Language of document : ECLI:EU:C:2017:127

Zaak C578/16 PPU

C. K. e.a.

tegen

Republika Slovenija

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Vrhovno sodišče)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenzen, asiel en immigratie – Dublinsysteem – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Onmenselijke of vernederende behandelingen – Overdracht van een ernstig zieke asielzoeker aan de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van zijn verzoek – Geen ernstige gronden om het bestaan van bewezen systeemfouten in die lidstaat aan te nemen – Verplichtingen van de lidstaat die moet overdragen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 16 februari 2017

1.        Prejudiciële vragen – Prejudiciële spoedprocedure – Voorwaarden – Asielzoekers die kunnen worden overgedragen aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun aanvraag – Overdracht met een negatieve weerslag op de gezondheidstoestand van een van die asielzoekers

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 23 bis; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 107)

2.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten – Mogelijkheid tot behandeling van een verzoek tot internationale bescherming waarvoor een andere lidstaat verantwoordelijk is – Beslissing waarbij het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht en die een uitlegging daarvan met zich brengt

(Art. 267 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 51, lid 1; verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 17, lid 1)

3.        Grondrechten – Verbod van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen – Omvang – Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Geen systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers van een lidstaat – Overdracht van een ernstig zieke asielzoeker aan die lidstaat – Omvang van de verplichtingen van de lidstaat die moet overdragen – Verplichting om de asielaanvraag zelf te behandelen indien overdracht onmogelijk is – Geen

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 4; verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 17, lid 1)

1.      Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 47‑51)

2.      Artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing door een lidstaat van de daarin neergelegde „discretionaire bepaling” niet uitsluitend een zaak is van nationaal recht en uitlegging ervan door de constitutionele rechter van die lidstaat, maar de uitlegging van het Unierecht in de zin van artikel 267 VWEU betreft.

(cf. punt 54, dictum 1)

3.      Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat:

–        zelfs indien niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, een asielzoeker slechts in het kader van verordening nr. 604/2013 kan worden overgedragen in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat die overdracht een reëel en bewezen risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van dat artikel;

–        de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder ernstige mentale of lichamelijke aandoening in omstandigheden waarin die overdracht een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkene zou inhouden, een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen;

–        de autoriteiten van de lidstaat die moet overdragen en, in voorkomend geval, de rechterlijke instanties van die lidstaat elke ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene dienen weg te nemen door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat de overdracht kan plaatsvinden in omstandigheden waarin de gezondheidstoestand van die persoon passend en voldoende kan worden beschermd. In de hypothese waarin die voorzorgsmaatregelen, gelet op de bijzondere ernst van de aandoening van de betrokken asielzoeker, niet zouden volstaan om te verzekeren dat diens overdracht geen reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zal inhouden, moeten de autoriteiten van de betrokken lidstaat de uitvoering van de overdracht van de betrokkene opschorten zolang deze door zijn toestand niet in staat is een dergelijke overdracht te ondergaan;

–        de verzoekende lidstaat in voorkomend geval, wanneer hij merkt dat de gezondheidstoestand van de betrokken asielzoeker op korte termijn niet zal verbeteren of dat opschorting van de procedure gedurende lange tijd de toestand van de betrokkene achteruit zou kunnen doen gaan, ervoor kan kiezen om het verzoek zelf te behandelen door gebruik te maken van de „discretionaire bepaling” van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013.

Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013, gelezen tegen de achtergrond van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kan niet aldus worden uitgelegd dat het die lidstaat in omstandigheden zoals die in het hoofdgeding verplicht om die bepaling toe te passen.

Hoe dan ook komt in de hypothese dat de gezondheidstoestand van de betrokken asielzoeker de verzoekende lidstaat zou verhinderen om de asielzoeker vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening over te dragen, de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid overeenkomstig lid 2 van dat artikel dus over op de eerste lidstaat.

(cf. punten 89, 96, 97, dictum 2)