duidelijk en precies te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder nadere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd althans summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Meer in het bijzonder voldoet een verzoek om vergoeding van de door een instelling van de Unie beweerdelijk veroorzaakte schade slechts aan die vereisten indien op basis van de in het verzoekschrift vervatte gegevens kan worden bepaald welke gedraging de verzoeker aan die instelling verwijt, waarom hij meent dat er een causaal verband bestaat tussen die gedraging en de schade die hij stelt te hebben geleden, en wat de aard en omvang van die schade is (zie arrest van 7 oktober 2015, Accorinti e.a./ECB, T‑79/13, EU:T:2015:756, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Tegen die achtergrond moeten de argumenten van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beoordeeld.

a)     Identiteit van het slachtoffer van de gestelde materiële en immateriële schade

27      Het Hof van Justitie van de Europese Unie betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, op grond dat het verzoekschrift niet duidelijk en nauwkeurig genoeg vermeldt wie de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden.

28      Dienaangaande kan ten eerste uit de presentatie van het verzoekschrift en de begeleidende documenten worden opgemaakt dat het beroep door zowel Gascogne als Gascogne Sack Deutschland is ingesteld. Voorts strekken de conclusies in het verzoekschrift tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeksters stellen te hebben geleden wegens de procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06, die betrekking hadden op Gascogne respectievelijk Gascogne Sack Deutschland.

29      Wat ten tweede de gestelde materiële schade betreft, voert het Hof van Justitie van de Europese Unie slechts aan dat verzoeksters niet elk voor zich aantonen dat van dergelijke schade sprake is. De argumenten van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van het slachtoffer van de gestelde materiële schade moeten dus, in voorkomend geval, in het stadium van de beoordeling van de gegrondheid van het onderhavige beroep worden onderzocht.

30      Wat ten derde de gestelde immateriële schade aangaat, is de tekst van het verzoekschrift weliswaar niet geheel duidelijk, maar gelet op de inhoud van het verzoekschrift in zijn geheel en de toelichtingen die verzoeksters ter terechtzitting hebben gegeven, waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie een standpunt heeft kunnen innemen, moet worden vastgesteld dat het verzoekschrift strekt tot vergoeding van de immateriële schade die elk van de verzoeksters heeft geleden.

31      Wat het slachtoffer van de gestelde schade betreft, voldoet de inhoud van het verzoekschrift dus aan het vereiste dat het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn verweer heeft kunnen voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep.

32      Bijgevolg moet de stelling van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het verzoekschrift niet duidelijk en nauwkeurig genoeg vermeldt wie het slachtoffer van de gestelde schade is, worden afgewezen. Voorts kan, om dezelfde redenen, ook het argument van het Hof van Justitie van de Europese Unie aangaande het eventuele ontbreken van procesbelang voor Gascogne Sack Deutschland niet slagen.

b)     Oorzaak, inhoud en omvang van de gestelde immateriële schade

33      Het Hof van Justitie van de Europese Unie betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, op grond dat het verzoekschrift niet duidelijk en nauwkeurig genoeg de oorzaak, de inhoud en de omvang van de gestelde immateriële schade vermeldt.

34      Dienaangaande moet in de eerste plaats worden benadrukt dat het argument van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat in het verzoekschrift de suggestie wordt gewekt dat de gestelde immateriële schade het gevolg zou kunnen zijn van de bredere economische context of van het feit dat verzoeksters moeite hadden een koper te vinden, betrekking heeft op de beoordeling van de gegrondheid van het beroep en meer bepaald op het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schending en de aangevoerde immateriële schade.

35      Wat in de tweede plaats de inhoud van de gestelde immateriële schade betreft, omvat het betoog van verzoeksters weliswaar slechts een summiere opsomming van de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden, maar in het licht van de toelichtingen en verwijzingen in het verzoekschrift komt dat betoog voor als toereikend. Voorts betreft het argument van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de gestelde materiële schade, te weten verlies van een kans, en de gestelde immateriële schade door elkaar worden gehaald en dat mogelijk dubbele vergoeding voor dezelfde schade wordt verkregen, de beoordeling van de gegrondheid van het beroep.

36      Wat in de derde plaats de omvang van de beweerdelijk geleden immateriële schade aangaat, wijzen verzoeksters er terecht op dat de immateriële schade die zij aanvoeren, per definitie niet exact kan worden berekend. Voorts verstrekken zij contextuele gegevens die volgens hen de gevorderde vergoeding rechtvaardigen. Tevens geven zij een raming van het schadebedrag. Ten slotte hebben verzoeksters ter terechtzitting verduidelijkt in welk tijdvak de gestelde immateriële schade zou zijn geleden. Deze omstandigheid heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geenszins belet zich te verdedigen. Ten eerste heeft het ter terechtzitting een standpunt over deze kwestie kunnen innemen. Ten tweede werpt het een middel van niet-ontvankelijkheid op dat is ontleend aan verjaring van de vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade. Ten derde stelt het dat verzoeksters geen bewijs hebben geleverd voor het bestaan van immateriële schade en van een causaal verband. Ten vierde betoogt deze instelling, uiterst subsidiair, dat de door verzoeksters geleden immateriële schade op ten hoogste 5 000 EUR moet worden geraamd.

37      Verzoeksters hebben dus voldoende gegevens verstrekt om de oorzaak, de inhoud en de omvang van de door hen aangevoerde immateriële schade te kunnen beoordelen, zodat het Hof van Justitie van de Europese Unie verweer heeft kunnen voeren. Voorts stellen deze gegevens het Gerecht in staat uitspraak te doen.

38      Het betoog van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het verzoekschrift niet duidelijk en nauwkeurig genoeg de oorzaak, de inhoud en de omvang van de gestelde immateriële schade vermeldt, moet dus worden afgewezen.

39      Gelet op een en ander moet het eerste middel van niet-ontvankelijkheid in zijn geheel worden verworpen.

2.     Subsidiair aangevoerd middel van niet-ontvankelijkheid: verjaring van de vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade

40      Het Hof van Justitie van de Europese Unie geeft te kennen dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het strekt tot vergoeding van schade die meer dan 5 jaar vóór de instelling van het onderhavige beroep is geleden, dat wil zeggen vóór 4 augustus 2009.

41      Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van datzelfde Statuut op de procedure voor het Gerecht van toepassing is, het volgende is bepaald:

„De vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit hetzij door een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Unie [...]”

42      Uit de rechtspraak volgt dat de verjaring tot doel heeft de bescherming van de rechten van de benadeelde en het rechtszekerheidsbeginsel met elkaar te verenigen. De duur van die verjaringstermijn is vastgesteld met inachtneming van met name de tijd die de mogelijk benadeelde nodig heeft om de voor een eventueel beroep nodige inlichtingen te verzamelen en de feiten na te trekken die hij aan dit beroep ten grondslag kan leggen (arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 33; zie in die zin ook beschikking van 18 juli 2002, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/Commissie, C‑136/01 P, EU:C:2002:458, punt 28).

43      Volgens vaste rechtspraak gaat de verjaringstermijn in wanneer aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan (zie arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet wel aldus worden uitgelegd dat de verjaring niet kan worden tegengeworpen aan de schadelijdende partij die niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het schadetoebrengend feit en dus niet over een redelijke termijn beschikte voor indiening van haar verzoekschrift of haar verzoek vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. De vereisten voor het ontstaan van de verplichting tot vergoeding van de in artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde schade en dus ook de verjaringsregeling voor de betrokken schadevorderingen mogen evenwel niet zijn gebaseerd op andere dan strikt objectieve criteria (zie arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Voorts is het vaste rechtspraak dat de subjectieve beoordeling door de benadeelde van het bestaan van schade geen rol kan spelen bij de vaststelling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn van de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie ingaat (zie arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 28 februari 2013, Inalca en Cremonini/Commissie, C‑460/09 P, EU:C:2013:111, punt 70).

46      In de onderhavige zaak moet worden benadrukt dat „het feit dat aanleiding heeft gegeven” tot de onderhavige „vordering tegen de Unie” een procedurele onregelmatigheid is in de vorm van vermeende niet-naleving van de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn (hierna: „redelijke procestermijn”) door een rechterlijke instantie van de Unie. Bij de bepaling van het tijdstip waarop de verjaringstermijn van 5 jaar in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingaat, moet met die omstandigheid dan ook rekening worden gehouden. Meer bepaald kan de verjaringstermijn niet ingaan op een datum waarop het schadetoebrengend feit voortduurt en moet het tijdstip waarop die termijn ingaat, worden vastgesteld op een datum waarop dat schadetoebrengend feit zich volledig heeft voltrokken.

47      In het specifieke geval van een beroep tot vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden omdat de redelijke procestermijn mogelijk niet in acht is genomen, moet het tijdstip waarop de in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde verjaringstermijn van 5 jaar ingaat, in een situatie waarin een beslissing een einde aan de litigieuze procestermijn heeft gemaakt, worden vastgesteld op de datum waarop die beslissing is gegeven. Dat is immers een zeker, op objectieve criteria berustend tijdstip dat recht doet aan het rechtszekerheidsbeginsel en bescherming van de rechten van de verzoeker mogelijk maakt.

48      In de onderhavige zaak vorderen verzoeksters vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden wegens de procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06. Deze zaken zijn afgesloten bij arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674). De verjaringstermijn is dus op 16 november 2011 ingegaan.

49      Voorts hebben verzoeksters hun beroep in de onderhavige zaak ingesteld, en de verjaring dus gestuit, op 4 augustus 2014, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de termijn van 5 jaar die in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is voorzien. Het onderhavige beroep is dus niet verjaard.

50      Gelet op een en ander moet ook het tweede middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

B –  Ten gronde

51      Volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU moet de Unie, inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

52      Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 340, tweede alinea, VWEU dat voor het intreden van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en de uitoefening van een recht op vergoeding van de geleden schade moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden ter zake van de onwettigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (arresten van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, EU:C:1982:318, punt 16, en van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 106).

53      Wanneer aan een van die voorwaarden niet is voldaan, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat de overige voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie hoeven te worden onderzocht (arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C‑104/97 P, EU:C:1999:498, punt 65; zie in die zin ook arrest van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, EU:C:1994:329, punt 81). Bovendien bestaat er voor de Unierechter geen verplichting om deze voorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken (arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 42; zie in die zin ook arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 13).

54      In de onderhavige zaak betogen verzoeksters in de eerste plaats dat de duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 schending van de redelijke procestermijn oplevert. In de tweede plaats geven zij te kennen dat zij als gevolg van deze schending materiële schade hebben geleden die dient te worden vergoed.

1.     Vermeende schending van de redelijke procestermijn in de zaken T72/06 en T79/06

55      Verzoeksters geven te kennen dat de duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 niet-inachtneming van de redelijke procestermijn oplevert, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een regel van Unierecht die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen. Zij voegen hieraan toe dat de redelijke procestermijn in beide zaken met 30 maanden is overschreden, gelet op, ten eerste, de gemiddelde behandelingsduur van mededingingszaken voor het Gerecht en, ten tweede, de bijzondere omstandigheden van voornoemde zaken.

56      Het Hof van Justitie van de Europese Unie bestrijdt deze stellingen.

57      Om te beginnen kan niet louter op grond van een vergelijking tussen de duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en de gemiddelde duur van de procedures voor het Gerecht in de periode 2006‑2010 worden gesteld dat de redelijke procestermijn in elk van beide zaken is overschreden. Hoe dan ook blijkt uit bestudering van de relevante statistieken dat de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 in haar geheel slechts 16 maanden langer heeft geduurd dan de gemiddelde procedure in mededingingszaken tussen 2006 en 2015. Evenzo zijn tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 slechts 16 maanden meer verstreken dan in die fase in mededingingszaken in de periode 2007‑2010 gemiddeld het geval was.

58      Voorts vinden de totale duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en het tijdsverloop tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling in deze zaken hun rechtvaardiging in de complexiteit van de zaken, het geringe belang ervan voor verzoeksters, het gedrag van verzoeksters, de beperkte duur van het mandaat van de rechters en de langdurige ziekte van een van de leden van de kamer waaraan de twee zaken in kwestie waren toegewezen.

59      In dat verband moet worden benadrukt dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie onder meer bepaalt dat „[e]enieder [...] recht [heeft] op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”.

60      Ten aanzien van een dergelijk recht, waarvan het bestaan als algemeen beginsel van het Unierecht reeds is bevestigd vóór de inwerkingtreding van het Handvest van de grondrechten, is geoordeeld dat het van toepassing is in het kader van een beroep in rechte tegen een besluit van de Commissie (zie arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07, EU:C:2009:456, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      In casu blijkt uit gedetailleerde bestudering van de respectieve procesdossiers in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 dat de duur van de procedure in die zaken, die bijna 5 jaar en 9 maanden bedroeg, niet kan worden gerechtvaardigd door enige omstandigheid die aan voornoemde zaken is toe te schrijven, zoals het Hof terecht heeft onderstreept in de arresten van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768) en Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770).

62      In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat de zaken T‑72/06 en T‑79/06 betrekking hadden op geschillen over het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels en dat het fundamentele vereiste van rechtszekerheid voor de marktdeelnemers en het doel, te garanderen dat de mededinging in de interne markt niet wordt vervalst, volgens de rechtspraak niet alleen voor de verzoeker zelf en voor zijn concurrenten, maar ook voor derden van groot belang is, gelet op het grote aantal betrokkenen en de financiële belangen die op het spel staan (arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, EU:C:2009:456, punt 186).

63      In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat in zowel zaak T‑72/06 als zaak T‑79/06 ongeveer 3 jaar en 10 maanden, oftewel 46 maanden, is verstreken tussen het einde van de schriftelijke behandeling, die is geëindigd met de neerlegging van de dupliek van de Commissie op 20 februari 2007, en de opening van de mondelinge behandeling, in december 2010.

64      In de loop van die periode is onder meer een synthese van de argumenten van de partijen gemaakt, zijn de zaken in staat gebracht, zijn de geschillen feitelijk en rechtens geanalyseerd en is de mondelinge behandeling voorbereid. De duur van deze tijdsspanne hangt dus in het bijzonder af van de complexiteit van het geding, van het gedrag van partijen en van procesincidenten.

65      Wat om te beginnen de complexiteit van het geding betreft, dient allereerst eraan te worden herinnerd dat de zaken T‑72/06 en T‑79/06 betrekking hadden op beroepen tegen een beschikking van de Commissie betreffende een procedure overeenkomstig artikel 101 VWEU.

66      Zoals blijkt uit de respectieve procesdossiers in de zaken T‑72/06 en T‑79/06, zijn beroepen die de toepassing van het mededingingsrecht door de Commissie betreffen, complexer dan andere soorten zaken, met name gelet op de lengte van het bestreden besluit, de omvang van het dossier en de noodzaak om gedetailleerd vele en complexe feiten te beoordelen die vaak in tijd en ruimte zijn verspreid.

67      Een periode van 15 maanden tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling is in beginsel dan ook passend voor de behandeling van mededingingszaken, zoals de zaken T‑72/06 en T‑79/06.

68      Vervolgens dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat meerdere beroepen tegen beschikking C(2005) 4634 waren ingesteld.

69      Beroepen die tegen een en dezelfde beschikking van de Commissie houdende toepassing van het mededingingsrecht van de Unie worden ingesteld, vereisen in beginsel namelijk een parallelle behandeling, ook wanneer deze beroepen niet worden gevoegd. Deze parallelle behandeling wordt met name gerechtvaardigd door de verknochtheid van genoemde beroepen en door de noodzaak dat wordt gezorgd voor samenhang in de analyse daarvan en het daarop te geven antwoord.

70      Bijgevolg kan de parallelle behandeling van verknochte zaken het rechtvaardigen dat de periode tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling met een aanvullende maand per verknochte zaak wordt verlengd.

71      In de onderhavige zaak waren vijftien beroepen tegen beschikking C(2005) 4634 ingesteld. Niettemin heeft één verzoekende partij afstand van haar beroep tegen die beschikking gedaan (beschikking van 6 juli 2006, Cofira-Sac/Commissie, T‑43/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:192), en hebben twee van de beroepen die tegen beschikking C(2005) 4634 waren ingesteld, geleid tot de uitspraak van de arresten van 13 september 2010, Trioplast Wittenheim/Commissie (T‑26/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:387) en Trioplast Industrier/Commissie (T‑40/06, EU:T:2010:388).

72      In die omstandigheden heeft de behandeling van de twaalf andere zaken betreffende beroepen tegen beschikking C(2005) 4634 het gerechtvaardigd dat de procedure in zaak T‑72/06 en die in de zaak T‑79/06 11 maanden langer heeft geduurd.

73      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat een duur van 26 maanden (15 maanden plus 11 maanden) tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling in beginsel passend was voor de behandeling van de zaken T‑72/06 en T‑79/06.

74      Ten slotte biedt de feitelijke, juridische en procedurele complexiteit van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 in casu geen grond voor een langer tijdsverloop. Dienaangaande moet met name worden opgemerkt dat in die zaken de procesgang tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling niet is onderbroken of vertraagd als gevolg van de vaststelling door het Gerecht van enige maatregel tot organisatie daarvan.

75      Wat het gedrag van partijen en procesincidenten in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 aangaat, kan het feit dat verzoeksters in oktober 2010 om heropening van de schriftelijke behandeling hebben verzocht, niet de periode van 3 jaar en 8 maanden rechtvaardigen die sinds de neerlegging van de memorie van dupliek reeds was verstreken. De omstandigheid dat verzoeksters in de loop van december 2010 ervan in kennis zijn gesteld dat in februari 2011 een terechtzitting zou plaatsvinden, wijst er trouwens op dat dit incident slechts zeer beperkt effect heeft kunnen hebben op het tijdsverloop tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling in voornoemde zaken.

76      Gelet op de omstandigheden van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 duidt het tijdsverloop van 46 maanden tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling derhalve op een periode van ongerechtvaardigde inactiviteit van 20 maanden in elk van die zaken.

77      In de derde plaats is bij het onderzoek van de respectieve dossiers van de zaken T‑72/06 en T‑79/06 niet gebleken van omstandigheden die de conclusie toelaten dat sprake is van een periode van ongerechtvaardigde inactiviteit tussen, enerzijds, de datum van neerlegging van de verzoekschriften en de datum van neerlegging van de duplieken en, anderzijds, de opening van de mondelinge behandeling en de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674).

78      Hieruit volgt dat de procedure die in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 is gevolgd en die is geëindigd met de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674), schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten oplevert, voor zover zij de redelijke procestermijn met 20 maanden heeft overschreden, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel van de Unie die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen.

2.     Gestelde schade en vermeend causaal verband

79      Volgens vaste rechtsspraak moet de schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd in het kader van een vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, reëel en zeker zijn, hetgeen de verzoeker moet bewijzen (zie arrest van 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, EU:C:2006:708, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan deze laatste om concludente bewijzen over te leggen betreffende het bestaan en de omvang van de gestelde schade (zie arrest van 16 september 1997, Blackspur DIY e.a./Raad en Commissie, C‑362/95 P, EU:C:1997:401, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      Nog steeds volgens vaste rechtspraak betreft de voorwaarde van een causaal verband die wordt gesteld in artikel 340, tweede alinea, VWEU het bestaan van een voldoende direct oorzakelijk verband tussen het gedrag van de instellingen en de schade (arresten van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 53, en 14 december 2005, Beamglow/Parlement e.a., T‑383/00, EU:T:2005:453, punt 193; zie in die zin ook arrest van 4 oktober 1979, Dumortier e.a./Raad, 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 en 45/79, EU:C:1979:223, punt 21). Het staat aan de verzoeker om het bewijs van een causaal verband tussen het verweten gedrag en de aangevoerde schade te leveren (zie arrest van 30 september 1998, Coldiretti e.a./Raad en Commissie, T‑149/96, EU:T:1998:228, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81      In casu stellen verzoeksters dat de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 hun zowel materiële als immateriële schade heeft berokkend.

a)     Gestelde materiële schade en vermeend causaal verband

82      Verzoeksters beweren door de voldoende gekwalificeerde schending ter zake van de redelijke procestermijn twee soorten materiële schade te hebben geleden. In de eerste plaats stellen zij verliezen te hebben geleden, omdat zij na het verstrijken van de redelijke termijn kosten hebben gemaakt in verband met de bankgarantie die zij hadden gesteld om onmiddellijke invordering van de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete te voorkomen, en omdat zij wettelijke rente over het nominale bedrag van die geldboete hebben moeten betalen. In de tweede plaats is hun wegens onzekerheid de kans ontnomen om eerder een investeerder te vinden en dus de kans om winst te maken of verlies te vermijden.

83      Het onderzoek van de gestelde schade en het vermeende causale verband zal om te beginnen moeten worden gericht op het vermeende verlies van de kans om eerder een investeerder te vinden, en vervolgens op het verlies dat beweerdelijk is geleden wegens de betaling van rente over het bedrag van de geldboete en de betaling van bankgarantiekosten.

 Vermeend verlies van de kans om eerder een investeerder te vinden

84      Verzoeksters betogen dat de groep in 2011 in financiële problemen is geraakt. Na vergeefs stappen bij de schuldeisers te hebben ondernomen, heeft de groep pogingen in het werk gesteld om nieuwe investeerders te vinden. Zou beschikking C(2005) 4634 eerder definitief zijn geworden, dan zou de onzekerheid omtrent het uiteindelijke bedrag van de geldboete, meer in het bijzonder het risico dat die boete zou worden verhoogd, zijn uitgebleven en had de groep sneller een investeerder kunnen vinden. In dit verband bewijst de omstandigheid dat enkele dagen na de uitspraak van de arresten van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768) en Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770), een beginselakkoord tussen Groupe Gascogne en een consortium van investeerders onder leiding van de vennootschap Biolandes Technologies tot stand is gekomen, dat de onzekerheid omtrent de hoogte van de geldboete een negatieve uitwerking op de bedrijfsvoering van de groep heeft gehad. Tot slot toont de opeenvolging van feiten volgens verzoeksters ondubbelzinnig aan dat sprake was van een beslissende samenhang tussen de gestelde overschreden redelijke procestermijn en de problemen die de Gascogne-groep ondervond bij het vinden van investeerders, wier inbreng voor de financiële sanering van de groep onontbeerlijk was.

85      Het Hof van Justitie van de Europese Unie bestrijdt deze stellingen.

86      In casu moet worden beoordeeld of verzoeksters met een voldoende mate van waarschijnlijkheid aantonen dat Gascogne kans had om „eerder” een investeerder te vinden. Anders gezegd, onderzocht dient te worden of verzoeksters aantonen dat Gascogne een reële en serieuze kans op het sneller vinden van een investeerder had.

87      In de eerste plaats volgt uit het dossier dat Gascogne in het kader van haar zoektocht naar investeerders ten hoogste vijf blijken van belangstelling heeft ontvangen. Verzoeksters leggen in de bijlagen bij het verzoekschrift namelijk een e‑mailbericht van 8 november 2012 van een potentiële investeerder uit het Verenigd Koninkrijk over. Voorts vermeldt het in het verzoekschrift genoemde rapport van de onafhankelijk deskundige van 16 mei 2014, dat is opgesteld in het kader van de voorgenomen gereserveerde kapitaalverhoging van Gascogne SA, dat naar aanleiding van een in januari en februari 2013 door Gascogne geplaatste oproep tot inschrijving vier blijken van belangstelling van investeringsfondsen zijn ontvangen. In slechts twee van de vijf blijken van belangstelling die Gascogne heeft ontvangen, werd de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete genoemd als een factor die voor het nemen van een investeringsbeslissing in aanmerking moest worden genomen.

88      Wat in de tweede plaats de twee potentiële investeerders betreft die naar de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete hebben verwezen, blijkt uit het dossier niet dat het wegnemen van de onzekerheid omtrent een mogelijke verhoging van de geldboete een voorwaarde voor een eventuele investering was.

89      Ten eerste blijkt namelijk uit het e‑mailbericht van 8 november 2012 van de potentiële investeerder uit het Verenigd Koninkrijk dat de geldboete als zodanig een beletsel voor een eventuele investering zou kunnen vormen. Meer bepaald heeft deze potentiële belegger geëist dat de Franse Republiek de geldboete voor haar rekening zou nemen of bij de Commissie erop zou aandringen de zaak te laten rusten. Een van de voorwaarden voor een eventuele investering was dus dat de geldschuld in verband met deze boete volledig zou worden opgeheven, en niet dat zekerheid omtrent het uitblijven van een verhoging van de boete zou worden gegeven.

90      Wat ten tweede het andere blijk van belangstelling betreft waarin de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete werd vermeld, zet het rapport van de onafhankelijk deskundige van 16 mei 2014 inzake de voorgenomen gereserveerde kapitaalverhoging van Gascogne SA uiteen dat in dit blijk van belangstelling aan een eventuele investering de voorwaarde was verbonden dat met name de schuld in verband met de door de Commissie opgelegde geldboete zou worden opgeheven. Ook hier was dus het verdwijnen van de boete zelf, en niet de zekerheid dat zij niet zou worden verhoogd, een voorwaarde voor een eventuele investering.

91      In de derde plaats tonen de door verzoeksters in het verzoekschrift genoemde of daaraan gehechte documenten aan dat de opheffing van de schuld in verband met de geldboete slechts een van de voorwaarden voor een eventuele investering was. Uit het e‑mailbericht van 8 november 2012 blijkt immers dat de potentiële investeerder uit het Verenigd Koninkrijk aan een overeenkomst tal van voorwaarden had verbonden, zoals afstoting van een bedrijfsonderdeel, kwijtschelding van leningen en doorvoering van een herstructurering en een sociaal plan. Zo bevatten ook alle blijken van belangstelling die in het rapport van de onafhankelijk deskundige van 16 mei 2014 inzake de voorgenomen gereserveerde kapitaalverhoging van Gascogne SA worden genoemd, meerdere cumulatieve voorwaarden voor een investering (afstoting van bedrijfsonderdelen, afstand van schuldvorderingen, herschikking of volledige kwijtschelding van de schuld). Verzoeksters stellen evenwel geen pogingen in het werk om aan te tonen dat zij aan alle in deze blijken van belangstelling gestelde voorwaarden konden voldoen. Tevens moet worden opgemerkt dat de kans om eerder een koper te vinden, afhing van de bereidheid van Gascogne om de talrijke voorwaarden voor een eventuele investering en het met die investering verband houdende ondernemingsplan te aanvaarden.

92      In de vierde plaats moet worden benadrukt dat het verzoekschrift diverse beweringen bevat waarvoor een onderbouwing ontbreekt. Meer bepaald stellen verzoeksters simpelweg dat de loutere vaststelling dat de nieuwe investeerders in Gascogne na de arresten 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768) en Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770), slechts enkele weken nodig hadden om tot een definitief akkoord te komen, „volstaat” om aan te tonen dat verzoeksters, zouden de arresten van het Gerecht binnen een normale termijn zijn gewezen, er aanmerkelijk beter voor zouden hebben gestaan, zodat de overname van de groep veel eerder haar beslag zou hebben gehad. Zo wordt niet bewezen dat de investering die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, voortvloeide uit de omstandigheid dat duidelijkheid was verkregen over de situatie van verzoeksters wat een eventuele verhoging van de geldboete betreft.

93      Hieruit volgt dat verzoeksters niet aantonen dat Gascogne een serieuze kans had om „eerder” een investeerder te vinden. Zij tonen dus evenmin aan dat Gascogne een serieuze kans om eerder een investeerder te vinden is misgelopen en dat dit verlies van een kans Gascogne reële en zekere schade heeft berokkend.

94      Gelet op een en ander moet de vordering tot vergoeding van een vermeend verlies van een kans om eerder een investeerder te vinden, worden afgewezen.

 Beweerdelijk geleden verliezen wegens de betaling van rente over het bedrag van de geldboete en de betaling van bankgarantiekosten

95      In de eerste plaats betogen verzoeksters dat zij op het moment waarop zij hun beroepen in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 hebben ingesteld, hebben besloten de hun bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete niet onmiddellijk te voldoen. Verzoeksters lichten toe dat zij in ruil daarvoor hebben moeten accepteren met ingang van 15 maart 2006 3,56 % rente over het bedrag van die geldboete te betalen, en voorts een bankgarantie hebben moeten stellen.

96      In de tweede plaats voeren zij aan dat, zou de redelijke procestermijn in acht zijn genomen, de arresten van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768) en Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770), rond 30 mei 2011 zouden zijn uitgesproken. Daaruit leiden zij af dat de rente over het bedrag van de geldboete en de bankgarantiekosten die zij hebben betaald tussen 30 mei 2011, de datum waarop beschikking C(2005) 4634 definitief had moeten zijn, en 12 december 2013, de datum waarop de boete daadwerkelijk is betaald, als onverschuldigde betalingen zijn aan te merken en moeten worden gerestitueerd.

97      In de derde plaats blijkt uit punt 135 van de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:360) dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn en de bijkomende kosten in verband met de betaling van rente over het bedrag van de geldboete en de betaling van bankgarantiekosten.

98      Het Hof van Justitie van de Europese Unie bestrijdt dit betoog.

99      Ten eerste betoogt het dat de rente die verzoeksters tussen 30 mei 2011 en 12 december 2013 hebben moeten betalen, niet als schade kan worden aangemerkt.

100    Ten tweede is het van oordeel dat er niet een voldoende direct causaal verband bestaat tussen enerzijds de materiële schade die samenhangt met de bankgarantiekosten en de rente over het bedrag van de geldboete en anderzijds de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn. Om te beginnen vloeit deze materiële schade immers voort uit een keuze die verzoeksters zelf hebben gemaakt. Voorts kan op basis van de loutere vaststelling dat verzoeksters, zou de redelijke procestermijn niet zijn overschreden, niet genoodzaakt zouden zijn geweest voor de periode van die overschrijding bankgarantiekosten en rente over het bedrag van de geldboete te betalen, niet het bestaan van een rechtstreeks causaal verband komen vast te staan. Ten slotte levert de omstandigheid dat verzoeksters niet over voldoende liquide middelen beschikten om de geldboete op het moment van vaststelling van beschikking C(2005) 4634 te betalen, een onvoldoende direct causaal verband tussen de gestelde materiële schade en de vermeende niet-inachtneming van de redelijke procestermijn op. Verzoeksters hebben overigens ook geen verzoek in kort geding tot opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking C(2005) 4634 ingediend.

–       Opmerkingen vooraf

101    Benadrukt moet worden dat in artikel 2 van beschikking C(2005) 4634 was bepaald dat de bij die beschikking opgelegde geldboeten moesten worden betaald binnen 3 maanden vanaf de kennisgeving ervan. Overeenkomstig artikel 86 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1), was in artikel 2 van deze beschikking gepreciseerd dat na het verstrijken van deze termijn van 3 maanden van rechtswege rente zou zijn verschuldigd tegen de rentevoet die op de eerste dag van de maand waarin deze beschikking werd gegeven, door de ECB op haar basisherfinancieringstransacties werd toegepast, vermeerderd met drieënhalf procentpunt, ofwel een rentevoet van 5,56 %.

102    Overeenkomstig artikel 299, eerste alinea, VWEU vormde beschikking C(2005) 4634 een executoriale titel, aangezien in artikel 2 daarvan een geldelijke verplichting aan verzoeksters werd opgelegd. Daarnaast heeft de instelling van een beroep tot nietigverklaring van die beschikking op grond van artikel 263 VWEU geen afbreuk gedaan aan het executoriale karakter van die beschikking, aangezien de bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingestelde beroepen volgens artikel 278 VWEU geen schorsende werking hebben.

103    Op 15 december 2005 heeft de Commissie beschikking C(2005) 4634 aan verzoeksters betekend. Daarbij heeft zij meegedeeld dat indien verzoeksters een procedure bij het Gerecht of het Hof aanhangig zouden maken, niet tot inning zou worden overgegaan zolang de zaak aanhangig was, mits vóór de datum waarop de betalingstermijn verstreek twee voorwaarden in acht werden genomen. Overeenkomstig artikel 86, lid 5, van verordening nr. 2342/2002 waren dat de volgende twee voorwaarden: ten eerste zou de schuldvordering van de Commissie met ingang van de datum waarop de betalingstermijn verstreek rentedragend zijn tegen een rentevoet van 3,56 %, en ten tweede moest vóór de uiterste betalingsdatum een voor de Commissie aanvaardbare bankgarantie worden gesteld ter dekking van zowel de hoofdsom van schuld als de rente en de verhogingen.

104    In hun verzoekschrift in de onderhavige zaak lichten verzoeksters toe dat zij op de door de Commissie geboden mogelijkheid zijn ingegaan en hebben besloten de hun opgelegde geldboete niet onmiddellijk te voldoen, maar een bankgarantie te stellen en 3,56 % rente te betalen.

105    In het licht van die opmerkingen moeten de gestelde materiële schade en het vermeende causale verband tussen die schade en de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 worden onderzocht.

–       Betaling van rente over het bedrag van de geldboete

106    In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete wegens de gecombineerde toepassing van artikel 299, eerste alinea, en artikel 278 VWEU, die hierboven in punt 102 zijn vermeld, aan de Commissie verschuldigd was ondanks dat een beroep tot nietigverklaring van die beschikking was ingesteld. De rente over het bedrag van de geldboete, tegen een rentevoet van 3,56 %, moet bijgevolg als vertragingsrente worden gekwalificeerd.

107    In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat verzoeksters in de loop van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 noch de geldboete, noch de vertragingsrente hebben betaald. Gedurende de procedure in genoemde zaken hebben zij dus het genot gehad van de som die met het bedrag van die geldboete overeenstemt, vermeerderd met de vertragingsrente.

108    Verzoeksters hebben niets aangevoerd dat kan aantonen dat het bedrag van de vertragingsrente die op een later tijdstip aan de Commissie is betaald, in de loop van de periode die met de overschrijding van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 overeenstemt, hoger is geweest dan het voordeel dat zij hebben kunnen genieten als gevolg van het feit dat zij de beschikking over die som hadden, zijnde het bedrag van de geldboete vermeerderd met de vertragingsrente. Anders gezegd tonen verzoeksters niet aan dat de rente over het bedrag van de geldboete die is aangegroeid in de periode die met de overschrijding van de redelijke procestermijn overeenstemt, hoger was dan het voordeel dat zij uit het niet betalen van de geldboete hebben kunnen halen, vermeerderd met de rente die verschuldigd was op de datum waarop de redelijke termijn is geschonden en de rente die opeisbaar was geworden in de periode waarin die schending heeft voortgeduurd.

109    Hieruit volgt dat verzoeksters niet aantonen dat zij in de periode die met de overschrijding van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 overeenstemt, reëel en zeker verlies hebben geleden wegens de betaling van vertragingsrente over het bedrag van de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete.

110    Het verzoek om vergoeding van de beweerdelijk geleden schade, bestaande in verliezen ten gevolge van de betaling van rente over het bedrag van de geldboete na het verstrijken van de redelijke termijn, moet derhalve worden afgewezen, zonder dat het nodig is na te gaan welke verzoekster daadwerkelijk vertragingsrente heeft betaald en of het aangevoerde causale verband bestaat.

–       Betaling van de kosten van een bankgarantie

111    Wat in de eerste plaats de schade betreft, blijkt uit het dossier dat de garantie voor de betaling van het volledige bedrag van de geldboete, vermeerderd met de vertragingsrente, door de bank van Groupe Gascogne, thans Gascogne, is verstrekt. Voorts bevestigen de gegevens in het dossier dat Gascogne tijdens de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 bankgarantiekosten in de vorm van driemaandelijkse commissies heeft betaald.

112    Hieruit volgt dat Gascogne Sack Deutschland niet aantoont dat de schade die zij stelt te hebben geleden, te weten verliezen ten gevolge van de betaling van bankgarantiekosten na het verstrijken van de redelijke termijn, reëel en zeker was.

113    De vordering tot vergoeding van de gestelde schade, voor zover die bestaat in verliezen die Gascogne Sack Deutschland wegens de betaling van bankgarantiekosten na het verstrijken van de redelijke termijn zou hebben geleden, moet derhalve worden afgewezen.

114    Op basis van de gegevens in het dossier moet daarentegen worden vastgesteld dat Gascogne aantoont dat haar reële en zekere schade is berokkend, bestaande in een verlies dat zij heeft geleden wegens de betaling van bankgarantiekosten in de periode van overschrijding van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06.

115    Wat in de tweede plaats het causaal verband aangaat, moet erop worden gewezen dat indien er in de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 geen overschrijding van de redelijke procestermijn zou zijn geweest, Gascogne geen kosten voor een bankgarantie had hoeven te maken in de periode die met deze overschrijding overeenstemt.

116    Er is dus een oorzakelijk verband tussen de schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en de ontstane schade die Gascogne heeft geleden, bestaande in een verlies dat zij heeft geleden wegens de betaling van bankgarantiekosten in de periode die met de overschrijding van die redelijke procestermijn overeenstemt.

117    Daarnaast moet worden benadrukt dat het verweten gedrag uiteraard de doorslaggevende oorzaak van de schade moet zijn (beschikking van 31 maart 2011, Mauerhofer/Commissie, C‑433/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:204, punt 127, en arrest van 10 mei 2006, Galileo International Technology e.a./Commissie, T‑279/03, EU:T:2006:121, punt 130; zie in die zin ook arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 61). Anders gezegd, zelfs al zouden de instellingen hebben bijgedragen tot de schade die men vergoed wil zien, dan nog kan deze bijdrage te ver verwijderd zijn omdat andere personen aansprakelijk zijn, in voorkomend geval de verzoekende partij (arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 59, en beschikking van 31 maart 2011, Mauerhofer/Commissie, C‑433/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:204, punt 132).

118    Bovendien is reeds geoordeeld dat gestelde schade die is geleden in de vorm van kosten voor een bankgarantie die zijn gemaakt door een onderneming waaraan een sanctie is opgelegd bij een besluit van de Commissie dat daarna nietig is verklaard door het Gerecht, niet het rechtstreekse gevolg van de onrechtmatigheid van dat besluit was, op grond dat die schade een uitvloeisel was van de eigen keuze van die onderneming om een bankgarantie te stellen teneinde de verplichting om de geldboete te betalen niet uit te voeren binnen de in het litigieuze besluit gestelde termijn [zie in die zin arrest van 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie, T‑28/03, EU:T:2005:139, punt 123, en beschikking van 12 december 2007, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑113/04, niet gepubliceerd, EU:T:2007:377, punt 38].

119    In casu dient evenwel te worden opgemerkt dat ten eerste de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn noch op het moment waarop verzoeksters hun beroepen in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 hebben ingesteld, te weten op 23 februari 2006, noch op het moment waarop Gascogne een bankgarantie heeft gesteld, te weten in maart 2006, kon worden voorzien. Voorts mocht Gascogne gewettigd verwachten dat haar beroep binnen een redelijke termijn zou worden behandeld.

120    Ten tweede is de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 overschreden na de aanvankelijke keuze van Gascogne om een bankgarantie te stellen.

121    De feiten van de onderhavige zaak verschillen dus wezenlijk van die welke zijn vastgesteld in het arrest van 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie (T‑28/03, EU:T:2005:139), en in de beschikking van 12 december 2007, Atlantic Container Line e.a./Commissie (T‑113/04, niet gepubliceerd, EU:T:2007:377), waarnaar in punt 118 hierboven is verwezen. Het verband tussen de overschrijding van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en de betaling van bankgarantiekosten in de periode waarop die overschrijding betrekking heeft, kan dan ook, anders dan het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt, niet zijn verbroken door de aanvankelijk door Gascogne gemaakte keuze om de bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete niet onmiddellijk te betalen en een bankgarantie te stellen.

122    Hieruit volgt dat er een voldoende direct causaal verband bestaat tussen de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en het verlies dat Gascogne heeft geleden wegens de betaling van bankgarantiekosten in de periode die met de overschrijding van die termijn overeenstemt.

123    In de derde plaats stellen verzoeksters dat zij schade hebben geleden tussen 30 mei 2011, de datum waarop beschikking C(2005) 4634 definitief had moeten zijn, en 12 december 2013, de datum waarop de geldboete daadwerkelijk is betaald.

124    Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoeksters in hun beroepen alleen schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 aanvoeren. Zij stellen dus niet dat de redelijke procestermijn niet in acht is genomen wegens de totale duur van de procedure in, enerzijds, zaak T‑72/06 tezamen met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770), en, anderzijds, zaak T‑79/06 tezamen met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:768).

125    In de onderhavige zaak is dan ook uitsluitend vastgesteld dat de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 schending van de redelijke procestermijn heeft opgeleverd (zie punt 78 hierboven).

126    Vervolgens is de schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 geëindigd met de uitspraak van de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674).

127    Vanaf 16 november 2011 hadden verzoeksters dus kunnen begrijpen dat de redelijke termijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 was geschonden en welke schade zij hadden geleden wegens de betaling van bankgarantiekosten in de periode die met de overschrijding van die termijn overeenstemt.

128    In de hogere voorzieningen die zij op 27 januari 2012 tegen de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674), hebben ingesteld, hebben verzoeksters trouwens betoogd dat de buitensporig lange duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 grote financiële gevolgen voor hen had gehad, en om die reden verzocht om verlaging van de geldboete waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk waren gehouden.

129    Tot slot is beschikking C(2005) 4634, waarbij verzoeksters een geldboete is opgelegd, pas op 26 november 2013 definitief geworden en is op die datum een einde gekomen aan de door de Commissie geboden mogelijkheid om een bankgarantie te stellen wegens verzoeksters’ keuze om hogere voorziening in te stellen tegen de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674).

130    Hieruit volgt dat de betaling van bankgarantiekosten na de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674), waarmee een einde is gekomen aan de schending van de redelijke termijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06, niet in een voldoende direct causaal verband met die schending staat, aangezien de betaling van die kosten voortvloeit uit de persoonlijke en autonome keuze van verzoeksters om na afloop van die schending de geldboete niet te betalen, niet om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking C(2005) 4634 te vragen en hogere voorziening tegen bovengenoemde arresten in te stellen.

131    Uit een en ander volgt dat er een voldoende direct causaal verband bestaat tussen enerzijds de schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 en anderzijds de schade die Gascogne vóór de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T‑72/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T‑79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674) heeft geleden, bestaande in de betaling van bankgarantiekosten in de periode die met de overschrijding van deze redelijke termijn overeenstemt.

 Begroting van de geleden materiële schade

132    In de eerste plaats dient in herinnering te worden gebracht dat de redelijke procestermijn in zowel zaak T‑72/06 als zaak T‑79/06 met 20 maanden is overschreden (zie punt 78 hierboven).

133    In de tweede plaats betogen verzoeksters dat zij schade hebben geleden tussen 30 mei 2011, de datum waarop beschikking C(2005) 4634 definitief had moeten zijn, en 12 december 2013, de datum waarop de geldboete daadwerkelijk is betaald.

134    Dienaangaande moet ten eerste worden opgemerkt dat verzoeksters in het verzoekschrift preciseren dat alle kosten in verband met de bankgarantie die zij „na 30 mei 2011” hebben betaald, als geleden verliezen moeten worden aangemerkt. Zij onderbouwen hun schadevordering met transactieoverzichten die vanaf het tweede kwartaal van 2011 door een bank zijn afgegeven.

135    Gelet op de motivering van het verzoekschrift betreft de door verzoeksters in het tweede onderdeel van hun conclusie geformuleerde schadevordering ten bedrage van 184 571 EUR derhalve de betaling van bankgarantiekosten die zij vanaf 30 mei 2011 hebben gemaakt.

136    Uit de regels inzake het procesverloop bij de rechterlijke instanties van de Unie, en met name uit artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, volgt dat partijen in beginsel het geding bepalen en afbakenen en dat de Unierechter niet ultra petita mag beslissen (arresten van 10 december 2013, Commissie/Ierland e.a., C‑272/12 P, EU:C:2013:812, punt 27, en 3 juli 2014, Electrabel/Commissie, C‑84/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2040, punt 49).

137    Het Gerecht mag dus niet van verzoeksters’ vordering afwijken en ambtshalve beslissen tot vergoeding van de schade die vóór 30 mei 2011 is geleden, dat wil zeggen in een periode die chronologisch verschilt van de periode waarin zij stellen schade te hebben geleden.

138    Ten tweede staan de na 16 november 2011 door Gascogne betaalde bankgarantiekosten niet in een voldoende direct causaal verband met de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 (zie punt 130 hierboven).

139    Derhalve bestaat de voor vergoeding in aanmerking komende schade in casu in de bankgarantiekosten die Gascogne tussen 30 mei 2011 en 16 november 2011 heeft betaald.

140    In de derde plaats blijkt uit de door verzoeksters overgelegde stukken dat Gascogne de bankgarantiekosten per kwartaal heeft betaald en een driemaandelijkse commissie volledig verschuldigd was wanneer de bankgarantie doorliep in een nieuw kwartaal. Deze stukken laten tevens zien dat de door Gascogne voor het tweede, derde en vierde kwartaal van 2011 betaalde bankgarantiekosten respectievelijk 19 945,21 EUR, 20 120,38 EUR en 20 295,55 EUR bedroegen.

141    De door Gascogne gemaakte bankgarantiekosten bedroegen dus 6 648,40 EUR in juni 2011, 20 120,38 EUR in het derde kwartaal van 2011 en 20 295,55 EUR in het vierde kwartaal van 2011.

142    Hieruit volgt dat de bankgarantiekosten die Gascogne tussen 30 mei 2011 en 16 november 2011 heeft betaald, 47 064,33 EUR bedroegen.

143    Gelet op een en ander dient aan Gascogne een schadevergoeding van 47 064,33 EUR te worden toegekend voor de materiële schade die haar door de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 is berokkend en die bestaat in de betaling van extra bankgarantiekosten.

b)     Gestelde immateriële schade en vermeend causaal verband

144    Verzoeksters betogen dat de schending van de redelijke procestermijn meerdere soorten immateriële schade tot gevolg heeft gehad, te weten aantasting van de reputatie van de onderneming, onzekerheid bij de planning van beslissingen, problemen bij het beheer van de onderneming zelf en gevoelens van onrust en onbehagen bij de leden van de bestuursorganen en de werknemers van het bedrijf. Voorts bestaat er een direct causaal verband tussen de schending van de redelijke procestermijn en de gestelde immateriële schade. Verzoeksters ramen de immateriële schade die zij hebben geleden op ten minste 500 000 EUR.

145    Het Hof van Justitie van de Europese Unie brengt hier ten eerste tegen in dat verzoeksters niet vermelden waarin de door hen aangevoerde immateriële schade bestaat en niet aantonen dat zij reële en zekere schade hebben geleden. Ten tweede, en subsidiair, leveren verzoeksters geen bewijs voor het bestaan van een causaal verband tussen de schending van de redelijke procestermijn en de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden. Ten derde, en nog meer subsidiair, moet de immateriële schade worden geraamd op ten hoogste 5 000 EUR.

146    De beoordeling moet zich allereerst richten op de immateriële schade die de leden van de bestuursorganen en de werknemers van verzoeksters beweerdelijk hebben geleden, en vervolgens op de immateriële schade waarvan verzoeksters zelf het slachtoffer stellen te zijn.

 Beweerdelijk door de leden van de bestuursorganen en werknemers van verzoeksters geleden immateriële schade

147    Opgemerkt moet worden dat de conclusies in het verzoekschrift uitsluitend zien op de eigen belangen van verzoeksters, en niet op de persoonlijke belangen van hun bestuurders of werknemers. Daarnaast voeren verzoeksters niet aan dat rechten zijn gecedeerd of een expliciete machtiging is gegeven op grond waarvan zij namens hun bestuurders en werknemers schadevergoeding zouden kunnen vorderen.

148    Bijgevolg is de vordering tot vergoeding van door de bestuurders en werknemers van verzoeksters beweerdelijk geleden immateriële schade niet-ontvankelijk, aangezien uit het dossier niet blijkt dat verzoeksters door die bestuurders en werknemers waren gemachtigd om in hun naam een beroep tot schadevergoeding in te stellen (zie in die zin beschikking van 12 mei 2010, CPEM/Commissie, C‑350/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2010:267, punt 61, en arrest van 30 juni 2009, CPEM/Commissie, T‑444/07, EU:T:2009:227, punten 39 en 40).

149    Hoe dan ook is niet bewezen dat bestuurders of werknemers van verzoeksters schade hebben geleden. Ten eerste houden verzoeksters het bij loutere stellingen en leveren zij geen enkel concreet bewijs voor de gevoelens van onrust en onbehagen die hun bestuurders en werknemers wegens de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 zouden hebben ondervonden. Ten tweede tonen verzoeksters niet aan dat hun bestuurders en werknemers persoonlijk en rechtstreeks schade hebben geleden die losstaat van de schade die zij zelf stellen te hebben geleden.

150    Derhalve is de vordering tot vergoeding van de beweerdelijk door de leden van de bestuursorganen en de werknemers van verzoeksters geleden immateriële schade niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond.

 Beweerdelijk door verzoeksters geleden immateriële schade

151    Uit de rechtspraak volgt dat wanneer een verzoeker geen enkel bewijs voor het bestaan van zijn morele of immateriële schade aanvoert en geen enkel gegeven om de omvang ervan te bepalen, hij op zijn minst moet aantonen dat het gewraakte gedrag zo ernstig was dat dit voor hem dergelijke schade kon veroorzaken (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie, C‑481/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:461, punt 38; 28 januari 1999, BAI/Commissie, T‑230/95, EU:T:1999:11, punt 39, en 16 oktober 2014, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑297/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:888, punten 31, 46 en 63).

152    Diengaande moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de aantasting van verzoeksters’ reputatie in het verzoekschrift enkel wordt genoemd, zonder dat daarover nadere bijzonderheden worden verstrekt.

153    Verzoeksters tonen dus niet aan dat de schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 zodanig was dat die hun reputatie heeft kunnen aantasten.

154    Hoe dan ook volstaat de vaststelling in punt 78 hierboven dat de redelijke procestermijn is geschonden, gelet op het voorwerp en de ernst van deze schending, als reparatie voor de door verzoeksters gestelde aantasting van de reputatie.

155    In de tweede plaats is de omstandigheid dat verzoeksters in onzekerheid verkeerden, met name wat het succes van hun beroepen tegen beschikking C(2005) 4634 betreft, inherent aan elke rechterlijke procedure. Voorts waren verzoeksters zich er noodzakelijkerwijs van bewust dat de zaken T‑72/06 en T‑79/06 een zekere complexiteit vertoonden en dat die complexiteit verband hield met het aantal parallelle beroepen dat achtereenvolgens in verschillende procestalen voor het Gerecht tegen beschikking C(2005) 4634 was ingesteld en met de noodzaak voor die rechterlijke instantie om omvangrijke dossiers diepgaand te bestuderen en meer bepaald de noodzaak om de feiten vast te stellen en het geschil inhoudelijk te onderzoeken.

156    Niettemin was de duur van de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06, namelijk 5 jaar en 9 maanden, langer dan verzoeksters hadden kunnen voorzien, met name toen zij hun beroepen instelden. Bovendien heeft de procedure in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 uitgewezen dat er een periode van 3 jaar en 10 maanden is verstreken tussen het einde van de schriftelijke behandeling en de opening van de mondelinge behandeling. Deze periodes worden geenszins gerechtvaardigd door de vaststelling van maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie of door procesincidenten.

157    In die omstandigheden heeft de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 verzoeksters in een situatie van onzekerheid kunnen brengen die verder gaat dan de onzekerheid die gewoonlijk door een gerechtelijke procedure wordt veroorzaakt. Deze verlengde staat van onzekerheid heeft noodzakelijkerwijs een invloed gehad op de planning van de te nemen beslissingen en de bedrijfsvoering, zodat dit immateriële schade oplevert.

158    In de derde plaats is de door verzoeksters geleden immateriële schade als gevolg van de verlengde staat van onzekerheid waarin zij zijn gebracht, in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet volledig gerepareerd door de vaststelling dat de redelijke procestermijn is geschonden.

159    In dit verband betogen verzoeksters dat de door hen geleden immateriële schade, gelet op de omstandigheden, op „ten minste” 500 000 EUR moet worden geraamd.

160    Ten eerste voeren verzoeksters evenwel niet voldoende gegevens aan die het bedrag van „ten minste” 500 000 EUR dat zij als vergoeding voor hun immateriële schade vorderen, rechtvaardigen. Tevens moet erop worden gewezen dat het door verzoeksters gevorderde bedrag betrekking heeft op meerdere soorten immateriële schade, waaronder reputatieschade die niet is aangetoond en hoe dan ook voldoende is gerepareerd door de vaststelling dat de redelijke procestermijn is geschonden (zie de punten 152‑154 hierboven).

161    Ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat de Unierechter, gelet op de noodzaak van handhaving van de mededingingsregels van de Unie, een verzoeker niet wegens de enkele niet-inachtneming van een redelijke procestermijn kan toestaan de gegrondheid of de hoogte van een geldboete ter discussie te stellen, terwijl alle middelen die hij heeft aangevoerd tegen de vaststellingen betreffende de hoogte van deze geldboete en de gedragingen die daarmee worden bestraft, ongegrond zijn bevonden (arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 78; zie in die zin ook arresten van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, EU:C:2009:456, punt 194, en 8 mei 2014, Bolloré/Commissie, C‑414/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:301, punt 105).

162    Hieruit volgt dat de niet-inachtneming van een redelijke procestermijn in het kader van het onderzoek van een beroep in rechte tegen een besluit van de Commissie waarbij aan een onderneming een geldboete wordt opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van de Unie, niet kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de bij dat besluit opgelegde geldboete (arresten van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 78, en 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, EU:C:2013:771, punt 88; zie in die zin ook arrest van 8 mei 2014, Bolloré/Commissie, C‑414/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:301, punt 107).

163    Gelet op de hoogte van de vergoeding die verzoeksters vorderen voor de immateriële schade die zij hebben geleden, zou de toekenning van die vergoeding feitelijk erop neerkomen dat het bedrag van de aan verzoeksters bij beschikking C(2005) 4634 opgelegde geldboete ter discussie wordt gesteld, terwijl niet is komen vast te staan dat de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06 een invloed op de hoogte van die geldboete heeft gehad.

164    Het door verzoeksters gevorderde bedrag kan dus niet worden beschouwd als een relevante maatstaf voor het bepalen van de vergoeding waarop zij aanspraak kunnen maken.

165    Gelet op hetgeen is geoordeeld in de punten 155 tot en met 164 hierboven, en meer bepaald de omvang van de niet-inachtneming van de redelijke procestermijn, het gedrag van verzoeksters, de noodzaak om de mededingingsregels van de Unie te handhaven en de doelmatigheid van het onderhavige beroep, moet derhalve ex aequo et bono worden beslist dat een bedrag van 5 000 EUR voor elk van de verzoeksters een passende vergoeding vormt voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de verlengde staat van onzekerheid waarin zij in de loop van de procedure in zaak T‑72/06 respectievelijk zaak T‑79/06 hebben verkeerd.

c)     Rente

166    Verzoeksters verzoeken het Gerecht om het bedrag van de eventueel aan hen toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met compensatoire en vertragingsrente tegen het percentage dat de ECB toepast op haar basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten, te rekenen vanaf de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.

167    In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen compensatoire rente en vertragingsrente (arrest van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:2000:38, punt 55).

168    Wat in de eerste plaats de compensatoire rente betreft, moet eraan worden herinnerd dat de nadelige gevolgen door de tijd die is verstreken tussen het tijdstip waarop het schadeveroorzakend feit zich heeft voorgedaan en de datum van betaling van de vergoeding niet buiten beschouwing mogen blijven, omdat rekening moet worden gehouden met de geldontwaarding (zie in die zin arresten van 3 februari 1994, Grifoni/Commissie, C‑308/87, EU:C:1994:38, punt 40, en van 13 juli 2005, Camar/Raad en Commissie, T‑260/97, EU:T:2005:283, punt 138). Compensatoire rente beoogt een vergoeding te verlenen voor het verstrijken van de tijd totdat de rechter het schadebedrag heeft vastgesteld, ongeacht aan de schuldenaar toe te rekenen vertraging (arrest van 12 februari 2015, Commissie/IPK International, C‑336/13 P, EU:C:2015:83, punt 37).

169    De datum vanaf welke geen inflatiecorrectie meer behoeft te worden berekend, is in beginsel die van de uitspraak waarbij de verplichting tot vergoeding van de door de verzoeker geleden schade wordt vastgesteld (zie in die zin arresten van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:1992:217, punt 35; van 13 juli 2005, Camar/Raad en Commissie, T‑260/97, EU:T:2005:283, punten 142 en 143, en van 26 november 2008, Agraz e.a./Commissie, T‑285/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:526, punten 54 en 55).

170    In casu bestrijkt de vergoeding die aan elk van de verzoeksters voor de onderscheidenlijk door hen geleden immateriële schade wordt toegekend, de periode tot aan de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, zodat voor de periode tot heden geen compensatoire rente dient te worden toegekend.

171    Wat voorts de aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de door haar geleden materiële schade betreft, volgt uit de in punt 168 hierboven aangehaalde rechtspraak dat verzoeksters het recht zouden hebben gehad om te vorderen dat over deze schadevergoeding compensatoire rente vanaf 30 mei 2011 wordt berekend.

172    Zoals zij ter terechtzitting hebben bevestigd, verzoeken verzoeksters met het tweede onderdeel van hun conclusie om het bedrag van de aan hen toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met compensatoire rente „vanaf de dag waarop het verzoekschrift [in de onderhavige zaak] is neergelegd”.

173    De compensatoire rente die moet worden berekend over de aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de door haar geleden materiële schade, gaat derhalve in op 4 augustus 2014, overeenkomstig de vordering in het verzoekschrift.

174    Voorts leggen verzoeksters, die stellen verlies te hebben geleden, geen bewijs over dat kan aantonen dat over de door Gascogne tussen 30 mei 2011 en 16 november 2011 betaalde bankgarantiekosten rente had kunnen zijn aangegroeid tegen de door de ECB toegepaste rentevoet voor zijn basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten (zie in die zin arresten van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:2000:38, punt 219, en 26 november 2008, Agraz e.a./Commissie, T‑285/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:526, punt 49).

175    Gascogne kan dus geen aanspraak maken op de toepassing van compensatoire rente die wordt berekend op basis van de door de ECB toegepaste rentevoet voor zijn basisherfinancieringstransacties, vermeerderd met twee procentpunten.

176    De geldontwaarding als gevolg van het verstrijken van de tijd komt daarentegen tot uitdrukking in het jaarlijkse inflatiepercentage dat voor de betrokken periode is vastgesteld door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) in de lidstaat waarin Gascogne is gevestigd (zie in die zin arresten van 27 januari 2000, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:2000:38, punten 220 en 221; 13 juli 2005, Camar/Raad en Commissie, T‑260/97, EU:T:2005:283, punt 139, en 26 november 2008, Agraz e.a./Commissie, T‑285/03, niet gepubliceerd, EU:T:2008:526, punt 50).

177    De compensatoire rente die moet worden berekend over de aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de door haar geleden materiële schade, is derhalve gelijk aan het jaarlijkse inflatiepercentage dat door Eurostat in de lidstaat van vestiging van die vennootschap is vastgesteld voor de periode tussen 4 augustus 2014 en de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, een en ander binnen de grenzen van de vordering van verzoeksters.

178    Wat in de tweede plaats de vertragingsrente betreft, volgt uit de rechtspraak dat de verplichting tot betaling van dergelijke rente in beginsel ingaat op de datum van het arrest waarin wordt vastgesteld dat er een verplichting tot schadevergoeding bestaat (zie in die zin arrest van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, EU:C:1990:259, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

179    Voor de vaststelling van de rentevoet van de vertragingsrente is het passend rekening te houden met artikel 83, lid 2, onder b), en artikel 111, lid 4, onder a), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1). Op grond van deze bepalingen is de rentevoet voor schuldvorderingen die niet binnen de termijn zijn voldaan, het door de ECB op haar basisherfinancieringsoperaties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin genoemde termijn valt en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C‑serie, vermeerderd met drieënhalf procentpunt.

180    In de onderhavige zaak moeten de in de punten 143 en 165 hierboven genoemde vergoedingen, daaronder begrepen de compensatoire rente die moet worden berekend over de aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de door haar geleden materiële schade, worden vermeerderd met vertragingsrente, gerekend vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest tot die van volledige voldoening ervan.

181    Voorts dient het tarief voor deze vermeerdering te worden vastgesteld binnen de grenzen van de vordering van verzoeksters (zie in die zin arresten van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 en C‑37/90, EU:C:1992:217, punt 35, en 8 mei 2007, Citymo/Commissie, T‑271/04, EU:T:2007:128, punt 184).

182    De rentevoet van deze vertragingsrente zal dus die zijn die de ECB voor zijn basisherfinancieringsoperaties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten, overeenkomstig de vordering van verzoeksters.

d)     Conclusie inzake de hoogte van de schadevergoedingen en de rente

183    Gelet op een en ander slaagt het onderhavige beroep gedeeltelijk voor zover het strekt tot vergoeding van de door verzoeksters geleden schade als gevolg van de schending van de redelijke procestermijn in de zaken T‑72/06 en T‑79/06, zonder dat het nodig is het door verzoeksters subsidiair gevorderde deskundigenonderzoek te gelasten.

184    De aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de schade die zij als gevolg van de betaling van aanvullende bankgarantiekosten heeft geleden, bedraagt 47 064,33 EUR, vermeerderd met compensatoire rente vanaf 4 augustus 2014 tot de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, tegen het jaarlijkse inflatiepercentage dat door Eurostat is vastgesteld in de lidstaat waarin deze vennootschap is gevestigd.

185    De aan de elk van de verzoeksters verschuldigde vergoeding voor de door hen onderscheidenlijk geleden immateriële schade bedraagt 5 000 EUR.

186    Het bedrag van de hierboven in de punten 184 en 185 bedoelde vergoedingen, daaronder begrepen de compensatoire rente over de aan Gascogne verschuldigde vergoeding voor de door haar geleden materiële schade, zal worden vermeerderd met vertragingsrente onder de voorwaarden genoemd in de punten 180 en 182 hierboven.

187    Het beroep wordt verworpen voor het overige.

 Kosten

188    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. In de beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80), is de door het Hof van Justitie van de Europese Unie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden. Derhalve dient de Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van verzoeksters in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid die heeft geleid tot de beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80).

189    Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld. Indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, kan het Gerecht evenwel beslissen dat een partij behalve in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.

190    In de onderhavige zaak zijn verzoeksters gedeeltelijk in het gelijk gesteld wat hun conclusies ten gronde betreft. Wat hun vordering tot schadevergoeding betreft, zijn zij echter grotendeels in het ongelijk gesteld. In die omstandigheden, en gelet op alle omstandigheden van de zaak, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

191    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg wordt de Commissie verwezen in haar eigen kosten.

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      De Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 47 064,33 EUR aan Gascogne voor de materiële schade die deze vennootschap heeft geleden wegens schending van de redelijke procestermijn in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 16 november 2011, Groupe Gascogne/Commissie (T72/06,niet gepubliceerd, EU:T:2011:671) en Sachsa Verpackung/Commissie (T79/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:674). Op dit bedrag wordt compensatoire rente toegepast, te rekenen vanaf 4 augustus 2014 tot de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, tegen het door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) voor de betrokken periode in de lidstaat van vestiging van voornoemde vennootschap vastgestelde jaarlijkse inflatiepercentage.

2)      De Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 5 000 EUR aan Gascogne Sack Deutschland GmbH en een schadevergoeding van 5 000 EUR aan Gascogne voor de immateriële schade die deze vennootschappen onderscheidenlijk hebben geleden wegens schending van de redelijke procestermijn in de zaken T72/06 en T79/06.

3)      Elk van de in de punten 1) en 2) hierboven genoemde vergoedingen zal worden vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot aan de volledige voldoening ervan, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor zijn basisherfinancieringsoperaties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten.

4)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

5)      De Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van Gascogne Sack Deutschland en Gascogne in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid die heeft geleid tot de beschikking van 2 februari 2015, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T577/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:80).

6)      Gascogne Sack Deutschland en Gascogne, enerzijds, en de Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, anderzijds, dragen ieder hun eigen kosten in verband met het beroep dat heeft geleid tot het onderhavige arrest.

7)      De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.

Papasavvas

Labucka

Bieliūnas

Kreuschitz

 

      Forrester

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 januari 2017.

ondertekeningen


Inhoud


Voorgeschiedenis van het geding

Procedure en conclusies van partijen

In rechte

A –  Ontvankelijkheid

1.  Primair aangevoerd middel van niet-ontvankelijkheid: onduidelijkheid en onnauwkeurigheid van het verzoekschrift

a)  Identiteit van het slachtoffer van de gestelde materiële en immateriële schade

b)  Oorzaak, inhoud en omvang van de gestelde immateriële schade

2.  Subsidiair aangevoerd middel van niet-ontvankelijk heid: verjaring van de vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade

B –  Ten gronde

1.  Vermeende schending van de redelijke procestermijn in de zaken T 72/06 en T79/06

2.  Gestelde schade en vermeend causaal verband

a)  Gestelde materiële schade en vermeend causaal verband

Vermeend verlies van de kans om eerder een investeerder te vinden

Beweerdelijk geleden verliezen wegens de betaling van rente over het bedrag van de geldboete en de betaling van bankgarantiekosten

–  Opmerkingen vooraf

–  Betaling van rente over het bedrag van de geldboete

–  Betaling van de kosten van een bankgarantie

Begroting van de geleden materiële schade

b)  Gestelde immateriële schade en vermeend causaal verband

Beweerdelijk door de leden van de bestuursorganen en werknemers van verzoeksters geleden immateriële schade

Beweerdelijk door verzoeksters geleden immateriële schade

c)  Rente

d)  Conclusie inzake de hoogte van de schadevergoedingen en de rente

Kosten



* Procestaal: Frans.