Language of document : ECLI:EU:C:2017:305

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 26 april 2017 (1)

Zaak C249/16

Saale Kareda

tegen

Stefan Benkö

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste rechterlijke instantie, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Begrip ,verbintenissen uit overeenkomst’ – Verzoek van een schuldenaar jegens de medeschuldenaar tot terugbetaling van de op grond van een gezamenlijke kredietovereenkomst aan een bank betaalde termijnen – Bepaling van de plaats van uitvoering van de kredietovereenkomst”






1.        De onderhavige zaak stelt het Hof opnieuw in de gelegenheid nadere invulling te geven aan de begrippen „verbintenissen uit overeenkomst” en „verstrekking van diensten” in de zin van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2).

2.        Het Hof wordt in casu verzocht voor recht te verklaren of een regresvordering die tussen medeschuldenaren van een kredietovereenkomst is ingesteld, een vordering ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst is. Indien dit het geval is, dient het Hof na te gaan of een dergelijke overeenkomst kan worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten, hetgeen het Hof in voorkomend geval in staat stelt om de plaats van uitvoering van de kenmerkende verbintenis ervan te bepalen.

3.        In de onderhavige conclusie zal ik uitleggen waarom ik van mening ben dat artikel 7, punt 1, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat een regresvordering tussen medeschuldenaren van een kredietovereenkomst een vordering „ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst” is in de zin van deze bepaling.

4.        Vervolgens zal ik toelichten waarom artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening mijns inziens aldus moet worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst die aan de door een medeschuldenaar ingestelde regresvordering ten grondslag ligt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten in de zin van deze bepaling, zodat de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan deze vordering ten grondslag ligt, de vestigingsplaats is van de schuldeiser-kredietverstrekker.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Verordening nr. 1215/2012

5.        Overweging 4 van verordening nr. 1215/2012 luidt als volgt:

„Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing, zijn onontbeerlijk.”

6.        In de overwegingen 15 en 16 van deze verordening wordt verklaard:

„(15)      De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]

(16)      Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.”

7.        Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[o]nverminderd deze verordening [...] zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, [worden] opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”.

8.        Artikel 7 van verordening nr. 1215/2012 luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden,

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]”

2.      Verordening (EG) nr. 593/2008

9.        In de overwegingen 7 en 17 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)(3) wordt verklaard:

„(7)      Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten stroken met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken[(4)] (‚Brussel I’) en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (,Rome II’)[(5)].

[...]

(17)      Wat het toepasselijke recht bij ontstentenis van een rechtskeuze betreft, dient het concept ,verrichten van diensten’ en ,verkoop van goederen’ op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als bij de toepassing van artikel 5 van verordening [...] nr. 44/2001, voor zover de verkoop van goederen en de verrichting van diensten onder die verordening vallen. Hoewel franchise- en distributieovereenkomsten overeenkomsten inzake het verrichten van diensten zijn, zijn deze aan specifieke regels onderworpen.”

10.      Artikel 16 van deze verordening, met het opschrift „Hoofdelijke schuldenaars”, luidt als volgt:

„Indien een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene, voor dezelfde schuldvordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de vordering reeds geheel of ten dele heeft voldaan, dan beheerst het recht dat op de verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser van toepassing is, het recht van regres van deze schuldenaar op de andere schuldenaren. De andere schuldenaren kunnen zich beroepen op de weren die zij tegen de schuldeiser zouden kunnen aanvoeren op grond van het recht dat hun verbintenissen jegens de schuldeiser beheerst.”

3.      Richtlijn 2002/65/EG

11.      Artikel 2, onder b), van richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad(6), omschrijft het begrip „financiële dienst” als „iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen”.

B.      Oostenrijks recht

12.      § 896 van het Allgemeine Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „ABGB”) bepaalt dat een hoofdelijke medeschuldenaar die de gehele schuld alleen heeft afgelost, het recht heeft, zelfs zonder dat er een overdracht van rechten heeft plaatsgevonden, van de andere schuldenaren terugbetaling te vorderen, waarbij de schuld gelijkelijk wordt verdeeld indien tussen hen geen andere verdeling is overeengekomen.

13.      Vóór de wijziging bij het Zahlungsverzugsgesetz (wet inzake betalingsverzuim) van 20 maart 2013(7) bepaalde § 905, lid 2, ABGB dat, in geval van twijfel, betalingen in geld door de schuldenaar voor eigen rekening en risico aan de schuldeiser worden verricht op diens woonplaats (plaats van vestiging).

14.      Bij deze wet is tevens § 907a ABGB ingevoegd, die bepaalt dat een geldschuld moet worden voldaan op de plaats waar de schuldeiser zijn woonplaats of vestigingsplaats heeft, door overgave aldaar van het geldbedrag of door overmaking ervan op een door de schuldeiser meegedeelde bankrekening.

15.      Overeenkomstig § 1042 ABGB heeft degene die voor een ander kosten maakt die deze andere op grond van deze wet zelf had moeten maken, het recht vergoeding hiervan te vorderen.

16.      Volgens § 1503, lid 2, punt 1, ABGB dient § 907a ABGB, in de redactie van deze wet, te worden toegepast op rechtsbetrekkingen die vanaf 16 maart 2013 zijn aangegaan. Op rechtsbetrekkingen die vóór deze datum zijn aangegaan, blijven de eerdere bepalingen van toepassing. Indien dergelijke eerder aangegane rechtsbetrekkingen echter terugkerende betalingen in geld inhouden, gelden de nieuwe bepalingen voor de betalingen die vanaf 16 maart 2013 opeisbaar worden.

II.    Hoofdgeding

17.      Voor de Oostenrijkse gerechten heeft Stefan Benkö (hierna: „verzoeker”), Oostenrijks staatsburger, een regresvordering ingesteld jegens Saale Kareda (hierna: „verweerster”), Ests staatsburger, met wie hij heeft samengewoond, tot terugvordering van een bedrag van 17 145,41 EUR, meer rente en kosten.

18.      Toen zij in Oostenrijk samenwoonden, hebben verzoeker en verweerster in 2007 een woning gekocht, waartoe zij bij een Oostenrijkse bank drie leningen hebben afgesloten voor een totaalbedrag van 300 000 EUR (hierna: „krediet”). Zij hebben beiden de hoedanigheid van kredietnemer en de verwijzende rechter geeft aan dat zij beiden hoofdelijk medeschuldenaar zijn.

19.      Eind 2011 heeft verweerster de samenwoning beëindigd en is zij teruggekeerd naar Estland. De verwijzende rechter geeft in dit verband aan dat haar huidige woonplaats in Estland onbekend is.

20.      Sinds juni 2012 heeft verweerster niet meer voldaan aan haar verplichtingen tot terugbetaling van het krediet. Verzoeker heeft derhalve niet alleen zijn eigen maandelijkse termijnen moeten aflossen, maar ook die van zijn ex-partner, hetgeen tot en met juni 2014 heeft geduurd. Het zijn deze aflossingen waarop het beroep in het hoofdgeding betrekking heeft.

21.      Het Landesgericht St. Pölten (rechter in eerste aanleg Sankt Pölten, Oostenrijk) heeft contact opgenomen met de ambassade van Estland in Oostenrijk teneinde verweersters woonplaats te achterhalen, doch tevergeefs. In die omstandigheden is een gemachtigde benoemd om haar te vertegenwoordigen.

22.      Deze gemachtigde, die alle betekeningen in ontvangst heeft genomen, heeft in eerste aanleg een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, omdat verweersters woonplaats in Estland is gelegen, op het grondgebied van een andere lidstaat. Daarenboven was hij van mening dat de door verzoeker beschreven feiten niet vielen onder de bepalingen van de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 inzake de rechterlijke bevoegdheid, die afwijken van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van diezelfde verordening. In elk geval voerde hij aan dat het door verzoeker aangezochte Landesgericht St. Pölten niet relatief bevoegd was, aangezien het krediet door een Oostenrijkse bank is verstrekt en de plaats van uitvoering van deze transactie, te weten de vestigingsplaats van deze bank, niet binnen het rechtsgebied van deze rechterlijke instantie ligt.

23.      Bij beslissing van 5 augustus 2015 heeft het Landesgericht St. Pölten geoordeeld dat er sprake was van internationale onbevoegdheid. Verzoeker heeft tegen deze beslissing hoger beroep aangetekend bij het Oberlandesgericht Wien (rechter in tweede aanleg Wenen, Oostenrijk), dat bij beslissing van 28 december 2015 de beslissing van 5 augustus 2015 heeft gewijzigd.

24.      Verweerster heeft vervolgens beroep in „Revision” ingesteld bij de verwijzende rechter.

III. Prejudiciële vragen

25.      Aangezien het Oberste Gerichtshof twijfels heeft over de uitlegging van het Unierecht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus te worden uitgelegd dat een vordering tot terugbetaling (verrekening/regres) die een schuldenaar die tot uitvoering van een (gezamenlijke) kredietovereenkomst met een bank alle aflossingstermijnen alleen heeft betaald, instelt jegens de andere schuldenaar in deze kredietovereenkomst, een vordering ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst is doordat zij (secundair) ontstaat uit de kredietovereenkomst?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Wordt de plaats van uitvoering van het recht op terugbetaling (verrekening/regres) van een schuldenaar jegens de andere schuldenaar in de kredietovereenkomst die aan deze vordering ten grondslag ligt, bepaald

a)      op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening (,verstrekking van diensten’) of

b)      op grond van artikel 7, punt 1, onder c) juncto onder a), van deze verordening, volgens de lex causae?

3)      Voor het geval dat de tweede vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord:

Is de verstrekking van het krediet door de bank de voor de kredietovereenkomst kenmerkende prestatie en wordt de plaats van uitvoering voor de verstrekking van deze dienst derhalve op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 bepaald door de vestigingsplaats van de bank, indien de verstrekking van het krediet uitsluitend daar is geschied?

4)      Voor het geval dat de tweede vraag, onder b), bevestigend wordt beantwoord:

Is voor de bepaling, overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder a), van deze verordening, van de plaats van uitvoering van de niet-nagekomen verbintenis uit overeenkomst doorslaggevend:

a)      het tijdstip waarop beide schuldenaren de kredietovereenkomst zijn aangegaan (maart 2007) of

b)      het tijdstip waarop de tot regres bevoegde schuldenaar de betalingen waaruit het regresrecht wordt afgeleid, aan de bank heeft verricht (juni 2012 tot en met juni 2014)?”

IV.    Analyse

26.      In de onderhavige zaak wenst de verwijzende rechter te vernemen welk gerecht overeenkomstig de bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van het hoofdgeding.

27.      Wat deze zaak moeilijk maakt, is het feit dat de door verzoeker in het hoofdgeding ingestelde vordering een regresvordering tussen medeschuldenaren is die berust op een kredietovereenkomst die zij met een Oostenrijkse bank hebben gesloten.

28.      Alvorens te onderzoeken welke bevoegdheidsregels mogelijk van toepassing zijn op de situatie in het hoofdgeding, is het voor de toepassing van deze verordening in feite van belang na te gaan of de rechtsbetrekkingen die tussen de hoofdelijke medeschuldenaren zijn ontstaan als gevolg van het sluiten van de kredietovereenkomst, los van die overeenkomst kunnen worden gezien dan wel daarmee een onlosmakelijk geheel vormen.

29.      Om de hierna uiteengezette redenen ben ik van mening dat de rechtsbetrekkingen die tussen de hoofdelijke medeschuldenaren zijn ontstaan als gevolg van het sluiten van een kredietovereenkomst, onlosmakelijk zijn verbonden met deze overeenkomst.

30.      Deze rechtsbetrekkingen vloeien immers voort uit de kredietovereenkomst waarmee de hoofdelijke medeschuldenaren samen vrijwillig hebben ingestemd. Ten opzichte van de gezamenlijke schuldeiser hebben zij zich dus elk verbonden tot betaling van de gehele schuld. De prestatie die bestaat in een kredietverstrekking, is onlosmakelijk verbonden met de verplichting tot terugbetaling. Een kredietverstrekking zonder verplichting tot terugbetaling is in feite een schenking. De hoofdelijke verplichting tot terugbetaling is dus een integraal onderdeel van de contractuele regeling.

31.      Dit neemt niet weg dat de medeschuldenaar die het aandeel van de andere medeschuldenaar in de gezamenlijke schuld geheel of gedeeltelijk heeft betaald, het aldus betaalde bedrag kan terugvorderen door een regresvordering in te stellen. Deze vordering vindt dus haar bestaansreden in deze overeenkomst. Bijgevolg zou het gekunsteld zijn om, voor de toepassing van verordening nr. 1215/2012, deze rechtsbetrekkingen af te splitsen van de overeenkomst die deze in het leven heeft geroepen en die eraan ten grondslag ligt.(8) Een andere beslissing zou, in geval van vorderingen die zijn gebaseerd op een en dezelfde overeenkomst, kunnen leiden tot een veelvoud van bevoegde instanties. Zo zou het kunnen zijn dat het gerecht van de ene lidstaat bevoegd is voor geschillen tussen de medeschuldenaren en de bank, terwijl een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is voor geschillen tussen de medeschuldenaren onderling.

32.      Het is derhalve logischer dat alle vragen die kunnen rijzen naar aanleiding van het sluiten van een kredietovereenkomst, door hetzelfde gerecht worden behandeld. Overigens is dit uitdrukkelijk vastgelegd in de Rome I-verordening met betrekking tot het toepasselijke recht. Zoals de Europese Commissie in herinnering brengt, bepaalt artikel 16 van deze verordening, met het opschrift „Hoofdelijke schuldenaar”, dat „[i]ndien een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene, voor dezelfde schuldvordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de vordering reeds geheel of ten dele heeft voldaan, dan beheerst het recht dat op de verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser van toepassing is, het recht van regres van deze schuldenaar op de andere schuldenaren”.

33.      Ik zie derhalve geen enkele reden waarom dit anders zou zijn voor het antwoord op de vraag welk gerecht bevoegd is om kennis te nemen van een regresvordering die de medeschuldenaar van een kredietovereenkomst jegens de andere medeschuldenaar instelt. Temeer daar de wederzijdse toepassing van de Rome I-verordening en verordening nr. 1215/2012 ertoe noopt, de uitlegging ervan met elkaar te laten stroken.(9) Daarenboven zou, wanneer de rechtsbetrekkingen tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een overeenkomst die hen verbindt worden opgesplitst, dit in aanvaring komen met de doelstelling van verordening nr. 1215/2012 om een hoge mate van voorspelbaarheid te verzekeren.(10) Zo brengt het gegeven dat de geschillen die uit hun rechtsbetrekkingen voortvloeien, onder dezelfde bevoegdheidsregels vallen als de kredietovereenkomst zelf, voor de hoofdelijke medeschuldenaren ontegenzeggelijk een hoge mate van voorspelbaarheid met zich mee.

34.      Gezien het voorgaande ben ik derhalve van mening dat de bevoegdheid van het gerecht dat uitspraak moet doen in een geschil betreffende uit een kredietovereenkomst voortvloeiende rechtsbetrekkingen tussen de hoofdelijke medeschuldenaren, samenvalt met de bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen betreffende deze overeenkomst.

35.      Aangezien de kredietovereenkomst zonder enige twijfel „verbintenissen uit overeenkomst” in het leven roept, ben ik van mening dat artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een regresvordering tussen medeschuldenaren van een kredietovereenkomst een vordering „ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst” is in de zin van deze bepaling.

36.      Vervolgens wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de plaats van uitvoering is van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, waarbij deze plaats volgens dit artikel verschilt naargelang de betrokken overeenkomst een overeenkomst van goederen is, een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten of geen van beide.

37.      Met zijn tweede en derde vraag wenst de verwijzende rechter aldus in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst die aan de door een medeschuldenaar ingestelde regresvordering ten grondslag ligt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten in de zin van deze bepaling. Indien dit het geval is, is de kredietverstrekking dan de kenmerkende verbintenis van deze overeenkomst, zodat de plaats van uitvoering van de verbintenis derhalve de vestigingsplaats van de bank is?

38.      Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat de kredietovereenkomst een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten is.

39.      Zoals het Hof heeft geoordeeld, „houdt het begrip diensten op zijn minst in dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht”.(11) Het Hof heeft benadrukt dat een activiteit vereist dat er sprake is van positieve handelingen en niet enkel van het achterwege laten van een handeling.(12) Onder een dergelijke activiteit valt volgens het Hof dus niet de licentieovereenkomst waarbij de houder van een recht van intellectuele eigendom zijn medecontractant het recht verleent om tegen vergoeding gebruik te maken van dat recht, aangezien de houder van een recht van intellectuele eigendom geen enkele prestatie verricht door het gebruik ervan toe te staan en hij zich alleen ertoe verbindt zijn medecontractant dit recht vrij te laten gebruiken.(13)

40.      Dit ligt anders voor een kredietovereenkomst. Met deze overeenkomst verbindt de kredietgever, een kredietinstelling, zich immers, of doet hij een toezegging, tot het uitlenen van een geldbedrag aan de kredietnemer in de vorm van een uitstel van betaling, waarbij de kredietnemer zich verplicht om dit bedrag, als tegenprestatie, terug te betalen, waarvoor de kredietgever een vergoeding ontvangt die bestaat in de betaling van de uit de lening voortvloeiende rente. De dienst is derhalve gelegen in de overgave van dit bedrag door een kredietinstelling die normaliter zogenaamde „bancaire transacties” verricht.

41.      Hieruit volgt dat de kredietverstrekking een financiële dienst is. Dit blijkt, zoals de verwijzende rechter benadrukt, overigens uit artikel 2, onder b), van richtlijn 2002/65, dat het begrip „financiële dienst” omschrijft als „iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen”.

42.      Het enkele feit dat de activiteit van de dienstverrichter onder de financiële sector valt, kan niet tot gevolg hebben dat artikel 7, punt 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012 niet van toepassing is op de overeenkomsten die betrekking hebben op deze activiteit. Het lijkt er in dit verband op dat de wetgever wel degelijk de bedoeling had om dit soort diensten binnen de werkingssfeer van deze verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid te doen vallen. Zoals de verwijzende rechter en de Commissie opmerken, voorzag artikel 63, lid 1, van verordening nr. 44/2001 in een uitzondering op de toepassing van de bevoegdheidsregels ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst indien de plaats van verrichting van de diensten in Luxemburg gelegen was. Op grond van lid 3 van dit artikel waren de bepalingen van ditzelfde artikel niet van toepassing op overeenkomsten inzake de verrichting van financiële diensten, hetgeen betekende dat deze overeenkomsten vielen onder de bijzondere bevoegdheidsregels van artikel 5, punt 1, van deze verordening, dat thans overeenkomt met artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012.

43.      Dus dient de kredietovereenkomst mijns inziens te worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening.

44.      Rest alleen nog te bepalen wat de plaats van uitvoering is van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt. Overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening is deze plaats gelegen in de lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. In wezen dient te worden vastgesteld wat de plaats van uitvoering is van de kenmerkende verbintenis van deze overeenkomst, aangezien dit geldt als criterium voor de bepaling van het bevoegde gerecht.(14)

45.      In het onderhavige geval ben ik van mening dat de kenmerkende verbintenis van een kredietovereenkomst de kredietverstrekking zelf is. De andere verbintenis die uit een dergelijke overeenkomst voortvloeit, te weten de verplichting van de kredietnemer tot terugbetaling van het krediet, bestaat immers slechts als gevolg van het feit dat de kredietverstrekker zijn verbintenis heeft uitgevoerd en de terugbetaling is slechts het gevolg daarvan.

46.      Wat betreft de plaats van uitvoering van de kenmerkende verbintenis, ben ik van mening dat alleen de vestigingsplaats van de schuldeiser voldoet aan het criterium van een hoge mate van voorspelbaarheid en de doelstellingen van nabijheid en eenvormigheid die artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 nastreeft.(15) Deze plaats is immers door partijen gekend vanaf het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten en dit is ook de plaats van het gerecht dat de nauwste band heeft met deze overeenkomst.

47.      Dientengevolge ben ik, gelet op het voorgaande, van mening dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst die aan de door een medeschuldenaar ingestelde regresvordering ten grondslag ligt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten in de zin van deze bepaling. De plaats van uitvoering van de verbintenis die aan deze vordering ten grondslag ligt, is de vestigingsplaats van de schuldeiser-kredietverstrekker.

V.      Conclusie

48.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een regresvordering tussen medeschuldenaren van een kredietovereenkomst een vordering ‚ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst’ is in de zin van deze bepaling.

2)      Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat:

–        de kredietovereenkomst die aan de door een medeschuldenaar ingestelde regresvordering ten grondslag ligt, moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzake de verstrekking van diensten in de zin van deze bepaling, en

–        de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan deze vordering ten grondslag ligt, de vestigingsplaats van de schuldeiser-kredietverstrekker is.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2012, L 351, blz. 1.


3      PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”.


4      PB 2001, L 12, blz. 1.


5      PB 2007, L 199, blz. 40.


6      PB 2002, L 271, blz. 16.


7      BGBl I, 50/2003.


8      Zie in die zin arrest van 12 oktober 2016, Kostanjevec (C‑185/15, EU:C:2016:763, punt 38).


9      Zie in die zin arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic (C‑359/14 en C‑475/14, EU:C:2016:40, punt 40).


10      Zie overweging 15 van deze verordening.


11      Zie arrest van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch (C‑533/07, EU:C:2009:257, punt 29). Zie ook arrest van 14 juli 2016, Granarolo (C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 37).


12      Arrest van 14 juli 2016, Granarolo (C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 38).


13      Zie arrest van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch (C‑533/07, EU:C:2009:257, punten 30 en 31).


14      Zie arrest van 14 juli 2016, Granarolo (C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


15      Zie arrest van 19 december 2013, Corman-Collins (C‑9/12, EU:C:2013:860, punten 30‑32 en 39).