Language of document : ECLI:EU:C:2017:739

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. WAHL

van 5 oktober 2017 (1)

Zaak C473/16

F

tegen

Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (voorheen Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal)

[verzoek van de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Szeged, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2011/95/EU – Minimumnormen voor de erkenning als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt – Artikel 4 – Beoordeling van feiten en omstandigheden – Wijze van beoordeling – Psychologische tests – Vrees voor vervolging op grond van seksuele gerichtheid – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 1 – Menselijke waardigheid – Artikel 7 – Recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven”





1.        Hoe moeten de nationale autoriteiten de verklaringen van een asielzoeker die als grond voor asielverlening aanvoert dat hij vreest in zijn land van herkomst wegens zijn seksuele gerichtheid te worden vervolgd, op geloofwaardigheid toetsen? Verzet het Unierecht zich met name ertegen dat die autoriteiten zich baseren op het deskundig advies van psychologen?

2.        Dat zijn kort gezegd de vragen die worden opgeworpen door het onderhavige verzoek van de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Szeged, Hongarije) om een prejudiciële beslissing.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 2011/95/EU(2)

3.        Artikel 2 („Definities”) van richtlijn 2011/95 bepaalt in punt d):

„,vluchtelingʼ [is te verstaan als] een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen [...];”

4.        Artikel 4 („Beoordeling van feiten en omstandigheden”) van voornoemde richtlijn luidt:

„1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:

a)       alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b)       de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c)       de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

[...]

5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van [schriftelijk of ander] bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)       de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)       alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)       de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

(d)       de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

e)       vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.”

2.      Richtlijn 2013/32/EU(3)

5.        Artikel 10 („Vereisten voor de behandeling van verzoeken”) van richtlijn 2013/32 bepaalt in lid 3:

„De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)       het onderzoek naar en de beslissing over verzoeken individueel, objectief en onpartijdig wordt verricht, respectievelijk genomen;

[...]

d)       het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde kwesties.”

B.      Nationaal recht

6.        In § 6, lid 1, van A menedékjogról szóló 2007. évi LXXX. törvény (wet nr. LXXX van 2007 inzake het recht op asiel) is het volgende bepaald:

„Vreemdelingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel XIV, lid 3, van de grondwet, worden door Hongarije als vluchteling erkend.”

7.        § 7, lid 1, van voornoemde wet luidt:

„Behoudens het bepaalde in § 8, lid 1, hieronder worden vreemdelingen die aantonen of voldoende aannemelijk maken dat zij voldoen aan de voorwaarden van § 6, lid 1, van deze wet, overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Genève door de bevoegde asielinstantie als vluchteling erkend.”

8.        § 41, lid 1, van diezelfde wet bepaalt:

„In het kader van de asielprocedure mogen met name de volgende bewijsmiddelen worden aangewend om aan te tonen of voldoende aannemelijk te maken dat de asielzoeker voldoet aan de voorwaarden om de status van vluchteling of de status van subsidiair beschermde persoon, dan wel tijdelijke bescherming te verkrijgen:

a)      de feiten en omstandigheden die de asielzoeker als reden voor zijn vlucht heeft aangevoerd, alsook de desbetreffende bewijsstukken;

[...]

c)      alle relevante en actuele informatie over het land van herkomst van de asielzoeker, met inbegrip van wettelijke of andere bepalingen die de rechtssubjecten binden, alsook de wijze waarop deze worden toegepast.”

II.    Feiten, procedure en prejudiciële vragen

9.        Verzoeker (hierna: „F”), een Nigeriaans staatsburger, heeft in april 2015 bij de Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (voorheen Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal) (Hongaarse dienst immigratie en asiel; hierna: „immigratiedienst”) de status van vluchteling aangevraagd. Bij zijn eerste verhoor heeft hij de vrees uitgesproken dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst wegens zijn homoseksuele gerichtheid zou worden vervolgd.

10.      In het kader van de daaropvolgende asielprocedure heeft de immigratiedienst de geloofwaardigheid van verzoeker onderzocht. Daartoe werd hij meermaals persoonlijk gehoord. Tevens werd een psycholoog aangesteld om de persoonlijkheid van F te onderzoeken en daaruit zijn seksuele gerichtheid af te leiden. Na een oriënterend onderzoek, een persoonlijkheidstest, een Draw-a-Person-in-the-Rain (DAPR)-test, een Rorschach-test en een Szondi-test (hierna samen: „litigieuze tests”) is de psycholoog tot de slotsom gekomen dat de bewering van verzoeker dat hij homoseksueel is, niet door de resultaten van deze tests werd gestaafd.

11.      Bij beschikking van 1 oktober 2015 heeft de immigratiedienst de asielaanvraag van F afgewezen.

12.      F is tegen die beschikking opgekomen bij de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság. Hij betoogde met name dat de litigieuze tests een inbreuk vormden op zijn grondrechten en hoe dan ook niet geschikt zijn om de seksuele gerichtheid vast te stellen. In de daaropvolgende procedure heeft voornoemde rechter het Instituut voor forensisch deskundigen en onderzoekers om een deskundig advies over deze kwesties verzocht.

13.      In zijn deskundig advies heeft dat Instituut verklaard dat de litigieuze tests, anders dan verzoeker stelde, geschikt zijn om met voldoende zekerheid de seksuele gerichtheid van een persoon vast te stellen. Tevens werd in het advies vermeld dat toepassing van die tests geen aantasting van de menselijke waardigheid van verzoeker kan opleveren.

14.      De Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság heeft gemeend dat hij, aangezien hij niet over de wetenschappelijke en technische expertise beschikt om de bevindingen van de deskundigen te kunnen beoordelen, niet van die bevindingen mag afwijken. Ook heeft deze rechter geoordeeld dat de litigieuze tests, gegeven het feit dat de psychologie tot de menswetenschappen behoort, geen medische onderzoeken zijn, en dat zij niet vergelijkbaar zijn met de tests die het Hof in het arrest A e.a.(4) als onverenigbaar met het Unierecht heeft aangemerkt.

15.      In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter, die twijfelt over de juiste uitlegging van het Unierecht, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen verzocht:

„1)       Moet artikel 4 van richtlijn 2004/83/EG [van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming], in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: ,Handvestʼ], aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat, wanneer [lesbische, homoseksuele, biseksuele, transseksuele of interseksuele personen; hierna: ,LGBTI’sʼ] een asielaanvraag indienen, een deskundig advies van een gerechtspsycholoog wordt ingewonnen dat op projectieve persoonlijkheidstests is gebaseerd, en dat hiermee bij de beoordeling rekening wordt gehouden, wanneer dit advies wordt opgesteld zonder dat aan de asielzoeker vragen over zijn seksuele gewoonten worden gesteld en zonder dat hij aan een lichamelijk onderzoek wordt onderworpen?

2)       Indien het in de eerste vraag genoemde deskundig advies niet als bewijs kan worden gebruikt, moet artikel 4 van richtlijn 2004/83[...] dan in het licht van artikel 1 van het Handvest [...] aldus worden uitgelegd dat, wanneer de asielzoeker ter ondersteuning van zijn aanvraag aanvoert dat hij wegens zijn seksuele geaardheid wordt vervolgd, noch de nationale administratieve autoriteiten noch de rechterlijke instanties de mogelijkheid hebben om aan de hand van een deskundigenonderzoek de geloofwaardigheid van de asielzoeker te onderzoeken, ongeacht de specifieke eigenschappen van de bij dit onderzoek gebruikte methode?”

16.      Bij brief van 19 juni 2017 heeft de verwijzende rechter het Hof ervan in kennis gesteld dat hij de verwijzingen naar artikel 4 van richtlijn 2004/83 in de voorgelegde prejudiciële vragen wenste te wijzigen in verwijzingen naar artikel 4 van richtlijn 2011/95.

17.      F, de Hongaarse, de Franse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. F, de Hongaarse en de Franse regering en de Commissie hebben tevens ter terechtzitting van 13 juli 2017 pleidooi gehouden.

III. Analyse

18.      Met zijn twee vragen, die ik samen zal onderzoeken, wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen hoe de nationale autoriteiten de verklaringen van een asielzoeker die als grond voor asielverlening aanvoert dat hij vreest in zijn land van herkomst wegens zijn seksuele gerichtheid te worden vervolgd, op geloofwaardigheid moeten toetsen. Meer bepaald vraagt de verwijzende rechter of artikel 4 van richtlijn 2011/95, uitgelegd in het licht van artikel 1 van het Handvest, zich ertegen verzet dat die autoriteiten het deskundig advies van een psycholoog inwinnen.

A.      Inleiding

19.      Alvorens nader in te gaan op de specifieke vraagstukken die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, lijkt het mij nuttig kort de meest relevante Unierechtelijke bepalingen en de rechtspraak van het Hof over die bepalingen in herinnering te roepen. Het Hof heeft in enkele zaken immers reeds op belangrijke punten helderheid verschaft over de uit het recht van de Unie voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van de behandeling van verzoeken om internationale bescherming.

20.      Krachtens artikel 10, lid 3, van richtlijn 2013/32 dienen de lidstaten erop toe te zien dat het onderzoek naar en de beslissing over verzoeken om internationale bescherming „individueel, objectief en onpartijdig” wordt verricht respectievelijk genomen. Artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/95 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van de verzoeken rekening moeten houden met, onder meer, alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, en de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker.

21.      Die beoordeling bestaat uit twee onderscheiden fasen. De eerste fase betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden die bewijselementen tot staving van het verzoek kunnen vormen, terwijl de tweede fase de beoordeling in rechte van deze gegevens betreft, waarbij wordt beslist of in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de toekenning van internationale bescherming.(5)

22.      Wat de vluchtelingenstatus betreft, draait het onderzoek van de bevoegde autoriteiten om de vraag of de verzoeker een „gegronde vrees [heeft] voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep” in het land waarvan hij de nationaliteit bezit (of in het land waar hij gewoonlijk verblijft in het geval van staatlozen).(6) Algemeen wordt aanvaard dat homoseksuelen kunnen worden geacht een specifieke sociale groep in deze zin te vormen.(7)

23.      Krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 mogen de lidstaten van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming indient. Vervolgens dienen zij de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

24.      Artikel 4, lid 5, van voornoemde richtlijn voegt hieraan evenwel toe dat wanneer de lidstaten het beginsel toepassen dat het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van schriftelijk of ander bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen geloofwaardig wordt geacht en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund, indien aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan. Die voorwaarden zijn, onder andere en met name, dat de verklaringen van de verzoeker samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met voor zijn verzoek relevante beschikbare algemene en specifieke informatie, en dat is komen vast te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

25.      Dienovereenkomstig heeft het Hof in het arrest A e.a.(8) opgemerkt dat voor de verklaringen van asielzoekers over hun seksuele gerichtheid, wanneer niet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 is voldaan, bevestiging nodig kan zijn. Die verklaringen vormen dus, in de woorden van het Hof, „slechts het uitgangspunt in de procedure van het onderzoek van de feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van richtlijn [2011/95]”.(9)

26.      Vast staat dat geen enkel Unierechtelijk instrument specifieke regels bevat over de methodologieën die de nationale autoriteiten dienen toe te passen bij het beoordelen van de door de verzoekers overgelegde informatie en bewijzen, en meer bepaald bij het onderzoeken van de geloofwaardigheid van die verzoekers. De lidstaten beschikken in dit verband dus over een zekere handelingsvrijheid.(10) De gebruikte methodologieën moeten echter in overeenstemming zijn met richtlijnen 2011/95 en 2013/32 en, zoals blijkt uit de overwegingen 16 respectievelijk 60 van die richtlijnen, met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals het in artikel 1 van het Handvest vervatte recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid en het in artikel 7 ervan gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven.(11)

27.      Tegen die achtergrond zal ik de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde rechtsvragen onderzoeken.

B.      Inwinnen van deskundig advies van psychologen

28.      Om de gestelde vragen te beantwoorden, moet worden verduidelijkt of en, zo ja, onder welke omstandigheden, de nationale autoriteiten deskundig advies van psychologen kunnen inwinnen in het kader van de behandeling van verzoeken om internationale bescherming op grond van seksuele gerichtheid.

29.      Om te beginnen wil ik echter nogmaals benadrukken dat de beoordeling die overeenkomstig de richtlijnen 2011/95 en 2013/32 moet worden verricht, draait om de vraag of de door verzoeker gestelde vrees voor vervolging gegrond is. Anders gezegd, de bevoegde autoriteiten moeten zich ervan vergewissen of de gebleken omstandigheden een zodanige bedreiging voor de betrokkene vormen dat hij een gegronde vrees heeft om, gelet op zijn persoonlijke situatie, daadwerkelijk te worden vervolgd.(12) Zelfs wanneer een asielzoeker stelt dat hij vreest wegens zijn seksuele gerichtheid te worden vervolgd, is het niet altijd nodig zijn werkelijke seksuele gerichtheid vast te stellen, zoals de Franse en de Nederlandse regering opmerken.

30.      Zo kunnen er landen zijn waar bepaalde homoseksuelen, ondanks het bestaan van wetten die homoseksualiteit verbieden, geen reëel gevaar lopen te worden vervolgd (bijvoorbeeld omdat de wet niet stelselmatig wordt toegepast(13) en gelet op hun sociale, economische en familiale achtergrond, de plaats waar zij wonen, enzovoort(14)). Anderzijds zijn er situaties denkbaar waarin alleen al de omstandigheid dat een persoon zich gedraagt(15) op een wijze die door traditioneel denkenden als niet genderconform wordt gezien, een reëel risico op blootstelling aan fysieke of psychische schade voor de betrokkene kan opleveren.(16)

31.      Dat gezegd zijnde, wil ik erop wijzen dat de nationale autoriteiten krachtens artikel 10, lid 3, onder d), van richtlijn 2013/32 bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming de mogelijkheid moeten hebben om, telkens wanneer dat nodig is, over specifieke kwesties ‑ waaronder genderkwesties ‑ advies in te winnen van deskundigen.

32.      Derhalve rijst ten eerste de vraag of het deskundig advies dat de bevoegde autoriteiten kunnen inwinnen, het advies van psychologen omvat.

33.      Ik zie niet in waarom de bevoegde autoriteiten principieel niet het advies zouden kunnen inwinnen van personen die een opleiding hebben gevolgd en kwalificaties hebben verworven op het gebied van de psychologie(17), de wetenschap die de geest en het gedrag van de menselijke soort bestudeert. Mijns inziens druist geen enkel type psychologisch onderzoek waarvan de uitvoering nuttig wordt geacht, steevast en noodzakelijkerwijs in tegen de menselijke waardigheid. Niet uit te sluiten valt dat de bijstand van psychologen – in bepaalde situaties althans – juist nuttig kan zijn voor de bestuurlijke autoriteiten die beslissen over een verzoek om internationale bescherming of voor de nationale rechters die deze beslissing toetsen, en zeker ook voor de verzoekers zelf.

34.      Zo kan de aanwezigheid van een psycholoog tijdens het verhoor een verzoeker die beweert te zijn blootgesteld aan vervolging of schade (of die enkel vreest voor vervolging bij terugkeer naar zijn land van herkomst), helpen openlijk over zijn eerdere ervaringen of zijn angsten te spreken, zodat de autoriteiten een uitgebreider en betrouwbaarder beeld van de situatie kunnen krijgen.(18) Volgens artikel 4 van richtlijn 2013/32 moet er immers voor worden gezorgd dat de nationale autoriteit die de verzoeken dient te behandelen „over passende middelen beschikt, met inbegrip van voldoende personeel dat bekwaam is, om haar taken [...] uit te voeren”. Meer bepaald moeten de personen die verzoekers een onderhoud afnemen, „algemene kennis [hebben] verworven betreffende problemen die de geschiktheid van een verzoeker om een onderhoud te hebben negatief kunnen beïnvloeden”.

35.      Voorts zou de bijstand van een psycholoog in de ogen van de autoriteiten ook nuttig kunnen zijn om te beoordelen of een verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dat laatste is een belangrijk aspect van het onderzoek van de bevoegde autoriteiten; indien de geloofwaardigheid van de verzoeker komt vast te staan (en voor zover ook aan de andere cumulatieve voorwaarden van artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 is voldaan), is voor de door de verzoeker gestelde seksuele gerichtheid, ondanks het ontbreken van schriftelijk of ander bewijsmateriaal, immers geen bevestiging nodig.

36.      Omgekeerd ben ik er niet van overtuigd dat het deskundig advies van een psycholoog dat berust op een onderzoek van de persoonlijkheid van de verzoeker, voldoende zekerheid kan bieden over de vraag of de zelfverklaarde seksuele gerichtheid van de verzoeker al dan niet zijn werkelijke seksuele gerichtheid is. Ten eerste leert een snelle blik op de wetenschappelijke literatuur dat homoseksuele mannen en vrouwen volgens een aantal studies op het gebied van de psychologie vanuit psychologisch oogpunt niet van heteroseksuele mannen en vrouwen kunnen worden onderscheiden.(19)

37.      Ten tweede ben ik er niet zeker van, los van de wetenschappelijke onderbouwing, dat een onderzoek dat is gebaseerd op projectieve persoonlijkheidstests voor het bepalen van de seksuele gerichtheid van een individu, verenigbaar is met artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/95. Als ik het goed begrijp, zouden de verborgen conflicten of emoties die een dergelijk onderzoek wordt geacht bloot te leggen, de gestelde seksuele gerichtheid van de verzoeker in de ogen van de betrokken psychologen aannemelijk of juist minder aannemelijk maken. Mij lijkt evenwel dat bij dit soort onderzoeken onvermijdelijk gebruik wordt gemaakt van stereotiepe concepten over het gedrag van homoseksuelen. In antwoord op vragen hierover ter terechtzitting wist de Hongaarse regering dan ook niet goed uit te leggen waarom bij het in het hoofdgeding aan de orde zijnde onderzoek geen stereotiepe concepten zouden zijn gehanteerd. Nochtans betreft het een soort onderzoek waarbij het Hof in het arrest A e.a. reeds vraagtekens heeft geplaatst, in zoverre dat daarmee de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker niet ten volle in aanmerking kunnen worden genomen.(20)

38.      Gelet op een en ander is de tweede vraag die rijst onder welke voorwaarden het deskundig advies van een psycholoog toelaatbaar is en, meer specifiek, of dat deskundig advies kan berusten op tests zoals aan de orde in het hoofdgeding.

C.      Vereiste van instemming

39.      In de eerste plaats ben ik van mening dat psychologische onderzoeken alleen toelaatbaar zijn wanneer de verzoeker daarmee heeft ingestemd en zij op zodanige wijze kunnen worden uitgevoerd dat de waardigheid van de verzoeker en zijn privéleven en gezins- en familieleven worden geëerbiedigd.

40.      Artikel 18, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 schrijft voor dat „[w]anneer de beslissingsautoriteit dit voor de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming [...] relevant acht, en mits de verzoeker daarmee instemt, [...] de lidstaten een medisch onderzoek van de verzoeker betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade [regelen]. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten erin voorzien dat de verzoeker dat medisch onderzoek regelt.”

41.      Voorts bepaalt artikel 25, lid 5, tweede alinea, van diezelfde richtlijn – dat ziet op medische onderzoeken van niet-begeleide minderjarigen – dat „[b]ij elk medisch onderzoek [...] de waardigheid van de persoon ten volle [moet worden] gerespecteerd; het is het minst ingrijpende onderzoek [dat] wordt verricht door gekwalificeerde medische beroepsbeoefenaars en dat in de mate van het mogelijke een betrouwbaar resultaat biedt.”

42.      In richtlijn 2013/32 ontbreken vergelijkbare bepalingen ten aanzien van onderzoek door psychologen. Toch denk ik dat de basisbeginselen van artikel 18, lid 1, eerste alinea, en artikel 25, lid 5, tweede alinea, van die richtlijn tot op zekere hoogte ook gelden voor psychologische onderzoeken.(21)

43.      Psychologische onderzoeken kunnen voor de psyche van de verzoeker even ingrijpend zijn als medische onderzoeken voor zijn lichaam. Zij houden ook een duidelijke inmenging in zijn privéleven in.(22) Mijn standpunt is dan ook dat instemming van de verzoeker met het ondergaan van dergelijke onderzoeken in deze context noodzakelijk is. Uiteraard ben ik mij ervan bewust dat het in een situatie als die van een asielzoeker in de praktijk erg lastig kan zijn instemming te weigeren, temeer daar het leveren van bewijs van de seksuele gerichtheid vaak problematisch is.(23) Daarom is het mijns inziens des te belangrijker dat, ten eerste, een weigering om dergelijke onderzoeken te ondergaan, wordt gerespecteerd. Een noodzakelijke voorwaarde voor werkelijke instemming is natuurlijk dat de asielzoeker in de gelegenheid is gesteld alle aspecten en implicaties van de psychologische onderzoeken te kennen en te begrijpen.(24) Ten tweede is het van het grootste belang dat die onderzoeken worden uitgevoerd op zodanige wijze dat de waardigheid van de verzoeker en zijn privéleven en familie- en gezinsleven worden geëerbiedigd.(25)

44.      Die uitlegging vindt ook steun in overweging 29 van richtlijn 2013/32, waarin wordt verklaard dat „[s]ommige verzoekers [...] bijzondere procedurele waarborgen [kunnen] behoeven, op grond van, onder meer, hun [...] seksuele gerichtheid [...]. Voor die verzoekers moet worden voorzien in passende steun, met inbegrip van voldoende tijd, om de nodige voorwaarden tot stand te brengen voor hun daadwerkelijke toegang tot procedures en voor het aanvoeren van de elementen ter staving van hun verzoek om internationale bescherming.” Deze overweging bevestigt het precaire karakter van ieder onderzoek naar de seksualiteit van een individu.

45.      De weigering van de verzoeker om een dergelijk onderzoek te ondergaan, kan de autoriteiten uiteraard niet beletten – voor zover zij erop toezien dat bij het onderzoek de waardigheid van de verzoeker en zijn privéleven en familie- en gezinsleven worden geëerbiedigd – om een beslissing over het verzoek te nemen.(26) Dit betekent dat wanneer de lidstaten het beginsel toepassen dat het taak van de verzoeker is het verzoek om internationale bescherming te onderbouwen, en niet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 is voldaan, de weigering van de verzoeker gevolgen kan hebben die hij zelf zal moeten dragen.

46.      Volgens de verwijzingsbeslissing had F met een psychologisch onderzoek ingestemd. Het staat echter aan de verwijzende rechter, na te gaan of dit onderzoek op zodanige wijze is uitgevoerd dat de waardigheid van F en zijn privéleven en familie- en gezinsleven ten volle zijn geëerbiedigd.(27)

D.      Gebruik van psychologische tests

47.      In de tweede plaats moeten de psychologische onderzoeken van de door de autoriteiten aangestelde deskundigen worden uitgevoerd op basis van methoden, beginselen en inzichten die in de academische gemeenschap algemeen zijn aanvaard of in elk geval voldoende betrouwbaar zijn. Die methoden, beginselen en inzichten moeten voorts, gelet op de omstandigheden van het geval, relevant zijn voor het soort onderzoek dat de autoriteiten verlangen. De psychologische onderzoeken zouden bijgevolg voldoende betrouwbare resultaten moeten kunnen opleveren.(28)

48.      Aan onderzoeken die op betwiste of niet-erkende wetenschappelijke uitgangspunten berusten, kunnen de autoriteiten mijns inziens moeilijk bewijskracht toekennen. Evenmin kunnen onderzoeken die in theorie op algemeen aanvaarde methoden, beginselen en inzichten zijn gebaseerd, maar verkeerd of in de verkeerde context zijn toegepast, voldoende betrouwbare resultaten opleveren.

49.      Uiteraard staat het niet aan het Hof om een standpunt in te nemen over de betrouwbaarheid en relevantie van de specifieke tests waarop het hoofdgeding betrekking heeft.(29) Het is bijgevolg aan de verwijzende rechter om uit te maken, met name, of de met betrekking tot F toegepaste tests (DAPR-test, Rorschach-test en Szondi-test) zijn gebaseerd op methoden, beginselen en inzichten die in de academische gemeenschap algemeen zijn aanvaard, zoals de Hongaarse regering stelt, of in de wetenschappelijke literatuur sterk omstreden zijn, zoals F betoogt.

E.      Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel

50.      Wanneer, in de derde plaats, een nationale rechter vraagt om een deskundig advies ten behoeve van de toetsing van een beslissing van de autoriteiten over een verzoek om internationale bescherming, kan die rechter zich niet in alle omstandigheden de lege of de facto aan de bevindingen van de deskundige gebonden achten (en a fortiori niet aan de bevindingen van de deskundigen die door de bevoegde autoriteiten tijdens de administratieve procedure zijn aangesteld).

51.      Krachtens artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32 moet voor verzoekers om internationale bescherming een „daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie” tegen onder meer beslissingen over hun verzoek openstaan. Dat rechtsmiddel moet „een volledig [...] onderzoek van zowel de feitelijke als [de] juridische gronden” omvatten.(30)

52.      Artikel 46 van richtlijn 2013/32 schrijft dus voor – met name wanneer het wordt gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest – dat nationale rechters in staat zijn alle relevante feitelijke en juridische aspecten uitvoerig, onafhankelijk en kritisch te toetsen.(31) Dat betekent in mijn ogen dat zij ook de mogelijkheid moeten hebben de bevindingen van deskundigen – bewijsmateriaal dat samen met ander bewijs moet worden beoordeeld – terzijde te schuiven, bijvoorbeeld omdat een rechter meent dat die bevindingen eenzijdig of ongefundeerd zijn of op controversiële methoden en theorieën berusten.

53.      In dit verband is het volgens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van elke lidstaat om – mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd – te bepalen hoe het bewijs moet worden geleverd, welke bewijsmiddelen voor de bevoegde nationale rechter worden aanvaard, welke beginselen deze rechter in acht dient te nemen bij de beoordeling van de bewijskracht van het bewijs dat hem wordt voorgelegd, en wat het vereiste bewijsniveau is.(32) Op grond van het doeltreffendheidsbeginsel heeft het Hof evenwel geoordeeld dat de nationale rechters de bewijsregeling niet op zodanige wijze kunnen toepassen dat zij in de praktijk leidt tot ongerechtvaardigde vermoedens die de in rechtsinstrumenten van de Unie neergelegde bewijsregels zouden kunnen schenden of afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid van de materiële regels in die rechtsinstrumenten.(33) Een dergelijk probleem zou kunnen optreden indien de nationale rechterlijke instanties de interne bewijsregels op te soepele wijze zouden toepassen door irrelevante of ontoereikende bewijzen te aanvaarden.

54.      De nationale rechterlijke instanties dienen dan ook na te gaan of de aan hen verstrekte aanwijzingen zodanig ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn dat die aanwijzingen de daaruit getrokken conclusie wettigen.(34) Zij moeten erop toezien dat zij hun eigen beoordelingsvrijheid behouden met betrekking tot de vraag of dit bewijs rechtens genoegzaam is geleverd, totdat zij zich na kennisneming van alle door de partijen overgelegde gegevens en van de door hen over en weer aangevoerde argumenten, in staat achten om in het licht van alle relevante omstandigheden van het door hen te beslechten geval hun definitieve mening daarover te vormen.(35)

55.      De tegenovergestelde oplossing zou in wezen erop neerkomen dat de rechter afstand doet van zijn rol en daarmee de uitdrukkelijke waarborgen van artikel 46 van richtlijn 2013/32 hun nuttig effect ontneemt. Dat geldt in het bijzonder voor adviezen van deskundigen waarin een standpunt over rechtsvragen wordt ingenomen. Zo merk ik op dat de door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság in het kader van het hoofdgeding aangestelde deskundige heeft verklaard dat de psychologen die door de Hongaarse bestuurlijke autoriteiten waren aangesteld, het onderzoek van F op zodanige wijze hadden uitgevoerd dat de grondrechten van F niet waren geschonden. Dat komt mij evenwel voor als een juridisch oordeel dat de bevoegde rechters dienen te geven, en niet een in het kader van de procedure aangestelde deskundige.(36)

IV.    Conclusie

56.      In het licht van het voorafgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (bestuurs- en arbeidsrechter Szeged, Hongarije) te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, gelezen in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verzet zich niet ertegen dat de autoriteiten het deskundig advies van een psycholoog inwinnen, inzonderheid om na te gaan of een persoon die om internationale bescherming verzoekt in grote lijnen geloofwaardig is, mits: (i) het onderzoek van de verzoeker plaatsvindt met instemming van de verzoeker en op zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de waardigheid van de verzoeker en zijn privéleven en familie- en gezinsleven worden geëerbiedigd; (ii) het advies is gebaseerd op methoden, beginselen en inzichten die voldoende betrouwbaar en in de omstandigheden van het geval relevant zijn, en die voldoende betrouwbare resultaten kunnen opleveren, en (iii) de bevindingen van de deskundige niet bindend zijn voor de nationale rechters die met de toetsing van de beslissing over het verzoek zijn belast.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2       Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (PB 2011, L 337, blz. 9).


3       Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).


4       Arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406.


5       Arrest van 22 november 2012, M., C‑277/11, EU:C:2012:744, punt 64.


6       Zie artikel 2, punt d), en de artikelen 9‑12 van richtlijn 2011/95.


7       Zie artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95. Zie ook arrest van 7 november 2013, X e.a., C‑199/12–C‑201/12, EU:C:2013:720, punten 41‑49.


8       Arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 51.


9       Arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 49.


10       Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Sharpston in gevoegde zaken A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2111, punt 32.


11       Zie in die zin arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 53.


12       Zie arrest van 7 november 2013, X e.a., C‑199/12–C‑201/12, EU:C:2013:720, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


13       Zie bijvoorbeeld EHRM, arrest van 19 april 2016, A.N. tegen Frankrijk, CE:ECHR:2016:0419DEC001295615, § 41.


14       Zie bijvoorbeeld EHRM, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, CE:ECHR:2007:0111JUD000194804, §§ 138‑149.


15      Dat gedrag kan met name verband houden met de kleding van een bepaald persoon, zijn spraakgebruik of manier van doen (bijvoorbeeld het feit dat hij toenadering zoekt tot of omgaat met homoseksuelen en zich inzet voor LGBTI-rechten).


16       Zie in die zin artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de gevoegde zaken A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2111, punt 34.


17       Zie naar analogie, aangaande het vereiste van juiste kwalificatie, artikel 18, lid 1, tweede alinea, en artikel 25, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2013/32.


18       Zie conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak M., C‑277/11, EU:C:2012:253, punt 66.


19       Zie bijvoorbeeld American Psychological Association, Report of the American Psychological Association Task Force on Appropriate Therapeutic Responses to Sexual Orientation, Washington, 2009.


20       Arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punten 60‑62.


21       Ik merk bijvoorbeeld op dat medische en psychologische behandelingen en procedures in beginsel 18 („Bescherming tegen medisch misbruik”) van de Yogyakarta-beginselen gelijk worden behandeld. Dit beginsel 18 luidt als volgt: „Niemand mag worden gedwongen om enigerlei medische of psychologische behandeling, procedure of test te ondergaan of worden opgesloten in een medische inrichting op grond van zijn seksuele geaardheid of genderidentiteit. Niettegenstaande enige andere classificatie zijn iemands seksuele geaardheid en genderidentiteit op zich geen aandoeningen en mogen daarom niet behandeld, verzorgd of onderdrukt worden. [...]” (niet-officiële vertaling). De in 2007 vastgestelde Yogyakarta-beginselen betreffende de toepassing van het internationaal recht inzake mensenrechten met betrekking tot seksuele geaardheid en genderidentiteit zijn juridisch niet bindend, maar worden algemeen gezien als nuttige instrumenten voor de uitlegging van verdragen en wetten op mensenrechtengebied.


22       Zie in die zin EHRM, arrest van 5 juli 1999, Matter tegen Slowakije, CE:ECHR:1999:0705JUD003153496, en EHRM, arrest van 27 november 2003, Worwa tegen Polen, CE:ECHR:2003:1127JUD002662495.


23       Zie in die zin EHRM, arrest van 19 april 2016, A.N. tegen Frankrijk, CE:ECHR:2016:0419DEC001295615, § 44.


24       Zie dienaangaande bijvoorbeeld Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie, Homophobia, transphobia and discrimination on grounds of sexual orientation and gender identity — 2010 Update, Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg, 2010, blz. 60.


25       Zie in die zin arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 64.


26       Zie naar analogie artikel 18, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2013/32.


27       Ik kom hierop terug in punt 55 van deze conclusie.


28       Zie naar analogie artikel 25, lid 5, tweede alinea, van richtlijn 2013/32.


29       Net zoals de Franse, de Hongaarse en de Nederlandse regering en de Commissie, en anders dan F, leg ik punt 59 van het arrest van 2 december 2014, A e.a. (C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406), niet aldus uit dat psychologische tests hierin ten enenmale worden verboden. De vaststellingen van het Hof op dit punt betroffen naar mijn mening alleen de specifieke tests waarop die zaak betrekking had.


30       Cursivering van mij.


31       Zie naar analogie arrest van 28 juli 2011, Samba Diouf, C‑69/10, EU:C:2011:524, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


32       Zie in die zin arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


33      Zie arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punt 34.


34       Zie naar analogie arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punten 35 en 36.


35       Zie in die zin arrest van 21 juni 2017, W e.a., C‑621/15, EU:C:2017:484, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


36       Dienaangaande is bijvoorbeeld in de Guidelines on the role of court-appointed experts in judicial proceedings of Council of Europe’s Member States (richtsnoeren inzake de rol van door de rechter aangestelde deskundigen in rechterlijke procedures van de lidstaten van de Raad van Europa) het volgende bepaald: „De deskundige heeft tot taak die feiten te achterhalen en aan de rechter voor te leggen die alleen door specialisten op basis van specialistische objectieve waarneming kunnen worden vastgesteld. Hij/zij draagt de wetenschappelijke en/of technische inzichten over aan de rechter, zodat deze de feiten objectief en zoals zij zijn kan onderzoeken en beoordelen. De deskundige heeft niet de competentie, en evenmin op enigerlei wijze tot taak, de verantwoordelijkheid van de rechter voor de toetsing en beoordeling van de feiten, die de basis vormen van de rechterlijke beslissing, over te nemen. [...] De deskundige is dus slechts een assistent of adviseur van de rechter, en niet meer dan dat. Zijn/haar rol verschilt dus van die van de rechter, die als enige over rechtsvragen beslist.” (Door de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie, Raad van Europa, op 11 en 12 december 2014 vastgestelde richtsnoeren, punten 16 en 17) (eigen vertaling).