Language of document : ECLI:EU:C:2017:126

Zaak C‑503/15

Ramón Margarit Panicello

tegen

Pilar Hernández Martínez

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Secretario Judicial del Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Griffier – Begrip ,nationale rechterlijke instantie’ – Verplichte rechtsmacht – Uitoefening van een rechtsprekende functie – Onafhankelijkheid – Onbevoegdheid van het Hof”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 16 februari 2017

Prejudiciële vragen – Voorlegging aan het Hof – Nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU – Begrip – Secretario Judicial (Spanje) – Daarvan uitgesloten – Hoofdgeding van administratieve aard – Instantie die naar de beginselen van eenheid van handelen en ondergeschiktheid moet handelen

(Art. 267 VWEU)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om te antwoorden op de vragen van de Secretario Judicial del Juzgado de Violencia sobre la Mujer Único de Terrassa (griffier van de voor geweld tegen vrouwen bevoegde rechterlijke instantie van Terrassa, Spanje). Uit al het voorgaande volgt dat, in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure tot invordering van het honorarium, de Secretario Judicial niet is aan te merken als „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU, zonder dat hoeft te worden nagegaan of deze instantie voldoet aan de overige in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde beoordelingscriteria.

In casu moet, wat allereerst de „verplichte” rechtsmacht van de verwijzende instantie betreft, worden vastgesteld dat daar in beginsel geen sprake van is omdat de bevoegdheid die de Secretario Judicial krachtens de artikelen 34 en 35 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de vordering tot betaling van het honorarium heeft, slechts incidenteel en facultatief is. Een procesvertegenwoordiger of advocaat kan een dergelijke vordering immers alleen maar instellen ter verkrijging van een honorarium voor een reeds afgesloten hoofdprocedure waarin hij namens zijn cliënt optrad. Bovendien bestaat er voor het invorderen van dat honorarium rechtens noch feitelijk enige verplichting om een dergelijke vordering in te stellen, maar kan vrijelijk worden gekozen tussen deze invorderingsprocedure, een declaratoire procedure en een betalingsbevelprocedure.

Uit deze overwegingen volgt dat, zoals de verwijzende instantie in haar derde vraag heeft aangegeven en de Tribunal Constitucional in zijn arrest nr. 58/2016 van 17 maart 2016 heeft vastgesteld, er bij een procedure tot invordering van het honorarium als die in het hoofdgeding sprake is van een procedure van administratieve aard, ten aanzien waarvan niet kan worden geoordeeld dat de Secretario Judicial een rechtsprekende functie uitoefent.

In dit verband moet overigens worden opgemerkt dat de Secretario Judicial evenmin voldoet aan de in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde onafhankelijkheidseis.

In casu is het juist dat de Secretario Judicial bij de beoordeling van vorderingen tot betaling van het honorarium voldoet aan het interne aspect van de onafhankelijkheidseis, aangezien hij zijn taken objectief vervult en zich onpartijdig opstelt tegenover de partijen bij het geding en hun respectieve belangen bij dat geding. Het staat echter tevens vast dat de Secretario Judicial bij die beoordeling niet voldoet aan het externe aspect van die eis, welk aspect impliceert dat er geen hiërarchisch verband bestaat of sprake is van ondergeschiktheid aan een orgaan dat hem bevelen of instructies kan geven.

Zoals de Spaanse regering in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen heeft aangegeven, volgt uit artikel 452, lid 1, artikel 465, leden 6 en 8, en artikel 467 van de organieke wet op de rechterlijke organisatie en artikel 3 en artikel 16, onder h), van koninklijk besluit nr. 1608/2005 dat de Secretario Judicial zich bij de uitoefening van al zijn functies dient te houden aan de aanwijzingen die hij van zijn hiërarchieke meerdere ontvangt, tenzij hij de bevoegdheid tot het opmaken van akten uitoefent, namelijk bij het waarmerken van akten en processtukken en bij het voor echt verklaren van feiten die procedurele gevolgen hebben, of tenzij hij maatregelen neemt tot organisatie en regeling van de procesgang. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dus dat volgens de huidige Spaanse wettelijke regeling de Secretario Judicial zich bij de behandeling van de aan de orde zijnde vordering tot betaling van het honorarium dient te houden aan de beginselen van eenheid van handelen en ondergeschiktheid.

(zie punten 31, 35, 36, 39‑42 en dictum)