Language of document : ECLI:EU:C:2016:286

Zaak C‑572/14

Austro-Mechana Gesellschaft zur Wahrnehmung mechanisch-musikalischer Urheberrechte GmbH

tegen

Amazon EU Sàrl e.a.

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Oberste Gerichtshof]

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Artikel 5, punt 3 – Begrip ‚verbintenissen uit onrechtmatige daad’ – Richtlijn 2001/29/EG – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Artikel 5, lid 2, onder b) – Reproductierecht – Uitzonderingen en beperkingen – Kopiëren voor privégebruik – Billijke compensatie – Niet-betaling – Eventuele toepasselijkheid van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 21 april 2016

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Begrip – Vordering tot betaling van een vergoeding die verschuldigd is krachtens een nationale regeling waarbij het in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bepaalde stelsel van billijke compensatie wordt toegepast – Daaronder begrepen – Verplichting om de vergoeding te betalen aan een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten – Geen invloed

[Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 5, punt 3; richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, lid 2, b)]

Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van deze bepaling een vordering valt die strekt tot betaling van een vergoeding die verschuldigd is krachtens een nationale regeling waarbij het stelsel van billijke compensatie wordt toegepast dat is vastgesteld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, volgens welke regeling de auteur recht heeft op een billijke vergoeding wanneer beeld- of geluidsdragers die geschikt zijn voor de reproductie van een werk dat op de radio is uitgezonden of die daarvoor bestemd zijn, voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel in het binnenland in het verkeer worden gebracht.

Het begrip verbintenissen uit onrechtmatige daad omvat namelijk alle vorderingen die ertoe strekken een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houden met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001.

De aan de orde zijnde vordering houdt geen verband met een verbintenis uit overeenkomst, aangezien de verplichting tot betaling van de vergoeding niet vrijwillig is aangegaan door de betalingsplichtige, maar hem is opgelegd bij die nationale regeling wegens het voor commerciële doeleinden en onder bezwarende titel in het verkeer brengen van beeld- of geluidsdragers die geschikt zijn voor de reproductie van beschermde werken of beschermd materiaal.

Bovendien strekt die vordering ertoe een verweerder aansprakelijk te stellen, aangezien zij is gebaseerd op een schending door deze verweerder van de bepalingen van de betrokken nationale regeling waarbij hem de verplichting wordt opgelegd om de billijke vergoeding te betalen, en deze schending bovendien een onrechtmatige daad vormt waardoor de verzoeker schade lijdt. De niet-inning van die billijke compensatie vormt een schade brengend feit in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, aangezien deze compensatie tot doel heeft auteurs schadeloos te stellen voor het feit dat hun beschermde werken zonder hun toestemming zijn gekopieerd voor privégebruik, en dus moet worden beschouwd als de vergoeding van de schade die deze auteurs lijden door een dergelijke zonder hun toestemming vervaardigde kopie. Dat die compensatie niet moet worden betaald aan de rechthebbenden op een uitsluitend reproductierecht die zij beoogt schadeloos te stellen, maar aan een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten, is in dit opzicht niet van belang. Volgens de betrokken nationale regeling zijn immers alleen dergelijke organisaties gemachtigd om bedoelde vergoeding op te eisen.

(cf. punten 32, 37, 38, 43‑46, 50, 53 en dictum)