Language of document : ECLI:EU:T:2017:487

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

13 juli 2017 (*)

„Interne markt – Beslissing van het EUIPO tot afwijzing van een verzoek om inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden – Vereiste dat de aanvrager kantoor houdt binnen de Unie – Artikel 93, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 – Vrij verrichten van diensten – Artikel 36 van de EER-Overeenkomst – Uitlegging die overeenstemt met het Unierecht”

In zaak T‑527/14,

Paul Rosenich, wonende te Triesenberg (Liechtenstein), vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl en C. Eckhartt, advocaten,

verzoeker,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Schneider en vervolgens door D. Walicka, als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 29 april 2014 (zaak R 2063/2012‑4), betreffende de weigering van het EUIPO om verzoeker in te schrijven op de lijst van erkende gemachtigden die wordt geregeld bij artikel 93 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1),

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: A. Dittrich, president, J. Schwarcz (rapporteur) en V. Tomljenović, rechters,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien het op 15 juli 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 19 december 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

gezien de op 10 maart 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde repliek,

gezien de op 11 mei 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde dupliek,

na de terechtzitting op 14 januari 2016,

het navolgende

Arrest

 Toepasselijke bepalingen

 EER-Overeenkomst

1        Artikel 1 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die in Liechtenstein ingevolge besluit nr. 1/95 van de EER‑Raad van 10 maart 1995 over de inwerkingtreding van de [EER-Overeenkomst] voor het Vorstendom Liechtenstein (PB 1995, L 86, blz. 58) in werking is getreden op 1 mei 1995, bepaalt:

„Het doel van deze Associatieovereenkomst is de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van de handel en de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen onder gelijke mededingingsvoorwaarden en met inachtneming van dezelfde voorschriften met het oog op de totstandbrenging van een homogene Europese Economische Ruimte, hierna ,EER’ te noemen.”

2        Artikel 2 van de EER-Overeenkomstluidt:

„Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)      ,overeenkomst’: de hoofdovereenkomst met de daarbij behorende protocollen en bijlagen alsmede de daarin genoemde besluiten;

[...]”

3        Wat de uitlegging van de EER-Overeenkomst betreft, definieert artikel 6 het homogeniteitsbeginsel als volgt:

„Onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, worden de bepalingen van deze overeenkomst, voor zover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze overeenkomst.”

4        Artikel 7 van de EER-Overeenkomst preciseert:

„De in de bijlagen bij deze overeenkomst of in beschikkingen van het Gemengd Comité van de EER vermelde of vervatte besluiten zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze:

a)      een met een EEG‑verordening overeenstemmend besluit wordt als zodanig opgenomen in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen;

[...]”

5        Artikel 36, lid 1, van de EER-Overeenkomst, betreffende het vrij verrichten van diensten, luidt als volgt:

„In het kader van de bepalingen van deze overeenkomst zijn er geen beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten van de EG en de EVA‑staten [Europese Vrijhandelszone] die in een andere lidstaat van de EG of een EVA‑staat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.”

6        Artikel 65, lid 2, van de EER-Overeenkomst bepaalt:

„Protocol [nr.] 28 en bijlage XVII bevatten specifieke bepalingen en regelingen betreffende de intellectuele, industriële en commerciële eigendom die, tenzij anders bepaald, op alle producten en diensten van toepassing zijn.”

7        In Protocol nr. 1 van de EER-Overeenkomst staat met betrekking tot de horizontale aanpassingen het volgende te lezen:

„De bepalingen van de besluiten die in de bijlagen bij de overeenkomst worden vermeld, zijn overeenkomstig de overeenkomst en dit protocol van toepassing, tenzij in de desbetreffende bijlage anders wordt bepaald. De specifieke aanpassingen die voor afzonderlijke besluiten noodzakelijk zijn, worden uiteengezet in de bijlage waarin het desbetreffende besluit is opgenomen.

[...]

8.      Verwijzing naar grondgebieden

Wanneer de wetgevingshandelingen waarnaar wordt verwezen, verwijzingen naar het grondgebied van de ,Gemeenschap’ of van de ,gemeenschappelijke markt’ bevatten, worden die verwijzingen voor deze overeenkomst geacht verwijzingen naar het grondgebied van de partijen zoals gedefinieerd in artikel 126 van deze overeenkomst te zijn.”

8        Bijlage XVII bij de EER-Overeenkomst bepaalt dat wanneer de in deze bijlage genoemde besluiten begrippen bevatten of betrekking hebben op procedures die specifiek zijn voor de rechtsorde van de Europese Unie, Protocol nr. 1 betreffende horizontale aanpassingen van toepassing is, tenzij in deze bijlage anders is bepaald. In dit verband wordt geen melding gemaakt van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), en verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Uniemerk (PB 1994, L 11, blz. 1), die is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 207/2009, werd evenmin vermeld.

 Verordening nr. 207/2009

9        Artikel 93, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 207/2009, in de ten tijde van de feiten geldende versie ervan, bepaalt:

„1.      Natuurlijke of rechtspersonen kunnen voor het Bureau slechts worden vertegenwoordigd door:

[...]

b)      erkende gemachtigden die op een daartoe door het Bureau bij te houden lijst ingeschreven staan. [...]

[...]

2.      Op de lijst van erkende gemachtigden kan iedere natuurlijke persoon worden ingeschreven die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)      hij moet de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten;

b)      zijn kantoor of de plaats waar hij werkt, moet zich binnen de Gemeenschap bevinden;

c)      hij moet bevoegd zijn om voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat natuurlijke personen en rechtspersonen te vertegenwoordigen op het gebied van merken. [...].

3.      De inschrijving geschiedt op verzoek, waarbij een door de centrale dienst voor de industriële eigendom van de betrokken lidstaat afgegeven bewijs overgelegd dient te worden waaruit blijkt dat de in lid 2 bedoelde voorwaarden vervuld zijn.”

10      Bij artikel 1, punt 87, van verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van verordening nr. 207/2009 en van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB 2015, L 341, blz. 21), is artikel 93, lid 2, van verordening nr. 207/2009 vervangen door de hierna volgende bepalingen, waarin thans wordt verwezen naar het grondgebied van de EER:

„Op de lijst van erkende gemachtigden kan iedere natuurlijke persoon worden ingeschreven die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)      hij moet de nationaliteit van een van de lidstaten van de [EER] bezitten;

b)      zijn kantoor of de plaats waar hij werkt, moet zich binnen de [EER] bevinden;

c)      hij is bevoegd om voor het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom of voor het centraal bureau voor industriële eigendom van een lidstaat van de [EER] natuurlijke personen en rechtspersonen te vertegenwoordigen op het gebied van merken [...]”

11      Overeenkomstig artikel 4 van verordening 2015/2424 zijn deze wijzigingen in werking getreden op 23 maart 2016.

 Voorgeschiedenis van het geding

12      Verzoeker, Paul Rosenich, Oostenrijks staatsburger en erkend gemachtigde bij het Österreichische Patentamt (Oostenrijks octrooibureau), ia actief als octrooigemachtigde en houdt daarvoor kantoor in Liechtenstein.

13      Op 17 januari 2011 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) overeenkomstig artikel 93, lid 2, van verordening nr. 207/2009.

14      Bij beslissing van 7 september 2012 heeft de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO, in zijn hoedanigheid van lid van de afdeling merken-, tekeningen‑ en modellenadministratie en juridische aangelegenheden, die aanvraag afgewezen op grond dat verzoeker niet voldeed aan de door artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 opgelegde voorwaarde inzake het kantoor houden in de Unie.

15      Op 7 november 2012 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze beslissing.

16      Bij beslissing van 29 april 2014 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep dit beroep verworpen.

17      In dit verband heeft de kamer van beroep, ten eerste, verzoekers betoog afgewezen waarbij deze in wezen aanvoerde dat artikel 93 van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat elkeen die bevoegd is om een cliënt te vertegenwoordigen voor een nationaal bureau, daartoe automatisch eveneens bevoegd is voor het EUIPO, „aangezien de vertegenwoordigingsbevoegdheid voor een nationaal bureau de aanknopingsfactor vormt op basis waarvan kan worden bepaald welk wettelijk voorschrift van artikel 93, lid 2, [onder] c), [van verordening nr. 207/2009] van toepassing is”.

18      Ten tweede heeft de kamer van beroep geoordeeld dat het argument dat de geografische verwijzing naar de Unie moet worden vervangen door een geografische verwijzing naar een lidstaat van de EER, niet werd bevestigd door de EER-Overeenkomst,aangezienverordening nr. 207/2009 niet werd vermeld in bijlage XVII bij deze overeenkomst, hetgeen met name ertoe leidde dat Protocol nr. 1 betreffende de horizontale aanpassingen daarvoor niet gold. Zij heeft gepreciseerd dat waar bijlage XVII naar richtlijn 2008/95/EG van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25) verwees, dit enkel het geval was voor zover de verwijzing naar het in het vrije verkeer brengen in de Unie – ter wille van het „beginsel van de uitputting van de merkrechten” in de volledige Unie – was vervangen door een verwijzing naar het in het verkeer brengen in een lidstaat van de EER. Deze bepaling heeft volgens de kamer van beroep een impact op artikel 13 van verordening nr. 207/2009. Wat Protocol nr. 28 van de EER-Overeenkomst betreft, daarin staat volgens haar evenmin een voor de onderhavige zaak relevante bepaling.

19      Wat ten derde plaats de toepassing van de in het recht van de EER vastgestelde bepalingen betreffende het vrij verrichten van diensten betreft, heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de vrije dienstverrichting niet wordt belemmerd door de litigieuze bepaling, aangezien de bijstand die verzoeker tegen betaling vanuit Liechtenstein verleent aan klanten die in de Unie zijn gevestigd, niet wordt beïnvloed door artikel 93 van verordening nr. 207/2009. Verzoeker zou dan ook bij de uitoefening van zijn beroep van octrooigemachtigde met geen enkele andere beperking worden geconfronteerd dan die welke hij zichzelf heeft opgelegd. De kamer van beroep heeft in deze context benadrukt dat artikel 36 van de EER-Overeenkomst verwees naar de voor het vrij verrichten van diensten geldende bijzondere bepalingen van de bijlagen IX tot en met XI van de EER-Overeenkomst, waarin geen gewag wordt gemaakt van het recht van vertegenwoordiging.

20      Volgens de kamer van beroep strekken de artikelen 92 en 93 van verordening nr. 207/2009 ertoe te waarborgen dat de voor het EUIPO optredende gemachtigden een bepaalde kwalificatie hebben en dat het EUIPO enkel gegevens uitwisselt met partijen of vertegenwoordigers die een adres hebben in de Unie.

21      Ten vierde is artikel 4 van de EER-Overeenkomst, houdende het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, in casu niet relevant, aangezien verzoeker de nationaliteit van een lidstaat van de Unie bezit en de inschrijvingsweigering niet daarop is gebaseerd.

22      De kamer van beroep heeft tevens erop gewezen dat het Liechtensteinse recht op het gebied van vertegenwoordiging niet voorzag in wederkerigheid, maar bepaalde dat de buitenlandse houder van een merk dat bij het Amt für Volkswirtschaft (Bureau voor intellectuele eigendom, Liechtenstein) is ingediend, dient te worden bijgestaan door een advocaat dan wel een Liechtensteinse octrooigemachtigde als vertegenwoordiger moet aanwijzen.

23      Ten vijfde, ten slotte, heeft de kamer van beroep geoordeeld dat het EUIPO niet kon afzien van de toepassing van een bepaling van verordening nr. 207/2009 op grond dat deze bepaling niet zou stroken met een hogere norm. Alleen het Hof is daartoe bevoegd. Evenzo kan een uitlegging volgens de opzet en het doel van de hogere normen enkel worden overwogen voor zover artikel 93, lid 2, onder c), van verordening nr. 207/2009 duidelijk en ondubbelzinnig is geformuleerd.

 Procedure en conclusies van partijen

24      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 juli 2014, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

25      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        de beslissing van de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO van 7 september 2012 te vernietigen;

–        het EUIPO te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor de kamer van beroep.

26      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

27      Op 20 november 2015 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) het EUIPO verzocht een aantal documenten over te leggen die een beter inzicht zou kunnen verschaffen over enerzijds de samenhang tussen de verordeningen nr. 40/94 en nr. 207/2009 en de EER-Overeenkomst en anderzijds de aard van de beroepsvertegenwoordiging op het gebied van het Uniemerk. Het EUIPO heeft daarop geantwoord bij brief van 7 december 2015. Bij brief van 22 december 2015 heeft verzoeker gereageerd op dit antwoord.

28      Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn ter terechtzitting van 14 januari 2016 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

29      Onder verwijzing naar de wijziging van artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 (zie punten 10 en 11 supra) hebben partijen ter terechtzitting aangegeven dat het beroep geen voorwerp meer zou hebben indien verzoeker na de inwerkingtreding van verordening nr. 2015/2424 op de betrokken lijst van erkende gemachtigden zou worden ingeschreven.

30      Bijgevolg heeft het Gerecht na de terechtzitting de mondelinge fase van de procedure niet gesloten en partijen verzocht om het Gerecht vóór 15 april 2016 te laten weten of verzoeker daadwerkelijk op deze lijst was ingeschreven.

31      Bij brieven van 14 en 15 april 2016 hebben verzoeker en het EUIPO te kennen gegeven dat verzoeker nog niet op de lijst van erkende gemachtigden was ingeschreven en dat zij het Gerecht op de hoogte zouden brengen van de eventuele beëindiging van de inschrijvingsprocedure.

32      Bij brief van 16 juni 2016 heeft het EUIPO het Gerecht laten weten dat het verzoeker voor de tweede maal had verzocht overeenkomstig artikel 93, lid 3, van verordening nr. 207/2009 een recent certificaat over te leggen, en dat hij bij gebreke daarvan niet kon worden ingeschreven op de lijst van erkende gemachtigden.

33      Het Gerecht heeft verzoeker een termijn verleend tot 24 augustus 2016 om opmerkingen over deze brief in te dienen.

34      Bij brief van 24 augustus 2016 heeft verzoeker het Gerecht ervan op de hoogte gebracht dat hij nog niet was ingeschreven op de betrokken lijst. Hij heeft het Gerecht tevens zijn briefwisseling met het EUIPO doen toekomen.

35      Het Gerecht heeft op 6 september 2016 nota ervan genomen dat verzoeker niet op de lijst van erkende gemachtigden was ingeschreven en geoordeeld dat het onwaarschijnlijk was dat de zaak tussen partijen zou worden geregeld, zodat het de mondelinge fase van de procedure heeft gesloten.

 In rechte

36      Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker één middel aan, namelijk schending van artikel 93 van verordening nr. 207/2009, zoals dit volgens hem moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de vrije dienstverrichting zoals die in de EER wordt gewaarborgd door de EER-Overeenkomst.

37      Verzoeker stelt dat de EER-Overeenkomst onder meer een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van diensten beoogt, waarvoor volgens de rechtspraak (zie arresten van 1 april 2004, Bellio F.lli, C‑286/02, EU:C:2004:212, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud, C‑72/09, EU:C:2010:645, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak) dezelfde uitlegging en toepassing vereist is als voor het vrije verkeer van diensten dat is gewaarborgd tussen de lidstaten van de Unie. Wat de betrekkingen tussen de lidstaten van de Unie betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het vereiste dat een reeds in een andere lidstaat gevestigde en erkende octrooigemachtigde een vaste verblijfplaats of beroepswoonplaats heeft in de lidstaat van ontvangst, een beperking van het vrij verrichten van diensten vormde die verder ging dan nodig was ter bereiking van deze doelstellingen, zoals de mogelijkheid om de territoriaal bevoegde rechtbank aan te wijzen alsook de zorg voor het goede verloop van de procedure (arresten van 13 februari 2003, Commissie/Italië, C‑131/01, EU:C:2003:96, punten 42‑45, en 11 juni 2009, Commissie/Oostenrijk, C‑564/07, niet gepubliceerd, EU:C:2009:364, punten 47‑53). Bijgevolg brengt de door de EER-Overeenkomst gewaarborgde en als een individueel en rechtstreeks toepasselijk recht werkende vrije dienstverrichting mee dat ofwel de door de verdragsluitende partijen bij de EER-Overeenkomst vastgestelde bepalingen die voor de vrije uitoefening van een beroep de voorwaarde opleggen dat de betrokkene een woonplaats of een bedrijfszetel in de Unie heeft, buiten toepassing worden gelaten, ofwel deze bepalingen aldus worden uitgelegd dat het kantoor houden in een lidstaat van de EER voldoende is.

38      De uit de EER-Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zijn niet enkel bindend voor de lidstaten van de Unie, maar ook voor de Unie zelf, waarvan de instellingen en de organen rechtstreeks gehouden zijn om de in die overeenkomst vastgelegde grondrechten te eerbiedigen, zoals het vrij verrichten van diensten.

39      Verzoeker stelt dat het feit dat verordening nr. 207/2009 niet uitdrukkelijk wordt vermeld in de uitvoeringshandelingen van de EER-Overeenkomst, inzonderheid in Protocol nr. 28 en bijlage XVII, niet afdoet aan deze conclusie. Artikel 1, lid 2, van Protocol nr. 28 van de EER-Overeenkomst, volgens welke bepaling de verdragsluitende partijen de voor de vrije dienstverrichting geldende algemene rechtsbeginselen in aanmerking moeten nemen, verzet zich tegen het vereiste van een beroepswoonplaats in de Unie. Bovendien is het algemeen bekend dat de eerste handeling waarmee goederen of diensten in een staat van de EER in het vrije verkeer worden gebracht, gepaard gaat met de uitputting van de rechten in de Unie.

40      Ter beantwoording van het betoog van het EUIPO preciseert verzoeker allereerst dat het volgens het Liechtensteinse recht de in een lidstaat van de EER gevestigde octrooigemachtigden voor het vervullen van bepaalde formaliteiten is toegestaan om grensoverschrijdende activiteiten op het gebied van bijstand en vertegenwoordiging uit te oefenen in Liechtenstein. Het Liechtensteinse recht komt dienaangaande volkomen overeen met verordening nr. 207/2009. Zelfs al zou geen sprake zijn van wederkerigheid, kan bovendien de rechtstreekse werking van de bepalingen van de EER-Overeenkomst niet ter discussie worden gesteld.

41      Voorts is verzoeker enerzijds van mening dat het argument van het EUIPO dat het verplicht kantoor houden op het grondgebied van de Unie gerechtvaardigd is op aansprakelijkheidsgronden en ter wille van de bescherming van de andere partij in de bilaterale procedures, een nieuw argument betreft, en dus niet-ontvankelijk is. Anderzijds, ook al druist het vereiste van de overlegging van het bewijs van het sluiten van een verzekering inzake burgerlijke beroepsaansprakelijkheid mogelijkerwijs niet in tegen de vrije dienstverrichting, waarbij zij aangetekend dat het Liechtensteinse recht de adviseurs overigens niet de verplichting oplegt om een dergelijke verzekering te sluiten, die voorwaarde rechtvaardigt op zich niet de noodzaak van het hebben van een beroepswoonplaats in de Unie.

42      Ten slotte stelt verzoeker dat, aangezien artikel 19, lid 4, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat advocaten die bevoegd zijn om op te treden voor een rechterlijke instantie van een staat die partij is bij de EER, een partij kunnen vertegenwoordigen of bijstaan voor het Hof, er geen enkele reden is om meer strikte bepalingen toe te passen met betrekking tot de vertegenwoordiging voor het EUIPO, terwijl dit laatste onder een uit lagere normen bestaande regeling valt.

43      Het EUIPO betoogt dat verzoeker vordert dat artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 niet wordt toegepast op grond dat deze bepaling schending oplevert van een hogere norm, namelijk de EER-Overeenkomst. Onder verwijzing naar het arrest van 12 juli 2001, Kik/HET BHIM (Kik) (T‑120/99, EU:T:2001:189, punt 55), stelt het EUIPO echter dat het niet bevoegd is om een norm buiten toepassing te laten indien deze norm duidelijk is geformuleerd, zo niet zou het het beginsel betreffende het vermoeden van wettigheid schenden.

44      Het EUIPO stelt zich eveneens op het standpunt dat verzoeker in zijn betoog niet aantoont dat de geografische verwijzing naar de Unie in artikel 93 van verordening nr. 207/2009 moet worden opgevat als een verwijzing naar de EER, aangezien bijlage XVII bij de EER-Overeenkomst deze verordening niet vermeldt als behorende tot de handelingen waarop Protocol nr. 1 bij deze overeenkomst van toepassing is.

45      Artikel 1, lid 2, van Protocol nr. 28 bij deze overeenkomst legt de Unie weliswaar de verplichting op om haar juridische bepalingen, inzonderheid artikel 93 van verordening nr. 207/2009, aan te passen, maar deze verplichting rust niet op het EUIPO maar wel op de Toezichthoudende autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of op de Europese Commissie.

46      Zelfs indien de aan de erkende gemachtigden gestelde voorwaarde dat zij kantoor houden in de Unie als een beperking van het vrij verrichten van diensten in de EER moet worden aangemerkt, houdt deze voorwaarde volgens het EUIPO verband met rechtens gerechtvaardigde redenen inzake aansprakelijkheidstelling en bescherming van de andere partij in de bilaterale procedures.

47      Het EUIPO voert ook aan dat de door verzoeker in zijn repliek ingediende opmerkingen over de wederkerigheid van het Liechtensteinse recht nieuwe argumenten zijn die bijgevolg niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hoe dan ook is er geen sprake van wederkerigheid aangezien het Liechtensteinse recht enkel gewaagt van de „tijdelijke” en „grensoverschrijdende” uitoefening van de activiteiten van octrooigemachtigde, terwijl verordening nr. 207/2009 voorziet in een permanente vertegenwoordiging die wordt uitgeoefend in de lidstaat waar de vertegenwoordiger kantoor houdt. Het EUIPO benadrukt niettemin dat de verwijzing naar de juridische situatie in Liechtenstein in punt 18 van de bestreden beslissing louter moet worden beschouwd als illustratie van het feit dat de Liechtensteinse wetgever de juridische situatie niet anders beoordeelt dan de wetgever van de Unie.

48      In dit verband moet worden geconstateerd dat, ook al bevat verordening nr. 207/2009 de vermelding „Voor de EER relevante tekst”, verzoeker niet betwist dat noch de EER-Overeenkomst noch de protocollen of de bijlagen bij deze overeenkomst naar die verordening verwijzen.

49      Tevens rekening houdend met artikel 2, onder a), van de EER-Overeenkomst, waarin deze overeenkomst wordt gedefinieerd als „de hoofdovereenkomst met de daarbij behorende protocollen en bijlagen alsmede de daarin genoemde besluiten”, moet derhalve worden vastgesteld dat verordening nr. 207/2009 geen deel uitmaakt van de EER-Overeenkomst.

50      De kamer van beroep heeft dan ook terecht geoordeeld dat punt 8 van Protocol nr. 1 van de EER-Overeenkomst, waarnaar bijlage XVII bij deze overeenkomst verwijst en dat bepaalt dat „[w]anneer de desbetreffende besluiten verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de ‚[Unie]’ of van de ‚gemeenschappelijke markt’, [...] deze verwijzingen voor de toepassing van de Overeenkomst [worden] beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden van de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in artikel 126 van de Overeenkomst”, in casu niet van toepassing is.

51      Met zijn argumenten voert verzoeker in wezen echter aan dat de bestreden beslissing in strijd is met artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009, zoals dit volgens hem had moeten worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van het in de EER-Overeenkomst vastgelegde recht van vrije dienstverrichting. Indien een dergelijke met het Unierecht overeenstemmende uitlegging onmogelijk is, had de in deze bepaling vastgestelde litigieuze voorwaarde betreffende de vestiging in de Unie buiten toepassing moeten worden gelaten wegens de onwettigheid ervan, en had het beginsel van het vrij verrichten van diensten in de EER rechtstreeks moeten worden toegepast, volgens welk beginsel op dit gebied gen sprake mag zijn van enige belemmering – laat staan discriminatie – van personen die gevestigd zijn buiten het grondgebied van de Unie maar in een staat van de EVA, die tot de EER behoort, zoals Liechtenstein. Verzoeker voert aldus een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU aan.

52      Uit artikel 216, lid 2, VWEU volgt dat de internationale overeenkomsten verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

53      Volgens vaste rechtspraak maken dergelijke overeenkomsten vanaf de inwerkingtreding ervan deel uit van de rechtsorde van de Unie (arresten van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, EU:C:1974:41, punt 5; 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C‑366/10, EU:C:2011:864, punten 73 en 79, en 18 maart 2014, Z., C‑363/12, EU:C:2014:159, punt 73).

54      In dit verband heeft het Hof reeds benadrukt dat, aangezien de door de Unie gesloten volkenrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid Unierecht, deze bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd (arrest van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C‑61/94, EU:C:1996:313, punt 52).

55      Het is eveneens vaste rechtspraak dat de bepalingen van een dergelijke overeenkomst rechtstreekse werking kunnen hebben indien zij onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk zijn (zie in die zin arresten van 5 februari 1976, Conceria Bresciani, 87/75, EU:C:1976:18, punt 25, en 26 oktober 1982, Kupferberg, 104/81, EU:C:1982:362, punt 23). De rechter van de Unie kan de vermeende onverenigbaarheid van een Uniehandeling met de bepalingen van een internationale overeenkomst echter slechts onderzoeken wanneer de aard en de opzet van die overeenkomst zich daar niet tegen verzetten (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, ClientEarth/Commissie, C‑612/13 P, EU:C:2015:486, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Wat de EER-Overeenkomst betreft, heeft de rechter van de Unie reeds bevestigd dat de bepalingen ervan, daaronder begrepen die welke betrekking hebben op Liechtenstein, volledig deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie (zie in die zin arresten van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud, C‑72/09, EU:C:2010:645, punten 13 en 19, en 22 januari 1997, Opel Austria/Raad, T‑115/94, EU:T:1997:3, punt 101).

57      Volgens de vijfde alinea van de preambule van de EER-Overeenkomst strekt deze overeenkomst inzonderheid tot een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele EER, zodat de op het grondgebied van de Unie verwezenlijkte interne markt wordt uitgebreid naar de EVA‑staten (zie arresten van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud, C‑72/09, EU:C:2010:645, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 september 2013, Verenigd Koninkrijk/Raad, C‑431/11, EU:C:2013:589, punt 50).

58      Dienaangaande zijn de voorschriften die van toepassing zijn in de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen op de door de EER-Overeenkomst bestreken gebieden, in wezen die van de overeenkomstige bepalingen van het VWEU en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten (zie in die zin arrest van 22 januari 1997, Opel Austria/Raad, T‑115/94, EU:T:1997:3, punt 107).

59      In die optiek streven meerdere bepalingen van de EER-Overeenkomst ernaar een zo uniform mogelijke interpretatie ervan in de gehele EER te waarborgen. Het is de taak van het Hof om er in dit kader over te waken dat de regels van de EER‑Overeenkomst, die in wezen gelijk zijn aan die van het VWEU, in alle lidstaten op uniforme wijze worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud, C‑72/09, EU:C:2010:645, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 januari 1997, Opel Austria/Raad, T‑115/94, EU:T:1997:3, punten 106‑108).

60      Hoewel hij kantoor blijft houden in Liechtenstein, is verzoeker voornemens zijn diensten aan te bieden als erkend gemachtigde bij het EUIPO. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat deze activiteiten onder de werkingssfeer kunnen vallen van het recht op vrije dienstverlening zoals dit is vastgesteld in de EER-Overeenkomst (zie in die zin arresten van 13 februari 2003, Commissie/Italië, C‑131/01, EU:C:2003:96, punten 21‑25).

61      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de in artikel 36, lid 1, van de EER-Overeenkomst neergelegde regels die beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting verbieden, dezelfde juridische draagwijdte hebben als die welke zijn vastgesteld in artikel 56 VWEU. Het Hof heeft aldus verklaard dat de desbetreffende bepalingen van de EER-Overeenkomst en die van het VWEU uniform moeten worden uitgelegd (arresten van 5 juli 2007, Commissie/België, C‑522/04, EU:C:2007:405, punten 45 en 46, en 6 oktober 2009, Commissie/Spanje, C‑153/08, EU:C:2009:618, punt 48).

62      Het Hof heeft dit beginsel weliswaar genuanceerd door aan te geven dat de rechtspraak van de Unie betreffende de beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer in de Unie niet volledig kunnen worden toegepast op de vrijheden die worden gewaarborgd door de EER-Overeenkomst, aangezien de uitoefening van deze laatste vrijheden binnen een andere juridische context valt (zie arrest van 8 juli 2013, Commissie/Denemarken, C‑261/11, niet gepubliceerd, EU:C:2013:480, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      Nu dat is gepreciseerd hoeft er in de onderhavige zaak evenwel slechts op te worden gewezen dat noch de kamer van beroep noch het EUIPO heeft aangevoerd – laat staan het bewijs heeft geleverd – dat de uitoefening van de vrije dienstverrichting op het gebied van vertegenwoordiging bij de merkenbureaus in casu tot een verschillende rechtscontext behoort waardoor de relevante rechtspraak van de Unie betreffende de belemmeringen van de vrijheid van dienstverrichting in de Unie niet volledig zou kunnen gelden voor diezelfde vrijheid zoals deze wordt gewaarborgd door de EER-Overeenkomst (zie in die zin arrest van 16 april 2015, Commissie/Duitsland, C‑591/13, EU:C:2015:230, punt 82).

64      Bijgevolg moet worden onderzocht of de voorwaarde betreffende het kantoor houden in de Unie die is vastgesteld in artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009, zoals deze bepaling is uitgelegd door de kamer van beroep, namelijk dat het woord „Gemeenschap” niet naar de EER verwijst, verenigbaar is met artikel 36, lid 1, van de EER-Overeenkomst, waarin het vrije verkeer van diensten is vastgelegd voor de EER.

65      In dit verband heeft het Hof meermaals geoordeeld dat artikel 56 VWEU, dat net als artikel 36, lid 1, van de EER-Overeenkomst in het recht van de vrije dienstverlening voorziet, voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is, zodat het rechtstreekse werking heeft (arresten van 3 december 1974, Van Binsbergen, 33/74, EU:C:1974:131, punt 27, en 14 juli 1976, Donà, 13/76, EU:C:1976:115, punt 20). Wat de aard en de opzet van de EER-Overeenkomst betreft, hebben noch de kamer van beroep noch het EUIPO argumenten aangevoerd waaruit zou blijken dat dit artikel niet rechtstreeks kan worden ingeroepen door particulieren. Deze mogelijkheid blijkt juist wel uit de achtste alinea van de preambule van de EER-Overeenkomst, waarin het belang wordt onderstreept van de rol die particulieren in de EER vervullen door de uitoefening van de rechten die deze overeenkomst hun verleent en door de rechterlijke handhaving van die rechten. Bovendien moet worden beklemtoond dat het Hof reeds de verenigbaarheid van een handeling van de Unie met de EER-Overeenkomst heeft getoetst (arrest van 1 april 2004, Bellio F.lli, C‑286/02, EU:C:2004:212, punten 57‑63).

66      Artikel 56 VWEU verlangt niet enkel de afschaffing van iedere discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens de opheffing van iedere beperking – ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten – die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (zie arrest van 17 maart 2011, Peñarroja Fa, C‑372/09 en C‑373/09, EU:C:2011:156, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het vereiste dat een reeds in een andere lidstaat door het octrooibureau erkende octrooigemachtigde een vaste beroepswoonplaats heeft in de lidstaat van ontvangst, of zelfs een domiciliehouder aanwijst, een beperking van de vrije dienstverrichting vormt (zie in die zin arresten van 13 februari 2003, Commissie/Italië, C‑131/01, EU:C:2003:96, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 juni 2009, Commissie/Oostenrijk, C‑564/07, niet gepubliceerd, EU:C:2009:364, punt 47).

68      De voorwaarde die is neergelegd in artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009, zoals deze bepaling door de kamer van beroep is uitgelegd, levert dus een beperking op van het vrij verrichten van diensten in de EER.

69      Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter ook dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, worden geacht verenigbaar te zijn met dat Verdrag indien zij voldoen aan vier voorwaarden: zij moeten zonder discriminatie worden toegepast, zij moeten hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel (arresten van 30 november 1995, Gebhard, C‑55/94, EU:C:1995:411, punt 37, en 11 juni 2009, Commissie/Oostenrijk, C‑564/07, niet gepubliceerd, EU:C:2009:364, punt 31).

70      In de eerste plaats heeft de kamer van beroep in punt 16 van de bestreden beslissing aangegeven dat artikel 93 van verordening nr. 207/2009 waarborgt dat, enerzijds, personen die beroepshalve derden bij het EUIPO vertegenwoordigen, een beroepskwalificatie bezitten waarvan de definitie verschilt naargelang de lidstaat en, anderzijds, in samenhang gelezen met artikel 92 van deze verordening, dat het EUIPO als gesprekspartners enkel partijen of vertegenwoordigers heeft die een adres in de Unie bezitten. Verzoeker, die kantoor houdt in Liechtenstein, voldoet niet aan die voorwaarde.

71      Wat de eerste doelstelling betreft, namelijk die aangaande het hebben van een beroepskwalificatie, heeft het EUIPO niet aangegeven waarom het kantoor houden in de Unie een betere kwalificatie zou waarborgen dan het kantoor houden in en staat van de EVA die tot de EER behoort. Vastgesteld moet eveneens worden dat ter bereiking van deze doelstelling een minder beperkende maatregel bestaat dan die welke aan de orde is in het onderhavige geding, namelijk het opleggen van de verplichting het bewijs te leveren van een beroepskwalificatie.

72      De tweede doelstelling houdt enigszins verband met de noodzaak om het goede verloop van de procedure te verzekeren. Aldus zou deze doelstelling kunnen worden ingeroepen uit hoofde van de dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van het vrije verkeer van diensten kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Commissie/Oostenrijk, C‑564/07, niet gepubliceerd, EU:C:2009:364, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73      De verplichting tot het kantoor houden op het grondgebied van de Unie, zoals in artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 is bepaald en volgens de uitlegging die de kamer van beroep daaraan heeft gegeven, gaat evenwel verder dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. Het volstaat erop te wijzen dat de huidige middelen inzake elektronische communicatie de erkende gemachtigden in staat stellen om op passende wijze te communiceren met het EUIPO. Vast staat immers dat er meerdere technische middelen bestaan, zoals telefax, e‑mail, en zelfs informaticamiddelen (online-programma’s), met name e‑filing, waarmee de uitwisseling van documenten tussen het EUIPO en de betrokken personen kan worden verzekerd.

74      In de tweede plaats heeft het EUIPO in zijn bij het Gerecht ingediende schrifturen aangevoerd dat het vereiste van het kantoor houden in de Unie gerechtvaardigd is in het belang van de rechtsbedeling, namelijk om juridische redenen die verband houden met de toewijzing van aansprakelijkheden en ter bescherming van de andere partij in de bilaterale procedures.

75      Deze argumenten moeten worden afgewezen.

76      Wat allereerst immers de doelstelling aangaande het aansprakelijkheidsrecht betreft, verwijst het EUIPO in zijn betoog louter naar de punten 22 en volgende van het arrest van 11 juni 2009, Commissie/Oostenrijk (C‑564/07, niet gepubliceerd, EU:C:2009:364), die betrekking hebben op de verplichting om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten. De woonplaatsverplichting biedt op zich evenwel geen waarborg dat de beroepsaansprakelijkheid van de erkende gemachtigden in toereikende mate is verzekerd, aangezien het EUIPO niet heeft aangevoerd, en nog minder heeft aangetoond, dat alle lidstaten van de Unie de verplichting oplegden om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten, terwijl dat wel het geval was voor een aantal staten van de EVA die tot de EER behoren. Indien de wetgever van de Unie beoogde ervoor te zorgen dat de erkende gemachtigden over een dergelijke verzekering beschikken, had hij bovendien maatregelen kunnen nemen die de vrije dienstverrichting minder beperken, zoals de uitdrukkelijke verplichting voor elke erkende gemachtigde om een dergelijke verzekering te sluiten, die ook de verrichtingen bij het EUIPO zou dekken.

77      Vervolgens heeft het EUIPO niet aangegeven waarom de vestiging van de erkende gemachtigden in een lidstaat van de Unie, veeleer dan in een staat van de EVA die tot de EER behoort, zoals Liechtenstein, de andere partij in de bilaterale procedures beter zou beschermen.

78      Bijgevolg hebben noch de kamer van beroep noch het EUIPO dwingende redenen van algemeen belang ingeroepen die de in punt 68 supra geconstateerde beperking van de vrije dienstverlening kunnen rechtvaardigen. Derhalve moet worden geoordeeld dat het in artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 vastgestelde vereiste van het kantoor houden in de Unie, zoals dit door de kamer van beroep is uitgelegd, in strijd is met artikel 36, lid 1, van de EER-Overeenkomst.

79      De kamer van beroep heeft ook erop gewezen, zoals het EUIPO eveneens aanvoert, dat Liechtenstein geen wederkerigheid op dit gebied verleende. Ten eerste hebben echter noch de kamer van beroep noch het EUIPO het bewijs geleverd dat voor de inschrijving in het register van de erkende gemachtigden bij het Bureau voor intellectuele eigendom als voorwaarde gold dat de belanghebbende een beroepswoonplaats in deze staat had. De argumenten van partijen hadden eerder betrekking op de vraag of – en in welke mate – een erkende gemachtigde in een lidstaat van de Unie een cliënt kon vertegenwoordigen bij het Bureau voor intellectuele eigendom. Ten tweede hebben noch de kamer van beroep noch het EUIPO zich op het standpunt gesteld dat het vermeende ontbreken van wederkerigheid de voornoemde beperking van het vrije verkeer van diensten kon rechtvaardigen. Volgens het EUIPO betrof het een argument dat louter moest worden opgevat als illustratie van het feit dat de Liechtensteinse wetgever de juridische situatie niets anders beoordeelt dan de wetgever van de Unie. Ten derde hoeft hoe dan ook slechts te worden opgemerkt dat een lidstaat zich volgens de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 13 februari 2003, Commissie/Italië, C‑131/01, EU:C:2003:96, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak) niet kan beroepen op de niet-eerbiediging van het beginsel van wederkerigheid en zich evenmin op een eventuele schending van het verdrag door een andere lidstaat kan baseren om zijn eigen niet-nakoming te rechtvaardigen. Het EUIPO heeft geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, overgelegd dat ertoe zou leiden dat die rechtspraak niet van toepassing zou zijn op het gebied van de in de EER-Overeenkomst vastgelegde vrijheden van verkeer. De toepassing van het wederkerigheidsbeginsel zou overigens indruisen tegen de in de artikelen 109 en 111 van de EER-Overeenkomst vastgestelde specifieke beroepsmogelijkheden betreffende de toezichtprocedure en de regeling van geschillen.

80      In de derde plaats heeft de kamer van beroep te kennen gegeven, zoals het EUIPO eveneens heeft aangevoerd, dat het EUIPO niet bevoegd was om de in artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 vastgestelde voorwaarde betreffende de beroepswoonplaats buiten toepassing te laten.

81      Dienaangaande volstaat de vaststelling dat uit de in punt 54 supra aangehaalde rechtspraak volgt dat de voorrang van de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten, zoals de EER-Overeenkomst, boven teksten van afgeleid recht gebiedt om deze laatste voor zover mogelijk overeenkomstig die overeenkomsten uit te leggen.

82      Bijgevolg diende het EUIPO, zonder dat het echter volledig voorbij hoefde te gaan aan de litigieuze voorwaarde, deze uit te leggen en toe te passen in overeenstemming met de verplichtingen die uit de EER-Overeenkomst voortvloeien.

83      Het is juist dat met het Unierecht overeenstemmende uitlegging van bepalingen van afgeleid Unierecht niet kan dienen als grondslag van een contra legem-uitlegging van die teksten (zie beschikking van 17 juli 2015, EEB/Commissie, T‑685/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:560, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak), doch dat is in casu niet het geval.

84      Noch uit verordening nr. 207/2009, in de vóór de inwerkingtreding van verordening 2015/2424 toepasselijke versie ervan, noch uit de door het EUIPO overgelegde feitelijke en juridische gegevens blijkt immers dat het de specifieke bedoeling van de wetgever van de Unie was om personen die kantoor houden in een staat van de EVA die tot de EER behoort, zoals Liechtenstein, uit te sluiten van toegang tot de lijst van erkende gemachtigden.

85      Zoals de kamer van beroep in wezen heeft aangegeven, was het veeleer de bedoeling van de wetgever van de Unie om ervoor te zorgen dat de correspondentie tussen het EUIPO en de belanghebbende partijen aan bepaalde kwaliteitsnormen beantwoordt en voldoende betrouwbaar is. Zoals uit punt 73 supra volgt, is voor die doelstelling niet noodzakelijkerwijs vereist dat de belanghebbende kantoor houdt op het grondgebied van de Unie.

86      Deze uitlegging wordt bevestigd door verordening 2015/2424, die de verwijzingen naar het grondgebied van de Unie heeft vervangen door verwijzingen naar het grondgebied van de EER, met name wat de voorwaarden voor inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden in artikel 93 van verordening nr. 207/2009 betreft. Hoewel het daarbij gaat om een wijziging die een grote praktische impact heeft, lijkt deze geenszins voort te vloeien uit het voornemen om een nieuw beleid te voeren ten aanzien van de staten van de EVA die tot de EER behoren. Om te beginnen maakte die wijziging geen deel uit van wetgevingsvoorstel COM(2013) 161 final van de Commissie van 27 maart 2013, en is deze pas later in het wetgevingsproces vastgesteld. Bovendien heeft de wetgever daarover geen enkele toelichting verstrekt in de preambule van verordening 2015/2424. Deze wijziging moet dan ook worden beschouwd als een technische aanpassing, die louter ertoe strekte het secundaire recht van de Unie aan te passen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de EER-Overeenkomst.

87      Hieruit volgt dat het enige middel van het beroep moet worden toegewezen, zodat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd.

88      De tweede vordering van verzoeker strekt tot vernietiging van de beslissing van de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO van 7 september 2012. Aldus vraagt verzoeker het Gerecht in wezen om de beslissing vast te stellen die de kamer van beroep volgens hem had moeten nemen. Bijgevolg vordert verzoeker de herziening van de bestreden beslissing, zoals artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009 daarin voorziet.

89      In herinnering zij gebracht dat de krachtens artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009 aan het Gerecht toegekende bevoegdheid tot wijziging niet impliceert dat het Gerecht bevoegd is om over te gaan tot een beoordeling waarover de kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen. De uitoefening van de bevoegdheid tot herziening moet derhalve in beginsel beperkt blijven tot situaties waarin het Gerecht na toetsing van de beoordeling van de kamer van beroep in staat is om op basis van de elementen, feitelijk en rechtens, zoals deze zijn vastgesteld, te bepalen welke beslissing de kamer van beroep had moeten nemen (arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 72).

90      In casu zijn de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening door het Gerecht evenwel vervuld. Uit punt 2 van de bestreden beslissing blijkt immers dat de weigering van de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO was gebaseerd op het feit dat verzoeker niet voldeed aan het criterium van artikel 93, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009. Uit de in de punten 36 tot en met 87 supra geformuleerde overwegingen volgt echter dat de kamer van beroep had moeten vaststellen dat deze bepaling, anders dan de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO had geoordeeld, zich niet verzette tegen de inschrijving van verzoeker op de lijst van erkende gemachtigden. Bijgevolg dient – bij wege van herziening van de bestreden beslissing – ook de beslissing van de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO te worden vernietigd.

 Kosten

91      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

92      Verder worden volgens artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO gemaakte noodzakelijke kosten als invorderbare kosten aangemerkt.

93      Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoeker te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 april 2014 (zaak R 2063/20124) wordt vernietigd.

2)      De beslissing van de directeur van de afdeling „Ondersteuning van de verrichtingen” van het EUIPO van 7 september 2012 wordt vernietigd.

3)      Het EUIPO wordt verwezen in de kosten.

Dittrich

Schwarcz

Tomljenović

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 juli 2017.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.