Language of document : ECLI:EU:C:2017:724

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

27 september 2017 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Verordening (EG) nr. 6/2002 – Artikel 20, lid 1, onder c), artikel 79, lid 1, en artikelen 82, 83, 88 en 89 – Vordering wegens inbreuk – Beperking van de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten – Begrip ‚illustratie’ – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 6, punt 1 – Bevoegdheid ten aanzien van de medeverweerder die gevestigd is buiten de lidstaat waar de zaak aanhangig is – Territoriale bevoegdheid van de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Artikel 8, lid 2 – Recht dat van toepassing is op vorderingen strekkende tot het gelasten van sancties en andere maatregelen”

In de gevoegde zaken C‑24/16 en C‑25/16,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) bij beslissingen van 7 januari 2016, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2016, in de procedures

Nintendo Co. Ltd

tegen

BigBen Interactive GmbH,

BigBen Interactive SA,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Prechal, C. Toader en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 december 2016,

gelet op de opmerkingen van:

–        Nintendo Co. Ltd, vertegenwoordigd door A. von Mühlendahl en H. Hartwig, Rechtsanwälte,

–        BigBen Interactive GmbH en BigBen Interactive SA, vertegenwoordigd door W. Götz, C. Onken en C. Kurtz, Rechtsanwälte,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 maart 2017,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 20, lid 1, onder c), artikel 79, lid 1, en de artikelen 82, 83, 88 en 89 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), van artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), en van artikel 8, lid 2, en artikel 15 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB 2007, L 199, blz. 40).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen Nintendo Co. Ltd (hierna: „Nintendo”), een in Japan gevestigde vennootschap, enerzijds, en BigBen Interactive GmbH (hierna: „BigBen Duitsland”), een in Duitsland gevestigde vennootschap, en BigBen Interactive SA (hierna: „BigBen Frankrijk”), de in Frankrijk gevestigde moedermaatschappij van BigBen Duitsland, anderzijds. Deze gedingen betreffen vorderingen wegens inbreuk op grond dat verweersters in de hoofdgedingen de rechten zouden hebben geschonden die Nintendo ontleent aan de gemeenschapsmodellen waarvan zij houdster is.

 Unierecht

 Verordening nr. 44/2001

3        Verordening nr. 44/2001 heeft in de betrekkingen tussen de lidstaten het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, dat op 27 september 1968 te Brussel werd ondertekend (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: „Executieverdrag”), vervangen. Deze verordening is zelf ingetrokken en vervangen door verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), die van toepassing is vanaf 10 januari 2015. Artikel 66 van laatstgenoemde verordening bepaalt in lid 1 ervan dat deze verordening „slechts van toepassing [is] op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015”.

4        Overweging 11 van verordening nr. 44/2001 luidde:

„De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. [...]”

5        Artikel 6, punt 1, van deze verordening bepaalde:

„[Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat] kan ook worden opgeroepen:

1)       indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

6        Artikel 68, lid 2, van deze verordening bepaalde:

„Voor zover deze verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats komt van het [Executieverdrag], geldt elke verwijzing naar dat verdrag als een verwijzing naar deze verordening.”

 Verordening nr. 6/2002

7        De overwegingen 6, 7 en 22 alsmede 29 tot en met 31 van verordening nr. 6/2002 luiden als volgt:

„(6)       [...] de doelstellingen van het overwogen optreden, met name één recht op een model te verkrijgen dat in één, alle lidstaten omvattend gebied, geldig is, [kunnen] wegens de grootschalige gevolgen van de instelling van een communautair modellenrecht en een ter zake bevoegde gemeenschappelijke modelleninstantie niet voldoende door de lidstaten [...] worden verwezenlijkt [...]

(7)       Een betere bescherming van industriële vormgeving bevordert niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers aan de vooraanstaande rol van de [Unie] op dit gebied, maar moedigt [...] ook innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan.

[...]

(22)       Het doen naleven van deze rechten dient een zaak van nationaal recht te zijn en het is derhalve noodzakelijk dat in een aantal, voor alle lidstaten uniforme, basissancties wordt voorzien. Deze moeten het mogelijk maken om, ongeacht de daartoe aangezochte rechterlijke instantie, de inbreukmakende handelingen te doen staken.

[...]

(29)       [Het is van wezenlijk belang de uitoefening van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten doeltreffend te waarborgen in de gehele Unie.]

(30)       Het stelsel voor de behandeling van geschillen moet ‚forum shopping’ zoveel mogelijk uitsluiten. Daartoe moeten duidelijke internationale bevoegdheidsregels worden vastgesteld.

(31)      Deze verordening sluit niet uit dat op als gemeenschapsmodel beschermde modellen wetgeving inzake de industriële eigendom of andere relevante wetgeving van de lidstaten van toepassing is, onder meer die betreffende door inschrijving verworven modellenbescherming of betreffende niet-ingeschreven modellen, alsook betreffende merken, octrooien en gebruiksmodellen, oneerlijke mededinging en burgerrechtelijke aansprakelijkheid.”

8        Artikel 1, lid 3, van deze verordening bepaalt:

„Het gemeenschapsmodel vormt een eenheid. Het heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele [Unie]. Inschrijving, overdracht, afstand, vervallen- of nietigverklaring en verbod op het gebruik ervan zijn slechts voor de gehele [Unie] mogelijk. Dit beginsel en de implicaties ervan zijn van toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt.”

9        Artikel 19, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Een ingeschreven gemeenschapsmodel verleent aan de houder ervan het uitsluitende recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.”

10      Artikel 20 van verordening nr. 6/2002, met het opschrift „Beperking van de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten”, bepaalt in lid 1 ervan:

„De rechten op een gemeenschapsmodel mogen niet geldend worden gemaakt voor handelingen:

a)       in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden;

b)       voor experimentele doeleinden;

c)       bestaande in de reproductie ter illustratie of voor onderricht, mits deze handelingen verenigbaar zijn met de eerlijke handelsgebruiken, zij niet zonder noodzaak afbreuk doen aan de normale exploitatie van het model en de bron wordt vermeld.”

11      Artikel 79, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Tenzij deze verordening anders bepaalt, is het [Executieverdrag] van toepassing op de procedures betreffende ingeschreven gemeenschapsmodellen en aanvragen om ingeschreven gemeenschapsmodellen, alsmede op de procedures betreffende vorderingen die worden ingesteld op grond van gemeenschapsmodellen en nationale modellen welke gelijktijdige bescherming genieten.”

12      Krachtens artikel 79, lid 3, van deze verordening zijn de artikelen 2 en 4, artikel 5, leden 1 en 3 tot en met 5, artikel 16, lid 4, en artikel 24 van het Executieverdrag niet van toepassing op procedures die het gevolg zijn van de in artikel 81 bedoelde rechtsvorderingen. Tevens blijkt uit dat artikel 79, lid 3, dat de artikelen 17 en 18 van het Executieverdrag van toepassing zijn binnen de grenzen van artikel 82, lid 4, van verordening nr. 6/2002.

13      Artikel 80, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„De lidstaten wijzen op hun grondgebied een zo gering mogelijk aantal nationale rechterlijke instanties van eerste en tweede aanleg aan, de ‚rechtbanken voor het gemeenschapsmodel’, die de hun bij deze verordening opgedragen taken vervullen.”

14      Artikel 81, onder a), van deze verordening bepaalt:

„De rechtbanken voor het gemeenschapsmodel hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van:

a)       alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op gemeenschapsmodellen”.

15      Artikel 82 van verordening nr. 6/2002 bepaalt:

„1.      Onverminderd de bepalingen van deze verordening en van de krachtens artikel 79 toepasselijke bepalingen van het [Executieverdrag], worden procedures ingevolge de in artikel 81 bedoelde rechtsvorderingen aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in een lidstaat waar hij een vestiging heeft.

[...]

5.       Procedures ingevolge de in artikel 81, onder a) en d), bedoelde rechtsvorderingen kunnen ook worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden.”

16      Artikel 83 van deze verordening bepaalt:

„1.      Een krachtens artikel 82, leden 1, 2, 3 of 4, bevoegde rechtbank voor het gemeenschapsmodel is bevoegd ter zake van inbreuk of dreigende inbreuk op het grondgebied van alle lidstaten.

2.      Een krachtens artikel 82, lid 5, bevoegde rechtbank voor het gemeenschapsmodel is alleen bevoegd ter zake van inbreuk of dreigende inbreuk op het grondgebied van de lidstaat waar [die] rechtbank is gelegen.”

17      Artikel 88, leden 2 en 3, van deze verordening bepaalt:

„2.      Op alle zaken die niet in deze verordening zijn geregeld, past de rechtbank voor het gemeenschapsmodel het nationale recht toe, met inbegrip van zijn internationaal privaatrecht.

3.      Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, past een rechtbank voor het gemeenschapsmodel het procesrecht toe dat geldt voor soortgelijke rechtsvorderingen betreffende een nationaal modelrecht in de lidstaat waar de rechtbank gelegen is.”

18      Artikel 89 van verordening nr. 6/2002 bepaalt:

„1.      Wanneer een rechtbank voor het gemeenschapsmodel in een procedure betreffende een inbreuk of dreigende inbreuk van oordeel is dat de gedaagde inbreuk op een gemeenschapsmodel heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken, gelast zij, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen, de volgende maatregelen:

a)       een verbod aan de gedaagde de handelingen te verrichten die inbreuk hebben gemaakt of zouden maken op het gemeenschapsmodel;

b)       inbeslagname van de inbreukmakende voortbrengselen;

c)       inbeslagname van de materialen en gereedschappen [...];

d)      oplegging van andere passende sancties waarin wordt voorzien in het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht.

2.      De rechtbank voor het gemeenschapsmodel treft tevens maatregelen overeenkomstig het nationale recht om de in de lid 1 genoemde bevelen te doen naleven.”

 Verordening nr. 864/2007

19      De overwegingen 6, 7, 13, 14, 16 en 19 van verordening nr. 864/2007 luiden:

„(6)      De goede werking van de interne markt vereist, ter bevordering van de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en het vrije verkeer van vonnissen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig wordt gemaakt.

(7)       Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening moeten stroken met [verordening nr. 44/2001] en met de instrumenten betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.

[...]

(13)       Eenvormige regels die worden toegepast ongeacht het recht dat zij aanwijzen, kunnen concurrentievervalsing tussen [...] justitiabelen [van de Unie] voorkomen.

(14)       De eis van rechtszekerheid en de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen zijn wezenlijke onderdelen van een ruimte van rechtvaardigheid. Deze verordening voorziet in de aanknopingsfactoren die het meest geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken. Derhalve schrijft deze verordening een algemene regel voor, maar voorziet zij ook in specifieke regels en, in sommige bepalingen, in een ‚ontsnappingsclausule’ waardoor mag afgeweken worden van deze regels voor het geval dat uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een andere lidstaat. Dit geheel van regels schept aldus een flexibel kader van collisieregels. Eveneens kunnen de rechtbanken waarbij individuele geschillen aanhangig zijn gemaakt, deze op een passende wijze behandelen.

[...]

(16)      Eenvormigheid van de regels moet de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken vergroten en een redelijk evenwicht garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt. De aanknoping met het land van de plaats waar de directe schade zich heeft voorgedaan (lex loci damni), zorgt voor een billijk evenwicht tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en van de persoon die schade lijdt, en ligt tevens in de lijn van de moderne opvatting van het aansprakelijkheidsrecht en van de ontwikkeling van stelsels van risicoaansprakelijkheid.

[...]

(19)       Er dient te worden voorzien in specifieke regels voor bijzondere soorten van onrechtmatige daden waarvoor op grond van de algemene regel geen billijk evenwicht kan worden bereikt tussen de in het geding zijnde belangen.”

20      Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.”

21      Artikel 8, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalt:

„1.      De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevorderd.

2.      De niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een unitair communautair intellectuele-eigendomsrecht, wordt, voor alle aangelegenheden die niet door het desbetreffende communautaire instrument zijn geregeld, beheerst door het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd.”

22      Artikel 15, onder a), d), en g), van deze verordening bepaalt:

„Het recht dat krachtens deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, regelt met name:

a)      de grond en de omvang van de aansprakelijkheid, waaronder begrepen het vaststellen wie voor een handeling aansprakelijk gesteld kan worden;

[...]

d)      de maatregelen die de rechter, binnen de grenzen van zijn procesrechtelijke bevoegdheid, kan treffen om letsel of schade te voorkomen, te beperken of te laten vergoeden;

[...]

g)       de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen”.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

23      Nintendo is een multinationale onderneming die actief is op het gebied van de productie en de verkoop van videospelletjes en videospelconsoles, waaronder de Wii-videospelconsole en accessoires daarvoor. Zij is houdster van verschillende ingeschreven gemeenschapsmodellen betreffende Wii-accessoires, zoals de Wii-afstandsbediening, het accessoire „Nunchuck” voor de Wii-afstandsbediening, waardoor compatibele spelletjes anders kunnen worden aangestuurd, de connector „Wii Motion Plus”, die kan worden aangesloten op de afstandsbediening, alsmede het Balance Board, een accessoire waarmee de speler het spel kan aansturen door gewichtsverplaatsing.

24      BigBen Frankrijk vervaardigt afstandsbedieningen en andere accessoires die compatibel zijn met de Wii-videospelconsole, en verkoopt deze via haar website rechtstreeks aan de consument in Frankrijk, België en Luxemburg, alsmede aan haar dochteronderneming BigBen Duitsland. Deze laatste verkoopt via haar website de door BigBen Frankrijk vervaardigde producten verder aan de consument in Duitsland en Oostenrijk.

25      Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat BigBen Duitsland geen eigen productvoorraad heeft. De door de consument bij haar geplaatste bestellingen geeft zij door aan BigBen Frankrijk. De levering van de beweerdelijk inbreukmakende producten gebeurt dus vanuit Frankrijk. BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk gebruiken ook afbeeldingen van producten die overeenstemmen met de beschermde modellen waarvan Nintendo houdster is, in de context van de rechtmatige verkoop, ook voor reclamedoeleinden, van bepaalde andere door hen in de handel gebrachte producten.

26      Nintendo is van mening dat de verkoop door BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk van bepaalde, door laatstgenoemde vervaardigde producten inbreuk maakt op de rechten die zij ontleent aan de ingeschreven gemeenschapsmodellen waarvan zij houdster is. Zij is tevens van mening dat deze twee ondernemingen niet het recht hebben om in het kader van hun handelsactiviteit gebruik te maken van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met die beschermde modellen. Bijgevolg heeft zij bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) tegen BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk vorderingen ingesteld tot vaststelling dat deze ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op de rechten die zij ontleent aan die modellen.

27      Het Landgericht Düsseldorf heeft erkend dat BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk inbreuk hebben gemaakt op de ingeschreven gemeenschapsmodellen van Nintendo. Deze rechter heeft de vorderingen evenwel afgewezen voor zover deze betrekking hadden op het gebruik, door verweersters in de hoofdgedingen, van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met die modellen. Aldus heeft hij BigBen Duitsland gelast, het gebruik van die modellen op het grondgebied van de Unie te staken, en heeft hij tevens – zonder territoriale beperking – de nevenvorderingen van Nintendo toegewezen, die strekten tot overlegging van bepaalde informatie, boekhoudkundige documenten en documenten die in handen zijn van verweersters in de hoofdgedingen, tot vaststelling van de verplichting tot schadevergoeding, tot vernietiging en terugroeping van de betrokken producten en tot publicatie van de uitspraak, alsmede tot terugbetaling van de advocatenkosten van Nintendo (hierna: „nevenvorderingen”).

28      Met betrekking tot BigBen Frankrijk heeft het Landgericht Düsseldorf zijn internationale bevoegdheid erkend en deze onderneming gelast, het gebruik van de betrokken beschermde modellen op het grondgebied van de Unie te staken. Wat de nevenvorderingen betreft heeft deze rechter de werking van zijn uitspraak beperkt tot de handelingen van BigBen Frankrijk die verband hielden met de aan BigBen Duitsland geleverde producten, zonder territoriale beperking van zijn uitspraak. Als het toepasselijke recht beschouwde hij het recht van de plaats waar de inbreuk werd gemaakt, en hij was van oordeel dat het in casu ging om het Duitse, het Oostenrijkse en het Franse recht.

29      Zowel Nintendo als verweersters in de hoofdgedingen hebben bij het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf) hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

30      Tot staving van haar hoger beroep voert BigBen Frankrijk aan dat de Duitse rechterlijke instanties niet bevoegd zijn om jegens haar beslissingen vast te stellen met werking in de gehele Unie. Zij is van mening dat dergelijke uitspraken enkel een nationale territoriale werking kunnen hebben. Nintendo komt op tegen het feit dat die beslissingen enkel betrekking hebben op de producten die zich in de toeleveringsketen tussen verweersters in de hoofdgedingen bevinden. Tevens voert Nintendo aan dat verweersters in de hoofdgedingen niet het recht kan worden toegekend om in het kader van hun handelsactiviteit afbeeldingen van producten die overeenstemmen met de ingeschreven gemeenschapsmodellen, te gebruiken met het oog op de verkoop van hun eigen producten, terwijl verweersters in de hoofdgedingen stellen dat een dergelijk gebruik verenigbaar is met verordening nr. 6/2002. Verder is Nintendo van mening dat het Duitse recht moet worden toegepast op haar vorderingen tegen BigBen Duitsland en het Franse recht op die tegen BigBen Frankrijk, anders dan het Landgericht Düsseldorf heeft geoordeeld.

31      Nintendo verzoekt de verwijzende rechter derhalve om verweersters in de hoofdgedingen het verbod op te leggen om de betrokken producten in de Unie te vervaardigen, in te voeren, uit te voeren, te gebruiken of daartoe te bezitten en/of deze producten weer te geven of afbeeldingen van die producten te gebruiken die overeenstemmen met de gemeenschapsmodellen van Nintendo, op het gehele grondgebied van de Unie. De vordering van Nintendo tot staking van de vervaardiging van de producten die volgens haar inbreuk maken op de ingeschreven gemeenschapsmodellen waarvan zij houdster is, betreft enkel BigBen Frankrijk.

32      Nintendo vraagt tevens om haar nevenvorderingen toe te wijzen.

33      In deze omstandigheden zet de verwijzende rechter in de eerste plaats uiteen dat zijn internationale bevoegdheid voor de tegen BigBen Frankrijk gerichte vorderingen voortvloeit uit artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, op grond dat de tegen BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk gerichte vorderingen van Nintendo samenhangende vorderingen zijn wegens het bestaan van de toeleveringsketen van de beweerdelijk inbreukmakende producten tussen de twee verweersters in de hoofdgedingen. Gelet op de zowel door Nintendo als door BigBen Frankrijk aangevoerde argumenten heeft deze rechter evenwel twijfels over de vraag of de werking van de beslissing van het Landgericht Düsseldorf jegens BigBen Frankrijk, wat de vorderingen van Nintendo betreft, in overeenstemming is met de bepalingen van de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 6/2002.

34      In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter erop dat de vraag of en in welke omstandigheden een derde op rechtmatige wijze de afbeelding van een met een gemeenschapsmodel overeenstemmend product mag gebruiken om reclame te maken voor zijn producten die accessoires vormen voor met een dergelijk ingeschreven model overeenstemmende producten, tot dusver niet beantwoord is. Hiertoe is een uitlegging van het begrip „illustratie” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 vereist.

35      In de derde plaats heeft deze rechter twijfels ten aanzien van het recht dat van toepassing is op de nevenvorderingen van Nintendo, zowel wat eerste als tweede verweerster in de hoofdgedingen betreft, en vraagt hij zich met name af welke strekking artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 heeft.

36      In deze omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld, die in de zaken C‑24/16 en C‑25/16 op identieke wijze zijn verwoord:

„1)       Kan de rechter van een lidstaat wiens bevoegdheid ten aanzien van een verwerende partij uitsluitend is gebaseerd op artikel 79, lid 1, van [verordening nr. 6/2002], gelezen in samenhang met artikel 6, punt 1, van [verordening nr. 44/2001], in het kader van een procedure inzake vorderingen betreffende een gemeenschapsmodel, omdat deze in een andere lidstaat gevestigde verwerende partij aan de in de desbetreffende lidstaat gevestigde verwerende partij producten heeft geleverd die mogelijk inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, ten aanzien van eerste verwerende partij maatregelen gelasten die voor de hele Unie gelden en die verder gaan dan de leveringsrelaties waarop zijn bevoegdheid is gebaseerd?

2)       Moet [verordening nr. 6/2002] en met name artikel 20, lid 1, onder c), aldus worden uitgelegd dat een derde het gemeenschapsmodel mag afbeelden voor commerciële doeleinden wanneer hij accessoires voor – met het gemeenschapsmodel overeenstemmende – producten van de houder wil verkopen? Zo ja, welke criteria gelden hiervoor?

3)       Hoe moet de plaats ‚waar de inbreuk is gepleegd’ in de zin van artikel 8, lid 2, van [verordening nr. 864/2007] worden bepaald in situaties waarin de inbreukmaker producten die inbreuk maken op het gemeenschapsmodel:

a)       via een website aanbiedt en deze website ook op andere lidstaten dan de lidstaat waarin de inbreukmaker is gevestigd, is gericht;

b)       laat verzenden naar een andere lidstaat dan die waarin hij is gevestigd?

Moet artikel 15, onder a) en g), van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het op die manier bepaalde recht ook van toepassing is op medewerkingshandelingen van andere personen?”

37      Bij beslissing van de president van het Hof van 1 februari 2016 zijn de zaken C‑24/16 en C‑25/16 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

38      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden waarin de internationale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij een vordering wegens inbreuk aanhangig is gemaakt, ten aanzien van een eerste verweerder is gebaseerd op artikel 82, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde tweede verweerder op dat artikel 6, punt 1, gelezen in samenhang met artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002, omdat deze tweede verweerder producten vervaardigt en levert aan de eerste verweerder die deze verkoopt, deze rechtbank op verzoek van de verzoekende partij ten aanzien van de tweede verweerder maatregelen overeenkomstig artikel 89, lid 1, en artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 kan gelasten die ook betrekking hebben op gedragingen van deze tweede verweerder die geen verband houden met bovengenoemde toeleveringsketen en die in voorkomend geval gelden voor de gehele Unie.

39      Dienaangaande dient erop te worden gewezen dat volgens artikel 82 van verordening nr. 6/2002, onverminderd de bepalingen van deze verordening en de toepasselijke bepalingen van het Executieverdrag – waarbij de verwijzing naar dit verdrag krachtens artikel 68, lid 2, van verordening nr. 44/2001 moet worden opgevat als een verwijzing naar laatstgenoemde verordening –, de bevoegdheid van de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel als bedoeld in artikel 80, lid 1, van verordening nr. 6/2002, om kennis te nemen van de in artikel 81 ervan bedoelde rechtsvorderingen, rechtstreeks voortvloeit uit de regels van deze verordening zelf (zie in die zin arrest van 13 juli 2017, Bayerische Motoren Werke, C‑433/16, EU:C:2017:550, punt 39).

40      Dit artikel 82, lid 1, bepaalt dat dergelijke rechtsvorderingen primair vallen onder de internationale bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in de lidstaat waar hij een vestiging heeft.

41      Artikel 82, lid 5, voorziet met name in een alternatieve bevoegdheid voor de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel van de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden.

42      Deze bevoegdheidsregels vormen een lex specialis ten opzichte van de regels van verordening nr. 44/2001 (arrest van 13 juli 2017, Bayerische Motoren Werke, C‑433/16, EU:C:2017:550, punt 39).

43      Artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat, tenzij deze verordening anders bepaalt, verordening nr. 44/2001 van toepassing is op de procedures betreffende gemeenschapsmodellen. In dit verband somt artikel 79, lid 3, de bepalingen van verordening nr. 44/2001 op die niet van toepassing zijn op de procedures die het gevolg zijn van de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 bedoelde rechtsvorderingen.

44      Artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 behoort niet tot de in dat artikel 79, lid 3, opgesomde bepalingen. Bovendien bevat de lex specialis, bestaande in de in de punten 40 en 41 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte regels van verordening nr. 6/2002, geen aanvullende preciseringen wat de voorwaarden voor toepassing van dat artikel 6, punt 1, betreft. Een rechtbank voor het gemeenschapsmodel, zoals de verwijzende rechter in de hoofdgedingen, kan derhalve krachtens deze bepaling en op voorwaarde dat is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden, bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering die is ingesteld tegen een verweerder die geen woonplaats heeft in de lidstaat waar deze rechtbank zich bevindt.

45      Voor de toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 dient te worden nagegaan of er tussen de door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van de geschillen, maar daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      In dit verband blijkt weliswaar uit de rechtspraak van het Hof betreffende octrooien dat wanneer bij verschillende gerechten van onderscheiden lidstaten rechtsvorderingen wegens inbreuk op een in elk van deze staten verleend Europees octrooi tegen in deze staten woonachtige verweerders aanhangig zijn gemaakt voor feiten die beweerdelijk op hun grondgebied zijn begaan, eventuele divergenties tussen de beslissingen van de betrokken gerechten zich niet zullen voordoen in het kader van eenzelfde situatie rechtens, aangezien elke rechtsvordering ter zake van een inbreuk op een Europees octrooi moet worden beoordeeld in het licht van de nationale regeling die ter zake geldt in elk van de staten waarvoor het is verleend. Eventuele divergerende beslissingen zullen derhalve niet als tegenstrijdig kunnen worden aangemerkt (arrest van 13 juli 2006, Roche Nederland e.a., C‑539/03, EU:C:2006:458, punten 30‑32).

47      In het kader van de procedure bij het Hof hebben verweersters in de hoofdgedingen onder verwijzing naar die rechtspraak met name aangevoerd dat bepaalde vorderingen van verzoekster in de hoofdgedingen, die strekken tot overlegging van bepaalde informatie, boekhoudkundige documenten en documenten door deze verweersters, tot vaststelling van de verplichting tot schadevergoeding, tot vernietiging en terugroeping van de betrokken producten, tot terugbetaling van de advocatenkosten en tot publicatie van de uitspraak, afhangen van de toepassing van de bepalingen van nationaal recht door de bevoegde rechter en dus niet eenzelfde situatie rechtens betreffen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 45 tot en met 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vallen dergelijke vorderingen immers hetzij onder artikel 89, lid 1, onder d), van verordening nr. 6/2002, hetzij onder artikel 88, lid 2, van deze verordening, waarbij elk van deze bepalingen verwijst naar het nationale recht. Hieruit volgt dat deze vorderingen niet autonoom door verordening nr. 6/2002 worden geregeld, maar vallen onder het toepasselijke nationale recht (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, H. Gautzsch Großhandel, C‑479/12, EU:C:2014:75, punten 52‑54).

48      Evenwel is de verwijzende rechter van mening dat in de hoofdgedingen is voldaan aan de voorwaarde inzake het bestaan van eenzelfde situatie rechtens, aangezien de door Nintendo bij hem ingestelde vorderingen tegen de twee verweersters in de hoofdgedingen daadwerkelijk eenzelfde situatie rechtens betreffen, met name gelet op het eenheidskarakter van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten, alsmede gelet op de gedeeltelijke harmonisatie van de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16).

49      Op dit punt dient erop te worden gewezen dat de houder van het gemeenschapsmodel door een vordering wegens inbreuk in te stellen de bescherming beoogt van het uitsluitende recht om zijn gemeenschapsmodel te gebruiken en derden elk niet-toegestaan gebruik te verbieden krachtens artikel 19 van verordening nr. 6/2002. Daar dit recht dezelfde gevolgen sorteert op het gehele grondgebied van de Unie, is het feit dat bepaalde beslissingen die door de bevoegde rechter kunnen worden vastgesteld teneinde de handhaving van dit recht te waarborgen, afhangen van bepalingen van nationaal recht, niet relevant voor de vraag of sprake is van eenzelfde situatie rechtens voor de toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

50      Wat de voorwaarde inzake het bestaan van eenzelfde feitelijke situatie betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat de verwijzende rechter uitgaat van de premisse dat op basis van het bestaan van de leveringen van beweerdelijk inbreukmakende producten, eerst door BigBen Frankrijk aan BigBen Duitsland en vervolgens door deze laatste aan haar klanten, kan worden geoordeeld dat is voldaan aan deze voorwaarde. Hij vraagt zich evenwel af, of de door verzoekster in de hoofdgedingen gevorderde maatregelen enkel betrekking kunnen hebben op die leveringen waarop zijn bevoegdheid is gebaseerd, dan wel ook op andere leveringen, zoals de leveringen die BigBen Frankrijk alleen heeft verricht.

51      Gelet op de omstandigheden van de hoofdgedingen, waarin een van de verweersters een moedermaatschappij is en de andere verweerster haar dochteronderneming, waaraan door verzoekster in de hoofdgedingen soortgelijke of dezelfde inbreukmakende handelingen worden verweten die inbreuk maken op dezelfde beschermde modellen en betrekking hebben op dezelfde beweerdelijk inbreukmakende producten die worden vervaardigd door de moedermaatschappij, die de producten voor eigen rekening verkoopt in bepaalde lidstaten maar ook verkoopt aan haar dochteronderneming met het oog op wederverkoop in andere lidstaten, dient eraan te worden herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het geval waarin de verwerende vennootschappen tot eenzelfde concern behoren en op dezelfde of nagenoeg dezelfde wijze hebben gehandeld overeenkomstig een gemeenschappelijk beleidsplan dat is uitgegaan van slechts een van hen, moest worden beschouwd als eenzelfde feitelijke situatie (zie met name arrest van 13 juli 2006, Roche Nederland e.a., C‑539/03, EU:C:2006:458, punt 34).

52      Gelet op de door artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 nagestreefde doelstelling, met name te vermijden dat onverenigbare beslissingen worden gegeven, moet het bestaan van eenzelfde feitelijke situatie in dergelijke omstandigheden – indien deze aangetoond zijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan – en wanneer een vordering in die zin is geformuleerd, derhalve alle handelingen van de verschillende verweerders omvatten, daaronder begrepen de door de moedermaatschappij voor eigen rekening verrichte leveringen, en mag het zich niet beperken tot bepaalde aspecten of elementen van die handelingen.

53      Wat de territoriale werking van de sancties en de andere maatregelen betreft waarom verzoekster in de hoofdgedingen jegens elke verweerster in de hoofdgedingen heeft verzocht, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de territoriale werking van een verbod op voortzetting van inbreuken of dreigende inbreuken op een gemeenschapsmerk in de zin van artikel 98, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3288/94 van de Raad van 22 december 1994 (PB 1994, L 349, blz. 83) (hierna: „verordening nr. 40/94”), wordt bepaald door zowel de territoriale bevoegdheid van de rechtbank voor het gemeenschapsmerk die dit verbod oplegt, als de territoriale omvang van het uitsluitende recht van de houder van een gemeenschapsmerk waaraan afbreuk wordt gedaan door de inbreuk of dreigende inbreuk, zoals deze omvang voortvloeit uit verordening nr. 40/94 (arrest van 12 april 2011, DHL Express France, C‑235/09, EU:C:2011:238, punt 33).

54      Deze aanpak kan onverkort worden toegepast op de analyse van de territoriale werking van een verbod op voortzetting van handelingen die inbreuk hebben gemaakt of zouden maken op gemeenschapsmodellen, welk verbod op autonome wijze wordt geregeld in artikel 89, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002, gelet op de overeenstemming tussen de bepalingen van de verordeningen nr. 40/94 en nr. 6/2002, die de rechtsbescherming regelen van de rechten die verbonden zijn aan gemeenschapsmerken respectievelijk gemeenschapsmodellen.

55      Een andere aanpak kan evenmin worden aanvaard met betrekking tot de vaststelling van de territoriale werking van beslissingen van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel inzake andere gevorderde sancties en maatregelen, zoals die waarom door Nintendo in de hoofdgedingen is verzocht, die niet op autonome wijze door verordening nr. 6/2002 zijn geregeld.

56      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat verordening nr. 6/2002 de in overweging 29 vermelde doelstelling nastreeft, een doeltreffende bescherming van de uitoefening van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten te waarborgen in de gehele Unie. Het gaat hier om een essentiële doelstelling, gelet op het feit dat dergelijke modellen een eenheid vormen en in de gehele Unie dezelfde rechtsgevolgen hebben, zoals blijkt uit artikel 1, lid 3, van deze verordening. In het door verordening nr. 6/2002 vastgestelde stelsel van bescherming van die rechten wordt deze doelstelling verwezenlijkt door een aantal uniforme basissancties waarin deze verordening op autonome wijze voorziet, enerzijds, en andere sancties en maatregelen die een zaak van nationaal recht zijn, anderzijds.

57      Deze verordening erkent in overweging 22 ervan weliswaar duidelijk het belang van uniforme basissancties die het mogelijk moeten maken om, ongeacht de daartoe aangezochte rechterlijke instantie, de inbreukmakende handelingen te doen staken, maar in dezelfde overweging, gelezen in samenhang met overweging 29, wordt ook erkend dat de maatregelen die een zaak van nationaal recht zijn, op dezelfde wijze bijdragen tot de verwezenlijking van die doelstelling.

58      Aldus dient tegen de achtergrond van de in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte criteria de territoriale werking te worden onderzocht van de beslissingen inzake sancties en andere maatregelen, zoals die waarom Nintendo in de hoofdgedingen heeft verzocht.

59      Wat in de eerste plaats de territoriale omvang van de door verordening nr. 6/2002 aan de houder van een gemeenschapsmodel verleende rechten betreft, deze rechten strekken zich in beginsel uit tot het gehele grondgebied van de Unie, waarop de gemeenschapsmodellen een eenvormige bescherming genieten en rechtsgevolgen hebben (zie naar analogie arrest van 12 april 2011, DHL Express France, C‑235/09, EU:C:2011:238, punt 39).

60      Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vormt het gemeenschapsmodel immers een eenheid en heeft het dezelfde rechtsgevolgen in de gehele Unie. Inschrijving, overdracht, afstand, vervallen- of nietigverklaring en verbod op het gebruik ervan zijn slechts voor de gehele Unie mogelijk, waarbij dit beginsel en de implicaties ervan van toepassing zijn tenzij deze verordening anders bepaalt.

61      Wat in de tweede plaats de territoriale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel betreft, zoals die in de hoofdgedingen, waarbij een vordering wegens inbreuk in de zin van artikel 81, onder a), van verordening nr. 6/2002 aanhangig is gemaakt, wiens bevoegdheid ten aanzien van een van de verweerders is gebaseerd op artikel 82, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en voor welke de andere, niet in de lidstaat van de rechtbank gevestigde verweerder rechtsgeldig is gedaagd krachtens artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, gelezen in samenhang met artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002, dient te worden opgemerkt dat artikel 83 van verordening nr. 6/2002 de omvang van de bevoegdheid van de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel ter zake van inbreuken op autonome wijze regelt en in lid 1 ervan preciseert dat een krachtens artikel 82, leden 1, 2, 3 of 4, van deze verordening bevoegde rechtbank bevoegd is ter zake van inbreuk of dreigende inbreuk op het grondgebied van alle lidstaten.

62      Daarentegen bepaalt artikel 83, lid 2, dat een krachtens artikel 82, lid 5, van deze verordening bevoegde rechtbank voor het gemeenschapsmodel alleen bevoegd is ter zake van inbreuk of dreigende inbreuk op het grondgebied van de lidstaat waar die rechtbank is gelegen.

63      Verordening nr. 6/2002 preciseert niet uitdrukkelijk de territoriale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel in een situatie als die welke in punt 61 van het onderhavige arrest is beschreven. Evenwel blijkt noch uit de bewoordingen van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 noch uit de relevante rechtspraak van het Hof dat de rechterlijke instanties waarvan de bevoegdheid rechtsgeldig gegrond is op dat artikel 6, punt 1, hun territoriale bevoegdheid vervolgens beperkt zien ten aanzien van de verweerder die niet is gevestigd in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld.

64      Aldus dient te worden geoordeeld dat de territoriale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel, waarbij een vordering wegens inbreuk in de zin van artikel 81, onder a), van verordening nr. 6/2002 aanhangig is gemaakt, in de in punt 61 van het onderhavige arrest vermelde omstandigheden zich uitstrekt tot de gehele Unie, ook ten aanzien van de verweerder die niet is gevestigd in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld.

65      Een dergelijke uitlegging stemt overeen met de opzet en de doelstellingen van verordening nr. 6/2002. Enerzijds bepaalt artikel 83 van deze verordening, zoals in de punten 61 en 62 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat enkel wanneer de bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel gegrond is op artikel 82, lid 5, van deze verordening haar bevoegdheid beperkt is tot inbreuken of dreigende inbreuken op het grondgebied van de lidstaat waar die rechtbank is gelegen.

66      Anderzijds kan met deze uitlegging de door verordening nr. 6/2002 nagestreefde doelstelling van een doeltreffende bescherming van ingeschreven gemeenschapsmodellen in de gehele Unie gewaarborgd worden (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Celaya Emparanza y Galdos International, C‑488/10, EU:C:2012:88, punt 44).

67      Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, waarin de internationale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij een vordering wegens inbreuk aanhangig is gemaakt, ten aanzien van een eerste verweerder is gebaseerd op artikel 82, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde tweede verweerder op dat artikel 6, punt 1, gelezen in samenhang met artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002, omdat deze tweede verweerder producten vervaardigt en levert aan de eerste verweerder die deze verkoopt, deze rechtbank op verzoek van de verzoekende partij ten aanzien van de tweede verweerder maatregelen overeenkomstig artikel 89, lid 1, en artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 kan gelasten die ook betrekking hebben op gedragingen van deze tweede verweerder die geen verband houden met bovengenoemde toeleveringsketen en die gelden voor de gehele Unie.

 Tweede vraag

68      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat een derde die, zonder toestemming van de houder van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten, onder meer via zijn website gebruikmaakt van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met dergelijke modellen in het kader van de rechtmatige verkoop van producten die bestemd zijn voor gebruik als accessoires voor specifieke producten van de houder van de aan deze modellen verbonden rechten, teneinde het gezamenlijke gebruik van de aldus verkochte producten en de specifieke producten van de houder van die rechten uit te leggen en te tonen, een handeling bestaande in de reproductie ter „illustratie” in de zin van dat artikel 20, lid 1, onder c), verricht en, zo ja, onder welke voorwaarden een dergelijke reproductie toegestaan is.

69      Allereerst dient erop te worden gewezen dat de in artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 geformuleerde beperking van de aan gemeenschapsmodellen verbonden rechten van toepassing is wanneer het gebruik van dergelijke beschermde modellen door een derde ter illustratie, een „handeling bestaande in de reproductie” uitmaakt. Een tweedimensionale weergave van een product dat overeenstemt met een gemeenschapsmodel, kan een dergelijke handeling vormen.

70      Vervolgens dient te worden onderzocht of een dergelijke reproductie werd verricht „ter illustratie”. In dit verband bevat artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 geen enkele verwijzing naar het recht van de lidstaten wat het begrip „illustratie” betreft. Zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van deze bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie met name arresten van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 14, en 10 december 2015, Lazar, C‑350/14, EU:C:2015:802, punt 21).

71      Met betrekking tot de in artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 gebruikte bewoordingen blijkt uit een vergelijkend onderzoek van de verschillende taalversies van deze bepaling dat deze versies van elkaar afwijken, aangezien bepaalde versies, met name de Franse en de Nederlandse versie, de uitdrukking „illustratie” gebruiken, terwijl andere versies verwijzen naar het begrip „citaat”, zoals ook de advocaat-generaal in punt 74 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

72      Volgens vaste rechtspraak kan een zuiver letterlijke uitlegging van een of meerdere taalversies van een Unierechtelijke tekst niet prevaleren boven alle andere taalversies, omdat de uniforme toepassing van de bepalingen van Unierecht vereist dat deze worden uitgelegd in het licht van onder meer de in alle talen opgestelde versies. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt (zie met name arresten van 4 september 2014, Vnuk, C‑162/13, EU:C:2014:2146, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 april 2017, Popescu, C‑632/15, EU:C:2017:303, punt 35).

73      Met betrekking tot de doelstelling van verordening nr. 6/2002 dient erop te worden gewezen dat deze verordening volgens de overwegingen 6 en 7 ervan ervoor zorgt dat een recht op een model wordt verkregen dat in één, alle lidstaten omvattend gebied geldig is, daar een betere bescherming van industriële vormgeving met name innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aanmoedigt. Het Hof heeft ook reeds gepreciseerd dat deze verordening beoogt een doeltreffende bescherming van gemeenschapsmodellen te verzekeren (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Celaya Emparanza y Galdos International, C‑488/10, EU:C:2012:88, punt 44).

74      Bepalingen waarbij de door deze verordening aan houders van dergelijke modellen verleende rechten worden beperkt, zoals artikel 20, lid 1, onder c), ervan, moeten dus eng worden uitgelegd, zonder dat een dergelijke uitlegging evenwel afbreuk mag doen aan de nuttige werking van de aldus gestelde beperking of de doelstelling ervan miskent (zie naar analogie arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punten 109 en 133).

75      Op dit punt dient te worden opgemerkt dat artikel 20, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002 voorziet in een beperking van de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten ten gunste van handelingen in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden. Aangezien de in artikel 20, lid 1, onder c), vastgestelde beperking van de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten verschilt van die onder a), moet worden geoordeeld dat de daarin bedoelde handelingen bestaande in de reproductie moeten worden verricht in het kader van een commerciële activiteit.

76      Wat de draagwijdte van het begrip „illustratie” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 betreft, dient om te beginnen erop te worden gewezen dat deze bepaling beoogt de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten te beperken ten gunste van handelingen bestaande in reproductie die dienen als basis voor uitleg of opmerkingen door de persoon die zich op deze beperking wil beroepen. Gelet op de in punt 73 van het onderhavige arrest vermelde doelstelling van verordening nr. 6/2002, zou voorts, wanneer een onderneming die nieuwe producten ontwerpt die tot doel hebben compatibel te zijn met bestaande producten – die overeenstemmen met modellen waarvan een andere onderneming houdster is –, wordt verhinderd de afbeeldingen van deze bestaande producten te gebruiken in het kader van de rechtmatige verkoop van haar eigen producten om het gezamenlijke gebruik van deze twee productcategorieën uit te leggen en te tonen, dit innovatie kunnen ontmoedigen, een situatie die deze verordening beoogt te vermijden, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

77      Een derde die op rechtmatige wijze producten verkoopt die bestemd zijn voor gebruik samen met specifieke producten die overeenstemmen met gemeenschapsmodellen, en die laatstgenoemde producten afbeeldt om het gezamenlijke gebruik van de door hem verkochte producten en een met een beschermd model overeenstemmend product uit te leggen of te tonen, verricht een reproductie ter „illustratie” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002.

78      Met betrekking tot de twijfels van de verwijzende rechter over de voorwaarden waaronder deze beperking kan worden aangevoerd, dient eraan te worden herinnerd dat uit artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 voortvloeit dat deze beperking afhankelijk is van de naleving van drie cumulatieve voorwaarden: de reproductiehandelingen zijn verenigbaar met de eerlijke handelsgebruiken, zij doen niet zonder noodzaak afbreuk aan de normale exploitatie van het model en de bron wordt vermeld.

79      Wat in de eerste plaats de voorwaarde inzake de verenigbaarheid van de reproductie ter illustratie met de eerlijke handelsgebruiken betreft, heeft het Hof het begrip „eerlijke gebruiken in nijverheid en handel” in de zin van met name artikel 6, lid 1, onder c), van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1) uitgelegd als een loyaliteitsverplichting tegenover de legitieme belangen van de merkhouder (arrest van 17 maart 2005, Gillette Company en Gillette Group Finland, C‑228/03, EU:C:2005:177, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze rechtspraak dient mutatis mutandis te worden toegepast op de uitlegging van het begrip „eerlijke handelsgebruiken” in de zin van artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002.

80      Derhalve is een handeling bestaande in de reproductie van beschermde modellen ter illustratie of voor onderricht niet in overeenstemming met de eerlijke handelsgebruiken in de zin van die bepaling wanneer daardoor de indruk ontstaat dat er een commerciële band tussen de derde en de houder van de aan de modellen verbonden rechten bestaat, of wanneer de derde die de in deze bepaling gestelde beperking wil aanvoeren in het kader van de verkoop van producten die worden gebruikt samen met producten die overeenstemmen met beschermde modellen, de rechten schendt die aan de houder van het beschermde model zijn verleend door artikel 19 van verordening nr. 6/2002, of wanneer deze derde ongerechtvaardigd voordeel trekt uit de commerciële reputatie van die houder (zie naar analogie arrest van 17 maart 2005, Gillette Company en Gillette Group Finland, C‑228/03, EU:C:2005:177, punten 42, 43, 45, 47 en 48).

81      Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarde inzake de verenigbaarheid van de verrichte reproductie ter illustratie met de eerlijke handelsgebruiken, waarbij hij rekening dient te houden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval, en met name met de algehele voorstelling van het door de derde verkochte product.

82      Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft dat handelingen bestaande in de reproductie ter illustratie niet zonder noodzaak afbreuk doen aan de normale exploitatie van het gemeenschapsmodel, dient te worden opgemerkt dat deze voorwaarde met name beoogt te verhinderen dat de reproductie ter illustratie een negatieve weerslag heeft op de economische belangen die voor de houder van de aan gemeenschapsmodellen verbonden rechten kunnen voortvloeien uit een normale exploitatie van die modellen. De verwijzende rechter heeft reeds erop gewezen dat volgens hem in de hoofdgedingen is voldaan aan deze tweede voorwaarde.

83      Wat in de derde plaats de verplichting tot vermelding van de bron betreft, dient te worden vastgesteld dat artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 niet voorschrijft op welke wijze die vermelding moet worden gedaan. Zoals in punt 75 van het onderhavige arrest is vastgesteld, beoogt deze bepaling het gebruik van gemeenschapsmodellen ter illustratie of voor onderricht toe te staan in het kader van een commerciële activiteit, zoals die in de hoofdgedingen.

84      In deze omstandigheden is het voor de naleving van de voorwaarde inzake de vermelding van de bron met name van belang dat de daartoe gekozen wijze van vermelding een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument in staat stelt om de commerciële herkomst van het met het gemeenschapsmodel overeenstemmende product gemakkelijk te identificeren.

85      Aangezien in de hoofdgedingen de vermelding van de bron evenwel is verricht door het aanbrengen van een Uniemerk waarvan de houder tevens de houder van de aan de beschermde gemeenschapsmodellen verbonden rechten is, dient de verwijzende rechter ook na te gaan of een dergelijke vermelding in overeenstemming is met de merkenregeling.

86      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat een derde die, zonder toestemming van de houder van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten, onder meer via zijn website gebruikmaakt van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met dergelijke modellen in het kader van de rechtmatige verkoop van producten die bestemd zijn voor gebruik als accessoires voor specifieke producten van de houder van de aan deze modellen verbonden rechten, teneinde het gezamenlijke gebruik van de aldus verkochte producten en de specifieke producten van de houder van die rechten uit te leggen en te tonen, een handeling bestaande in de reproductie ter „illustratie” in de zin van dat artikel 20, lid 1, onder c), verricht, zodat een dergelijke handeling krachtens deze bepaling toegestaan is voor zover is voldaan aan de daarin gestelde cumulatieve voorwaarden, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

 Derde vraag

87      Vooraf dient, ten eerste, te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter preciseert dat hij de derde vraag enkel stelt voor het geval hij zou moeten vaststellen dat BigBen Duitsland en BigBen Frankrijk inbreuk hebben gemaakt op de rechten die Nintendo aan de gemeenschapsmodellen ontleent, door enerzijds het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, uitvoeren, invoeren of voor deze doeleinden in voorraad hebben van de door hen verkochte producten, of anderzijds het gebruiken van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met die modellen met het oog op de verkoop van de door hen te koop aangeboden producten.

88      Het is juist dat de verwijzende rechter zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of inbreuk is gemaakt op de rechten die verzoekster in de hoofdgedingen ontleent aan de gemeenschapsmodellen, maar – anders dan de Europese Commissie suggereert – kan niet worden geoordeeld dat de derde vraag om die reden niet-ontvankelijk is. Het is immers uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Bovendien is de vaststelling van een dergelijke inbreuk in de hoofdgedingen niet louter hypothetisch (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, HanseYachts, C‑29/16, EU:C:2017:343, punt 24).

89      Ten tweede dient te worden gepreciseerd dat de derde vraag enkel ziet op de door verzoekster in de hoofdgedingen gevorderde sancties en maatregelen die in punt 47 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet en die niet op autonome wijze zijn geregeld door artikel 89, lid 1, onder a) tot en met c), van verordening nr. 6/2002.

90      Ten derde berust deze vraag op de premisse dat artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 van toepassing is op een situatie zoals die van de hoofdgedingen. De verwijzende rechter vraagt zich af hoe het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” in de zin van dat artikel 8, lid 2, dient te worden uitgelegd in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, waarin elke verweerster in de hoofdgedingen een aantal inbreukmakende handelingen wordt verweten die in verschillende lidstaten van de Unie zijn verricht. Hij vraagt tevens of het krachtens die bepaling aangewezen recht overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 864/2007 van toepassing is op medewerkingshandelingen.

91      In dit verband dient om te beginnen te worden opgemerkt dat artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007, volgens de bewoordingen ervan, voor een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een unitair communautair intellectuele-eigendomsrecht, het toepasselijke recht bepaalt voor alle aangelegenheden die niet door het desbetreffende Unierechtelijk instrument zijn geregeld. Op dergelijke aangelegenheden is het recht van het land waar de inbreuk is gepleegd, van toepassing.

92      De tegen verweersters in de hoofdgedingen gevorderde sancties en maatregelen waarop de derde vraag betrekking heeft, zijn sancties en maatregelen die vallen onder artikel 88, lid 2, en artikel 89, lid 1, onder d), van verordening nr. 6/2002 (zie in die zin arrest van 13 februari 2014, H. Gautzsch Großhandel, C‑479/12, EU:C:2014:75, punten 52‑54).

93      Zoals in de punten 47 en 89 van het onderhavige arrest is opgemerkt, regelen deze bepalingen die sancties en maatregelen evenwel niet op autonome wijze, maar verwijzen zij naar het erdoor aangewezen recht van de lidstaten, met inbegrip van hun internationaal privaatrecht. Aangezien het internationaal privaatrecht van de lidstaten – behalve dat van het Koninkrijk Denemarken – met betrekking tot de collisieregels die in burgerlijke zaken en in handelszaken van toepassing zijn op niet-contractuele verbintenissen, daaronder begrepen dergelijke verbintenissen die voortvloeien uit inbreuken op unitaire communautaire intellectuele-eigendomsrechten, is eengemaakt door de vaststelling van verordening nr. 864/2007 (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic, C‑359/14 en C‑475/14, EU:C:2016:40, punt 37), moet die verwijzing, voor zover deze betrekking heeft op het internationaal privaatrecht, worden opgevat als een verwijzing naar de bepalingen van die verordening.

94      Aangezien het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” als bedoeld in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet verwijst naar het recht van de lidstaten, moeten de bewoordingen van een dergelijke Unierechtelijke bepaling overeenkomstig de in punt 70 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

95      Op dit punt dient erop te worden gewezen dat de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 in de Franse versie ervan verwijzen naar het recht van het land waar inbreuk is gemaakt op dit recht. Op basis van een dergelijke formulering kan niet worden vastgesteld of dit begrip een actieve gedraging van de inbreukmaker in het aldus aangewezen land inhoudt, met uitsluiting van de plaats waar die inbreuk gevolgen sorteert. Andere taalversies van die bepaling, zoals de Spaanse, Duitse, Italiaanse, Litouwse, Nederlandse, Portugese, Sloveense en Zweedse versie, zijn in dit verband explicieter, aangezien zij verwijzen naar het recht van het land waar „de inbreuk is gepleegd”. Hetzelfde geldt voor de Engelse versie, die verwijst naar het recht van het land waar de inbreukmakende handeling is verricht.

96      Wat de algemene opzet en de context van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 betreft, blijkt uit overweging 16 van deze verordening dat eenvormigheid van de regels de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken moet vergroten en een redelijk evenwicht moet garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt. Daartoe wordt in deze verordening als algemeen beginsel de regel van lex loci damni vastgesteld in artikel 4, lid 1, volgens hetwelk het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad, het recht is van het land waar de schade zich voordoet.

97      Zoals blijkt uit overweging 19 van verordening nr. 864/2007, heeft de Uniewetgever evenwel erkend dat dient te worden voorzien in specifieke regels voor bijzondere soorten van onrechtmatige daden waarvoor op grond van dit algemene beginsel geen billijk evenwicht kan worden bereikt tussen de in het geding zijnde belangen. Artikel 8, lid 2, van deze verordening vormt een dergelijke regel met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit inbreuken op unitaire intellectuele-eigendomsrechten.

98      Hieruit volgt dat, aangezien artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 voorziet in een specifiek aanknopingspunt dat afwijkt van het algemene beginsel van lex loci damni als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening, dit aanknopingspunt van het recht van het „land waar de inbreuk is gepleegd” anders moet worden opgevat dan het aanknopingspunt van het land „waar de schade zich voordoet” in de zin van artikel 4, lid 1, van deze verordening. Derhalve dient het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” in de zin van artikel 8, lid 2, aldus te worden uitgelegd dat het ziet op het land van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, te weten het land op het grondgebied waarvan de inbreukmakende handeling is verricht.

99      Evenwel dient erop te worden gewezen dat geschillen betreffende inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten zeer complex kunnen zijn, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 64 van zijn conclusie. Het is niet ongebruikelijk dat eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten, zodat meerdere plaatsen – als plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan – het relevante aanknopingspunt zouden kunnen vormen voor de vaststelling van het toepasselijke recht.

100    Enerzijds, zoals in punt 49 van het onderhavige arrest is opgemerkt, verleent het aan het gemeenschapsmodel verbonden recht krachtens artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 6/2002 de houder ervan het uitsluitende recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, gebruik ervan te beletten. Onder „gebruik” in de zin van die bepaling dient met name te worden verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.

101    Anderzijds worden unitaire intellectuele-eigendomsrechten in de gehele Unie beschermd, waarbij het mogelijk is dat inbreukmakende handelingen worden verricht in vele lidstaten, zodat de vaststelling welk materieel recht van toepassing is op de aangelegenheden die niet op autonome wijze door het desbetreffende Unie-instrument zijn geregeld, weinig voorspelbaar is.

102    Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat verordening nr. 864/2007 volgens de overwegingen 6, 13, 14 en 16 ervan tot doel heeft, de voorspelbaarheid van de uitkomst van rechtsgedingen, de rechtszekerheid aangaande het toepasselijke recht en de uniforme toepassing van die verordening in alle lidstaten te waarborgen (arrest van 17 november 2011, Homawoo, C‑412/10, EU:C:2011:747, punt 34). Verder blijkt uit de overwegingen 16 en 19 van verordening nr. 864/2007 dat de Uniewetgever met de vaststelling van de daarin voorziene aanknopingspunten een redelijk evenwicht heeft willen bereiken tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt. Bij de uitlegging van het aanknopingspunt van artikel 8, lid 2, van deze verordening dient dus rekening te worden gehouden met de hierboven in herinnering gebrachte doelstellingen alsmede met de kenmerken van het domein waarop dit aanknopingspunt toepassing dient te vinden.

103    Gelet op deze doelstellingen dient in omstandigheden waarin eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten die vallen onder het begrip „gebruik” in de zin van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en die in verschillende lidstaten zijn verricht, voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet te worden gerefereerd aan elke verweten inbreukmakende handeling, maar dient het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, is verricht of dreigt te worden verricht.

104    Een dergelijke uitlegging stelt de aangezochte rechter in staat, gemakkelijk het toepasselijke recht te bepalen aan de hand van één enkel aanknopingspunt, te weten de plaats waar de inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan verschillende handelingen die de verweerder worden verweten, is verricht of dreigt te worden verricht, overeenkomstig de in punt 102 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen. Door deze uitlegging kan ook de voorspelbaarheid van het aldus aangewezen recht worden gewaarborgd voor alle partijen bij gedingen inzake inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten van de Unie.

105    De verwijzende rechter formuleert ook een aantal vragen met het oog op de vaststelling van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 in omstandigheden als die van de hoofdgedingen.

106    De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft een situatie waarin een marktdeelnemer wordt verweten, zonder toestemming van de houder van de aan gemeenschapsmodellen verbonden rechten, via zijn website producten te hebben aangeboden die inbreuk zouden maken op die rechten, waarbij deze website toegankelijk is voor consumenten in andere lidstaten dan de lidstaat waar de inbreukmaker is gevestigd.

107    In dit verband dient te worden gepreciseerd dat de handeling waarbij een marktdeelnemer, met een beroep op elektronische handel, op zijn website – die is bestemd voor consumenten in verschillende lidstaten – producten te koop aanbiedt die inbreuk maken op de aan gemeenschapsmodellen verbonden rechten en die op het scherm kunnen worden bekeken en via die website besteld, een aanbieding tot verkoop van dergelijke producten vormt. Een dergelijke marktdeelnemer biedt aldus op zijn website beweerdelijk inbreukmakende producten aan en brengt deze in de handel in de zin van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 6/2002, waarbij dergelijke gedragingen onder het begrip „gebruik” in de zin van die bepaling vallen.

108    In dergelijke omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de schadeveroorzakende gebeurtenis de gedraging is van de marktdeelnemer bestaande in het te koop aanbieden van beweerdelijk inbreukmakende producten, met name door een aanbieding tot verkoop op zijn website te plaatsen. De plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007, is dus de plaats waar deze marktdeelnemer het procédé voor het plaatsen van de aanbieding tot verkoop op zijn website in werking zet.

109    Met betrekking tot de tweede vraag van de verwijzende rechter, die betrekking heeft op het toepasselijke recht wanneer een marktdeelnemer producten die de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten zouden schenden, door een derde laat verzenden naar een andere lidstaat dan die waar hij is gevestigd, dient te worden beklemtoond, zoals reeds in punt 103 van het onderhavige arrest werd uiteengezet, dat voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 niet dient te worden gerefereerd aan elke aan de verweerder verweten individuele inbreukmakende handeling, maar het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit dient te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, is verricht of dreigt te worden verricht door de verweerder.

110    Wat ten slotte de vraag van de verwijzende rechter betreft inzake het recht dat van toepassing is op medewerkingshandelingen, dient te worden vastgesteld dat de verwijzende rechter niet de redenen heeft uiteengezet die hem ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 864/2007 vragen te stellen en die het Hof in staat kunnen stellen om een nuttig antwoord te formuleren, zodat deze vraag krachtens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

111    Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” in de zin van die bepaling ziet op het land van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. In omstandigheden waarin eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten die in verschillende lidstaten zijn verricht, dient voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet te worden gerefereerd aan elke verweten inbreukmakende handeling, maar dient het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, door die verweerder is verricht of dreigt te worden verricht.

 Kosten

112    Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen, gelezen in samenhang met artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, waarin de internationale bevoegdheid van een rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij een vordering wegens inbreuk aanhangig is gemaakt, ten aanzien van een eerste verweerder is gebaseerd op artikel 82, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde tweede verweerder op dat artikel 6, punt 1, gelezen in samenhang met artikel 79, lid 1, van verordening nr. 6/2002, omdat deze tweede verweerder producten vervaardigt en levert aan de eerste verweerder die deze verkoopt, deze rechtbank op verzoek van de verzoekende partij ten aanzien van de tweede verweerder maatregelen overeenkomstig artikel 89, lid 1, en artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 kan gelasten die ook betrekking hebben op gedragingen van deze tweede verweerder die geen verband houden met bovengenoemde toeleveringsketen en die gelden voor de gehele Europese Unie.

2)      Artikel 20, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat een derde die, zonder toestemming van de houder van de aan een gemeenschapsmodel verbonden rechten, onder meer via zijn website gebruikmaakt van afbeeldingen van producten die overeenstemmen met dergelijke modellen in het kader van de rechtmatige verkoop van producten die bestemd zijn voor gebruik als accessoires voor specifieke producten van de houder van de aan deze modellen verbonden rechten, teneinde het gezamenlijke gebruik van de aldus verkochte producten en de specifieke producten van de houder van die rechten uit te leggen en te tonen, een handeling bestaande in de reproductie ter „illustratie” in de zin van dat artikel 20, lid 1, onder c), verricht, zodat een dergelijke handeling krachtens deze bepaling toegestaan is voor zover is voldaan aan de daarin gestelde cumulatieve voorwaarden, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan.

3)      Artikel 8, lid 2, van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „land waar de inbreuk is gepleegd” in de zin van die bepaling ziet op het land van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. In omstandigheden waarin eenzelfde verweerder verschillende inbreukmakende handelingen worden verweten die in verschillende lidstaten zijn verricht, dient voor de vaststelling van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet te worden gerefereerd aan elke verweten inbreukmakende handeling, maar dient het gedrag van die verweerder in zijn totaliteit te worden beoordeeld teneinde de plaats vast te stellen waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, door die verweerder is verricht of dreigt te worden verricht.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.