Language of document : ECLI:EU:F:2016:205

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

29 augustus 2016

Gevoegde zaken F‑106/13 DEP en F‑25/14 DEP

DD

tegen

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)

„Openbare dienst – Procedure – Begroting van de proceskosten”

Betreft:      Verzoek om begroting van de proceskosten, door DD ingediend naar aanleiding van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 oktober 2015, DD/FRA (F‑106/13 en F‑25/14, EU:F:2015:118, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑742/15 P).

Beslissing:      Het totaalbedrag van de invorderbare kosten die het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten in de zaken F‑106/13 en F‑25/14 aan DD moet betalen, wordt vastgesteld op, ten eerste, het bedrag van 20 643 EUR voor de honoraria van verzoekers advocaten, vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde btw, en, ten tweede, het bedrag van 79,80 EUR voor de trein- en taxikosten die verzoeker heeft gemaakt voor de reis van zijn advocaten naar de terechtzitting te Luxemburg. Over deze bedragen zal vertragingsrente worden betaald vanaf de dag van betekening van deze beschikking tot en met de dag van daadwerkelijke betaling, tegen de rentevoet berekend op basis van de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld en die geldt op de eerste dag van de maand waarop de betaling verschuldigd wordt, vermeerderd met twee punten.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Betwisting betreffende de invorderbare kosten – Begrip – Geen vereiste dat de in de kosten verwezen partij weigert om in te gaan op een verzoek om vergoeding

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 106, lid 1)

2.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – Factoren die in aanmerking moeten worden genomen

[Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 105, c)]

3.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Begrip – Kosten die in de precontentieuze fase zijn gemaakt – Daarvan uitgesloten

[Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 105, c)]

4.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Kosten die de partijen hebben moeten maken – Reis- en verblijfkosten van anderen dan de advocaten van de partijen – Vergoedingsvoorwaarden

[Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 105, c)]

5.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Invorderbare kosten – Beoordeling hoofdzakelijk aan de hand van het totale aantal uren werk dat voor de procedure objectief noodzakelijk was

[Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 105, c)]

6.      Gerechtelijke procedure – Kosten – Begroting – Vertragingsrente

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 106)

1.      Ingevolge artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken beslist het Gerecht, in geval van een geschil over de invorderbare kosten, op verzoek van de belanghebbende partij bij een niet voor hogere voorziening vatbare beschikking, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de wederpartij.

Teneinde te voorkomen dat de in deze bepaling voorziene procedure, die ertoe dient dat definitief over de proceskosten wordt beslist, haar nuttig effect wordt ontnomen, kan niet worden aanvaard dat pas een geschil in de zin van dat artikel ontstaat wanneer de partij tegen wie door de in het gelijk gestelde partij een vordering tot vergoeding van de proceskosten is ingediend, deze beantwoordt met een expliciete, volledige weigering.

(cf. punten 31 en 32)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikkingen van 25 maart 2014, Marcuccio/Commissie, T‑126/11 P-DEP, EU:T:2014:171, punt 13, en 11 december 2014, Longinidis/Cedefop, T‑283/08 P-DEP, EU:T:2014:1083, punt 13

2.      Volgens artikel 105, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, worden als invorderbare kosten aangemerkt „de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat”. Uit deze bepaling volgt dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor dat Gerecht zijn gemaakt en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.

De Unierechter kan niet de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vaststellen, maar wel bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bij zijn beslissing op een verzoek om begroting van kosten hoeft de rechter van de Unie geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden.

Aangezien een tariefregeling in het Unierecht ontbreekt, beoordeelt de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geschil, het belang ervan voor het Unierecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economisch belang van het geschil voor de partijen.

Bij de vaststelling van de invorderbare kosten houdt het Gerecht voor ambtenarenzaken rekening met alle omstandigheden van de zaak tot het moment waarop de beschikking over de begroting van de proceskosten wordt gegeven, de in verband met de procedure voor de begroting van de proceskosten gemaakte noodzakelijke kosten daaronder begrepen.

(cf. punten 35‑38)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: beschikking van 23 maart 2012, Kerstens/Commissie, T‑498/09 P-DEP, EU:T:2012:147, punt 15

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikkingen van 10 november 2009, X/Parlement, F‑14/08 DEP, EU:F:2009:149, punt 22; 26 april 2010, Schönberger/Parlement, F‑7/08 DEP, EU:F:2010:32, punten 23 en 24, en 27 september 2011, De Nicola/EIB, F‑55/08 DEP, EU:F:2011:155, punt 41

3.      De honoraria die verschuldigd zijn voor prestaties die een advocaat in het stadium van de precontentieuze procedure heeft geleverd, vormen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, in het kader van de procedure inzake de begroting van kosten geen invorderbare kosten.

(cf. punt 39)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 28 oktober 2010, Cerafogli/ECB, F‑23/09, EU:F:2010:138, punt 63

4.      De reis‑ en verblijfkosten van anderen dan de advocaat van de verzoeker komen alleen voor vergoeding in aanmerking, indien hun aanwezigheid voor de procedure noodzakelijk was.

(cf. punt 40)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: beschikking van 8 juli 1998, Eugénio Branco/Commissie, T‑85/94 (92) en T‑85/94 (122) (92), EU:T:1998:156, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak

5.      De Unierechter is niet gebonden aan de afrekening die de partij die verzoekt om vergoeding van de kosten aan hem heeft voorgelegd, maar dient enkel rekening te houden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig kan lijken voor de procedure.

(cf. punt 45)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikkingen van 26 april 2010, Schönberger/Parlement, F‑7/08 DEP, EU:F:2010:32, punt 29, en 25 oktober 2012, Missir Mamachi di Lusignano/Commissie, F‑50/09 DEP, EU:F:2012:147, punt 21

6.      Op grond van artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken behoren de vaststelling van de verplichting om vertragingsrente te betalen over een verwijzing in de kosten door dat Gerecht en de bepaling van de toepasselijke rentevoet tot de uitsluitende bevoegdheid van dat Gerecht.

(cf. punt 61)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: beschikking van 24 oktober 2014, Marcuccio/Commissie, F‑14/10 DEP, EU:F:2014:240, punt 32