Language of document : ECLI:EU:C:2017:550

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 juli 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Intellectuele eigendom – Gemeenschapsmodellen – Verordening (EG) nr. 6/2002 – Artikelen 81 en 82 – Rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk – Bevoegdheid van de rechtbanken voor Gemeenschapsmodellen van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft”

In zaak C‑433/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 5 april 2016, ingekomen bij het Hof op 3 augustus 2016, in de procedure

Bayerische Motoren Werke AG

tegen

Acacia Srl,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, A. Prechal, A. Rosas, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Bayerische Motoren Werke AG, vertegenwoordigd door L. Trevisan en G. Cuonzo, avvocati,

–        Acacia Srl, vertegenwoordigd door F. Munari, A. Macchi en M. Esposito, avvocati,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino en M. Santoro, avvocati dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en M. Wilderspin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), alsook van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bayerische Motoren Werke AG (hierna: „BMW”), gevestigd te München (Duitsland), en Acacia Srl, gevestigd te Eboli (Italië), over de vraag welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een door Acacia tegen BMW ingestelde vordering.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 44/2001

3        Verordening nr. 44/2001 heeft, in de betrekkingen tussen de lidstaten, het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”) vervangen. Zij is op haar beurt vervangen door verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1). Volgens artikel 66, lid 1, van laatstgenoemde verordening is deze „slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015”.

4        Hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, getiteld „Bevoegdheid”, bevatte tien afdelingen.

5        Afdeling 1 van dat hoofdstuk, met het opschrift „Algemene bepalingen”, bevatte met name artikel 2 van die verordening. Dit artikel nam in wezen de bewoordingen over van artikel 2 van het Executieverdrag en bepaalde in lid 1 ervan:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

6        Afdeling 2 van voornoemd hoofdstuk van verordening nr. 44/2001, met het opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, bevat met name artikel 5 daarvan. Dit artikel nam in wezen de bewoordingen van artikel 5 van het Executieverdrag over en bepaalde:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

3)       ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[...]”

7        Afdeling 6 van datzelfde hoofdstuk van verordening nr. 44/2001, had als opschrift „Exclusieve bevoegdheid” en bestond uit één enkel artikel, namelijk artikel 22 van die verordening. Dit artikel nam in wezen de bewoordingen van artikel 16 van het Executieverdrag over en luidde als volgt:

„Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:

[...]

4)       voor de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie: de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Gemeenschap of een internationale overeenkomst.

[...]”

8        Afdeling 7 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met het opschrift „Door partijen aangewezen bevoegd gerecht”, bevatte de artikelen 23 en 24 van die verordening.

9        Artikel 23, lid 1, van voornoemde verordening kwam in wezen overeen met artikel 17 van het Executieverdrag, en bepaalde:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. [...]

[...]”

10      Artikel 24 van diezelfde verordening nam in wezen de bewoordingen van artikel 18 van het Executieverdrag over en was als volgt geformuleerd:

„Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd is.”

11      Afdeling 9 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001 had als opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, en bevatte met name artikel 27 van voornoemde verordening. Dit artikel bepaalde:

„1.      Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.      Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

12      Deze afdeling 9 bevatte ook artikel 28 van diezelfde verordening, dat als volgt was geformuleerd:

„1.      Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2.       Indien deze verzoeken in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de desbetreffende verzoeken kennis te nemen en zijn recht de voeging ervan toestaat.

3.       Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

13      Hoofdstuk VII van verordening nr. 44/2001 had als opschrift „Verhouding tot andere besluiten”. Het bevatte met name artikel 67 van die verordening, dat luidde als volgt:

„Deze verordening laat onverlet de toepassing van de bepalingen die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen en die opgenomen zijn of zullen worden in de besluiten van de Gemeenschap of in de nationale wetgevingen die ter uitvoering van deze besluiten geharmoniseerd zijn.”

 Verordening nr. 6/2002

14      Artikel 19 van verordening nr. 6/2002 is opgenomen in titel II daarvan, met het opschrift „Het recht inzake modellen”. Dit artikel is getiteld „Aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten” en bepaalt in lid 1 ervan:

„Een ingeschreven Gemeenschapsmodel verleent aan de houder ervan het uitsluitende recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.”

15      Titel IX van die verordening heeft als opschrift „Bevoegdheid en procedure inzake rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen”. Deze titel bevat met name de artikelen 79 tot en met 82 van voornoemde verordening.

16      Onder het opschrift „Toepassing van het [Executieverdrag]” bepaalt artikel 79 van diezelfde verordening:

„1.      Tenzij deze verordening anders bepaalt, is het [Executieverdrag] van toepassing op de procedures betreffende ingeschreven Gemeenschapsmodellen [...]

[...]

3.      Met betrekking tot procedures die het gevolg zijn van de in artikel 81 bedoelde rechtsvorderingen:

a)      zijn artikel 2, artikel 4, artikel 5, leden 1, 3, 4 en 5, artikel 16, lid 4, en artikel 24 van het [Executieverdrag] niet van toepassing;

b)      zijn de artikelen 17 en 18 van dat verdrag van toepassing binnen de grenzen van artikel 82, lid 4, van deze verordening;

[...]”

17      Artikel 80, lid 1, van verordening nr. 6/2002, met het opschrift „Rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel”, luidt als volgt:

„De lidstaten wijzen op hun grondgebied een zo gering mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, de ‚rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel’, die de hun bij deze verordening opgedragen taken vervullen.”

18      Artikel 81 van deze verordening, met het opschrift „Bevoegdheid ter zake van inbreuk en geldigheid”, bepaalt:

„De rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel hebben uitsluitende bevoegdheid terzake van:

a)      alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op Gemeenschapsmodellen;

b)      rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk op Gemeenschapsmodellen, indien naar nationaal recht toegestaan;

c)      rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel;

d)      reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel die zijn ingesteld in samenhang met rechtsvorderingen als bedoeld onder a).”

19      Artikel 82 van voornoemde verordening, met als opschrift „Internationale bevoegdheid”, bepaalt:

„1.      Onverminderd de bepalingen van deze verordening en van de krachtens artikel 79 toepasselijke bepalingen van het [Executieverdrag], worden procedures ingevolge de in artikel 81 bedoelde rechtsvorderingen aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in een lidstaat waar hij een vestiging heeft.

2.      Wanneer de gedaagde woonplaats noch vestiging heeft in een van de lidstaten, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de eiser zijn woonplaats heeft of, indien deze geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in een lidstaat waar hij een vestiging heeft.

3.      Wanneer gedaagde noch eiser aldaar een woonplaats of vestiging heeft, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het Bureau [voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)] zijn zetel heeft.

4.      Onverminderd de leden 1, 2 en 3:

a)      is artikel 17 van het [Executieverdrag] van toepassing indien de partijen overeenkomen dat een andere rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bevoegd is;

b)      is artikel 18 van [het Executieverdrag] van toepassing indien de gedaagde voor een andere rechtbank voor het Gemeenschapsmodel verschijnt.

5.      Procedures ingevolge de in artikel 81, onder a) en d), bedoelde rechtsvorderingen kunnen ook worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden.”

20      Artikel 110 van diezelfde verordening, dat het opschrift „Overgangsbepaling” heeft en is opgenomen in titel XII („Slotbepalingen”), bepaalt in lid 1:

„Totdat op voorstel van de Commissie wijzigingen van deze verordening van kracht worden, bestaat er geen bescherming als Gemeenschapsmodel voor een model dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel dat in de zin van artikel 19, lid 1, wordt gebruikt voor de reparatie van dit samengestelde voortbrengsel om het de oorspronkelijke uiterlijke kenmerken terug te geven.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21      Acacia vervaardigt en verkoopt lichtmetalen velgen voor autowielen. Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier zijn deze velgen replica’s van de lichtmetalen velgen die worden vervaardigd door autofabrikanten en worden zij verkocht onder de merknaam WSP Italy, waarbij het acroniem WSP staat voor „Wheels Spare Parts” (hierna: „replicavelgen”).

22      Voor zover de door de autofabrikanten vervaardigde velgen zijn ingeschreven als gemeenschapsmodellen, is Acacia van mening dat haar replicavelgen vallen onder de in artikel 110, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bedoelde „reparatieclausule”.

23      Bij inleidend verzoekschrift, dat op 21 januari 2013 zou zijn betekend, heeft Acacia BMW gedagvaard voor de Tribunale di Napoli (rechter in eerste aanleg, Napels, Italië) ter verkrijging van een declaratoir vonnis van niet-inbreuk op geregistreerde gemeenschapsmodellen waarvan BMW de houder is voor de lichtmetalen velgen voor autowielen, alsmede de vaststelling van handelingen van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie van BMW. Acacia heeft ook gevorderd BMW te gelasten elke activiteit die de verkoop van de replicavelgen belemmert, te staken.

24      BMW heeft zich partij gesteld in de procedure door een verweerschrift neer te leggen bij voornoemde rechter. In dat verweerschrift heeft zij, vooraf, excepties opgeworpen ontleend aan het ontbreken of de nietigheid van de betekening van het inleidend verzoekschrift, alsmede van het mandaat van de raadsman van Acacia. Subsidiair, maar nog steeds vooraf, heeft BMW ook gesteld dat de Italiaanse rechters onbevoegd zijn. Nog meer subsidiair, voor het geval deze excepties mochten worden verworpen, heeft zij gevorderd dat de vorderingen van Acacia feitelijk en rechtens ongegrond worden verklaard.

25      In dat verweerschrift heeft BMW met name het volgende uiteengezet:

„BMW [...], dient, louter als procedureel gevolg van de materiële ontvangst van een beweerdelijk rechtsgeldig stuk, teneinde niet het gevaar te lopen ten onrechte in gebreke te worden gesteld, het onderhavige verzoekschrift enkel in om aan te voeren, ten eerste, dat betekening door [Acacia] ontbreekt en, ten tweede, dat in het zeer onwaarschijnlijke geval waarin het gerecht mocht oordelen dat de vordering rechtsgeldig is ingediend, niet het Italiaanse gerecht maar het Duitse gerecht bevoegd is met betrekking tot de door Acacia ingediende vordering.”

26      Ter terechtzitting van 27 mei 2014 heeft de Tribunale di Napoli termijnen gesteld voor het indienen van aanvullende memories over procedurele kwesties.

27      Op 3 oktober 2014 heeft BMW bij de verwijzende rechter, de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), een verzoek ingediend om vooraf de – nog steeds bij de Tribunale di Napoli aanhangige – kwestie van de gerechtelijke bevoegdheid op te lossen. Zij heeft haar standpunt herhaald dat de Italiaanse gerechtelijke instanties niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de door Acacia ingestelde vordering. Laatstgenoemde is op haar beurt van mening dat de bevoegdheid van de Italiaanse gerechtelijke instanties door BMW stilzwijgend is geaccepteerd, aangezien deze, na voor de Tribunale di Napoli de exceptie ontleend aan het ontbreken of de nietigheid van de betekening van het inleidend verzoekschrift en van het mandaat van de raadsman van Acacia te hebben opgeworpen, de exceptie van onbevoegdheid van de Italiaanse gerechtelijke instanties slechts subsidiair heeft opgeworpen.

28      Op 4 maart 2015 heeft de procureur-generaal bij de verwijzende rechter zijn conclusie genomen, waarin hij voorstelt de Italiaanse gerechtelijke instanties onbevoegd te verklaren.

29      In deze omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Kan de exceptie van onbevoegdheid van de aangezochte nationale rechter, in de zin van artikel 24 van verordening [nr. 44/2001], die vooraf, maar subsidiair ten opzichte van andere, eveneens vooraf opgeworpen procedurele excepties en in elk geval voordat wordt ingegaan op de grond van de zaak, wordt opgeworpen, worden uitgelegd als een aanvaarding van de rechtsbevoegdheid?

2)      Moet het feit dat in artikel 82, lid 4, van verordening [nr. 6/2002] voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk niet wordt voorzien in de bevoegdheid van andere rechterlijke instanties dan de rechterlijke instantie van de gedaagde zoals bepaald in artikel 82, lid 1, van diezelfde verordening, aldus worden uitgelegd dat dit de toekenning van een exclusieve bevoegdheid voor die gedingen impliceert?

3)      Moet, teneinde de [tweede] vraag te beantwoorden, bovendien rekening worden gehouden met de uitlegging van de regels inzake exclusieve bevoegdheid van verordening [nr. 44/2001], in het bijzonder van artikel 22 – dat voorziet in de gevallen waarvoor exclusieve bevoegdheid bestaat, onder andere voor de registratie en de geldigheid van octrooien, merken en tekeningen, maar niet voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk – en artikel 24 – dat voorziet in de mogelijkheid van aanvaarding door de verweerder van de bevoegdheid van een ander gerecht, buiten de gevallen waarin de bevoegdheid van het gerecht voortvloeit uit andere bepalingen van de verordening, waardoor het door de eiser aangezochte gerecht bevoegd wordt?

4)      Is het standpunt dat is ingenomen door het Hof in zijn arrest van 25 oktober 2012[, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, EU:C:2012:664)] betreffende de toepasbaarheid van artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001] algemeen geldend en absoluut en is het van toepassing op elke rechtsvordering tot vaststelling van niet-aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad, met inbegrip van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op gemeenschapsmodellen, en is in casu derhalve de rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 81 van verordening [nr. 6/2002] dan wel die bedoeld in artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001] bevoegd, of staat het aan de eiser om voor de ene of de andere van deze rechterlijke instanties te kiezen?

5)      Kunnen, overeenkomstig een extensieve uitlegging van artikel 28, lid 3, van verordening [nr. 44/2001], vorderingen betreffende misbruik van machtspositie en oneerlijke mededinging, wanneer zij worden ingesteld in het kader van een geding inzake gemeenschapsmodellen, waarmee zij samenhangen, voor zover de toewijzing ervan de voorafgaande toewijzing van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt, samen met deze laatste vordering voor dezelfde rechter worden behandeld?

6)      Betreffen de twee vorderingen waarvan sprake is in [de vorige vraag] een onrechtmatige daad en, zo ja, kunnen zij, inzake de rechterlijke bevoegdheid, gevolgen hebben voor de toepasselijkheid op de onderhavige zaak van vordering [nr. 44/2001] (artikel 5, punt 3) of verordening [nr. 6/2002]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

30      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een aan onbevoegdheid van de aangezochte rechter ontleende exceptie die in het eerste verweerschrift subsidiair ten opzichte van andere – in datzelfde geschrift opgeworpen – procedurele excepties is opgeworpen, kan worden aangemerkt als een aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter en bijgevolg leidt tot een bevoegdheidsaanwijzing krachtens dat artikel.

31      Dienaangaande zij er ten eerste aan herinnerd dat artikel 24, eerste zin, van verordening nr. 44/2001 voor alle geschillen waarin de bevoegdheid van de aangezochte rechter niet uit andere bepalingen van die verordening voortvloeit, voorziet in een bevoegdheidsregel die is gebaseerd op de verschijning van de verweerder. Die bepaling is ook van toepassing in de gevallen dat de rechter in strijd met de bepalingen van die verordening is aangezocht, en impliceert dat de verschijning van de verweerder kan worden beschouwd als een stilzwijgende aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter en dus als een aanwijzing van deze rechter als de bevoegde rechter (arresten van 20 mei 2010, ČPP Vienna Insurance Group, C‑111/09, EU:C:2010:290, punt 21, en 27 februari 2014, Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 34).

32      Ten tweede bevat artikel 24, tweede zin, van die verordening uitzonderingen op de in de eerste zin van dat artikel neergelegde regel. Deze tweede zin bepaalt met name dat de bevoegdheid van de aangezochte rechter niet stilzwijgend wordt aanvaard wanneer de verweerder een exceptie van onbevoegdheid opwerpt en aldus te kennen geeft dat hij de bevoegdheid van deze rechter niet aanvaardt (arresten van 20 mei 2010, ČPP Vienna Insurance Group, C‑111/09, EU:C:2010:290, punt 22, en 27 februari 2014, Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 35).

33      Onder verwijzing naar zijn rechtspraak inzake artikel 18 van het Executieverdrag, welke bepaling in wezen identiek is aan artikel 24 van verordening nr. 44/2001, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de betwisting van de bevoegdheid aan aanwijzing in de weg staat indien de verzoeker en de aangezochte rechter reeds bij het eerste verweer van de verweerder kunnen begrijpen dat daarmee de bevoegdheid van de rechter wordt betwist. Dit geldt ook in het geval waarin het eerste verweerschrift naast de betwisting van de bevoegdheid van de rechter ook conclusies over de grond van de zaak bevat (arrest van 27 februari 2014, Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Hieruit volgt dat het feit dat de verweerder in zijn eerste verweerschrift de bevoegdheid van de aangezochte rechter ondubbelzinnig heeft betwist, in de weg staat aan de aanwijzing van bevoegdheid als bedoeld in artikel 24, eerste zin, van verordening nr. 44/2001, zonder dat het daarbij van belang is of die betwisting al dan niet het enige voorwerp is van dat eerste verweerschrift.

35      In casu verandert de omstandigheid dat BMW in haar eerste verweerschrift voor de Tribunale di Napoli niet alleen de bevoegdheid van die rechter heeft betwist, maar ook de regelmatigheid van de betekening en van het mandaat van de raadsman van Acacia, niets aan het – overigens onbetwiste – feit dat BMW in dat verweerschrift uitdrukkelijk en zonder enige dubbelzinnigheid de bevoegdheid van die rechter heeft betwist. Zoals in herinnering is gebracht in de punten 32 en 33 van het onderhavige arrest, heeft artikel 24, tweede zin, van verordening nr. 44/2001 tot doel de aanwijzing van bevoegdheid te voorkomen wanneer de verweerder reeds onmiddellijk vanaf zijn eerste verweerschrift te kennen geeft dat hij de bevoegdheid van de aangezochte rechter niet aanvaardt. Deze bepaling kan dus niet aldus worden uitgelegd dat in een situatie als in het hoofdgeding, waarin een aan onbevoegdheid van de aangezochte rechter ontleende exceptie duidelijk in limine litis is opgeworpen, deze uitdrukkelijke betwisting van de bevoegdheid zou moeten worden aangemerkt, zoals Acacia betoogt, als een stilzwijgende aanvaarding van die bevoegdheid op grond dat die exceptie slechts subsidiair was opgeworpen ten opzichte van andere in limine litis opgeworpen procedurele excepties.

36      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 24 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een aan onbevoegdheid van de aangezochte rechter ontleende exceptie die in het eerste verweerschrift subsidiair ten opzichte van andere – in datzelfde geschrift opgeworpen – procedurele excepties is opgeworpen, niet kan worden aangemerkt als een aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter en bijgevolg niet leidt tot een bevoegdheidsaanwijzing krachtens dat artikel.

 Tweede en de derde vraag

37      Met zijn tweede en derde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 82 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van die verordening, in gevallen waarin de gedaagde zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie, enkel aanhangig kunnen worden gemaakt bij de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van die lidstaat.

38      In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat, niettegenstaande de principiële toepassing van verordening nr. 44/2001 op rechtsvorderingen betreffende gemeenschapsmodellen, de toepassing van een aantal bepalingen van die verordening op procedures die het gevolg zijn van de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde rechtsvorderingen, uitgesloten is krachtens artikel 79, lid 3, van laatstgenoemde verordening.

39      Gelet op deze uitsluiting, vloeit de bevoegdheid van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel, als bedoeld in artikel 80, lid 1, van verordening nr. 6/2002, om kennis te nemen van de in artikel 81 ervan bedoelde rechtsvorderingen, rechtstreeks voort uit de regels van deze verordening zelf, die een lex specialis vormen ten opzichte van de regels van verordening nr. 44/2001 (zie naar analogie arresten van 5 juni 2014, Coty Germany, C‑360/12, EU:C:2014:1318, punt 27, en 18 mei 2017, Hummel Holding, C‑617/15, EU:C:2017:390, punt 26).

40      Voorts volgt uit de bewoordingen van artikel 82 van verordening nr. 6/2002 dat rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van die verordening, in gevallen waarin de gedaagde zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van die lidstaat, tenzij er sprake is van aanwijzing van bevoegdheid in de zin van artikel 23 of 24 van verordening nr. 44/2001, welke laatstgenoemde bepalingen de artikelen 17 en 18 van het Executieverdrag hebben vervangen.

41      Tot slot is er, onverminderd gevallen van aanhangigheid en samenhang, geen regel van rechterlijke bevoegdheid in een andere bepaling van verordening nr. 6/2002 dan artikel 82 daarvan, of in een andere bepaling van verordening nr. 44/2001 dan de artikelen 23 en 24 daarvan, die kan worden toegepast op rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002. Wat, met name, artikel 22, punt 4, van verordening nr. 44/2001, betreft, waarvan de rechter zich afvraagt of het van toepassing is, zij opgemerkt dat de toepassing van deze bepaling, die artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag vervangen heeft, op procedures die voortvloeien uit de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde rechtsvorderingen, krachtens artikel 79, lid 3, onder a), van die verordening is uitgesloten.

42      Bijgevolg moet op de tweede en derde vraag worden geantwoord dat artikel 82 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van die verordening, in gevallen waarin de gedaagde zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van die lidstaat, tenzij er sprake is van aanwijzing van bevoegdheid in de zin van artikel 23 of 24 van verordening nr. 44/2001 en onverminderd de in die verordeningen bedoelde gevallen van aanhangigheid en samenhang.

 Vierde vraag

43      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel van toepassing kan zijn op rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002.

44      In dit verband zij opgemerkt dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag heeft vervangen; en dat de toepassing van deze bepaling op procedures die voortvloeien uit de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde rechtsvorderingen, krachtens artikel 79, lid 3, onder a), van die verordening is uitgesloten.

45      Het arrest van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, EU:C:2012:664), waaraan de verwijzende rechter refereert, is gewezen in een zaak die geen betrekking had op Gemeenschapsmodellen. Die rechtspraak is dus geenszins in tegenspraak met de in voornoemd artikel 79, lid 3, onder a), vervatte uitsluitingsregel.

46      Bijgevolg moet op de vierde vraag worden geantwoord dat de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel niet van toepassing is op rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002.

 Vijfde en zesde vraag

47      Met zijn vijfde en zesde vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie die samenhangen met een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel, voor zover toewijzing van deze vorderingen de voorafgaande toewijzing van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt, vallen onder de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel, of onder de bij verordening nr. 6/2002 ingestelde bevoegdheidsregeling. Mocht de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel op dergelijke vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie van toepassing zijn, dan vraagt deze rechter zich voorts af of hij een „extensieve” uitlegging kan geven aan de in artikel 28 van verordening nr. 44/2001 neergelegde regels op het gebied van samenhang, volgens welke het de eiser vrijstaat om de rechter aan te zoeken die eventueel internationaal bevoegd is om kennis te nemen van die vorderingen op de grond van bedoeld artikel 5, punt 3, en niet alleen van die vorderingen, maar ook van de bovengenoemde rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel.

48      Wat de mogelijkheid betreft om de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel toe te passen in een zaak als in het hoofdgeding, blijkt uit de prejudiciële vragen, alsook uit de uiteenzetting in de verwijzingsbeslissing, dat deze zaak wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat enkel een voorafgaande beslissing over de gegrondheid van de in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002 bedoelde rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk het mogelijk maakt om vast te stellen of vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie, in voorkomend geval, kunnen worden toegewezen.

49      In dit verband moet worden overwogen dat, wanneer vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie zijn ingesteld in het kielzog van een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel, en de houder van dat model daarin in wezen wordt verweten dat deze zich verzet tegen de vervaardiging, door de eiser tot vaststelling van de niet-inbreuk, van replica’s van dat model, de bepaling van de bevoegde rechter, voor het gehele geding, moet worden gebaseerd op de bij verordening nr. 6/2002 ingestelde bevoegdheidsregeling, zoals uitgelegd in antwoord op de eerste tot en met vierde prejudiciële vraag.

50      In een dergelijke situatie zijn deze vorderingen immers in wezen gebaseerd op het binnen het kader van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk aangevoerde betoog volgens hetwelk de vervaardiging van de replica’s geen inbreuk vormt, zodat de houder van het Gemeenschapsmodel de concurrentie die door deze replica’s ontstaat, moet aanvaarden. Het onder deze omstandigheden op basis van de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel bepalen van de bevoegde rechter, zou afbreuk doen aan de nuttige werking van artikel 79, lid 3, onder a), van verordening nr. 6/2002, die nu juist, met name met betrekking tot gedingen tussen fabrikanten van replica’s en houders van Gemeenschapsmodellen over de vraag of de houder van het betrokken Gemeenschapsmodel gemachtigd is de vervaardiging van de betrokken replica’s te verbieden, beoogt van die regel af te wijken.

51      Gelet op het voorgaande, behoeven de onderhavige vragen niet te worden beantwoord voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van artikel 28 van verordening nr. 44/2001.

52      Bijgevolg moet op de vijfde en zesde vraag worden geantwoord dat de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel niet van toepassing is op vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie die samenhangen met een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel, voor zover toewijzing van deze vorderingen de voorafgaande toewijzing van deze rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een aan onbevoegdheid van de aangezochte rechter ontleende exceptie die in het eerste verweerschrift subsidiair ten opzichte van andere – in datzelfde geschrift opgeworpen – procedurele excepties is opgeworpen, niet kan worden aangemerkt als een aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter en bijgevolg niet leidt tot een bevoegdheidsaanwijzing krachtens dat artikel.

2)      Artikel 82 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, moet aldus worden uitgelegd dat rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van die verordening, in gevallen waarin de gedaagde zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van die lidstaat, tenzij er sprake is van aanwijzing van bevoegdheid in de zin van artikel 23 of artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en onverminderd de in die verordeningen bedoelde gevallen van aanhangigheid en samenhang.

3)      De in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel is niet van toepassing op rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002.

4)      De in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel is niet van toepassing op vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie die samenhangen met een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel, voor zover toewijzing van deze vorderingen de voorafgaande toewijzing van deze rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Italiaans.