Language of document : ECLI:EU:C:2017:551

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 13 juli 2017 (1)

Zaak C341/16

Hanssen Beleggingen BV

tegen

Tanja Prast-Knipping

[verzoek van het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste deelstaatrechter Düsseldorf, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 2, lid 1 – Bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder – Artikel 22, punt 4 – Exclusieve bevoegdheid inzake de inschrijving of de geldigheid van merken – Geschil over de identiteit van de houder van een Benelux-merk – Beroep dat tegen de formele houder van een Benelux-merk is ingesteld en ertoe strekt dat deze afziet van zijn rechten als houder van het merk”






I.      Inleiding

1.        Bij beslissing van 14 juni 2016, ingekomen bij het Hof op 16 juni 2016, heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste deelstaatrechter Düsseldorf, Duitsland) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 22, punt 4, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Brussel I-verordening”)(2).

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hanssen Beleggingen BV en Tanja Prast-Knipping over een Benelux-merk waarvan deze laatste formeel de houdster is.

3.        De verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of het bij haar aanhangige geding onder de in artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid „voor de registratie of de geldigheid van [...] merken” valt, hetgeen zou impliceren dat de Duitse rechterlijke instanties – de verwijzende rechterlijke instantie daaronder begrepen – niet bevoegd zijn om kennis te nemen van dit geding. Indien dit geding niet onder die regel van exclusieve bevoegdheid valt, zouden de Duitse rechterlijke instanties op grond van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van deze verordening bevoegd zijn om kennis te nemen van het geding.

4.        Verder in mijn uiteenzetting zal ik aangeven waarom ik van mening ben dat een beroep in rechte als het bij de verwijzende rechterlijke instantie ingestelde beroep – dat ertoe strekt dat de persoon die formeel als houder van een merk is ingeschreven, bij de bevoegde autoriteit verklaart dat hij geen rechten heeft op dit merk en afziet van zijn inschrijving als houder van dit merk – niet onder de in artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid valt.

II.    Toepasselijke bepalingen

5.        Volgens de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van de Brussel I-verordening worden „[o]nverminderd deze verordening [...] zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”.

6.        Artikel 22, punt 4, eerste alinea, van die verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 6, „Exclusieve bevoegdheid”, van hoofdstuk II van die verordening, bepaalt dat ongeacht de woonplaats bij uitsluiting bevoegd zijn „voor de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie”, de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of wordt geacht te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Gemeenschap of een internationale overeenkomst.

III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure voor het Hof

7.        Het hoofdgeding betreft de rechten op een Benelux-merk. Prast-Knipping, verweerster in het hoofdgeding, woont te Hamminkeln (Duitsland). Zij is bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) ingeschreven als houdster van het hieronder weergegeven beeldmerk nr. 361604.

Image not found

8.        Op 7 september 1979 was verzocht, dit merk in te schrijven ten gunste van de onderneming Helmut Knipping. Op 14 november 2003 heeft Prast-Knipping op overlegging van een erfrechtverklaring waaruit bleek dat zij de enige erfgenaam van Helmut Knipping was, van het BBIE verkregen dat het litigieuze merk op haar naam werd overgeschreven.

9.        Hanssen Beleggingen BV (hierna: „Hanssen Beleggingen”), verzoekster in het hoofdgeding, is een vennootschap met zetel in Nederland.

10.      Hanssen Beleggingen vordert dat Prast-Knipping bij het BBIE verklaart dat zij geen rechten heeft op het litigieuze merk en afziet van haar inschrijving als houdster van het merk. Ter ondersteuning van haar vordering voert Hanssen Beleggingen aan dat zij als gevolg van een aantal overgangen van het litigieuze merk de werkelijke houdster van de rechten op dit merk is geworden. Zij is van mening dat zij dus beschikt over een wettelijk recht om te eisen dat Prast-Knipping die verklaring bij het BBIE aflegt.

11.      Bij vonnis van 24 juni 2015 heeft het Landgericht Düsseldorf (deelstaatrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) deze vordering afgewezen op grond dat Hanssen Beleggingen jegens Prast-Knipping geen op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerd recht kon aanvoeren, daar Prast-Knipping niet ten onrechte als formele houdster van het litigieuze merk in het Benelux-merkenregister was ingeschreven. Dit gerecht heeft geoordeeld dat het litigieuze merk op het tijdstip van het overlijden van Knipping deel uitmaakte van diens vermogen en dus bij rechtsopvolging onder algemene titel is overgegaan op diens enige erfgename, Prast-Knipping. Dit gerecht heeft zich niet uitgesproken over de internationale bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties, die door Prast-Knipping niet werd betwist.

12.      Hanssen Beleggingen heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Düsseldorf. Deze rechterlijke instantie heeft twijfel geuit over de internationale bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties. Zij beklemtoont dienaangaande dat deze bevoegdheid zou kunnen worden gebaseerd op artikel 2, lid 1, van de Brussel I-verordening, aangezien Prast-Knipping in Duitsland woont. Een exclusieve internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechterlijke instanties op grond van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening zou echter de internationale bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties kunnen uitsluiten.

13.      Verder heeft deze rechterlijke instantie gepreciseerd dat volgens artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 de Brussel I-verordening ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, daar het beroep vóór 10 januari 2015 is ingesteld.

14.      In die omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Omvat het begrip geschillen inzake ‚de registratie of de geldigheid van [...] merken’ bedoeld in artikel 22, punt 4, van [de Brussel I-]verordening ook een beroep dat ertoe strekt dat de persoon die in het Benelux-merkenregister formeel als houder van een Benelux-merk is ingeschreven, bij het [BBIE] verklaart dat hij geen rechten heeft op het betrokken merk en afziet van zijn inschrijving als merkhouder?”

15.      Prast-Knipping en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen pleitzitting plaatsgevonden.

IV.    Analyse

16.      Met haar prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie van het Hof te vernemen of een beroep in rechte als aan de orde in het hoofdgeding, dat ertoe strekt dat de persoon die formeel als houder van een Benelux-merk is ingeschreven, bij het BBIE verklaart dat hij geen rechten heeft op dit merk en afziet van zijn inschrijving als houder van dit merk, onder artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt.

17.      Zowel Prast-Knipping als de Commissie is van mening dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Ik ben het daarmee eens om de volgende redenen.

18.      Het Hof heeft, in het bijzonder in het arrest Duijnstee(3), al de gelegenheid gehad uitspraak te doen over de draagwijdte van de in artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid. Een van de vragen die het Hof in dat arrest heeft behandeld, betrof de uitlegging van het begrip „geschil ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien” in de zin van artikel 16, punt 4, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(4). Volgens mij is dit arrest, dat betrekking had op een soortgelijk geschil als het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geschil, van beslissend belang in het kader van de onderhavige zaak. Ik wijs erop dat het Hof de lering uit dit arrest in wezen heeft bevestigd in het arrest GAT(5).

19.      De zaak Duijnstee betrof een beroep dat F. Duijnstee, curator in het faillissement van de vennootschap Schroefboutenfabriek BV, tegen L. Goderbauer, voormalig directeur van deze onderneming, had ingesteld om te doen bevelen dat Goderbauer de in tweeëntwintig landen gedeponeerde octrooiaanvragen en verleende octrooien voor een uitvinding die hij tijdens zijn dienstverband bij die vennootschap had gedaan, aan de gefailleerde vennootschap zou overdragen.(6)

20.      Het Hof heeft geoordeeld dat dit begrip een autonoom begrip is dat in alle verdragsluitende staten op uniforme wijze dient te worden toegepast.(7)

21.      Om dit begrip uit te leggen heeft het Hof beklemtoond dat de toekenning van exclusieve bevoegdheid voor geschillen inzake de registratie of de geldigheid van octrooien aan de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten op het grondgebied waarvan de deponering of registratie van het octrooi is verzocht of heeft plaatsgehad, wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat deze rechterlijke instanties het best geplaatst zijn om kennis te nemen van de gevallen waarin het geschil zelf de geldigheid van het octrooi of het bestaan van de deponering of de registratie betreft.(8)

22.      Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat de draagwijdte van deze regel van exclusieve bevoegdheid, restrictief uitgelegd tegen de achtergrond van de hierboven genoemde nabijheidsdoelstelling, is beperkt tot geschillen betreffende de geldigheid, het bestaan of het verval van een octrooi of betreffende de aanspraak op een recht op voorrang uit hoofde van een eerdere deponering.(9)

23.      Aan het einde van zijn redenering heeft het Hof vastgesteld dat het voor de verwijzende rechterlijke instantie aanhangige geding niet binnen de aldus afgebakende werkingssfeer van artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag viel, aangezien het niet betrekking had op de geldigheid of de inschrijving van de litigieuze octrooien, maar alleen op de vraag of Goderbauer dan wel de gefailleerde vennootschap Schroefboutenfabriek houder van het octrooirecht was, hetgeen moest worden uitgemaakt op basis van de rechtsbetrekkingen die tussen de belanghebbenden hadden bestaan.(10)

24.      Deze redenering kan volgens mij om de volgende redenen volledig worden overgenomen in de onderhavige zaak.

25.      In de eerste plaats heeft het Hof al de gelegenheid gehad te oordelen dat, gelet op de gelijkenis tussen artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening en artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag, overeenkomstig overweging 19 van de Brussel I-verordening de continuïteit in de uitlegging van deze twee bepalingen dient te worden gewaarborgd.(11) Artikel 22, punt 4, van deze verordening berust immers op dezelfde systematiek als artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag en is bovendien in nagenoeg gelijke bewoordingen geformuleerd.(12) Volgens vaste rechtspraak geldt de uitlegging die het Hof met betrekking tot de bepalingen van het Executieverdrag heeft gegeven, namelijk ook voor de bepalingen van de Brussel I-verordening, wanneer de bepalingen van deze twee instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.(13)

26.      In de tweede plaats zie ik geen enkele reden om het door het Hof in het arrest Duijnstee(14) op het gebied van de octrooien geformuleerde criterium niet uit te breiden tot het gebied van de merken. Enerzijds wordt in de tekst van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening immers geen enkel onderscheid gemaakt tussen de geschillen inzake octrooien en die inzake merken. Anderzijds zijn de begrippen geldigheid, bestaan, verval of aanspraak op een recht op voorrang uit hoofde van een eerdere deponering ook relevant op het gebied van de merken.

27.      In de derde plaats wijs ik er, overeenkomstig het door het Hof in het arrest Duijnstee(15) geformuleerde criterium, op dat het hoofdgeding in de onderhavige zaak niet betrekking heeft op de geldigheid, het bestaan of het verval van het merk of op de aanspraak op een recht op voorrang uit hoofde van een eerdere deponering. Dit geding betreft immers alleen de vraag of Prast-Knipping dan wel Hanssen Beleggingen de houdster van het litigieuze merk is, hetgeen, net als in het hoofdgeding in de zaak Duijnstee, moet worden uitgemaakt op basis van de rechtsbetrekkingen die tussen de belanghebbenden hadden bestaan. Met andere woorden en zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dit geding betreft niet het merk als zodanig, maar wel degelijk de identificatie van de houder van het merk, een geschilpunt dat niet onder de inschrijving of de geldigheid van dat merk in de zin van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt.

28.      In dit verband impliceert de omstandigheid dat het door Hanssen Beleggingen ingestelde beroep met name erop is gericht te verkrijgen dat Prast-Knipping afziet van haar inschrijving als houdster van het litigieuze merk, niet dat het hoofdgeding onder het begrip „geschil inzake de registratie of de geldigheid van merken” in de zin van bovengenoemde bepaling valt. Deze vordering is immers slechts het accessorium van de hoofdvordering, die erop is gericht te doen erkennen dat het litigieuze merk niet aan Prast-Knipping toebehoort wegens een aantal particuliere overeenkomsten waarbij dat merk aan Hanssen Beleggingen zou zijn overgedragen.(16) Zoals ik in het vorige punt heb uitgelegd, betreft een dergelijk geschil niet de geldigheid, het bestaan of het verval van dat merk en evenmin de aanspraak op een recht op voorrang uit hoofde van een eerdere deponering.

29.      In de vierde plaats, en zoals Prast-Knipping en de Commissie hebben aangevoerd, voeg ik daaraan toe dat de met deze bepaling nagestreefde nabijheidsdoelstelling niet eraan in de weg staat dat het hoofdgeding niet onder de in die bepaling geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid valt.(17) Argumenten als die welke in het hoofdgeding worden onderzocht, die met name betrekking hebben op het bestaan van ongerechtvaardigde verrijking en op de draagwijdte van overeenkomsten tussen particulieren(18), hebben immers niets te maken met de geldigheid of de inschrijving van het litigieuze merk. Bijgevolg zijn de rechterlijke instanties van de staat op het grondgebied waarvan het merk is ingeschreven, niet het best geplaatst om kennis te nemen van dergelijke argumenten.

30.      Uit een en ander leid ik af dat het hoofdgeding niet onder de in artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening geformuleerde regel van exclusieve bevoegdheid valt. Bijgevolg zijn de Duitse rechterlijke instanties – de verwijzende rechterlijke instantie daaronder begrepen – als rechterlijke instanties van de lidstaat waar Prast-Knipping, verweerster in het hoofdgeding, woont, op grond van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van deze verordening internationaal bevoegd om kennis te nemen van dit geschil.

31.      In dit verband zij gepreciseerd dat het feit dat dit geding eventueel onder artikel 5, punt 3, van die verordening zou kunnen vallen op grond dat het door Hanssen Beleggingen ingestelde beroep met name op het bestaan van ongerechtvaardigde verrijking zou zijn gebaseerd, geen gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties op grond van artikel 2, lid 1, van die verordening. Eerstgenoemde bepaling formuleert immers een aanvullende – en geen exclusieve – bevoegdheidsgrond ten opzichte van de in de tweede bepaling geformuleerde bevoegdheidsgrond.

32.      Subsidiair, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het hoofdgeding onder artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt, zouden alleen de rechterlijke instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan het merk is geregistreerd, bevoegd zijn om kennis te nemen van dit geschil. Deze bepaling voorziet immers in een exclusieve bevoegdheid die toepassing van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van deze verordening uitsluit.

33.      Volgens de verwijzende rechterlijke instantie zou toepassing van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening impliceren dat de Duitse rechterlijke instanties niet bevoegd zijn om kennis te nemen van het hoofdgeding.(19)

34.      Verder wil ik nog wijzen op de draagwijdte van het arrest Brite Strike Technologies(20) in deze context. In dit arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat artikel 71 van de Brussel I-verordening, gelezen tegen de achtergrond van artikel 350 VWEU, niet eraan in de weg staat dat de in artikel 4.6 van het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)(21) (hierna: „BVIE”) geformuleerde regel inzake rechterlijke bevoegdheid voor geschillen inzake Benelux-merken, -tekeningen en -modellen op die geschillen wordt toegepast.

35.      Die rechtspraak lijkt mij echter volstrekt irrelevant voor het bepalen van de internationale bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties, het geschilpunt dat het voorwerp van het hoofdgeding is, aangezien de Bondsrepubliek Duitsland geen partij is bij het Benelux-Verdrag. Het lijk mij immers moeilijk voorstelbaar dat een verdrag waarbij de Bondsrepubliek Duitsland geen partij is, dwingende gevolgen kan hebben voor de Duitse rechterlijke instanties. Ik wijs erop dat het arrest Brite Strike Technologies(22), anders dan de onderhavige zaak, betrekking had op een geding voor een Nederlandse rechterlijke instantie.

36.      Deze uitlegging wordt, voor zover nodig, bevestigd door de tekst van artikel 71, lid 2, onder a), van de Brussel I-verordening, dat volgens de bewoordingen ervan, wordt toegepast op het „gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp”(23).

37.      Ingeval het Hof zou oordelen dat het hoofdgeding onder artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening valt, zou de verwijzende rechterlijke instantie zich dus op grond van artikel 25 van deze verordening ambtshalve onbevoegd moeten verklaren. Alleen ingeval het hoofdgeding voor een rechterlijke instantie van een Benelux-lidstaat zou zijn gebracht, zou artikel 4.6 van het Benelux-Verdrag, overeenkomstig het arrest Brite Strike Technologies(24), door deze rechterlijke instantie in aanmerking kunnen worden genomen om te onderzoeken of zij bevoegd is.

V.      Conclusie

38.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:

„Een beroep in rechte als aan de orde in het hoofdgeding, dat ertoe strekt dat de persoon die formeel als houder van een Benelux-merk is ingeschreven, bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) verklaart dat hij geen rechten heeft op dit merk en afziet van zijn inschrijving als houder van dit merk, valt niet onder artikel 22, punt 4, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2001, L 12, blz. 1. De verwijzende rechterlijke instantie heeft uiteengezet waarom deze verordening, die inmiddels is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), ratione temporis van toepassing in het hoofdgeding. Zie punt 13 van de onderhavige conclusie.


3      Arrest van 15 november 1983 (288/82, EU:C:1983:326).


4      PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”. Over de verplichting om voor de uitlegging van artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening rekening te houden met de rechtspraak betreffende artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag, zie punt 25 van de onderhavige conclusie.


5      Arrest van 13 juli 2006, GAT (C‑4/03, EU:C:2006:457, punten 14‑23).


6      Arrest van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punt 3).


7      Arresten van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punt 19), en 13 juli 2006, GAT (C‑4/03, EU:C:2006:457, punt 14).


8      Arresten van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punt 22), en 13 juli 2006, GAT (C‑4/03, EU:C:2006:457, punten 21‑23).


9      Arresten van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punten 23‑25), en 13 juli 2006, GAT (C‑4/03, EU:C:2006:457, punt 15).


10      Arrest van 15 november 1983, Duijnstee (288/82, EU:C:1983:326, punt 26).


11      Arrest van 12 juli 2012, Solvay (C‑616/10, EU:C:2012:445, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


12      Het enige verschil in formulering bestaat hierin dat de zinsnede „in de zin van een internationale overeenkomst” in artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag de zinsnede „in de zin van een besluit van de Gemeenschap of een internationale overeenkomst” is geworden in artikel 22, punt 4, eerste alinea, van de Brussel I-verordening.


13      Zie met name arresten van 16 juli 2009, Zuid-Chemie (C‑189/08, EU:C:2009:475, punt 18); 12 juli 2012, Solvay (C‑616/10, EU:C:2012:445, punt 42 een aldaar aangehaalde rechtspraak); 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a. (C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 38), en 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 22).


14      Arrest van 15 november 1983 (288/82, EU:C:1983:326, punten 24 en 25).


15      Arrest van 15 november 1983 (288/82, EU:C:1983:326, punten 24 en 25).


16      Zie punten 10 en 11 van de onderhavige conclusie.


17      Zie punt 21 van de onderhavige conclusie.


18      Zie punten 10 en 11 van de onderhavige conclusie.


19      Zie punt 12 van de onderhavige conclusie.


20      Arrest van 14 juli 2016 (C‑230/15 P, EU:C:2016:560, punt 66).


21      Verdrag van 25 februari 2005, ondertekend te ’s‑Gravenhage door het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden. Dit verdrag is in werking getreden op 1 september 2006.


22      Arrest van 14 juli 2016 (C‑230/15, EU:C:2016:560).


23      Cursivering van mij. Artikel 71 van de Brussel I-verordening bepaalt:


      „1.      Deze verordening laat onverlet de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.


      2.      Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:


      a)      deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 26 van deze verordening toe;


      [...]”


24      Arrest van 14 juli 2016 (C‑230/15, EU:C:2016:560).