Language of document : ECLI:EU:T:2017:290

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

28 april 2017 (*)

„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten betreffende een niet-nakomingsprocedure – Door een lidstaat opgestelde documenten – Verzoek om toegang tot documenten die aan de lidstaat zijn gericht – Doorzending van het verzoek om toegang naar de Commissie – Weigering van toegang – Bevoegdheid van de Commissie – Van instelling afkomstig document – Artikel 5 van verordening (EG) nr. 1049/2001”

In zaak T‑264/15,

Gameart sp. z o.o., gevestigd te Bielsko-Biała (Polen), vertegenwoordigd door P. Hoffman, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux, A. Buchet en M. Konstantinidis als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kamejsza en M. Pawlicka als gemachtigden,

door

Europees Parlement, vertegenwoordigd door D. Warin en A. Pospíšilová Padowska als gemachtigden,

en door

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑B. Laignelot, K. Pleśniak en E. Rebasti, vervolgens door B. Laignelot en E. Rebasti, als gemachtigden,

interveniënten,

betreffende een verzoek om nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU van het besluit van de Commissie van 18 februari 2015, voor zover daarbij het verzoek om toegang tot door de Republiek Polen opgestelde documenten is afgewezen, welk verzoek door deze laatste naar haar was doorgezonden op grond van artikel 5, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, J. Schwarcz (rapporteur) en C. Iliopoulos, rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 november 2016,

het navolgende

Arrest

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1        Verzoekster, Gameart sp. z o.o., is een in Polen gevestigde onderneming uit de entertainmentsector.

2        Op 10 november 2014 heeft verzoekster het Poolse ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: „MBZ”) krachtens de polskie przepisy o dostępie do informacji publicznej (Poolse bepalingen betreffende de toegang tot publiek beschikbare informatie) verzocht om toegang tot documenten betreffende de door de Commissie gevoerde procedures inzake de schending van het EU-recht door de Poolse wet van 19 november 2009 op de kansspelen.

3        Verzoekster verzocht met name om toegang tot de kopieën van de brieven van de Commissie aan de Republiek Polen in het kader van deze procedures. Voorts verzocht zij om toegang tot de kopieën van de brieven van de Republiek Polen aan de Commissie met betrekking tot dezelfde procedures, die in het bezit zijn van het MBZ (hierna: „litigieuze documenten”).

4        Op 18 november 2014 heeft het MBZ het verzoek van verzoekster per e-mail verstuurd naar de Commissie overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).

5        Op 19 november 2014 heeft het MBZ verzoekster meegedeeld dat haar verzoek betrekking had op documenten van instellingen van de Unie en onder de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 viel, zodat zij het krachtens artikel 5, tweede alinea, van deze verordening voor onderzoek naar de Commissie had gezonden.

6        Op 15 december 2014 weigerde de Commissie de toegang tot de gevraagde documenten op basis van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001, die ontleend is aan de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits, alsmede op het feit dat de procedure betreffende de schending van het Unierecht door de Republiek Polen nog liep.

7        Op 2 januari 2015 heeft verzoekster een confirmatief verzoek om toegang tot de documenten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 bij de Commissie ingediend. Daarin voerde zij met name aan dat de Commissie niet bevoegd was om een besluit te nemen met betrekking tot haar verzoek om toegang tot de litigieuze documenten, die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1049/2001 vielen. Zij betoogde in het bijzonder dat artikel 5, tweede alinea, van deze verordening niet kan worden toegepast op deze documenten aangezien deze bepaling slechts betrekking heeft op documenten die van instellingen van de Unie afkomstig zijn.

8        Bij besluit van 18 februari 2015 (hierna: „bestreden besluit”) heeft de Commissie het confirmatieve verzoek afgewezen en de toegang tot de litigieuze documenten met name geweigerd door zich opnieuw te baseren op de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 en op het feit dat de procedure betreffende de schending van het Unierecht door de Republiek Polen nog liep.

 Procedure en conclusies van partijen

9        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 mei 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

10      Bij akten neergelegd op respectievelijk 8, 11 en 18 september 2015, hebben de Republiek Polen, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.

11      Bij beschikkingen van 19 oktober 2015 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht deze interventies toegestaan.

12      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

13      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren, voor zover daarbij de weigering van toegang tot de litigieuze documenten wordt bevestigd;

–        subsidiair, vast te stellen dat artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 ingevolge artikel 277 VWEU niet kan worden toegepast op de onderhavige zaak;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

14      De Commissie, ondersteund door de Republiek Polen, de Raad en het Parlement, verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Procesbelang

15      Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, stelt de Commissie dat verzoekster mogelijkerwijs geen procesbelang heeft.

16      Dienaangaande betoogt zij dat verzoekster het bestreden besluit niet betwist voor zover daarbij wordt geweigerd om toegang te verlenen tot de litigieuze documenten, maar dat verzoekster louter haar bevoegdheid om dat besluit te nemen, ter discussie stelt. De weigering van toegang vormt als zodanig dus geen handeling die voor verzoekster ongunstig is en wordt niet geraakt door een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit. De Commissie is van mening dat, ook al zou het Gerecht oordelen dat zij niet bevoegd was om het aan haar door de Poolse autoriteiten toegezonden verzoek in zijn geheel te onderzoeken, verzoeksters juridische situatie hierdoor niet wordt gewijzigd, aangezien de nietigverklaring van het bestreden besluit haar geen toegang tot de litigieuze documenten zou opleveren en de Poolse autoriteiten niet zou verplichten om deze documenten openbaar te maken.

17      Verzoekster antwoordt daarop dat de Poolse autoriteiten zich op het standpunt stellen dat de procedure die ten gevolge van haar verzoek krachtens de Poolse wetgeving bij hen ingeleid werd, door de vaststelling van het bestreden besluit is afgesloten. Dat besluit heeft haar dus belet om toegang tot de litigieuze documenten te verkrijgen. Daarenboven merkt zij op dat, indien haar verzoek niet aan de Commissie zou zijn toegezonden op grond van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001, het MBZ haar verzoek had moeten onderzoeken op basis van de Poolse wet op de toegang tot publiek beschikbare informatie en haar toegang tot de litigieuze documenten had moeten verlenen aangezien de Poolse wet niet voorziet in de mogelijkheid om de openbaarmaking van publiek beschikbare informatie te weigeren vanwege het bestaan van een bij instellingen van de Unie aanhangige procedure.

18      Opgemerkt moet worden dat de Commissie, door het bestreden besluit te nemen, zich bevoegd achtte om zich uit te spreken over het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten op basis van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001.

19      Het is juist dat, zelfs indien het bestreden besluit gedeeltelijk nietig zou moeten worden verklaard op grond dat de Commissie niet bevoegd was om dit besluit te nemen, zoals verzoekster stelt, deze laatste echter nog geen toegang zou hebben tot de litigieuze documenten. Hieruit volgt evenwel niet dat verzoekster geen belang heeft bij een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit.

20      In de eerste plaats is het immers vaste rechtspraak dat een verzoekende partij een belang heeft bij een verzoek tot nietigverklaring van een handeling van een instelling om te voorkomen dat de onwettigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet. Een dergelijk procesbelang vloeit voort uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, op basis waarvan de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van de Unierechter. Dit procesbelang kan evenwel slechts bestaan wanneer de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die hebben geleid tot het door de verzoekende partij ingestelde beroep (zie in die zin arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 50‑52, en 9 september 2011, LPN/Commissie, T‑29/08, EU:T:2011:448, punt 60).

21      Dit is het geval in de onderhavige zaak. De door verzoekster aangevoerde onwettigheid is gebaseerd op een uitlegging van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001, die de Commissie bij het onderzoek van een nieuw verzoek in aanmerking zou kunnen nemen. Voorts bestaat de mogelijkheid dat verzoekster in de toekomst gelijksoortige verzoeken om toegang indient, waartoe de Commissie haar in haar stukken trouwens aanspoort. Bijgevolg bestaat er een voldoende concreet en van de omstandigheden van de onderhavige zaak losstaand gevaar dat verzoekster zich in de toekomst in soortgelijke situaties geconfronteerd ziet met dezelfde vermeende onregelmatigheid.

22      Wat dit laatste punt betreft, moet immers worden opgemerkt dat de Commissie voor het Gerecht heeft aangevoerd dat verzoekster, onafhankelijk van het bestreden besluit, de Poolse autoriteiten opnieuw kon verzoeken om toegang tot de litigieuze documenten. Zoals verzoekster terecht stelt, moet evenwel erop worden gewezen dat, zelfs al zou het mogelijk zijn om een nieuw verzoek om toegang tot deze documenten in te dienen, niets de Poolse autoriteiten zou beletten om, bij gebreke van nietigverklaring van het bestreden besluit, dat nieuwe verzoek op grond van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 door te zenden naar de Commissie, die het weer zou kunnen afwijzen om dezelfde redenen als die in het bestreden besluit.

23      In de tweede plaats is het bestreden besluit het enige besluit dat tot dusver aan verzoekster werd betekend en is het voor haar bezwarend, aangezien haar daarbij de gevraagde toegang wordt ontzegd en de procedure bij de Poolse autoriteiten is afgesloten, zoals de Republiek Polen in wezen erkent in haar memorie in interventie. De Republiek Polen heeft tijdens de terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht aangegeven dat de nietigverklaring van het bestreden besluit het nationale orgaan ertoe zou nopen de procedure te heropenen en verzoeksters verzoek op basis van de nationale wetgeving te onderzoeken.

24      Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster een belang heeft bij de gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit.

 Ten gronde

25      Tot staving van haar beroep voert verzoekster in haar verzoekschrift vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie gelet op artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001. Het tweede middel betreft de schending van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 1049/2001, voor zover het bestreden besluit is genomen zonder de staat, waarvan de litigieuze documenten afkomstig zijn, te raadplegen en ondanks het feit dat hij zich niet heeft verzet tegen de openbaarmaking ervan. Het derde middel heeft betrekking op de schending van artikel 296 VWEU vanwege de ontoereikende motivering van het bestreden besluit, en het vierde, subsidiair aangevoerde middel is gesteund op de ongeldigheid van artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 ingevolge artikel 277 VWEU. Daarenboven heeft verzoekster, in repliek, een vijfde middel aangevoerd dat ontleend is aan schending van het recht op behoorlijk bestuur en van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1049/2001.

26      Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.

27      In het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt verzoekster dat artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 niet van toepassing is op de litigieuze documenten aangezien deze bepaling enkel betrekking heeft op van instellingen van de Unie afkomstige documenten. Het doet in dat verband niet ter zake dat deze documenten ook bij de Commissie berustten in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, aangezien zij deze laatste niet om toegang heeft verzocht. Volgens verzoekster verleent het louter doorzenden van een verzoek om toegang door een lidstaat naar de Commissie overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1049/2001 geen bevoegdheid aan de Commissie wanneer het verzoek geen betrekking heeft op documenten die van deze laatste afkomstig zijn.

28      De Commissie, de Republiek Polen en de Raad betwisten de gegrondheid van dit onderdeel.

29      In de eerste plaats erkent de Commissie dat het MBZ uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 niet verplicht was om haar het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten door te geleiden en op basis van de nationale wetgeving autonoom had kunnen beslissen of deze documenten al dan niet aan verzoekster mochten worden vrijgegeven. Zij merkt immers op dat de lidstaat die een verzoek om toegang tot documenten die zich in zijn bezit bevinden, heeft ontvangen, uit hoofde van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 slechts gehouden is om de instelling van de Unie te raadplegen of haar het verzoek door te geleiden wanneer deze documenten van die instelling afkomstig zijn. Aangezien het verzoek om toegang echter zowel documenten die van haar afkomstig waren als de litigieuze documenten betrof en het MBZ haar het gehele verzoek had doen toekomen, heeft zij evenwel beslist om dat verzoek in zijn geheel te beantwoorden.

30      In de tweede plaats staat het volgens de Commissie buiten kijf dat de litigieuze documenten „bij een instelling berustende documenten” zijn in de zin van artikel 2, lid 3, juncto artikel 3, onder a), van verordening nr. 1049/2001. Uit overweging 10, en artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 en vaste rechtspraak blijkt duidelijk dat „alle bij de instellingen berustende documenten binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen, met inbegrip van documenten die afkomstig zijn van de lidstaten, zodat de toegang tot die documenten in beginsel wordt beheerst door de bepalingen van deze verordening, die waarin materiële uitzonderingen op het recht van toegang zijn neergelegd daaronder begrepen” (arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie, C‑64/05 P, EU:C:2007:802, punt 67). De Commissie onderstreept dat zij normaal gesproken die bepalingen en die rechtspraak inroept wanneer zij verzoeken van derden in hun geheel afwijst, waarmee wordt verzocht om toegang tot documenten die door een lidstaat en de Commissie zijn opgesteld in het kader van een inbreukprocedure. Op basis daarvan komt zij tot de conclusie dat zij dus beschikte over een rechtsgrondslag op grond waarvan zij het bestreden besluit met betrekking tot de litigieuze documenten kon nemen.

31      Artikel 2, leden 1 tot en met 4, van verordening nr. 1049/2001 bepalen het volgende:

„1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft een recht van toegang tot documenten van de instellingen, volgens de beginselen en onder de voorwaarden en beperkingen, die in deze verordening worden bepaald.

[…]

3. Deze verordening is van toepassing op alle bij een instelling berustende documenten, dit wil zeggen documenten die door de instelling zijn opgesteld of ontvangen en zich in haar bezit bevinden, op alle werkterreinen van de Europese Unie.

4. Onverminderd de artikelen 4 en 9 worden documenten voor het publiek toegankelijk gemaakt hetzij na een schriftelijk verzoek, hetzij direct in elektronische vorm, hetzij via een register […]”

32      Artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 luidt als volgt:

„Wordt van een lidstaat een document gevraagd dat hij in zijn bezit heeft en dat van een instelling afkomstig is, dan raadpleegt hij de betrokken instelling, om een besluit te kunnen nemen waardoor het doel van deze verordening niet in gevaar komt – tenzij het duidelijk is dat het document wel of niet wordt vrijgegeven.

De lidstaat kan het verzoek ook doorgeleiden aan de betrokken instelling.”

33      Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 1, van de verordening dat „[v]erzoeken om toegang tot een document geschieden in schriftelijke vorm […] en voldoende nauwkeurig geformuleerd [zijn] opdat de instelling het document kan identificeren [; d]e verzoeker is niet verplicht de redenen voor zijn verzoek te vermelden”.

34      Wat de beweerde bevoegdheid van de Commissie op grond van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 betreft, moet erop gewezen worden dat bij deze bepaling een coördinatiemechanisme wordt ingesteld tussen instellingen van de Unie en de lidstaten wanneer deze laatsten wordt verzocht om toegang tot documenten die zij in hun bezit hebben en van een instelling afkomstig zijn.

35      Behalve in de gevallen waarin die bepaling specifiek voorziet en wanneer het geboden is op grond van de verplichting tot loyale samenwerking waarin artikel 4, lid 3, VEU voorziet, blijven verzoeken om toegang tot documenten die bij nationale autoriteiten berusten, ook wanneer die documenten van instellingen van de Unie afkomstig zijn, onderworpen aan de op deze autoriteiten toepasselijke nationale regels, zonder dat de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 daarvoor in de plaats komen (zie in die zin arrest van 18 december 2007, Zweden/Commissie, C‑64/05 P, EU:C:2007:802, punt 70).

36      Opgemerkt moet worden dat artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 niet voorziet in de mogelijkheid om een verzoek om toegang tot documenten die van een lidstaat afkomstig zijn, naar de Commissie door te zenden. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt immers uitdrukkelijk dat de materiële werkingssfeer ervan beperkt is tot documenten die van instellingen van de Unie „afkomstig zijn”.

37      Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de Commissie niet bevoegd was om zich uit te spreken over het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten dat het MBZ op grond van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 had doorgezonden.

38      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van de Commissie en evenmin door die van de interveniënten.

39      Ten eerste voert de Republiek Polen aan dat de bevoegdheid van de Commissie om het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten te onderzoeken, voortvloeit uit de geest van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001.

40      Volgens de Republiek Polen zijn de in het kader van een niet-nakomingsprocedure uitgewisselde documenten immers „gemengde” stukken, omdat de inhoud van de tijdens deze procedure door de Commissie opgestelde documenten nauw verbonden is met de inhoud van de door de betrokken lidstaat opgestelde documenten, zodat de openbaarmaking van de inhoud van de eerste documenten tegelijk de openbaarmaking van de tweede documenten meebrengt en vice versa. Volgens de Republiek Polen kunnen de door een lidstaat in dat kader opgestelde documenten dan ook worden aangemerkt als documenten die afkomstig zijn van de Commissie in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001.

41      Voorts wijst de Republiek Polen erop dat uit artikel 3, onder a), van verordening nr. 1049/2001 en de rechtspraak volgt dat met het begrip „document” in wezen niet de inhoud wordt aangeduid maar de erin vervatte informatie.

42      In dit verband kan ermee worden volstaan op te merken dat de door de Republiek Polen voorgestane uitlegging van artikel 5 van verordening nr. 1049/2001, waarvoor verordening nr. 1049/2001 geen enkele grondslag biedt, zich niet verdraagt met de bewoordingen van deze bepaling (zie punt 36 supra). Deze uitlegging kan dus niet worden aanvaard.

43      Ten tweede betogen de Republiek Polen en de Raad dat de Commissie bevoegd was om te beslissen op het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten op grond van het beginsel van loyale samenwerking.

44      Dit beginsel, waarvan in overweging 15 van verordening nr. 1049/2001 wordt gesteld dat het de betrekkingen tussen de instellingen en de lidstaten regelt, kan evenwel op zichzelf geen grondslag vormen voor de bevoegdheid van de Commissie om een verzoek om toegang als dat in het hoofdgeding te onderzoeken, bij gebreke van enige rechtsgrondslag in verordening nr. 1049/2001.

45      Hieraan moet worden toegevoegd dat een aantal argumenten die de Commissie zelf heeft aangevoerd, dat argument tegenspreken.

46      De Commissie voert immers met name aan dat het MBZ, op basis van de nationale regelgeving, autonoom had kunnen beslissen of de documenten die de Poolse autoriteiten in het kader van de inbreukprocedure aan de Commissie hadden toegezonden, al dan niet aan verzoekster mochten worden vrijgegeven.

47      Voorts merkt de Commissie op dat het bestreden besluit de Poolse autoriteiten niet dwingt om hetzelfde standpunt in te nemen als het hare. Dienaangaande stelt zij terecht dat de rechtspraak van het Hof met betrekking tot bij de rechterlijke instanties van de Unie ingediende memories, waaruit blijkt dat – behalve in uitzonderlijke gevallen waarin openbaarmaking van een stuk de goede rechtsbedeling kan schaden – geen enkele regel of bepaling de partijen in een procedure machtigt of belet hun memories aan derden openbaar te maken (arrest van 12 september 2007, API/Commissie, T‑36/04, EU:T:2007:258, punt 88; beschikking van 3 april 2000, Duitsland/Commissie, C‑376/98, EU:C:2000:181, punt 10), ook toegepast kan worden op de in het kader van een bestuurlijke procedure opgestelde stukken zoals die in het hoofdgeding.

48      Ten derde moet het door de Commissie en de interveniënten aangevoerde argument, dat de Commissie bevoegd was om het verzoek om toegang tot van de Republiek Polen afkomstige documenten te onderzoeken aangezien deze documenten bij de Commissie berustten in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, worden verworpen.

49      In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoekster niet betwist dat de Commissie bevoegd is om verzoeken om toegang tot documenten die van Poolse autoriteiten afkomstig zijn en in het bezit zijn van de Commissie te onderzoeken, indien die verzoeken rechtstreeks bij de Commissie worden ingediend. Het is duidelijk dat dergelijke documenten bij de instellingen van de Unie berusten in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001. Verzoekster betwist evenmin het feit dat de Commissie in beginsel de toegang tot dergelijke documenten kan weigeren indien zij betrekking hebben op een aanhangige inbreukprocedure.

50      In navolging van verzoekster en anders dan de Commissie en de interveniënten in wezen beweren, moet evenwel gesteld worden dat het feit dat dergelijke documenten berusten bij een instelling van de Unie in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001, de Commissie niet het recht geeft om zich, ambtshalve of in alle omstandigheden, uit te spreken over een verzoek om toegang tot die documenten en, in voorkomend geval, de toegang ertoe te weigeren.

51      Zoals verzoekster terecht stelt, is de Commissie slechts bevoegd om een besluit te nemen waarbij zij de toegang tot een document in haar bezit verleent of weigert, indien zij een verzoek om toegang van dat document ontvangt, dat op geldige wijze is ingediend door een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van die verordening, in de omstandigheden van artikel 2, lid 4, en artikel 6 van verordening nr. 1049/2001, of op geldige wijze door een lidstaat is doorgezonden, in de omstandigheden van artikel 5 van de verordening. Vastgesteld moet worden dat in casu verzoekster noch de Republiek Polen een dergelijk verzoek op geldige wijze bij de Commissie heeft ingediend.

52      Anders dan met name de Commissie, de Raad en de Republiek Polen stellen, moet dan ook geoordeeld worden dat artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet als rechtsgrondslag kan dienen voor een besluit waarbij de toegang tot de litigieuze documenten wordt geweigerd.

53      Ten vierde moet het argument, dat de Commissie in wezen gebonden was aan de doorzending door het MBZ, worden verworpen. Er is immers geen rechtsgrondslag op basis waarvan kan worden aangenomen dat de Commissie gebonden is aan het besluit van een lidstaat om krachtens artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 een verzoek om toegang tot documenten die niet van haar afkomstig zijn, naar haar door te zenden, aangezien de voorwaarden voor toepassing van dat artikel niet vervuld zijn. Zoals verzoekster terecht benadrukt, kan weliswaar daadwerkelijk worden aangenomen dat het besluit van een lidstaat om een bij hem ingediend verzoek om toegang tot documenten door te zenden dwingend is voor zover de Commissie dat besluit niet als onbestaand kan beschouwen, maar een dergelijke doorzending kan op zich niet worden geacht de Commissie het recht te verlenen om een besluit ten gronde te nemen, dit wil zeggen de toegang tot de gevraagde documenten weigeren of verlenen.

54      Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de Commissie, die niet bevoegd was om zich uit te spreken over het verzoek om toegang tot de litigieuze documenten, artikel 5 van verordening nr. 1049/2001 heeft geschonden.

55      Derhalve moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden aanvaard en moet het bestreden besluit dus gedeeltelijk nietig worden verklaard, zonder dat de overige door verzoekster aangevoerde onderdelen en middelen behoeven te worden onderzocht.

 Kosten

56      Ingevolge artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks gevorderd is. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten. Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen, die in het geding zijn tussengekomen, evenwel hun eigen kosten. Bijgevolg zullen de Republiek Polen, de Raad en het Parlement hun eigen kosten dragen.


HET GERECHT (Vierde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van de Europese Commissie van 18 februari 2015 wordt nietig verklaard voor zover de Commissie het verzoek om toegang tot de door de Republiek Polen opgestelde documenten, dat door deze laatste naar haar was doorgezonden op grond van artikel 5, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, heeft afgewezen.

2)      De Commissie wordt verwezen in de kosten.

3)      De Republiek Polen, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement zullen hun eigen kosten dragen.

Kanninen

Schwarcz

Iliopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 april 2017.

ondertekeningen


* Procestaal: Pools.