Language of document : ECLI:EU:C:2017:287

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 6 april 2017 (1)

Zaak C531/15

Elda Otero Ramos

tegen

Servicio Galego de Saúde

en

Instituto Nacional de la Seguridad Social

[verzoek van de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (hooggerechtshof van de regio Galicië, Spanje) om een prejudiciële beslissing]

„Sociaal beleid – Richtlijn 2006/54/EG – Gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers – Artikel 19 – Regels inzake de omkering van de bewijslast – Richtlijn 92/85/EEG – Artikel 4 – Beoordeling voor werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan gevaarlijke agentia, procedés of arbeidsomstandigheden”






1.        Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing vraagt de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (hooggerechtshof van de regio Galicië, Spanje) verduidelijking over de uitlegging van de regels volgens welke de bewijslast bij de verwerende partij komt te liggen in gevallen waarin de verzoekende partij stelt dat het beginsel van gelijke behandeling op grond van geslacht jegens haar niet is toegepast. Die omkering van de bewijslast vloeit voort uit richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep.(2) In het hoofdgeding stelt een werkneemster dat haar werkomstandigheden tijdens de periode waarin zij haar kind borstvoeding gaf, negatieve gevolgen konden hebben voor haar gezondheid en die van haar pasgeboren kind. Zij beriep zich in dit verband op nationale voorschriften tot uitvoering van richtlijn 92/85/EEG inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie.(3) Met zijn vragen verzoekt de verwijzende rechter het Hof om aanwijzingen voor de uitlegging van de richtlijn, gelezen in samenhang met de voorschriften van richtlijn 2006/54 betreffende de bewijslast.

 Unierecht

 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

2.        Artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(4) bepaalt dat de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning, moet worden gewaarborgd.

 Richtlijn 89/391

3.        Richtlijn 89/391/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(5) definieert „preventie” als „het geheel van bepalingen of maatregelen die zijn genomen of vastgesteld in alle stadia van de activiteit in de onderneming teneinde beroepsrisico’s te voorkomen of te verminderen”.(6) De richtlijn bepaalt dat bijzonder kwetsbare risicogroepen moeten worden beschermd tegen voor hen specifieke gevaren(7) en machtigt de Uniewetgever om bijzondere richtlijnen vast te stellen ter bevordering van de verbetering van de werkomstandigheden met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de werknemers(8).

 Richtlijn 92/85

4.        Tot de doelstellingen van richtlijn 92/85 behoort de invoering van minimumvereisten om de verbetering van met name de werkomgeving te bevorderen teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen(9) Werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie worden beschouwd als een groep met bijzondere risico’s.(10) De vereiste bescherming van deze groep mag geen afbreuk doen aan de plaats van de vrouw op de arbeidsmarkt en evenmin aan de richtlijnen van de Raad op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.(11) Bij bepaalde werkzaamheden kan zich een specifiek risico voordoen van blootstelling van werkneemsters tijdens de lactatie aan gevaarlijke agentia, procedés of arbeidsomstandigheden. In voorkomend geval moeten deze risico’s worden geëvalueerd en moeten de werkneemsters over het resultaat van deze evaluatie worden geïnformeerd.(12) Ingeval uit het resultaat van deze evaluatie een risico voor de veiligheid of de gezondheid van een werkneemster blijkt, moeten maatregelen met het oog op haar bescherming worden genomen.(13) Werkneemsters mogen tijdens de zwangerschap of de lactatie niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten waarvan de evaluatie heeft uitgewezen dat zij het risico met zich brengen van een blootstelling aan bepaalde bijzonder gevaarlijke agentia of arbeidsomstandigheden die hun veiligheid of gezondheid in gevaar brengt.(14)

5.        Volgens artikel 1, lid 1, heeft richtlijn 92/85, „die de tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn [89/391] is, […] ten doel maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie”.

6.        Onder een werkneemster tijdens de lactatie wordt overeenkomstig artikel 2, onder c), verstaan „elke werkneemster tijdens de lactatie in de zin van de nationale wetten en/of praktijken die de werkgever in kennis stelt van haar toestand, overeenkomstig deze wetten en/of praktijken”.(15)

7.        Overeenkomstig artikel 3, lid 1, heeft de Commissie richtsnoeren opgesteld voor de evaluatie van de chemische, fysische en biologische agentia alsmede van de industriële procedés welke geacht worden een risico te vormen voor de veiligheid of de gezondheid van de werkneemsters in de zin van artikel 2.(16)

8.        Artikel 4, lid 1, bepaalt dat voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan de agentia, procedés of arbeidsomstandigheden waarvan een niet-limitatieve lijst in bijlage I is opgenomen(17), door de werkgever een evaluatie moet worden gemaakt van de aard, de mate en de duur van de blootstelling in de betrokken onderneming en/of inrichting van de werkneemsters in de zin van artikel 2. Die evaluatie heeft ten doel ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op onder meer de lactatie van de betrokken werkneemster te beoordelen en vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, moet de betrokken werkneemster worden geïnformeerd over de resultaten van de evaluatie en over alle maatregelen op het gebied van de veiligheid en de gezondheid op het werk. De richtsnoeren dienen als basis voor die evaluatie.

9.        Artikel 5, met het opschrift „Consequenties van de resultaten van de evaluatie”, luidt als volgt:

„1.      Onverminderd artikel 6 van richtlijn [89/391] neemt de werkgever, indien uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde evaluatie een risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van een werkneemster in de zin van artikel 2 blijkt, de nodige maatregelen opdat door tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden van de betrokken werkneemster de blootstelling van deze werkneemster aan dit risico wordt vermeden.

2.      Indien aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken werkneemster een andere arbeidsplaats krijgt.

3.      Indien overplaatsing technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de betrokken werkneemster gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, vrijgesteld van arbeid.

[…]”

10.      Artikel 11, eerste alinea, luidt als volgt:

„Teneinde de werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in dit artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:

1.      in de in [artikel 5] bedoelde gevallen moeten de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, van de werkneemsters in de zin van artikel 2 overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken worden gewaarborgd;

[…]”

 Richtlijn 2006/54

11.      In de overwegingen van richtlijn 2006/54 wordt ten eerste vermeld dat bij richtlijn 97/80/EG van de Raad(18) onder meer bepalingen waren vastgesteld die gericht waren op de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.(19) Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie duidelijk dat de ongunstige behandeling van een vrouw die verband houdt met zwangerschap of moederschap, een directe discriminatie op grond van geslacht vormt. Een dergelijke behandeling moet daarom uitdrukkelijk onder richtlijn 2006/54 vallen.(20) Ten derde heeft het Hof ten aanzien van het beginsel van gelijke behandeling consequent de legitimiteit erkend van de bescherming van de biologische gesteldheid van vrouwen bij zwangerschap en moederschap alsook van maatregelen ter bescherming van het moederschap als een middel om tot werkelijke gelijkheid te komen. Richtlijn 2006/54 dient richtlijn 92/85 derhalve onverlet te laten.(21) Richtlijn 2006/54 heeft daarom ook ten doel de arbeidsrechten van vrouwen met zwangerschapsverlof te beschermen, teneinde te waarborgen dat hun zwangerschapsverlof geen nadelige gevolgen heeft voor hun arbeidsvoorwaarden en dat zij profiteren van alle verbeteringen in arbeidsvoorwaarden waarop zij gedurende hun afwezigheid recht zouden hebben gehad.(22)

12.      Ten vierde wordt in de overwegingen erkend dat het „[v]oor een effectieve handhaving van het beginsel van gelijke behandeling […] van groot belang [is] dat regels voor de bewijslast worden vastgesteld. Zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, moet derhalve worden bepaald dat de bewijslast bij de verweerder wordt gelegd indien er sprake is van kennelijke discriminatie, behalve in procedures waarin de rechter of een andere bevoegde nationale instantie de feiten moet onderzoeken. Wel moet worden verduidelijkt dat de beoordeling van de feiten die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, blijft toekomen aan de relevante nationale instantie, overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk. Voorts behouden de lidstaten het recht om in alle fasen van de procedures een voor de eiser gunstigere bewijsregeling in te voeren”.(23)

13.      Artikel 1 bepaalt dat richtlijn 2006/54 ten doel heeft „de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep” te verzekeren.

14.      Overeenkomstig de definitie in artikel 2, lid 1, onder a), is er sprake van „directe discriminatie” „wanneer iemand op grond van geslacht minder gunstig wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld”. Van indirecte discriminatie is sprake „wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een geslacht in vergelijking met personen van het andere geslacht bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn” [artikel 2, lid 1, onder b)]. Volgens artikel 2, lid 2, onder c), omvat „discriminatie” ook „elke minder gunstige behandeling van een vrouw in samenhang met zwangerschap of bevallingsverlof in de zin van richtlijn [92/85]”.

15.      Titel II bevat specifieke bepalingen die onder meer voorzien in een verbod op discriminatie met betrekking tot beloning en in gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. Artikel 14 maakt deel uit van titel II, hoofdstuk 3, en verbiedt discriminatie ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleiding en promotie en ten aanzien van arbeidsvoorwaarden.

16.      Artikel 19, dat deel uitmaakt van titel III („Horizontale bepalingen”), luidt als volgt:

„1.      De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer iemand die zich door niet-toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoert die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder moet bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet is geschonden.

2.      Lid 1 belet de lidstaten niet voor de eiser gunstiger regels in te voeren.

[…]

4.      De leden [1 en 2] zijn ook van toepassing op:

a)      de situaties waarop […], voor zover er sprake is van discriminatie op grond van geslacht, [richtlijn 92/85] van toepassing is;

[…]”

17.      Overeenkomstig artikel 28 laat richtlijn 2006/54 bepalingen (van de Unie en de lidstaten) betreffende de bescherming van vrouwen, in het bijzonder wat zwangerschap en moederschap betreft, onverlet. Tevens is specifiek bepaald dat zij ook, onder meer, richtlijn 92/85 onverlet laat.

 Spaanse wetgeving

18.      Volgens artikel 26, lid 1, van de Ley de Prevención de Riesgos Laborales (wet ter preventie van arbeidsrisico’s) (hierna: „LPRL”) omvat de risico-evaluatie voor werkneemsters die zwanger zijn of recent zijn bevallen, de bepaling van de aard, de mate en de duur van de blootstelling aan agentia, procedés of werkomstandigheden die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de werkneemster of de foetus, bij alle activiteiten die een specifiek risico kunnen inhouden. Indien uit de resultaten van die evaluatie een risico voor de veiligheid en de gezondheid blijkt of mogelijke gevolgen voor een werkneemster tijdens de zwangerschap of de lactatie, neemt de werkgever de nodige maatregelen om de blootstelling van dat risico te voorkomen door de arbeidsomstandigheden of de arbeidstijd van de betrokken werkneemster aan te passen. Indien nodig bestaan die maatregelen erin werkneemsters vrij te stellen van nachtarbeid of werk in ploegendienst.

19.      Artikel 26, lid 2, van die wet bepaalt dat wanneer het niet mogelijk is om de arbeidsomstandigheden of de arbeidstijd aan te passen of wanneer de arbeidsomstandigheden ondanks een dergelijke aanpassing negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de zwangere werkneemster of de foetus, aan de werkneemster andere, met haar toestand verenigbare taken worden toegewezen. Daartoe stelt de werkgever, na overleg met de werknemersvertegenwoordigers, een lijst van risicovrije functies op. Waar mogelijk moet de werkneemster worden overgeplaatst naar een dergelijke functie. Artikel 26, lid 3, bepaalt echter dat indien overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, de overeenkomst van de betrokken werkneemster wegens het risico tijdens de zwangerschap kan worden opgeschort zolang als noodzakelijk is om haar veiligheid of gezondheid te beschermen en zolang zij niet naar haar vorige functie kan terugkeren of een andere met haar toestand verenigbare functie kan uitoefenen.

20.      Artikel 26, lid 4, bepaalt dat de leden 1 en 2 van dat artikel ook van toepassing zijn tijdens de borstvoedingsperiode indien de werkomstandigheden negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de werkneemster of het kind en een desbetreffende verklaring is afgegeven door de medische diensten van, onder meer, de Instituto Nacional de la Seguridad Social (nationaal instituut voor sociale zekerheid; hierna: „INSS”), dat vergezeld moet gaan van een attest van de arts van de Servicio Nacional de Salud (nationale gezondheidsdienst) die de werkneemster of haar kind medische bijstand verleent. Tevens kan de overeenkomst van de betrokken werkneemster overeenkomstig artikel 26, lid 3, worden opgeschort wegens een risico tijdens de lactatie van een kind jonger dan negen maanden, indien de overplaatsing naar een andere functie in haar individuele omstandigheden niet mogelijk is.

21.      Artikel 135 bisvan de Ley General de la Seguridad Social (algemene wet op de sociale zekerheid) bepaalt dat de periode van opschorting van de arbeidsovereenkomst met het oog op een uitkering wegens een risico op het werk tijdens de borstvoedingsperiode als beschermde situatie wordt aangemerkt wanneer het volgens artikel 26, lid 4, LPRL niet mogelijk is haar over te plaatsen.

22.      De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat bij Ley Orgánica 3/2007, de 22 de marzo, para la igualdad efectiva de mujeres y hombres (organieke wet 3/2007 van 22 maart inzake de feitelijke gelijkheid van man en vrouw) bepalingen zijn ingevoerd waarbij de situatie wordt geregeld van werkneemsters die tijdens de lactatie zijn blootgesteld aan risico’s op het werk. Voor de invoering van die wet, die werd vastgesteld om te voldoen aan richtlijn 92/85 en met name artikel 5, lid 3, daarvan, was die situatie naar Spaans recht niet geregeld.

 Feiten, procedure en prejudiciële vragen

23.      Elda Otero Ramos werkt als verpleegster op de afdeling spoedeisende hulp van het Centro Hospitalario Universitario de A Coruña (universitair medisch centrum te A Coruña; hierna: „ziekenhuis”), dat deel uitmaakt van de Servicio Galego de Saúde (gezondheidsdienst van Galicië). Op 22 december 2011 beviel zij van een dochter, aan wie zij borstvoeding gaf.

24.      Op 8 mei 2012 verzocht Otero Ramos om een medische verklaring van de INSS dat zij onder de definitie viel van een werkneemster die haar kind borstvoeding geeft in de zin van de nationale voorschriften en dat zij bij de uitoefening van haar taken als verpleegster op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis aan risico’s zou zijn blootgesteld.(24)

25.      In verband met het verzoek van Otero Ramos werden de volgende stukken beoordeeld: ten eerste een verklaring van de directeur personeelszaken van het ziekenhuis, waarin was vermeld dat: i) zij als verpleegkundige werkzaam was op de afdeling spoedeisende hulp; ii) haar werk ploegendiensten in ochtend-, middag‑, avond‑ en nachtploegen inhield; iii) het specifieke risico voor borstvoeding gevende moeders werd beschreven in een aan die verklaring gehecht rapport inzake medische preventie; en iv) de door haar vervulde functie „in de door de werkgever na overleg met werknemersvertegenwoordigers opgestelde lijst van functies als risicovrij is ingedeeld”; ten tweede het [hierboven onder iii) bedoelde] rapport van de arts van de afdeling preventieve geneeskunde en preventie van arbeidsrisico’s, waarin werd bevestigd dat Otero Ramos was onderzocht en dat het door haar overgelegde medische attest eveneens was beoordeeld; door de arts werd zij „geschikt” bevonden om „de tot haar functie behorende taken te vervullen, die geen risico voor borstvoeding inhouden”.(25)

26.      Het verzoek van Otero Ramos werd door de INSS twee dagen later bij besluit van 10 mei 2012 afgewezen op grond dat niet was aangetoond dat haar arbeidsomstandigheden negatieve gevolgen hadden voor haar gezondheid (of die van haar kind). Haar werd meegedeeld dat er geen grond was om de procedure tot het verkrijgen van de desbetreffende uitkering in te stellen.(26)

27.      Op 11 juli 2012 vocht Otero Ramos het besluit van de INSS aan bij de Juzgado de lo Social No 2 de A Coruña (rechtbank voor sociale zaken, A Coruña)(27). Bij haar verzoekschrift was een brief van haar directe meerdere gevoegd, een arts in de functie van hoofd van de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis (hierna: „rapport van het afdelingshoofd”). Hij verklaarde in die brief dat een verpleegkundige op de afdeling spoedeisende hulp tijdens de lactatie gevaar loopt te worden blootgesteld aan fysische, chemische, biologische en psychosociale risico’s voor de lactatie. Het rapport van het afdelingshoofd bevat de volgende nadere gegevens over biologische agentia. Verpleegkundigen krijgen bijvoorbeeld te maken met gevallen van influenza A, bacteriële infecties, multiresistente ziektekiemen, hiv en hepatitis. Wat fysieke agentia betreft, werd vermeld dat op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis allerlei soorten patiënten worden behandeld. Het merendeel van die patiënten kampt met ernstige mobiliteitsproblemen als gevolg van ouderdom dan wel acute of chronische aandoeningen. Dit brengt voor het verplegend personeel fysieke inspanningen en een belastende werkhouding met zich mee. Deze fysieke lasten nemen toe wanneer de patiënten in kritieke toestand verkeren (coma, hartstilstand, terminale ziekte). Wat chemische agentia betreft, is er sprake van blootstelling aan allerlei chemische behandelingen, aangezien de afdeling spoedeisende hulp met allerlei aandoeningen te maken heeft. Daarnaast is er sprake van psychosociale risico’s vanwege het feit dat het werk volgens een complex werkrooster is georganiseerd (ploegen‑ en nachtdiensten). Tevens wordt het personeel geconfronteerd met stress of een hoge werkdruk op drukke tijden, aangezien er geen vaste verhouding verpleegkundigen/patiënten is. Bij een sterke vraag naar hulp vergt dit van de werknemers voortdurende aanpassingen om hun werk te kunnen uitvoeren en organiseren. Werk in ploegendienst en nachtarbeid verstoren de productie van prolactine, dat verantwoordelijk is voor de moedermelkproductie. In het geval van onregelmatige werktijden en nachtdiensten kan mastitis ontstaan doordat het ritme van de melkextractie wordt verstoord.

28.      Op 24 oktober 2013 werd het verzoek van Otero Ramos afgewezen. De rechter in eerste aanleg oordeelde dat met het oog op toekenning van een uitkering strenge criteria moeten worden toegepast bij de beoordeling van het bewijs van het bestaan van aanzienlijke risico’s. Otero Ramos stelde vervolgens hoger beroep in bij de verwijzende rechter, die wenst te vernemen of haar situatie binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/54 valt. Zo ja, dan vraagt hij in het bijzonder om aanwijzingen voor de uitlegging van artikel 19 van die richtlijn in het licht van de bepalingen van richtlijn 92/85. Dienovereenkomstig verzoekt de verwijzende rechter het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Zijn de regels inzake de bewijslast van artikel 19 van [richtlijn 2006/54] van toepassing op de risicosituatie tijdens de borstvoedingsperiode als bedoeld in artikel 26, lid 4 juncto lid 3, [LPRL], waarbij artikel 5, lid 3, van [richtlijn 92/85] in Spaans recht is omgezet?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan het feit dat de uitoefening van het beroep van verpleegster op de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis risico’s inhoudt voor de lactatie, die zijn aangetoond in een gemotiveerd rapport van een arts die tegelijk het hoofd is van de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis waar de werkneemster werkt, directe of indirecte discriminatie doen vermoeden in de zin van artikel 19 van [richtlijn 2006/54]?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen de omstandigheden dat de door de werkneemster vervulde functie in de door de werkgever na overleg met werknemersvertegenwoordigers opgestelde lijst van functies als risicovrij is ingedeeld en dat de betrokken afdeling preventieve geneeskunde/preventie van arbeidsrisico’s van het ziekenhuis een geschiktheidsverklaring heeft afgegeven, zonder dat in die documenten nader wordt toegelicht hoe tot die conclusies is gekomen, worden geacht in ieder geval zonder twijfel aan te tonen dat het gelijkheidsbeginsel in de zin van artikel 19 van [richtlijn 2006/54] niet is geschonden?

4)      Indien de tweede vraag bevestigend en de derde vraag ontkennend wordt beantwoord: welke van de partijen – de verzoekende werkneemster dan wel de verwerende werkgever – moet op grond van artikel 19 van [richtlijn 2006/54], wanneer vaststaat dat de verrichte arbeid risico’s inhoudt voor de moeder of het borstkind, aantonen 1) dat het niet mogelijk is om de arbeidsomstandigheden of de arbeidstijd aan te passen of dat de arbeidsomstandigheden ondanks een dergelijke aanpassing negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de zwangere werkneemster of de zuigeling (artikel 26, lid 2 juncto lid 4, [LPRL], waarbij artikel 5, lid 2, van [richtlijn 92/85] is omgezet) en 2) dat overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd (artikel 26, lid 3 juncto lid 4, [LPRL], waarbij artikel 5, lid 3, van [richtlijn 92/85] is omgezet)?”

29.      Otero Ramos, de INSS, de Spaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting op 19 oktober 2016 hebben deze partijen, behalve Otero Ramos, pleidooi gehouden.

 Beoordeling

 Inleidende opmerkingen

30.      Richtlijn 92/85, die werd vastgesteld op de grondslag van artikel 118 bis van het EEG-Verdrag (de voorloper van artikel 153 VWEU), heeft ten doel de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie te verbeteren.(28) Die richtlijn is een van de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van richtlijn 89/391.(29) In richtlijn 92/85 worden onder meer vrouwelijke werkneemsters tijdens de lactatie aangewezen als een bijzonder kwetsbare risicogroep die moet worden beschermd tegen voor haar specifieke gevaren en voor welke maatregelen moeten worden getroffen op het gebied van gezondheid en veiligheid.(30) Die bescherming mag geen afbreuk doen aan de richtlijnen van de Raad op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.(31) Richtlijn 2006/54 is een van de maatregelen van de laatstgenoemde soort.

31.      Vast staat dat Otero Ramos ten tijde van de feiten van het hoofdgeding onder de definitie van „werkneemster tijdens de lactatie” van artikel 2, onder c), van richtlijn 92/85 viel en dat haar werkgever bijgevolg gehouden was een risico-evaluatie uit te voeren als bedoeld in artikel 4, lid 1, van die richtlijn in overeenstemming met de in artikel 3, lid 1, genoemde richtsnoeren.

32.      De vier vragen van de verwijzende rechter houden alle onderling verband voor zover zij op de premisse berusten dat het zeer wel mogelijk is dat uit een beoordeling als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85, mits correct uitgevoerd aan de hand van alle relevante feiten, blijkt dat de arbeidsomstandigheden een risico voor de gezondheid of veiligheid van Otero Ramos kunnen inhouden of een terugslag kan hebben op de lactatie van haar kind. Indien deze premisse juist is, volgt daaruit dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van richtlijn 92/85 voor het nemen van verdere maatregelen.

 Eerste vraag

 Algemene opmerkingen

33.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de situatie waarover hij zich dient uit te spreken, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2006/54 valt. In het bijzonder vraagt hij zich af of de bewijslast op Otero Ramos rust dan wel is omgekeerd en bij verweerders komt te liggen.

34.      In het kader van de prejudiciële procedure, die in samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof voorziet, heeft het Hof tot taak de nationale rechter een voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding nuttig antwoord te geven. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren. Bovendien heeft het Hof tot taak alle bepalingen van het recht van de Unie uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de aan het Hof voorgelegde vragen.(32) Het feit dat de verwijzende rechter in zijn eerste vraag alleen naar artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/85 verwijst, belet het Hof dus niet om hem alle noodzakelijke elementen voor de uitlegging van het Unierecht – waaronder andere bepalingen van die richtlijn (inzonderheid artikel 4) – aan de hand te doen die van nut kunnen zijn bij de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of de verwijzende rechter die bepalingen in de bewoordingen van zijn vragen heeft aangehaald. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven.(33)

35.      Volgens de verwijzingsbeslissing besloot de INSS „het gevraagde attest niet af te geven omdat niet [was] aangetoond dat haar arbeidsomstandigheden negatieve gevolgen [hadden] voor haar gezondheid (of die van haar kind) […]”. De eerste vraag is echter gebaseerd op de premisse dat er wel degelijk bewijs was dat er sprake was van een dergelijk risico.(34)

36.      Bij richtlijn 92/85 werd de verplichting ingevoerd om een evaluatie te verrichten en informatie over risico’s mee te delen. Indien uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 bedoelde evaluatie een risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van een werkneemster blijkt, moet de werkgever volgens artikel 5, leden 1 en 2, van deze richtlijn zorgen voor een tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden.(35) Indien dat onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk is, dient de betrokken werkneemster te worden overgeplaatst naar een andere functie. Alleen indien ook deze verandering onmogelijk blijkt te zijn, bepaalt artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/85 dat de betrokken werkneemster gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, wordt vrijgesteld van arbeid.(36)

37.      Indien uit de in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 bedoelde evaluatie geen risico blijkt, volgt uit die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van die richtlijn, dat de werkgever in dat geval niet verplicht is verdere maatregelen te treffen. Uit de verwijzingsbeslissing komt naar voren dat het ziekenhuis in de in artikel 4 bedoelde evaluatie inderdaad tot de conclusie kwam dat er geen risico voor Otero Ramos bestond, zodat nog niet was voldaan aan de in artikel 5 voorwaarde voor de beoordeling of de arbeidsomstandigheden van Otero Ramos aanpassing behoefden, dan wel of zij naar een andere functie diende te worden overgeplaatst of verlof diende te krijgen.

38.      Tevens staat vast dat Otero Ramos de evaluatie door het ziekenhuis betwist en de beslissing van de INSS om haar verzoek om een uitkering af te wijzen aanvecht. Zij meent dat uit de in de verwijzingsbeslissing beschreven feiten duidelijk naar voren komt dat taken als verpleegkundige op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis inderdaad een risico inhielden en dat het klaarblijkelijk onmogelijk was geweest om het geven van borstvoeding aan haar kind te verenigen met de vereisten die haar functie met zich meebracht.

39.      De eerste stap in de bij richtlijn 92/85 vastgestelde procedure bestaat erin in overeenstemming met artikel 4 na te gaan of er sprake is van een risico voor de gezondheid of veiligheid van de betrokken werkneemster in de zin van artikel 2. De beoordeling of de evaluatie van de situatie van mevrouw Otero Ramos correct is uitgevoerd, betreft feitelijke vragen die ter beoordeling van de verwijzende rechter staan. Daarentegen is de correcte uitlegging van de voorschriften van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 een zaak van het Hof.

40.      De eerste prejudiciële vraag moet daarom aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter het Hof om aanwijzingen verzoekt: i) voor de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 92/85; ii) (indien een beslissing die is genomen op basis van een overeenkomstig dat artikel verrichte evaluatie door de betrokken werkneemster wordt aangevochten) over de vraag of de bewijslast voor de toepassing van artikel 19 van richtlijn 2006/54 op de verzoekende dan wel de verwerende partij rust; en iii) (indien de verzoekster in het gelijk wordt gesteld en wordt vastgesteld dat er sprake is van een risico voor de betrokken werkneemster) over de vraag of het in dat geval aan de werkgever is om te bepalen welke passende maatregelen in overeenstemming met artikel 5 van richtlijn 92/85 dienen te worden genomen.

 Richtlijn 92/85

41.      Partijen zijn het erover eens dat moet worden nagegaan of het besluit van de INSS – namelijk dat er geen risico voor Otero Ramos bestond – werd geschraagd door een correcte evaluatie van haar situatie.

42.      Volgens artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 is de werkgever verplicht „de aard, de mate en de duur van de blootstelling […] van de werkneemsters in de zin van artikel 2” te evalueren „voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan de agentia, procedés of arbeidsomstandigheden” waarvan een niet-limitatieve lijst in bijlage I is opgenomen. Die evaluatie heeft ten doel „ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster […] te […] beoordelen” en „[vast te stellen] vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen”.(37)

43.      Deze bewoordingen moeten worden gelezen in samenhang met de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/85 bedoelde richtsnoeren, die volgens artikel 3, lid 2, „als leidraad dienen voor de in artikel 4, lid 1, bedoelde evaluatie”. Uit die richtsnoeren blijkt overduidelijk dat een globale, ongedetailleerde beoordeling van de werkplek, de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgeoefend en de algemene gezondheidstoestand van de gemiddelde werkneemster tijdens de zwangerschap, na de bevalling of tijdens de lactatie, waarschijnlijk niet aan de vereisten van artikel 4, lid 1, voldoet.

44.      Zo wordt in de richtsnoeren benadrukt dat „[s]ommige risico’s op de werkplek […] de gezondheid en veiligheid van jonge en aanstaande moeders en hun kinderen schade [kunnen] berokkenen”. Tevens wordt erin gewezen op het feit dat de kwalitatieve en kwantitatieve risicobeoordeling „de moeilijkste fase van het proces [is], omdat de persoon die de evaluatie verricht, vakbekwaam moet zijn en voldoende rekening moet houden met ter zake dienende informatie, waaronder informatie van de zwangere vrouw zelf of van haar adviseurs, door passende methoden toe te passen om in staat te zijn te concluderen of het geïdentificeerde gevaar al dan niet een risicosituatie oplevert voor de werkneemsters”.(38) Bij de risicobeoordeling moet „rekening worden gehouden met de preventieve aspecten van [richtlijn 89/391]”.(39) De risicobeoordeling heeft „een bijzonder karakter […], aangezien zij bedoeld is voor een voortdurend veranderende toestand, die individueel verschillend is. Bovendien betreft zij niet alleen de vrouw zelf, maar ook het ongeboren kind en de zuigeling. […] Een eenmalige beoordeling is mogelijk niet voldoende, aangezien een zwangerschap een dynamisch proces is en geen statische toestand. Bovendien kan de vrouw – en haar ongeboren of pasgeboren kind – tijdens de zwangerschap, maar ook nog na de bevalling aan verschillende risico’s blootstaan. […] Bij medische adviezen, verslagen en certificaten dient met de arbeidsomstandigheden rekening te worden gehouden. Dat is van bijzonder belang voor de omstandigheden van de betrokkene […]. Bij een risicobeoordeling dient voldoende rekening te worden gehouden met medische adviezen en de zorgen van de vrouw in kwestie.”(40) In de richtsnoeren wordt onderstreept dat werkgevers de risico’s in het oog moeten houden en wordt erop gewezen dat er, naast de risico’s tijdens de zwangerschap zelf, „[v]oor werkneemsters na de bevalling en tijdens de lactatie [met] andere risico’s rekening [moet worden gehouden]. De werkgevers moeten ervoor zorgen dat de werkneemsters tijdens de lactatie niet worden blootgesteld aan risico’s die schade aan de gezondheid of de veiligheid kunnen berokkenen zolang zij borstvoeding blijven geven”.(41)

45.      De richtsnoeren bevatten ook twee gedetailleerde tabellen. De eerste is getiteld „Risicobeoordeling van generieke gevaren en bijbehorende situaties”, „waarmee de meeste zwangere vrouwen, jonge of aanstaande moeders te maken kunnen krijgen”.(42) De tweede tabel draagt de titel „Specifieke gevaren, risicobeoordeling (en manieren om deze risico’s te voorkomen)”. De inleiding bevat de volgende toelichting: „Aangezien de zwangerschap een dynamische toestand is met voortdurende veranderingen en ontwikkelingen, kunnen dezelfde arbeidsomstandigheden verschillende gezondheids‑ en veiligheidsproblemen veroorzaken bij verschillende vrouwen in verschillende stadia van de zwangerschap en opnieuw bij de terugkeer naar het werk na de bevalling of tijdens de lactatie. Sommige van deze problemen zijn voorspelbaar en algemeen van toepassing […]. Andere zijn afhankelijk van individuele omstandigheden en de persoonlijke anamnese.” In de tabel wordt vervolgens een analyse gegeven van achtereenvolgens fysische, biologische(43) en chemische agentia en arbeidsomstandigheden.(44)

46.      In de verwijzingsbeslissing wordt vermeld dat de functie van Otero Ramos als „risicovrij” werd ingedeeld en zij „geschikt” werd bevonden om te werken. Ik heb de indruk dat haar werkgever wellicht niet voldoende rekening heeft gehouden met haar individuele situatie. Ten eerste is niet duidelijk of de indeling van haar functie als verpleegkundige op de afdeling spoedeisende hulp als „risicovrij” op de vaststelling berustte dat die functie risicovrij was voor werkneemsters tijdens de zwangerschap, of dat daarbij specifiek rekening werd gehouden met de situatie van borstvoeding gevende moeders.(45) Ten tweede is er geen aanwijzing dat er een evaluatie is gemaakt van de risico’s waaraan Otero Ramos persoonlijk zou zijn blootgesteld bij de uitoefening van die functie tijdens de lactatie, bijvoorbeeld van de mogelijke terugslag op de lactatie of van de kans op mastitis of een infectie. Ten derde is niet aangegeven of is onderzocht of zij het risico zou lopen om te worden blootgesteld aan in bijlage I bij richtlijn 92/85 genoemde fysische, biologische en chemische agentia.

47.      Ten vierde bestaat de door het ziekenhuis gemaakte evaluatie in feite in een verklaring dat Otero Ramos „geschikt” werd bevonden om de tot haar functie behorende taken te vervullen, die geacht werden geen risico voor borstvoeding in te houden. Ik herinner er evenwel aan dat de evaluatie een preventieve maatregel vormt die ten doel heeft, de moeder tijdens de lactatieperiode te beschermen(46) en dat in het rapport van het afdelingshoofd een geheel ander beeld wordt geschetst van de functie van verpleegkundige op de afdeling spoedeisende hulp (waaruit bijvoorbeeld naar voren komt dat werknemers er in contact kunnen komen met patiënten die met hepatitis zijn besmet).(47)

48.      Het staat aan de verwijzende rechter, als enige rechter die over de feiten oordeelt, om na te gaan of de door het ziekenhuis verrichte evaluatie in overeenstemming is met artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85. Mocht de verwijzende rechter tot de conclusie komen dat dit niet het geval is, dan moet vervolgens worden onderzocht of het verzoek van Otero Ramos onder richtlijn 2006/54 valt en, zo ja, of artikel 19 van die richtlijn van toepassing is. Voorts volgt uit de verwijzingsbeslissing impliciet dat de verwijzende rechter tevens zou willen onderzoeken of Otero Ramos had kunnen worden beschermd door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 92/85.

 Richtlijn 2006/54

49.      De INSS en Spanje voeren aan dat de onderhavige zaak niet onder richtlijn 2006/54 valt. Otero Ramos en de Commissie zijn de tegengestelde mening toegedaan.

50.      Ook ik ben het niet eens met de restrictieve uitlegging van richtlijn 2006/54 door de INSS en de Spaanse regering.

51.      Volgens artikel 1 heeft richtlijn 2006/54 ten doel de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep te verzekeren.

52.      Weliswaar bevinden vrouwen die zwangerschapsverlof genieten als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/85, zich „in een specifieke situatie die bijzondere bescherming verlangt, doch niet kan worden gelijkgesteld met de situatie van een man of met die van een vrouw die haar arbeid daadwerkelijk verricht”.(48) Hieruit volgt echter niet, zoals de INSS en Spanje betogen, dat alle werkneemsters op wie artikel 2 van richtlijn 92/85 van toepassing is, buiten de werkingssfeer van richtlijn 2006/54 vallen.

53.      De begrippen „directe” en „indirecte discriminatie” worden gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder a) respectievelijk onder b), van richtlijn 2006/54. Volgens artikel 2, lid 2, onder c), omvat discriminatie op grond van geslacht „elke minder gunstige behandeling van een vrouw in samenhang met zwangerschap of bevallingsverlof in de zin van richtlijn 92/85”.

54.      In artikel 2, onder c), van richtlijn 92/85 wordt een „werkneemster tijdens de lactatie” gedefinieerd onder verwijzing naar nationale wetten en/of praktijken. De verwijzende rechter verklaart dat de risico-evaluatie overeenkomstig artikel 26, lid 1, LPRL „de bepaling [omvat] van de aard, de mate en de duur van de blootstelling van werkneemsters die zwanger zijn of recent zijn bevallen aan agentia, procedés of werkomstandigheden die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de werkneemsters […], bij alle activiteiten die een specifiek risico kunnen inhouden”. Krachtens artikel 26, lid 4, LPRL is die bepaling ook van toepassing op werkneemsters „tijdens de borstvoedingsperiode indien [de bevoegde autoriteiten] verklaren dat de werkomstandigheden negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de moeder of het kind”. Uit de aan het Hof overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt hoe de „borstvoedingsperiode” (als zodanig) is gedefinieerd bij de nationale wet en/of in de nationale praktijk.

55.      Het Hof heeft bij herhaling geoordeeld dat „wat […] de bescherming bij zwangerschap en moederschap betreft, [de betrokken richtlijn], door de lidstaten het recht toe te kennen bepalingen ter verzekering van deze bescherming in stand te houden of in te voeren, in het kader van het gelijkheidsbeginsel de wettigheid van de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap, alsmede van de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de bevalling erkent”(49)

56.      Mij dunkt dat de gesteldheid van een borstvoeding gevende moeder zowel rechtens als van nature(50) nauw samenhangt met zwangerschap en moederschap. Artikel 5, lid 3, van richtlijn 92/85 bepaalt duidelijk dat werkneemsters die onder artikel 2 vallen, worden vrijgesteld van arbeid indien overplaatsing niet mogelijk is of redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Hieruit volgt dat de gesteldheid van een borstvoeding gevende moeder is begrepen onder de formulering „in samenhang met zwangerschap of bevallingsverlof” in artikel 2, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/54.(51)

57.      De formulering „minder gunstige behandeling” omvat ook gevallen waarin de voorschriften van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 niet correct worden toegepast ten aanzien van een vrouw tijdens de borstvoedingsperiode. In dergelijke gevallen wordt de betrokkene de bescherming ontzegd waarop zij krachtens die bepaling recht heeft, en wordt zij blootgesteld aan risico’s. Dit geldt des te meer daar de werkgever in dat geval zal nalaten om ter bescherming van haar gezondheid en veiligheid de nodige preventieve maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn. Een dergelijke ongunstige behandeling vormt directe discriminatie op grond van geslacht.

58.      Hieraan zij toegevoegd dat artikel 28 (en overweging 24) van richtlijn 2006/54 bepalen dat de bepalingen van die richtlijn voorschriften betreffende de bescherming van vrouwen, in het bijzonder wat zwangerschap en moederschap betreft, „onverlet” laten. Volgens de normale betekenis van die bewoordingen houdt dit in dat richtlijn 92/85 van toepassing is naast de maatregelen waarin richtlijn 2006/54 voorziet om uitvoering te geven aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep. De bij richtlijn 92/85 vastgestelde rechten inzake gezondheid en veiligheid worden dus door richtlijn 2006/54 niet aangetast, laat staan opgeheven.

59.      Is in dit geval voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54?

60.      Mijns inziens moet het antwoord op deze vraag bevestigend luiden.

61.      Otero Ramos is duidelijk van mening dat zij benadeeld is in de zin van die bepaling. Volgens haar is er sprake van discriminatie op grond van geslacht aangezien haar werkgever richtlijn 92/85 haars inziens niet heeft nageleefd. Artikel 19, lid 4, onder a), van richtlijn 2006/54 bepaalt uitdrukkelijk dat de regels artikel 19, lid 1, inzake de omkering van de bewijslast op een dergelijk geval van toepassing zijn.

62.      Indien geen evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de voorschriften van artikel 4, lid 1, bijlage I en de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/85 bedoelde richtsnoeren, komt dit neer op een ongunstige behandeling van een werkneemster tijdens de lactatie.(52) Een dergelijke behandeling valt onder de definitie van discriminatie van artikel 2, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/54 en tevens onder de verwijzing naar richtlijn 92/85 in artikel 19, lid 4, onder a), van richtlijn 2006/54 en vormt discriminatie op grond van geslacht in de zin van die bepaling. Hieruit volgt dat artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54 in casu van toepassing is.

63.      Wanneer een moeder een attest aanvraagt en haar werkgever een risico-evaluatie uitvoert als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 (de eerste stap in de bij die richtlijn vastgestelde beschermingsprocedure), zijn de voorschriften van artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54 nog niet van toepassing. Dit omdat die procedure onder de verantwoordelijkheid van de werkgever valt. Die voorschriften zijn echter wel relevant zodra een daaruit voortvloeiend besluit voor de rechter of een andere bevoegde instantie wordt aangevochten.

64.      De bewijslast rust dan op de betrokkene – in casu Otero Ramos –, die aannemelijk moet maken dat er sprake is van discriminatie.(53) In het hoofdgeding zou verzoekster bewijzen moeten aandragen (zoals de verklaringen in de brief van het afdelingshoofd)(54) om de bewering te schragen dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 onjuist is uitgelegd en/of toegepast. Vervolgens komt de bewijslast in de nationale procedure bij de verwerende partij te liggen.

65.      De voorschriften inzake de bewijslast hebben ten doel een effectieve handhaving van het beginsel van gelijke behandeling te verzekeren.(55) Zoals het Hof in het verleden reeds heeft verklaard, hebben de regels van Unierecht inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen op het gebied van de rechten van de vrouw tijdens de zwangerschap, na de bevalling of tijdens de lactatie ten doel vrouwelijke werknemers voor en na de bevalling te beschermen.(56) Die doelstelling, die ten grondslag ligt aan zowel richtlijn 92/85 als richtlijn 2006/54, zou niet kunnen worden verwezenlijkt indien de betrokkene in een beroep tegen een besluit waarbij haar die bescherming is ontzegd, zou moeten bewijzen dat zij aan een risico is blootgesteld.

66.      In omstandigheden waarin de werkgever van de werkneemster een evaluatie uitvoert als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85, en bepaalt dat zij niet aan risico’s is blootgesteld, kan mijns inziens niet van de betrokken werkneemster worden verlangd dat zij een eigen uitvoerige risico-evaluatie verricht om de evaluatie door de werkgever te ontkrachten. Naar alle waarschijnlijkheid zal zij geen toegang hebben tot de vereiste specialistische kennis op het gebied van bedrijfsgeneeskunde om een evaluatie te kunnen maken van haar functie, haar arbeidsomstandigheden en de risico’s waaraan zij en/of haar kind mogelijk worden blootgesteld, noch zal zij toegang hebben tot de voor een dergelijke evaluatie vereiste financiële middelen. Een dergelijke benadering zou de bescherming die zij krachtens richtlijn 92/85 geniet, tenietdoen. Mijns inziens is artikel 19 van richtlijn 2006/54 juist bedoeld om uitkomst te bieden in een dergelijke situatie.

67.      Dit standpunt vindt bovendien steun in artikel 23 van het Handvest, dat bepaalt dat de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning, moet worden gewaarborgd. De formulering „op alle gebieden” pleit voor een lezing van artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54 die waarborgt dat de rechten van degenen die bescherming genieten krachtens richtlijn 92/85, effectief kunnen worden gehandhaafd.

68.      De verwijzende rechter vraagt of het feit dat de uitkering die een borstvoeding gevende moeder overeenkomstig artikel 11, lid 1, van richtlijn 92/85 ontvangt wanneer zij is vrijgesteld van arbeid, volgens het Spaanse recht als een socialezekerheidsuitkering is gekwalificeerd, betekent dat een dergelijke regeling niet binnen de werkingssfeer van het verbod op discriminatie van artikel 14 van richtlijn 2006/54 kan vallen. De verwijzende rechter is van oordeel dat de verlofregeling wel onder dat verbod zou vallen indien zij door de werkgever van de betrokken werkneemster zou worden gefinancierd.

69.      Mijns inziens is de kwalificatie van de op grond van een nationale regeling beschikbare uitkering niet van invloed op de toepasselijkheid van artikel 19 van richtlijn 2006/54. Indien een verschil zou moeten worden gemaakt tussen gevallen waarin het verlof door de werkgever wordt gefinancierd, en gevallen waarin dit gebeurt in het kader van een socialezekerheidsregeling van de overheid, zou de werkingssfeer van richtlijn 2006/54 verschillen naargelang de in de afzonderlijke lidstaten getroffen regelingen.(57) Dit zou niet stroken met een uniforme uitlegging van het Unierecht. Daarom kan niet met deze lezing worden ingestemd.(58) In de omstandigheden als in het hoofdgeding staat het aan de verwijzende rechter de feiten te beoordelen en de relevante bepalingen van richtlijn 2006/54 toe te passen.(59)

70.      Ik kom derhalve tot de conclusie dat het antwoord op de eerste vraag moet luiden dat wanneer een evaluatie als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 wordt verricht, de individuele situatie van de werkneemster tijdens de lactatie moet worden onderzocht om te bepalen of er een risico bestaat voor de veiligheid en gezondheid van de werkneemster of voor de veiligheid en gezondheid van haar kind in de zin van die bepaling, bijlage I en de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn bedoelde richtsnoeren. Indien een dergelijke evaluatie niet correct wordt uitgevoerd, komt dit neer op een ongunstige behandeling van de betrokken werkneemster en op discriminatie als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/54. Een dergelijke behandeling vormt discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 19, lid 4, onder a), van richtlijn 2006/54 en valt derhalve binnen de werkingssfeer van de voorschriften van artikel 19, lid 1, van die richtlijn, volgens welke de bewijslast bij de verwerende partij komt te liggen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de feiten aantonen dat er sprake is van een discriminerende behandeling. Voor zover het in het kader van de nationale procedure noodzakelijk is om te bepalen of overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 92/85 verdere maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werkneemster hadden moeten worden genomen (en zo ja, welke), zijn de bepalingen van artikel 19 van richtlijn 2006/54 bij die beoordeling door de rechter van toepassing.

 Tweede, derde en vierde vraag

 Ontvankelijkheid

71.      De tweede, de derde en de vierde vraag zijn gebaseerd op de premisse dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. De verwijzende rechter wenst in wezen verduidelijking over de vraag hoe de regels inzake de omkering van de bewijslast in dergelijke gevallen moeten worden toegepast.

72.      Spanje betoogt dat de tweede, de derde en de vierde vraag niet-ontvankelijk zijn omdat de verwijzende rechter in wezen verzoekt om aanwijzingen voor de beoordeling van de feiten in de door Otero Ramos aanhangig gemaakte zaak.

73.      Ik ben het hier niet mee eens.

74.      Inderdaad, het staat aan de nationale rechter, en niet aan het Hof, te bepalen of de omstandigheden in het geval van Otero Ramos discriminatie vormen in de zin van richtlijn 2006/54. Met zijn tweede en zijn vierde vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof echter geenszins een dergelijke vaststelling te doen. In plaats daarvan verzoekt hij om aanwijzingen voor de uitlegging van artikel 19 van die richtlijn teneinde de relevante rechtsregels correct te kunnen toepassen op het aan hem overgelegde bewijsmateriaal.

75.      De tweede, de derde en de vierde vraag zijn bijgevolg ontvankelijk.

 Tweede vraag

76.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het rapport van de directe meerdere van Otero Ramos (het hoofd van de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis), dat zij tot staving van haar beroep heeft overgelegd, volstaat om een vermoeden van discriminatie te doen rijzen.(60)

77.      De INSS en Spanje stellen dat niet veel waarde kan worden gehecht aan het rapport van het afdelingshoofd. Zij zijn ten eerste van mening dat een directe meerdere automatisch partij kiest voor de werkneemster die de bedoelde uitkering wenst te verkrijgen. Ten tweede wijzen zij erop dat het rapport niet is opgesteld door een specialist op het gebied van bedrijfsgeneeskunde.

78.      Ik vind noch het ene noch het andere argument overtuigend.

79.      De beoordeling van relevantie van het rapport van het afdelingshoofd en het gewicht dat eraan moet worden toegekend, is een zaak van de aangezochte rechter. De vraag of een directe meerdere partij kiest voor (of tegen) een bepaalde werknemer, kan alleen worden beantwoord indien hiervoor relevante bewijzen worden aangedragen. Men kan niet enkel op grond van de status van de meerdere en een hiërarchische arbeidsverhouding met de betrokkene aannemen dat er sprake is van partijdigheid. Wat het tweede argument betreft, moet worden geconstateerd dat het afdelingshoofd weliswaar geen bedrijfsgeneeskundig specialist is, maar dat het rapport niettemin is opgesteld door een arts die rechtstreeks inzicht heeft in de individuele situatie van verzoekster en in de omstandigheden op de werkvloer. Het afdelingshoofd kan wel degelijk relevant bewijsmateriaal leveren met betrekking tot de taken van verzoekster en de algemene en specifieke risico’s waaraan zij eventueel is blootgesteld.

80.      De verwijzende rechter dient dat rapport te beoordelen in het licht van de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/85 bedoelde richtsnoeren. De in het rapport van het afdelingshoofd beschreven biologische en fysische risico’s zijn een neerslag van die in de richtsnoeren.(61) Weliswaar staat het uiteindelijk aan die rechter te bepalen welke waarde overeenkomstig de nationale procedurele voorschriften aan het rapport van het afdelingshoofd moet worden gehecht, maar een dergelijk document kan niet terzijde worden gelegd op grond van de veronderstelling dat het partijdig is en aangetast is door een gebrek aan vakkennis.

81.      Bij de beoordeling of in casu aan de vereisten van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 is voldaan, dient de verwijzende rechter een door een directe meerdere opgesteld rapport over de functie van de betrokken werkneemster dus wel in aanmerking te nemen. Het is aan die rechter om te bepalen of een dergelijk rapport informatie over de individuele situatie van de werkneemster bevat waarmee hij bij zijn beoordeling rekening moet houden.

 Derde vraag

82.      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een verklaring van de werkgever volgens welke een functie als „risicovrij” wordt ingedeeld, in combinatie met een verklaring dat de betrokken werkneemster „geschikt” wordt bevonden om te werken, kan worden geacht zonder twijfel aan te tonen dat het beginsel van gelijke behandeling in de zin van artikel 19 van richtlijn 2006/54 niet is geschonden.

83.      In zijn verwijzingsbeslissing verklaart de verwijzende rechter dat uit bepaalde uitspraken van Spaanse rechters blijkt dat „een streng criterium voor de beoordeling van het bewijs van het bestaan van aanzienlijke risico’s voor de toekenning van de uitkering langzamerhand de overhand krijgt”.

84.      De vraag of deze benadering inhoudt dat er in dergelijke gevallen wordt uitgegaan van een onweerlegbaar vermoeden dat (in de praktijk) niet kan worden aangevochten, is een kwestie van nationaal recht die door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld.

85.      Indien dit inderdaad het geval is, zou dit mijns inziens onverenigbaar zijn met artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54.(62) Ten eerste zou een dergelijke benadering in strijd zijn met de doelstelling van een effectieve handhaving van het beginsel van gelijke behandeling. Ten tweede zou die benadering in strijd zijn met artikel 23 van het Handvest, aangezien zij aan een bijzonder kwetsbare groep vrouwen – namelijk de vrouwen die binnen de werkingssfeer van richtlijn 92/85 vallen – geen bescherming biedt tegen een ongunstige behandeling op grond van geslacht. Ten derde kan ik me nauwelijks voorstellen dat een dergelijke benadering evenredig kan worden geacht wanneer het om de beoordeling van bewijzen in dergelijke gevallen gaat. Ten vierde zou een nationale regeling die het voor een persoon die zich door niet-toepassing jegens hem of haar van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, uiterst moeilijk maakt om een dergelijke beslissing aan te vechten, de verwezenlijking van de door richtlijn 2006/54 nagestreefde doelstellingen in gevaar kunnen brengen.(63) In het geval van een onweerlegbaar vermoeden ten gunste van de verwerende partij zou er inderdaad sprake zijn van een dergelijke regeling.

86.      Ik kom derhalve tot de conclusie dat wanneer een nationale regeling het voor een persoon die zich door een schending van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, uiterst moeilijk maakt om dat standpunt aan te vechten, deze regeling onverenigbaar is met artikel 19 van richtlijn 2006/54. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of dat het geval is.

 Vierde vraag

87.      De vierde vraag is gebaseerd op de premisse dat uit een correct uitgevoerde evaluatie als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 mogelijk naar voren was gekomen dat er een risico voor de borstvoeding gevende moeder bestond, zodat het noodzakelijk is om na te gaan welke maatregelen ter bescherming van haar veiligheid en gezondheid op grond van artikel 5 hadden moeten worden genomen.

88.      Die premisse komt niet tot uiting in de beschrijving van de feiten in de verwijzingsbeslissing. De verwijzende rechter heeft evenwel niet aangegeven dat een dergelijke vraag niet binnen het kader van het hoofdgeding zou vallen.(64) Ik zal daarom een antwoord op de vierde vraag voorstellen om de verwijzende rechter alle elementen aan de hand te doen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak.

89.      Mocht de verwijzende rechter tot de conclusie komen dat er sprake was van een risico voor Otero Ramos en dat het in het onderhavige geding noodzakelijk is om te bepalen welke verdere maatregelen op grond van artikel 5 van richtlijn 92/85 hadden moeten worden genomen, komt de bewijslast bij de verweerders te liggen. Otero Ramos moet ook in dat geval worden geacht te zijn „benadeeld” in de zin van artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54, aangezien zij niet werd geacht werd in aanmerking te komen voor verlof en voor de uitkering die gedurende de verlofperiode wordt betaald aan werkneemsters tijdens de lactatie.

90.      Indien uit de resultaten van de in artikel 4 van richtlijn 92/85 bedoelde risico-evaluatie „een risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster blijkt, dient de werkgever volgens artikel 5, leden 1 en 2, van deze richtlijn de arbeidsomstandigheden en/of werktijden tijdelijk aan te passen, dan wel, indien dit technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, te voorzien in een andere arbeidsplaats”, teneinde te voorkomen dat de betrokken werkneemster wordt blootgesteld aan een dergelijk risico. „Slechts indien ook een overplaatsing onmogelijk blijkt, wordt de betrokken werkneemster volgens artikel 5, lid 3, van die richtlijn gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, vrijgesteld van arbeid(65)

91.      Voor zover de beoordeling van eventuele verdere maatregelen bedoeld in artikel 5 van richtlijn 92/85 deel uitmaakt van het hoofdgeding, berust de bewijslast overeenkomstig artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54 bij de verwerende partij.

 Conclusie

92.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vragen van de Tribunal Superior de Justicia de Galicia te beantwoorden als volgt:

„1)      Wanneer een evaluatie wordt verricht als bedoeld in artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, moet de individuele situatie van de werkneemster tijdens de lactatie worden onderzocht om te bepalen of er een risico bestaat voor de veiligheid en gezondheid van de werkneemster of voor de veiligheid en gezondheid van haar kind in de zin van die bepaling, bijlage I en de in artikel 3, lid 1, van die richtlijn bedoelde richtsnoeren. Indien een dergelijke evaluatie niet correct wordt uitgevoerd, komt dit neer op een ongunstige behandeling van de betrokken werkneemster en op discriminatie als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder c), van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep. Een dergelijke behandeling vormt discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 19, lid 4, onder a), van richtlijn 2006/54 en valt derhalve binnen de werkingssfeer van de voorschriften van artikel 19, lid 1, van die richtlijn, volgens welke de bewijslast bij de verwerende partij komt te liggen.

–        Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de feiten aantonen dat er sprake is van een discriminerende behandeling.

–        Voor zover het in het kader van de nationale procedure noodzakelijk is om te bepalen of overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 92/85 verdere maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werkneemster hadden moeten worden genomen (en zo ja, welke), zijn de bepalingen van artikel 19 van richtlijn 2006/54 bij die beoordeling door de rechter van toepassing.

2)      Bij de beoordeling of in casu aan de vereisten van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85 is voldaan, dient de verwijzende rechter een door een directe meerdere opgesteld rapport over de functie van de betrokken werkneemster in aanmerking te nemen. Het is aan die rechter om te bepalen of een dergelijk rapport informatie over de individuele situatie van de werkneemster bevat waarmee hij bij zijn beoordeling rekening moet houden.

3)      Wanneer een nationale regeling het voor een persoon die zich door een schending van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, uiterst moeilijk maakt om dat standpunt aan te vechten, is die regeling onverenigbaar met artikel 19 van richtlijn 2006/54. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of dat het geval is.

4)      Voor zover de beoordeling van eventuele verdere maatregelen bedoeld in artikel 5 van richtlijn 92/85 deel uitmaakt van het hoofdgeding, berust de bewijslast overeenkomstig artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54 bij de verwerende partij.”


1 –      Oorspronkelijke taal: Engels.


2 –      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 (PB 2006, L 204, blz. 23).


3 –      Richtlijn van de Raad (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) van 19 oktober 1992 (PB 1992, L 348, blz. 1).


4 –      PB 2010, C 83, blz. 389 (hierna: „Handvest”).


5 –      Richtlijn van de Raad van 12 juni 1989 (PB 1989, L 183, blz. 1).


6 –      Artikel 3, onder d).


7 –      Artikel 15.


8 –      Artikel 16, lid 1.


9 –      Zie de eerste overweging.


10 –      Zie de zevende en de achtste overweging.


11 –      Zie de negende overweging.


12 –      Zie de tiende overweging.


13 –      Zie de tiende en de elfde overweging.


14 –      Zie de twaalfde overweging.


15 –      In deze conclusie gebruik ik daarnaast de uitdrukking „borstvoeding gevende moeder”.


16 –      Zie de mededeling van de Commissie over de richtsnoeren voor de evaluatie van chemische, fysische en biologische agentia alsmede van de industriële procedés welke geacht worden een risico te vormen voor de veiligheid of de gezondheid op het werk van de werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, COM(2000) 466 definitief (hierna: „richtsnoeren”).


17 –      De lijst bevat fysische, biologische en chemische agentia. De agentia worden nader beschreven in een tabel waarin een deel van de in artikel 3, lid 1, bedoelde richtsnoeren zijn opgenomen. In sommige gevallen is op de vermelde agentia specifieke wetgeving van toepassing. Zo zijn bijvoorbeeld de in bijlage I, deel A, punt 2, bij richtlijn 92/85 genoemde agentia vermeld in richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 83/391) (PB 2000, L 262, blz. 21). Deze richtlijn voorziet in indeling van biologische agentia in vier risicogroepen, naargelang van het risico van infecties dat zij meebrengen. Groep 1 omvat de agentia met het laagste risico (waarvan het onwaarschijnlijk is dat zij bij de mens een ziekte kunnen veroorzaken), terwijl groep 4 de agentia met het hoogste risico omvat (die bij de mens een ernstige ziekte veroorzaken en een groot gevaar voor de werknemers opleveren) (zie artikel 2 van richtlijn 2000/54).


18 –      Richtlijn van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht (PB 1998, L 14, blz. 6). Bij richtlijn 2006/54 werden verschillende richtlijnen inzake de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waaronder richtlijn 97/80, ingetrokken en vervangen.


19 –      Zie overweging 1.


20 –      Zie overweging 23.


21 –      Zie overweging 24.


22 –      Zie overweging 25.


23 –      Zie overweging 30.


24 –      Zie de punten 18‑22 hierboven.


25 –      Ik zal de verklaring van de directeur personeelszaken van het ziekenhuis en het rapport van de arts van de afdeling preventieve geneeskunde/preventie van arbeidsrisico’s hieronder gezamenlijk aanduiden als de „evaluatie door het ziekenhuis”.


26 –      Ik zal deze periode van twee dagen hieronder aanduiden als de „relevante periode”.


27 –      Hoewel de verwijzende rechter spreekt van de Juzgado No 2 te Santiago de Compostela, wordt in het inleidende deel van de verwijzingsbeslissing verwezen naar het hoger beroep dat is ingesteld na de procedure bij de rechter te A Coruña. Uit het nationale dossier dat samen met verwijzingsbeslissing aan het Hof is voorgelegd, blijkt dit laatste correct te zijn.


28 –      Zie de eerste overweging en artikel 1 van richtlijn 92/85, alsook arrest van 18 maart 2014, D. (C‑167/12, EU:C:2014:169, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29 –      Zie punt 3 hierboven.


30 –      Zie de zevende en de achtste overweging van richtlijn 92/85.


31 –      Zie de negende overweging van richtlijn 92/85.


32 –      Zie bijvoorbeeld arresten van 13 februari 2014, TSN en YTN (C‑512/11 en C‑513/11, EU:C:2014:73, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 11 september 2014, B. (C‑394/13, EU:C:2014:2199, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


33 –      Zie bijvoorbeeld arresten van 13 februari 2014, TSN en YTN (C‑512/11 en C‑513/11, EU:C:2014:73, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 19 september 2013, Betriu Montull (C‑5/12, EU:C:2013:571, punten 40 en 41).


34 –      Zie de punten 25 en 26 met betrekking tot de evaluatie door het ziekenhuis; zie punt 27 met betrekking tot verdere bewijzen die klaarblijkelijk in tegenspraak zijn met die evaluatie.


35 –      Zie de elfde overweging van richtlijn 92/85 en arrest van 1 juli 2010, Parviainen (C‑471/08, EU:C:2010:391, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


36 –      Arrest van 1 juli 2010, Parviainen (C‑471/08, EU:C:2010:391, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


37 –      Zie het eerste en het tweede streepje van artikel 4, lid 1, alsmede de elfde overweging van richtlijn 92/85.


38 –      Zie blz. 7 van de richtsnoeren.


39 –      Zie blz. 8 van de richtsnoeren. De richtsnoeren verwijzen in dit verband op hun beurt naar een document van de Commissie, getiteld „Handleiding voor de risicobeoordeling op het werk” (ISBN 97‑727‑4278‑9), dat wordt aangeduid als „een ideaal uitgangspunt voor de opstelling van de richtsnoeren als bedoeld in artikel 3, lid 1, van [richtlijn 92/85]”.


40 –      Zie het hoofdstuk „Specifieke aandachtspunten”, blz. 9 van de richtsnoeren.


41 –      Zie blz. 13 van de richtsnoeren, waar ook wordt verwezen naar richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB 1989, L 393, blz.1).


42 –      Onder het eerste punt van de tabel („Geestelijke en lichamelijke vermoeidheid en werktijden”) wordt vermeld dat „sommige zwangere en borstvoeding gevende vrouwen […] mogelijk niet in staat [zijn] onregelmatige of late diensten te werken, of nachtarbeid […] te verrichten” en worden specifieke risico’s genoemd die zich als gevolg van dergelijk werk kunnen voordoen voor, onder meer, het vermogen van jonge moeders tot lactatie.


43 –      Onder het eerste punt van dat deel van de tabel, betreffende „alle biologische agentia uit de gevarengroepen 2, 3 en 4” [als bedoeld in richtlijn 90/679/EEG van de Raad van 26 november 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB 1990, L 374, blz. 1)], worden risico’s vermeld die bij borstvoeding voor het kind kunnen uitgaan van, onder meer, hepatitis en hiv.


44 –      Onder het eerste punt van dat deel van de tabel, betreffende het „manueel hanteren van lasten”, worden mogelijke risico’s vermeld voor onder meer werkneemsters na de bevalling of tijdens de lactatie.


45 –      Bij de uitvoering van een risico-evaluatie dienen werkgevers erop te letten dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de risico’s voor zwangere vrouwen, werkneemsters die recentelijk zijn bevallen en werkneemsters die borstvoeding geven; zie bijvoorbeeld de richtsnoeren, blz. 12.


46 –      Zie de elfde en de twaalfde overweging van richtlijn 92/85.


47 –      De virale hepatitis-stammen B en D (en mogelijke nog onbekende stammen) zijn in richtlijn 2000/54 ingedeeld in „groep 3”, wat betekent dat het om agentia gaat die bij de mens een ernstige ziekte kunnen veroorzaken en een groot gevaar voor de werknemers kunnen opleveren.


48 –      Arrest van 1 juli 2010, Parviainen (C‑471/08, EU:C:2010:391, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


49 –      Arrest van 30 september 2010, Roca Álvarez (C‑104/09, EU:C:2010:561, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


50 –      Alleen een vrouw die recentelijk is bevallen, produceert de nodige moedermelk voor de borstvoeding.


51 –      Zie ook overweging 23 van richtlijn 2006/54.


52 –      Zie punt 57 hierboven.


53 –      Arrest van 21 juli 2011 (Kelly, C‑104/10, EU:C:2011:506, punt 29).


54 –      Zie punt 27 hierboven.


55 –      Overweging 30 van richtlijn 2006/54.


56 –      Arrest van 11 november 2010, Danosa (C‑232/09, EU:C:2010:674, punt 68).


57 –      De regelingen tot uitvoering van artikel 11 van richtlijn 92/85 verschillen inderdaad van lidstaat tot lidstaat. Zie bijvoorbeeld het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van richtlijn 92/85/EEG van de raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, COM(1999) 100 definitief, blz. 15‑19.


58 –      Zie ook overweging 25 van richtlijn 2006/54.


59 –      Zie in die zin arrest van 11 november 2010, Danosa (C‑232/09, EU:C:2010:674, punt 72).


60 –      Zie punt 27 hierboven.


61 –      Zie de punten 43‑47 hierboven, alsook de risicobeoordeling van generieke gevaren en bijbehorende situaties en de risicobeoordeling van specifieke gevaren in de aan de richtsnoeren gehechte tabellen.


62 –      Zie voorts overweging 30 van richtlijn 2006/54.


63 –      Zie bijvoorbeeld arrest van 21 juli 2011 (Kelly, C‑104/10, EU:C:2011:506, punten 30‑35).


64 –      Zie de punten 25 en 26hierboven.


65 –      Arrest van 1 juli 2010, Gassmayr (C‑194/08, EU:C:2010:386, punten 35 en 36).