Language of document : ECLI:EU:C:2017:573

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

20 juli 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke handelspraktijken – Richtlijn 2005/29/EG – Werkingssfeer – Incassobedrijf – Consumentenkrediet – Cessie van schuldvordering – Aard van de juridische verhouding tussen het bedrijf en de debiteur – Artikel 2, onder c) – Begrip ‚product’ – Invorderingsmaatregelen die parallel met het optreden van een gerechtsdeurwaarder worden toegepast”

In zaak C‑357/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 20 juni 2016, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2016, in de procedure

„Gelvora” UAB

tegen

Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: M. Berger, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur) en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas, A. Mikočiūnienė en G. Taluntytė als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door B. Tidore, avvocato dello Stato,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin en A. Steiblytė als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Gelvora” UAB en de Valstybinė vartotojų teisių apsaugos tarnyba (nationale autoriteit voor consumentenbescherming; hierna: „autoriteit”) met betrekking tot het besluit van deze laatste om die vennootschap een sanctie op te leggen wegens oneerlijke handelspraktijken.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Overweging 13 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken luidt als volgt:

„Om de doelstellingen van de Gemeenschap te kunnen verwezenlijken door belemmeringen voor de interne markt weg te nemen, moeten de bestaande, uiteenlopende algemene bepalingen en rechtsbeginselen van de lidstaten worden vervangen. Het bij deze richtlijn ingestelde ene gemeenschappelijke, algemene verbod geldt voor oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. Teneinde het consumentenvertrouwen te versterken, dient het algemene verbod evenzeer van toepassing te zijn op oneerlijke handelspraktijken die buiten een contractuele relatie tussen een handelaar en een consument staan of na de sluiting van een contract en gedurende de uitvoering daarvan worden toegepast. Dit algemene verbod wordt verder uitgewerkt in regels betreffende de twee soorten handelspraktijken die veruit het meeste voorkomen, namelijk misleidende handelspraktijken en agressieve handelspraktijken.”

4        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt het volgende:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

c)      ‚product’: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;

d)      ‚handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

[...]”

5        Artikel 3, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”

 Litouws recht

6        De Lietuvos Respublikos nesąžiningos komercinės veiklos vartotojams draudimo įstatymas (wet inzake het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten) van 21 december 2007 zet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken om in nationaal recht.

7        In artikel 2, punt 8, van deze wet wordt het begrip „product” gedefinieerd terwijl artikel 3, lid 1, respectievelijk lid 2, punt 1, ervan voorziet in een algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken en de omstandigheden vaststelt waaronder een handelspraktijk als oneerlijk wordt aangemerkt.

8        Volgens artikel 5, lid 1, punt 4, van die wet bestaat een misleidende handeling in het verstrekken van informatie die op onwaarheden berust of de gemiddelde consument kan misleiden ten aanzien van de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel.

9        Artikel 6, lid 1, punt 1, van de wet inzake het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten bepaalt dat een handeling die de consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen, een misleidende omissie vormt wanneer daarbij essentiële informatie welke de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen, wordt weggelaten. In artikel 6, lid 3, punt 3, van deze wet is bepaald dat in het geval van een uitnodiging tot aankoop de informatie over de prijzen essentieel is.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10      Gelvora, een privaatrechtelijk incassobedrijf, heeft met banken overeenkomsten tot cessie van schuldvorderingen gesloten, op basis waarvan zij vorderingsrechten heeft verworven die voortvloeien uit consumentenkredietovereenkomsten die de cederende banken met consumenten hadden gesloten. Gelvora heeft op basis van haar cessieovereenkomsten vorderingen ingeleid tegen schuldenaars, in sommige gevallen parallel met procedures van gedwongen invordering die gerechtsdeurwaarders voerden op basis van definitieve rechterlijke beslissingen.

11      In die context hebben vier consumenten bij de autoriteit een klacht ingediend tegen Gelvora. Die kwam tot de conclusie dat Gelvora de nationale bepalingen betreffende het verbod op oneerlijke handelspraktijken had overtreden.

12      De autoriteit kwam tot de slotsom dat de handelspraktijken van Gelvora in strijd waren met artikel 3, lid 1, van de wet inzake het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten en heeft haar een boete van 3 475,44 EUR opgelegd.

13      Gelvora heeft bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (regionale bestuursrechter Vilnius, Litouwen) beroep tot nietigverklaring van het besluit van de autoriteit ingesteld.

14      Bij vonnis van 18 mei 2015 heeft deze rechterlijke instantie het beroep van Gelvora ongegrond verklaard.

15      Die rechter heeft onder meer vastgesteld dat bij de betrekkingen tussen de schuldenaars en Gelvora sprake was van betrekkingen tussen een handelaar en consumenten, en geoordeeld dat deze onderneming een handelaar was die consumenten een product of een dienst verstrekt, namelijk schuldbeheer.

16      Gelvora heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), die van oordeel is dat de oplossing van het bij hem aangebrachte geschil afhangt van de uitlegging van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

17      Daarop heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst, binnen de werkingssfeer van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken], wanneer de onderneming handelingen inzake schuldinvordering verricht?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip ‚product’ in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken] ook betrekking op handelingen tot invordering van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke kredietgever gesloten consumentenkredietovereenkomst?

3)      Valt de juridische verhouding tussen een onderneming die een schuldvordering heeft verworven op grond van een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen, en een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, binnen de werkingssfeer van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken], wanneer de onderneming parallelle handelingen inzake schuldinvordering verricht?

4)      Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: heeft het begrip ‚product’ in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken] ook betrekking op handelingen tot invordering van een krachtens een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen verworven schuldvordering ten aanzien van een natuurlijke persoon die schuldenaar is krachtens een met de oorspronkelijke kredietgever gesloten consumentenkredietovereenkomst en reeds is veroordeeld tot betaling van deze schuld bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

18      Met zijn vier vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de juridische verhouding tussen een privaatrechtelijk incassobedrijf en een schuldenaar die in gebreke is gebleven bij de nakoming van een consumentenkredietovereenkomst, waarbij de schuldvordering aan het incassobedrijf is gecedeerd, binnen de werkingssfeer van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken valt, en zo ja, of de praktijken die een dergelijk bedrijf toepast om haar schuldvordering in te vorderen onder het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van deze richtlijn vallen. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter of het antwoord hetzelfde blijft indien het bestaan van de schuld is bevestigd door een rechterlijke beslissing die aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging.

19      Wat om te beginnen de vraag betreft of een activiteit van invordering van schuldvorderingen binnen de werkingssfeer van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken kan vallen, zij ten eerste eraan herinnerd dat artikel 2, onder d), van deze richtlijn het begrip „handelspraktijken” bijzonder ruim definieert als „iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten” (arrest van 19 september 2013, CHS Tour Services, C‑435/11, EU:C:2013:574, punt 27).

20      Ten tweede bepaalt artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, gelezen in het licht van overweging 13 ervan, dat deze richtlijn van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken die een onderneming zelfs buiten een contractuele relatie vóór of na de sluiting van een contract, of gedurende de uitvoering daarvan, toepast.

21      Bijgevolg omvat de uitdrukking „die rechtstreeks verband houdt met de verkoop van een product” niet alleen alle maatregelen die in verband met de sluiting van een contract worden genomen, maar ook die welke in verband met de uitvoering daarvan worden genomen, met name de maatregelen om de betaling van het product te verkrijgen.

22      In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de aan Gelvora gecedeerde schuldvorderingen hun oorsprong vinden in het verrichten van een dienst, te weten de verlening van een krediet, waarbij de tegenprestatie bestaat in de terugbetaling van het krediet in termijnen, vermeerderd met rente tegen een vooraf vastgestelde rentevoet.

23      Bijgevolg kunnen de activiteiten van schuldinvordering als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, worden beschouwd als een „product” in de zin van artikel 2, onder c), van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

24      Aan een dergelijke vaststelling wordt vervolgens niet afgedaan door de in de eerste en de derde prejudiciële vraag bedoelde omstandigheid dat de invorderingshandelingen worden verricht door een rechtspersoon die een vorderingsrecht jegens een consument heeft verkregen ingevolge de cessie van dat recht door de oorspronkelijke kredietgever, en die als een handelaar ten aanzien van die consument optreedt.

25      Een incassobedrijf zoals Gelvora verleent als zodanig weliswaar geen dienst in de vorm van een consumentenkrediet aan de consument, maar dat immers neemt niet weg dat haar activiteit, te weten de invordering van schulden die aan haar zijn gecedeerd, onder het begrip – eventueel oneerlijke – „handelspraktijk” in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken valt, aangezien de handelingen die zij verricht het besluit van de consument over de betaling van het product kunnen beïnvloeden.

26      Dienaangaande verklaart de Commissie in het document met als opschrift „Leidraad voor de tenuitvoerlegging/toepassing van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken” van 25 mei 2016 [SWD(2016) 163 final] dat de activiteiten van invordering van schuldvorderingen moeten worden beschouwd als handelspraktijken na de verkoop. Bovendien blijkt uit de voorbeelden die de Commissie in dit document aanhaalt dat een aantal nationale rechterlijke instanties van oordeel zijn dat de activiteiten van incassobedrijven binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

27      Ten eerste kunnen de voorwaarden waaronder een schuldvordering op een consument wordt ingevorderd, zo belangrijk zijn dat zij het besluit van de consument om een krediet aan te gaan op doorslaggevende wijze kunnen beïnvloeden, in het bijzonder wanneer de handelingen tot invordering vormen aannemen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

28      Anderzijds zou het buiten toepassing laten van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot kredietaflossingen in geval van cessie van schuldvorderingen, afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van de bescherming die deze richtlijn aan consumenten biedt, omdat handelaars in de verleiding zouden kunnen komen de invorderingsfase af te stoten teneinde te ontkomen aan de beschermende bepalingen van die richtlijn.

29      Om diezelfde reden, ten slotte, heeft de omstandigheid dat de opeisbaarheid van de schuld door een rechterlijke beslissing is bevestigd en dat het incassobedrijf, parallel met die tenuitvoerleggingsprocedure, andere op zichzelf staande invorderingshandelingen verricht, helemaal geen invloed op het antwoord.

30      Afgezien van het feit dat het verrichten van dergelijke handelingen parallel met een officiële tenuitvoerleggingsprocedure door een gerechtsdeurwaarder de debiteur kan misleiden ten aanzien van de aard van de tegen hem gevoerde procedure, moet de handelaar die heeft besloten om autonoom tot de invordering van de schulden over te gaan, omwille van het nuttig effect van de bescherming die de consument door de richtlijn oneerlijke handelspraktijken wordt gewaarborgd, immers aan de bepalingen van deze richtlijn worden onderworpen wat de handelingen betreft die hij zelf parallel met een gedwongen tenuitvoerleggingsprocedure verricht.

31      Gelet op die overwegingen, moet de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus worden uitgelegd dat de juridische verhouding tussen een incassobedrijf en een schuldenaar die in gebreke is gebleven bij de nakoming van een consumentenkredietovereenkomst, waarbij de schuldvordering aan het incassobedrijf is gecedeerd, binnen de werkingssfeer ratione materiae van deze richtlijn valt. De praktijken die een dergelijk bedrijf toepast om haar schuldvordering in te vorderen, vallen onder het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van deze richtlijn. In dit verband doet de omstandigheid dat de schuld is bevestigd door een rechterlijke beslissing, en dat die beslissing aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, niet ter zake.

 Kosten

32      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat de juridische verhouding tussen een incassobedrijf en een schuldenaar die in gebreke is gebleven bij de nakoming van een consumentenkredietovereenkomst, waarbij de schuldvordering aan het incassobedrijf is gecedeerd, binnen de werkingssfeer ratione materiae van deze richtlijn valt. De praktijken die een dergelijk bedrijf toepast om haar schuldvordering in te vorderen, vallen onder het begrip „product” in de zin van artikel 2, onder c), van deze richtlijn. In dit verband doet de omstandigheid dat de schuld is bevestigd door een rechterlijke beslissing, en dat die beslissing aan een gerechtsdeurwaarder is verstrekt voor tenuitvoerlegging, niet ter zake.

ondertekeningen


*      Procestaal: Litouws.