Language of document : ECLI:EU:C:2017:746

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 10 oktober 2017 (1)

Zaak C363/16

Europese Commissie

tegen

Helleense Republiek

„Niet-nakoming door een lidstaat – Staatssteun – Terugvorderingsplicht – Artikel 108, lid 2, VWEU – Door de lidstaten te nemen maatregelen – Faillissementsprocedure – Opneming van de onrechtmatige staatssteun op de lijst van schuldvorderingen – Stopzetten van de activiteiten van de onderneming – Schorsing van de openbare verkoop van de activa van de onderneming”






1.        In februari 2012 heeft de Europese Commissie een besluit(2) aangenomen waarin bepaalde financiële steunmaatregelen van Griekenland aan United Textiles S.A. werden aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun en waarin Griekenland werd gelast die staatssteun terug te vorderen. De Commissie verzoekt het Hof nu op grond van artikel 108, lid 2, VWEU vast te stellen dat Griekenland dit besluit niet binnen de gestelde termijn is nagekomen.

2.        Griekenland stelt dat de ontvanger van de steun door de rechter in juli 2012 failliet was verklaard en dat hij zijn activiteiten heeft stopgezet, zodat de onrechtmatige staatssteun die de begunstigde heeft ontvangen, niet langer de mededinging verstoort. Daaruit volgt dat Griekenland alle noodzakelijke maatregelen heeft genomen om het besluit ten uitvoer te leggen en dat het op dit punt niet in gebreke is.

 Toepasselijke bepalingen

3.        Artikel 108, lid 2, VWEU bepaalt:

„Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 107 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.

Indien deze staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 258 en 259 rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden.

[…]”

4.        Verordening (EG) nr. 659/1999(3) stelde nadere bepalingen vast voor de toepassing van de wetgeving inzake onrechtmatige staatssteun.

5.        In overweging 6 van deze verordening heette het „dat de lidstaten op grond van artikel [4, lid 3, VEU] gehouden zijn om met de Commissie samen te werken en haar alle inlichtingen te verschaffen die zij behoeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen”.

6.        In overweging 13 stond te lezen:

„Overwegende dat in gevallen van niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare onrechtmatige steun, de daadwerkelijke mededinging dient te worden hersteld; dat het hiertoe noodzakelijk is dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd; dat het passend is de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden; dat de toepassing van die procedures niet, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de beschikking van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging mag beletten; dat de lidstaten daartoe dan ook alle nodige maatregelen moeten treffen om de effectiviteit van die beschikking te verzekeren”.

7.        Artikel 14 van deze verordening, „Terugvordering van steun”, bepaalde:

„1.      Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […]. De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het [Unierecht].

[…]

3.      Onverminderd een beschikking van het [Hof van Justitie] overeenkomstig artikel [278 VWEU], dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd [het Unierecht].”

 Voorgeschiedenis van het geding en terugvorderingsbesluit

8.        United Textiles is een Griekse textielonderneming die kleding, vezels en weefsels produceerde. In de overwegingen van het terugvorderingsbesluit staat te lezen dat de situatie van deze onderneming ten minste sinds 2004 steeds verder is verslechterd en dat haar productie-eenheden sinds 2008 niet meer in bedrijf zijn bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Sinds 2008 is er met betrekking tot vrijwel alle bankleningen van de onderneming sprake van wanbetaling. Volgens het jaarverslag van de onderneming is vanaf maart 2009 de productie vrijwel volledig tot stilstand gekomen. Bovendien is sinds februari 2010 de handel in de aandelen van de onderneming op de effectenbeurs van Athene opgeschort.(4)

9.        In 2007 heeft Griekenland aan United Textiles een garantie toegekend in het kader van de herschikking van een bestaande banklening en de uitgifte van een nieuwe banklening (hierna: „garantie van 2007”). In 2009 heeft Griekenland de socialezekerheidsschulden van de onderneming met betrekking tot de periode 2004‑2009 herschikt (hierna: „herschikking van 2009”).(5)

10.      Op 22 februari 2012 heeft de Commissie het terugvorderingsbesluit aangenomen en op 23 februari 2012 heeft zij Griekenland ervan in kennis gesteld. In artikel 1, lid 1, van dit besluit heeft de Commissie verklaard dat de garantie van 2007 en de herschikking van 2009 onrechtmatige steunmaatregelen vormden die onverenigbaar waren met de interne markt.(6) Het totaalbedrag van de onrechtmatige steun werd geraamd op 30,57 miljoen EUR.(7)

11.      Artikel 2 bepaalde dat Griekenland de onrechtmatige staatssteun, inclusief rente, moest terugvorderen van United Textiles.

12.      Artikel 3 bepaalde dat de terugvordering van de staatssteun onverwijld en daadwerkelijk diende te geschieden en dat het terugvorderingsbesluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer diende te worden gelegd.

13.      Voorts bepaalde artikel 4, lid 1, dat Griekenland binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van het besluit de volgende informatie aan de Commissie moest verstrekken:

„a)      het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en terugvorderingsrente);

b)      een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan [het terugvorderingsbesluit] te voldoen;

c)      documenten waaruit blijkt dat de begunstigde werd gelast de steun terug te betalen”.

14.      Volgens artikel 4, lid 2, „houdt [Griekenland] de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om [het terugvorderingsbesluit] ten uitvoer te leggen, en dit tot de […] steun volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan [het terugvorderingsbesluit] te voldoen. Het verstrekt tevens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.”

15.      Na de kennisgeving van het terugvorderingsbesluit hebben de bevoegde Griekse autoriteiten op 21 juni 2012 een schuld erkend van 19 181 729,10 EUR (overeenstemmend met de garantie van 2007). Op 19 juli 2012 werd United Textiles failliet verklaard bij uitspraak van de Polymeles Protodikeio Athinon (rechter in eerste aanleg Athene, Griekenland).

16.      Op 29 augustus 2012 hebben de bevoegde Griekse autoriteiten nog een andere schuld erkend van 15 827 427,78 EUR (die was aangegaan in het kader van de herschikking van 2009).

17.      De schulden werden op 3 augustus 2012 (de garantie van 2007) en op 14 september 2012 (de herschikking van 2009) in het insolventieregister opgenomen.

18.      De eerste vergadering van schuldeisers vond plaats op 18 december 2012. Op 7 februari 2013 werd de laatste kennisgeving van de uit de terug te vorderen staatssteun voortvloeiende schulden verstrekt. Op 11 september 2013 werd de lijst van schuldvorderingen definitief vastgesteld.

19.      Begin 2013 werden de activa van United Textiles openbaar verkocht.

20.      Tussen mei 2012 en mei 2015 vond er tussen de Commissie en Griekenland een briefwisseling plaats over de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit en het verloop van de faillissementsprocedure.

21.      De curator bij de faillissementsprocedure van United Textiles heeft de Commissie bij e-mails van 7 en 17 december 2015 ervan in kennis gesteld dat Griekenland probeerde om de bedrijfsactiviteiten van de onderneming opnieuw op te starten en aan de Commissie gevraagd in welke mate zij dit project steunde. De Commissie heeft Griekenland bij brief van 18 december 2015 gevraagd om te verduidelijken of er een plan bestond om de faillissementsprocedure van United Textiles te schorsen en de activiteiten van dit bedrijf opnieuw op te starten.

22.      Bij wetsbesluit met een normatief karakter van 30 december 2015 (hierna: „WNK”) werd besloten dat „de openbare verkoop van de activa van de naamloze vennootschap […] [United Textiles] [werd] geschorst voor een periode van zes maanden vanaf de datum van publicatie in het staatsblad”.(8)

23.      Griekenland heeft op 19 januari 2016 op de brief van de Commissie van 18 december 2015 geantwoord. Het heeft bevestigd dat de verkoop van de activa was geschorst. In zijn brief van 11 april 2016 heeft Griekenland daarover nadere inlichtingen aan de Commissie verstrekt.

24.      De openbare verkoop van de activa van de onderneming werd vanaf de datum van publicatie van het WNK daadwerkelijk geschorst voor een periode van zes maanden tot 30 juni 2016. De Griekse regering heeft ter terechtzitting bevestigd dat de openbare verkoop van United Textiles’ activa in september 2016 was hervat.

 Procedure en conclusies

25.      Op 30 juni 2016 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

26.      De Commissie vraagt het Hof vast te stellen dat Griekenland de krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van het terugvorderingsbesluit en krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat het niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om van de begunstigde de staatssteun terug te vorderen die onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard bij artikel 1, lid 1, van het terugvorderingsbesluit en doordat het de Commissie niet naar behoren op de hoogte heeft gehouden van de genomen maatregelen in de zin van artikel 4 van dat besluit.

27.      Ter terechtzitting van 21 juni 2017 hebben de Griekse regering en de Commissie pleidooi gehouden en de vragen van het Hof beantwoord.

28.      In haar beroep heeft de Commissie opgemerkt dat Griekenland „uit formeel oogpunt” niet had gewaarborgd dat de verplichtingen ingevolgde het terugvorderingsbesluit waren nagekomen op de datum waarop de gestelde termijn afliep (zie punt 39 hieronder). Het overgrote deel van haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen zijn echter gewijd aan de schorsing van de verkoop van de activa van de onderneming drie jaar later (op 30 december 2015).

29.      Toen de Commissie ter terechtzitting werd gevraagd waaruit de niet-nakoming door Griekenland volgens haar bestond, heeft zij aangevoerd dat Griekenland het terugvorderingsbesluit volgens haar op drie punten heeft geschonden: (i) door de steun niet binnen vier maanden terug te vorderen, zoals in het besluit wordt vereist (waarbij United Textiles failliet was verklaard nadat die termijn reeds was verstreken); (ii) door de Commissie niet volledig op de hoogte te houden van de stand van de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun, meer bepaald door de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het terugvorderingsbesluit voorgeschreven inlichtingen niet binnen twee maanden na de kennisgeving van bedoeld besluit aan de Commissie te verstrekken en door deze instelling niet ervan in kennis te stellen dat de openbare verkoop in december 2015 was geschorst, en (iii) door uit hoofde van het WNK de openbare verkoop van de activa van United Textiles te schorsen.

 Opmerkingen vooraf

30.      Het is belangrijk om allereerst bepaalde aspecten van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU, de relevante datum voor de beoordeling van het bestaan van een inbreuk krachtens deze procedure en de aard van de door een terugvorderingsbesluit aan de lidstaten opgelegde verplichting te verduidelijken.

 Procedure krachtens artikel 108, lid 2, VWEU en bewijslast

31.      Indien een lidstaat een terugvorderingsbesluit niet nakomt, kan de Commissie of iedere andere lidstaat zich in afwijking van de artikelen 258 en 259 VWEU tot het Hof van Justitie wenden krachtens artikel 108, lid 2, VWEU. Anders dan met betrekking tot artikel 258 VWEU, is in dat geval niet voorzien in een precontentieuze procedure.(9)

32.      Welke procedure wordt gevolgd, is afhankelijk van de keuze van de Commissie.(10) Het Hof heeft geoordeeld dat de beroepsgang waarin artikel 108, lid 2, VWEU voorziet, niet meer is dan een variant van het beroep wegens niet-nakoming, specifiek aangepast aan de bijzondere problemen die steunmaatregelen van staten meebrengen voor de mededinging op de interne markt.(11) In de onderhavige zaak heeft de Commissie het beroep ingesteld krachtens artikel 108, lid 2, VWEU.

33.      Op grond van deze bepaling is de toegang tot het Hof sneller en gemakkelijker omdat de formele uitwisseling van standpunten met de lidstaat en (eventueel) met andere belanghebbenden al heeft plaatsgevonden in het kader van de administratieve procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het betrokken besluit van de Commissie.(12) Mitsdien dient het gedrag van een lidstaat waartegen een beroep op grond van artikel 108, lid 2, VWEU is ingesteld, uitsluitend te worden getoetst aan de verplichtingen die de lidstaat bij dit besluit zijn opgelegd.(13)

34.      Ongeacht welke procedure de Commissie kiest, is het vaste rechtspraak dat „het aan de Commissie staat om in het kader van een beroep wegens niet-nakoming het gestelde verzuim aan te tonen. Zij dient het Hof de gegevens te verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim, en zij kan zich daarbij niet baseren op een of ander rechtsvermoeden”.(14) Zodra echter is vastgesteld dat de onrechtmatige staatssteun of een deel daarvan niet is teruggevorderd, is het aan de lidstaat om de redenen ter rechtvaardiging van dat verzuim te onderbouwen.(15)

 Relevante datum voor de beoordeling van het bestaan van een schending

35.      In een procedure zoals de onderhavige, waarin de nationale procedures voor de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun al jaren lopen, is het van groot belang dat de relevante datum voor de beoordeling van het bestaan van een schending wordt vastgesteld. In dit verband blijft de keuze tussen de algemene inbreukprocedure en de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU niet zonder gevolgen. Aangezien de Commissie in het kader van deze laatste niet verplicht is een met redenen omkleed advies uit te brengen, kan de relevante datum voor de beoordeling of sprake is van niet-nakoming van verplichtingen dus (anders dan in procedures op grond van artikel 258 VWEU) niet de datum zijn waarop aan bedoeld advies moet zijn voldaan.

36.      In plaats daarvan is volgens vaste rechtspraak de relevante datum voor de beoordeling in procedures op grond van artikel 108, lid 2, VWEU de in het besluit vastgestelde datum waarop de staatssteun moet zijn teruggevorderd of, indien van toepassing, de datum die de Commissie later heeft vastgesteld.(16) Gebeurtenissen die daarna plaatsvinden, kunnen niet in aanmerking worden genomen voor het beoordelen van het bestaan van een schending of het ontbreken daarvan.(17)

37.      In de onderhavige zaak is in artikel 3, lid 2, van het terugvorderingsbesluit een termijn van vier maanden vastgesteld vanaf de datum van de kennisgeving van het besluit. De Commissie heeft later geen nieuwe termijn vastgesteld. De relevante datum voor de beoordeling is bijgevolg vier maanden na 23 februari 2012 (de datum van kennisgeving van het besluit), dat wil zeggen 23 juni 2012.(18)Omdat die datum op een zaterdag valt, is de relevante datum 25 juni 2012.

38.      Daarnaast was Griekenland op grond van artikel 4, lid 1, van het terugvorderingsbesluit verplicht om binnen twee maanden vanaf de datum van de kennisgeving, dat wil zeggen uiterlijk op 23 april 2012, specifieke inlichtingen aan de Commissie te verstrekken.

39.      Voor de beoordeling of Griekenland heeft voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken en aan zijn verplichting om de staatssteun terug te vorderen, zijn derhalve 23 april 2012, respectievelijk 25 juni 2012 de relevante data.

40.      De Commissie heeft ter terechtzitting betoogd dat de schorsing van de openbare verkoop van de activa van United Textiles op grond van het WNK op 30 december 2015 een tweede relevante datum is voor de beoordeling van het bestaan van een schending.

41.      In dit verband heeft de Commissie ter terechtzitting verder aangevoerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een lidstaat die niet voldoet aan een besluit op grond waarvan hij vóór de relevante datum staatssteun moet terugvorderen, zich schuldig maakt aan een voortdurende schending.(19)

42.      Ik ben het niet eens met deze lezing van de rechtspraak. In sommige van deze zaken heeft het Hof weliswaar opgemerkt dat de schending na de relevante datum en tot de terechtzitting voortduurde, maar de eigenlijke vaststelling van het Hof was beperkt tot het bestaan van een schending aan het einde van de in het besluit van de Commissie vastgestelde termijn.(20)

43.      Uit het arrest Commissie/België(21)blijkt bovendien duidelijk dat gebeurtenissen die zich voordoen na de termijn die is vastgesteld in het besluit waarbij de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun is gelast, niet relevant zijn voor de vaststelling van het bestaan van een schending in het kader van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU. De lidstaat blijft na die datum wel nog steeds verplicht om te zorgen voor de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun, in het kader van zijn plicht tot loyale samenwerking.(22)

 Aard van de verplichting tot terugvordering

44.      De verplichting tot terugvordering van onrechtmatige staatssteun vloeit voort uit artikel 108, lid 2, VWEU, zoals voor de toepassing van het onderhavige geval ten uitvoer gelegd door verordening nr. 659/1999. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is „de intrekking van onrechtmatige steun door terugvordering ervan het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onrechtmatig is”.(23) Terugvordering is bedoeld om de status quo ante zo veel mogelijk te herstellen en het met de mededinging strijdige voordeel dat door de onrechtmatige staatssteun is gecreëerd, op te heffen.(24)

45.      De verplichting tot terugvordering is een resultaatsverplichting.(25) Verordening nr. 659/1999 verplicht de lidstaten ertoe onverwijld onrechtmatige staatssteun terug te vorderen overeenkomstig procedures van nationaal recht, terwijl het terugvorderingsbesluit „onverwijld en daadwerkelijk” moet worden uitgevoerd.(26) In dit verband zijn de betrokken lidstaten volgens vaste rechtspraak vrij de middelen te kiezen waarmee zij de uit het terugvorderingsbesluit voortvloeiende verplichting zullen uitvoeren, mits de gekozen maatregelen geen afbreuk doen aan de strekking en de doeltreffendheid van het recht van de Unie.(27)

46.      Terugvordering moet niet alleen volledig gebeuren maar ook tijdig, dat wil zeggen binnen de termijnen die in het besluit zijn vastgesteld (of de termijn die later door de Commissie is vastgesteld); een te late terugvordering voldoet niet aan de vereisten van het VWEU.(28)

47.      Het is vaste rechtspraak van het Hof dat enkel de volstrekte onmogelijkheid een rechtvaardiging is voor het niet-terugvorderen van onrechtmatige staatssteun.(29) De rechtspraak legt dit verweer strikt uit en aanvaardt niet dat „de enkele vrees voor [binnenlandse] moeilijkheden” een volstrekte onmogelijkheid oplevert.(30) Lidstaten kunnen zich evenmin beroepen op vereisten uit hun nationale recht, zoals de onmogelijkheid tot terugvordering op grond van het nationale recht(31), een rechtsvacuüm(32), administratieve of technische moeilijkheden(33) of de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van het besluit meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van het besluit voor te stellen waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen.(34)

48.      Kan een lidstaat betogen dat er sprake is van een „volstrekte onmogelijkheid” tot terugvordering omdat de financiële toestand van de begunstigde terugvordering van de steun niet toestaat?

49.      Het Hof heeft geoordeeld dat deze toestand niet betekent dat de uitvoering onmogelijk is, aangezien het doel de steunmaatregel op te heffen ook kan worden bereikt door de vereffening van de onderneming.(35) Enkel door aan te tonen dat er geen terugvorderbare activa zijn, kan worden bewezen dat het volstrekt onmogelijk is om de steun terug te vorderen. De lidstaat moet proberen om de onderneming te laten vereffenen, zodat hij zijn vorderingen op de activa kan doen gelden, voor zover er activa zijn en de rangregeling daarvan dit mogelijk maakt.(36)

50.      Het verweer van volstrekte onmogelijkheid is van toepassing op het te bereiken resultaat: de terugbetaling van de onrechtmatige steun. Indien dit verweer zou kunnen worden aangevoerd ten aanzien van de manier waarop de terugvordering wordt uitgevoerd, zou het voor een lidstaat maar al te gemakkelijk zijn om een procedure voor de terugvordering van onrechtmatige steun te kiezen die onmogelijk blijkt en dan aan te voeren dat hij is ontheven van zijn verplichting om de steun terug te vorderen.(37)

51.      Als een lidstaat moeilijkheden ondervindt bij de terugvordering van steun, ontstaan bepaalde aanvullende verplichtingen. Een lidstaat kan zich alleen beroepen op het verweer van volstrekte onmogelijkheid als hij de Commissie op de hoogte heeft gebracht van deze problemen en heeft getracht de moeilijkheden waarmee hij te kampen heeft, op te lossen.(38) Een lidstaat die op onvoorziene en onvoorzienbare moeilijkheden stuit of zich bewust wordt van gevolgen die de Commissie niet voor ogen heeft gehad, moet die problemen bijgevolg ter overweging aan de Commissie voorleggen en daarbij passende wijzigingen van het betrokken besluit voorstellen. Op grond van het met name in artikel 4, lid 3, VEU tot uitdrukking gebrachte beginsel dat de lidstaten en de EU-instellingen wederzijds tot loyale samenwerking verplicht zijn, moeten de Commissie en de lidstaat in een dergelijk geval te goeder trouw samenwerken om deze moeilijkheden te overwinnen.(39)

 Niet-nakoming van verplichtingen

 Verplichting tot terugvordering van staatssteun

 Argumenten van partijen

52.      De Commissie stelt in haar verzoekschrift dat Griekenland de onrechtmatige steun niet binnen de voorgeschreven termijn heeft teruggevorderd.

53.      De Commissie betoogt dat wanneer volledige terugvordering van de onrechtmatige staatssteun onmogelijk is omdat de onderneming in moeilijkheden verkeert of failliet is, de lidstaat eist dat de schuld inzake de terugbetaling van de steun in het kader van de faillissementsprocedure wordt vermeld in de lijst van schuldvorderingen van die onderneming. De onderneming moet haar activiteiten definitief staken. In de onderhavige zaak had Griekenland niet aan deze verplichtingen voldaan op het ogenblik dat de voorgeschreven termijn verstreek, namelijk op 25 juni 2012.

54.      Griekenland stelt dat United Textiles op 19 juli 2012 failliet was verklaard en haar activiteiten heeft gestaakt. De verstoring van de mededinging als gevolg van het concurrentievoordeel dat de ontvanger van de steun genoot, is bijgevolg opgeheven, in overeenstemming met het terugvorderingsbesluit.

 Beoordeling

55.      In een geval als het onderhavige, waarin de betrokken onderneming niet over de benodigde middelen beschikt om de onrechtmatige staatssteun terug te betalen, blijft de verplichting tot terugvordering bestaan. In de vaste rechtspraak van het Hof is namelijk stevig verankerd dat de verplichting tot terugvordering van onrechtmatige staatssteun ook geldt voor terugvorderingen van ontvangers zoals United Textiles, die in moeilijkheden verkeren of in staat van faillissement zijn.(40)

56.      In een dergelijk geval „[kunnen] het herstel van de vroegere toestand en de opheffing van de verstoring van de mededinging die uit de onrechtmatig verleende steun voortvloeit, in beginsel […] plaatsvinden door de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen te doen opnemen”.(41) Indien nodig moet de lidstaat zelf, als schuldeiser of aandeelhouder van de onderneming, een liquidatieprocedure instellen.(42)

57.      Wanneer de autoriteiten van de lidstaten het totale steunbedrag niet kunnen terugvorderen, is de opneming van de schuldvordering op de lijst van schuldvorderingen op zich niet voldoende. De faillissementsprocedure moet „[leiden] tot liquidatie van de onderneming die de onrechtmatige steun heeft ontvangen, dat wil zeggen tot het definitief stopzetten van haar activiteiten”.(43)

58.      Hieruit volgt dat wanneer de lidstaat het totaalbedrag van de onrechtmatige steun niet kan terugvorderen vanwege de financiële toestand van de onderneming (i) de onderneming failliet moet worden verklaard en (ii) de schuldvordering in verband met de terugbetaling van de betrokken steun moet worden opgenomen in de lijst van schuldvorderingen. Wanneer het onmogelijk blijft het totale steunbedrag terug te vorderen, dan moet de faillissementsprocedure leiden tot liquidatie van de onderneming en het definitief stopzetten van haar activiteiten. Alleen dan wordt de terugvorderingsplicht geacht te zijn vervuld.

59.      Een ander punt is de termijn waarbinnen het terugvorderingsbesluit moet worden uitgevoerd. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de verschillende stappen in een faillissementsprocedure, vanaf het eerste verzoekschrift voor faillissement tot de faillietverklaring, de liquidatie van de begunstigde en het definitief stopzetten van zijn activiteiten, normaliter binnen de door de Commissie voor de terugvordering van onrechtmatige steun doorgaans gestelde termijn van vier maanden zullen zijn afgehandeld. Wat kan in deze omstandigheden redelijkerwijs worden verwacht van een lidstaat die tracht om volledig en tijdig aan een terugvorderingsbesluit te voldoen?

60.      Het Hof neemt aan dat de opneming van de uit de onrechtmatige staatssteun voortvloeiende schuldvordering op de lijst van schuldvorderingen het meest geschikte middel is om de verstoring van de mededinging op te heffen en vereist dat dit binnen de in het terugvorderingsbesluit voorgeschreven termijn gebeurt.(44)

61.      Van de lidstaat wordt aldus verwacht dat hij binnen de in het terugvorderingsbesluit voorgeschreven termijn de faillissementsprocedure inleidt (als een andere schuldeiser dat niet reeds heeft gedaan), zijn schuldvorderingen meldt aan de curator en deze laat opnemen op de lijst van schuldvorderingen overeenkomstig de nationale procedures.

62.      Het kan zijn dat de lidstaat de schuldvordering in een bepaald geval niet binnen de voorgeschreven termijn op de lijst van schuldvorderingen kan opnemen vanwege omstandigheden of redenen met betrekking tot nationale procedures. In dat geval moet de lidstaat volgens de rechtspraak van dit Hof deze moeilijkheden ter overweging aan de Commissie melden en haar tevens voorstellen doen voor passende wijzigingen van het betrokken besluit. Zowel de lidstaat als de Commissie moet de plicht tot loyale samenwerking in acht nemen en te goeder trouw samenwerken.(45)

63.      Hieruit volgt dat een lidstaat, wanneer hij zich vanwege de bijzonderheden van de faillissementsprocedure moeilijk kan houden aan de in het terugvorderingsbesluit gestelde termijnen, de Commissie daarvan ten volle in kennis moet stellen en om een aanvullende termijn voor de naleving van dit besluit moet verzoeken. Daarbij dient hij de gevraagde verlenging naar behoren te motiveren. Mijns inziens is de Commissie, die eveneens tot loyale samenwerking verplicht is, dan verplicht om een redelijke verlenging van de terugvorderingstermijn toe te staan wanneer de omstandigheden van het geval zulks vereisen.

64.      In de onderhavige zaak staat vast dat United Textiles pas op 19 juli 2012 failliet is verklaard. De terug te vorderen bedragen werden op 3 augustus 2012 (de garantie van 2007) en op 14 september 2012 (de herschikking van 2009) in het insolventieregister opgenomen. Griekenland heeft ter terechtzitting verklaard dat de laatste kennisgeving van een schuldvordering betreffende de onrechtmatige staatssteun dateert van 7 februari 2013. Op 11 september 2013 werd de lijst van schuldvorderingen definitief vastgesteld. Al deze gebeurtenissen vonden plaats na de relevante datum van 25 juni 2012.

65.      Hoewel alle maatregelen ter uitvoering van het terugvorderingsbesluit (de faillietverklaring van United Textiles, de melding van de schuldvorderingen bij het insolventieregister en de vaststelling van de lijst van schuldvorderingen, waaronder de vorderingen die voortvloeien uit de onrechtmatige staatsschuld) na de door de Commissie voorgeschreven terugvorderingstermijn werden genomen, heeft Griekenland de Commissie geen extra tijd gevraagd om het terugvorderingsbesluit overeenkomstig zijn nationale procedures te kunnen uitvoeren. De uitvoeringsmaatregelen zijn derhalve na de relevante datum genomen.

66.      De schending is bijgevolg vastgesteld.

 Verplichting om de Commissie op de hoogte te houden

 Argumenten van partijen

67.      De Commissie stelt dat Griekenland haar niet voldoende op de hoogte heeft gehouden van de maatregelen die ter uitvoering van het terugvorderingsbesluit werden genomen. Zij is van mening dat Griekenland haar niet vooraf heeft meegedeeld dat de openbare verkoop van United Textiles’ activa op grond van het WNK zou worden geschorst. Voorts heeft Griekenland na de brief van 11 april 2016 geen inlichtingen meer verstrekt over het verloop van de zaak.

68.      Griekenland betoogt dat het de Commissie voldoende op de hoogte heeft gehouden van de maatregelen die het heeft genomen ter uitvoering van het terugvorderingsbesluit.

 Beoordeling

69.      Artikel 4 van het terugvorderingsbesluit legde Griekenland welbepaalde rapportageverplichtingen op. Ten eerste diende Griekenland binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van het besluit drie specifieke inlichtingen te verstrekken (artikel 4, lid 1). Ten tweede moest Griekenland de Commissie steeds op de hoogte houden van de stand van uitvoering van de maatregelen die het had genomen voor de terugvordering van de steun, en dit tot de steun volledig was terugbetaald (artikel 4, lid 2).

70.      Het Hof heeft geoordeeld dat indien een lidstaat niet binnen de gestelde termijnen de maatregelen heeft genomen die nodig zijn voor de terugvordering van de staatssteun, hij evenmin de op hem rustende verplichting is nagekomen om de Commissie op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen.(46) Aangezien Griekenland geen maatregelen heeft genomen om het terugvorderingsbesluit vóór 23 april 2012 uit te voeren, kan het evenmin de Commissie daarover op de hoogte hebben gesteld.

71.      De niet-nakoming van deze verplichting is bijgevolg ook vastgesteld.

72.      Ik wil hier opmerken dat de Griekse regering ter terechtzitting heeft bevestigd dat de drie specifieke inlichtingen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het terugvorderingsbesluit waren vereist, niet vóór 23 april 2012 waren verstrekt. Daarnaast blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat de Griekse regering pas in mei 2012 contact met de Commissie heeft opgenomen. Dat is wederom na de gestelde termijn.

73.      Met betrekking tot de verplichting om de Commissie, tot de steun volledig is terugbetaald, op de hoogte te houden van de stand van uitvoering van de maatregelen die voor de terugvordering ervan zijn genomen (artikel 4, lid 2, van het terugvorderingsbesluit), hebben partijen aan het Hof een aantal brieven overgelegd waaruit blijkt dat er vanaf mei 2012 sprake was van frequente briefwisseling tussen Griekenland en de Commissie. In deze brieven heeft Griekenland de Commissie op de hoogte gebracht van de voortgang van de faillissementsprocedure van United Textiles. Griekenland heeft de Commissie echter niet vooraf op de hoogte gesteld van de vaststelling van het WNK waarbij de openbare verkoop van United Textiles werd geschorst. Pas nadat de Commissie Griekenland (bij brief van 18 december 2015) had gevraagd om de situatie op te helderen, heeft Griekenland de Commissie (bij brief van 19 januari 2016) ervan op de hoogte gebracht dat het de openbare verkoop van de activa van United Textiles voor zes maanden had geschorst om een plan voor de doorstart van de activiteiten van die onderneming te beoordelen.

74.      Mijns inziens is dat een schending van artikel 4, lid 2, van het terugvorderingsbesluit.

75.      Daarom concludeer ik dat Griekenland de Commissie onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van de genomen maatregelen voor de terugvordering van de onrechtmatige steun, zoals op grond van artikel 4 van het terugvorderingsbesluit is vereist.

 Schorsing van de openbare verkoop en mogelijkheid om de activiteiten van United Textiles opnieuw op te starten

76.      De schorsing van de openbare verkoop van de activa van United Textiles vond plaats na de relevante datum voor de beoordeling van het bestaan van een schending (zie de punten 35‑43 hierboven). Zij kan in dit verband dus niet in aanmerking worden genomen. Een belangrijk deel van de opmerkingen van partijen heeft echter hierop betrekking, zodat ik er ter wille van de volledigheid kort op zal ingaan.

77.      De Commissie voert aan dat terugvordering overeenkomstig de nationale procedures en onverwijld en daadwerkelijk moet worden uitgevoerd. Wanneer het onmogelijk blijkt de onrechtmatige staatssteun integraal terug te krijgen en de lidstaat kiest voor de faillissementsprocedure, moet die procedure uiteindelijk leiden tot de liquidatie van de onderneming en het definitief stopzetten van de activiteiten daarvan. Door de schorsing van de openbare verkoop van de activa van United Textiles wordt de faillissementsprocedure van de onderneming, die onomkeerbaar zou moeten zijn, stopgezet en wordt de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun vertraagd.

78.      Griekenland betoogt dat United Textiles haar activiteiten had gestaakt en dat het concurrentievoordeel dat zij genoot bijgevolg was verdwenen. Het is op grond van de rechtspraak of de praktijk van de Commissie niet noodzakelijk dat de faillissementsprocedure hoe dan ook leidt tot de liquidatie en de ontbinding van de betrokken onderneming. De schorsing van de openbare verkoop duurde slechts zes maanden, waarna de faillissementsprocedure op normale wijze werd voortgezet. Het plan voor de doorstart van de activiteiten van United Textiles omvatte ook een regeling voor de onmiddellijke terugvordering van de staatssteun.

79.      Kan een lidstaat die onrechtmatige staatssteun terugvordert in het kader van een faillissementsprocedure, deze procedure schorsen om een plan voor de doorstart van de activiteiten van de begunstigde te onderzoeken?

80.      Bij de beantwoording van deze vraag moeten verschillende beginselen voor ogen worden gehouden.

81.      Ten eerste dient de terugvordering onmiddellijk plaats te vinden en dient het terugvorderingsbesluit onverwijld en daadwerkelijk te worden uitgevoerd.(47)

82.      Ten tweede zijn de lidstaten vrij de middelen te kiezen waarmee zij hun terugvorderingsplicht willen nakomen, mits de gekozen maatregelen geen afbreuk doen aan de strekking en de doeltreffendheid van het Unierecht en de terugvordering praktisch niet onmogelijk maken. De door de lidstaten getroffen maatregelen moeten de normale concurrentievoorwaarden die zijn vervalst door de toekenning van de onrechtmatige steun, kunnen herstellen.(48)

83.      Ten derde hangen de specifieke verplichtingen betreffende de terugvordering van staatssteun en de meer algemene plicht tot loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU nauw met elkaar samen. Artikel 4, lid 3, geeft vorm aan de manier waarop een lidstaat gedurende de terugvorderingsprocedure moet handelen.(49)

84.      Tot slot moet het algemene doel van de terugvordering van onrechtmatige staatssteun, dat wil zeggen de opheffing van de verstoring van de mededinging(50), worden bekeken in het licht van de algemene doelstellingen van de EU zoals deze zijn verwoord in artikel 3 VEU, en met name een evenwichtige economische groei en een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die is gericht op volledige werkgelegenheid, als pijlers van de duurzame ontwikkeling van de EU.(51)

85.      Tegen deze achtergrond ben ik het niet eens met de door de Commissie ter terechtzitting geuite opvatting dat terugvordering door middel van een faillissementsprocedure een „straat met eenrichtingsverkeer” is, die onvermijdelijk moet leiden tot de liquidatie van de begunstigde.

86.      Ten eerste wordt in de rechtspraak van dit Hof uitdrukkelijk vastgesteld dat de faillissementsprocedure, wil aan de terugvorderingsverplichting worden voldaan, moet „[leiden] tot liquidatie van de onderneming die de onrechtmatige steun heeft ontvangen, dat wil zeggen tot het definitief stopzetten van haar activiteiten”, maar deze verplichting is alleen van toepassing „wanneer de nationale autoriteiten niet het volledige steunbedrag kunnen terugkrijgen”.(52) Wanneer daarentegen het totale steunbedrag tijdens de faillissementsprocedure kan worden teruggevorderd, dan zijn de liquidatie van de onderneming en het definitief stopzetten van haar activiteiten niet langer noodzakelijk.

87.      Ten tweede is de stelling dat de regels betreffende staatssteun, binnen een systeem dat is gericht op economische groei en volledige werkgelegenheid, ondernemingen die anders levensvatbaar zouden kunnen zijn, er automatisch toe moeten verplichten om hun activiteiten stop te zetten – met banenverlies als gevolg – intrinsiek onaanvaardbaar.

88.      Ten derde merkt Griekenland terecht op dat de Commissie zelf heeft gezegd dat als „een plan voor voortzetting van de activiteiten [wordt] voorgelegd, […] de instanties die voor de uitvoering van de terugvorderingsbeschikking verantwoordelijk zijn dit plan alleen [kunnen] steunen indien het ervoor zorgt dat de steun binnen de in de terugvorderingsbeschikking van de Commissie vastgelegde termijnen volledig wordt terugbetaald”.(53) De Commissie merkt inderdaad verder op dat „de lidstaat [met name] niet ten dele [kan] afzien van zijn verzoek tot terugvordering en evenmin […] een andere oplossing [kan] aanvaarden die niet de onmiddellijke beëindiging van de activiteiten van de begunstigde tot gevolg zou hebben. Zonder de onverwijlde en volledige terugbetaling van de onrechtmatige en onverenigbare steun moeten de voor de uitvoering van de terugvorderingsbeschikking verantwoordelijke instanties alle middelen die hun ter beschikking staan gebruiken om te verhinderen dat een plan voor voortzetting van de activiteiten wordt aangenomen en moeten zij erop aandringen dat de activiteiten van de begunstigde binnen de in de terugvorderingsbeschikking gestelde termijn worden beëindigd”.(54) Dat neemt niet weg dat de Commissie een plan voor voortzetting van de activiteiten dat tot de volledige en tijdige terugvordering van de eerder betaalde onrechtmatige staatssteun leidt, aanvaardbaar acht.

89.      Om die reden ben ik van mening dat een lidstaat in beginsel kan overwegen om de activiteiten van de begunstigde van onrechtmatige staatssteun nieuw leven in te blazen in omstandigheden als die van de onderhavige zaak.

90.      Ik stel echter voor dat hierbij op zijn minst de volgende minimumvoorwaarden in acht worden genomen: (i) het project maakt volledige terugvordering van de onrechtmatige staatssteun mogelijk; (ii) de procedure is in overeenstemming met het nationale recht; (iii) de Commissie wordt vooraf volledig in kennis gesteld; (iv) de plicht tot loyale samenwerking en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht worden in acht genomen; (v) de Commissie stemt in met het plan en stelt een bindend tijdschema vast voor de uitvoering ervan, en (vi) de door de Commissie vastgestelde termijnen worden door de lidstaat in acht genomen.

91.      In de onderhavige zaak had de schorsing van de faillissementsprocedure op grond van het WNK alleen betrekking op de openbare verkoop van de activa van United Textiles. Zij heeft geen gevolgen gehad voor de opneming van de schuldvordering op de lijst van schuldvorderingen of voor de stopzetting van de activiteiten van de onderneming.(55) Derhalve is het oneerlijke concurrentievoordeel van United Textiles daarmee niet verlengd.

92.      Griekenland heeft echter pas na goedkeuring van het WNK op verzoek van de Commissie inlichtingen daarover aan haar verstrekt. Het argument van Griekenland dat het niet in staat was de Commissie onmiddellijk over het project op de hoogte te brengen omdat de beoordeling ervan nog aan de gang was, wijs ik af. Voorts blijkt uit het dossier niet dat Griekenland de Commissie bij de procedure heeft betrokken, wat het had moeten doen uit hoofde van de plicht tot loyale samenwerking.

93.      Om die reden ben ik van mening dat de schorsing van de openbare verkoop op grond van het WNK om een plan voor de doorstart van de activiteiten van United Textiles te onderzoeken, in strijd was met de verplichtingen van Griekenland krachtens het terugvorderingsbesluit en met de plicht tot samenwerking, die met name aan artikel 4, lid 3, VEU ten grondslag ligt.

 Kosten

94.      Krachtens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover de wederpartij dat heeft gevorderd. Aangezien Griekenland in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.

 Conclusie

95.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:

1)      vast te stellen dat Griekenland, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn om van de ontvanger de staatssteun terug te vorderen die onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard bij artikel 1, lid 1, van besluit 2012/541/EU van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.26534 (C 27/2010, ex NN 6/2009) die Griekenland heeft verleend aan Enoméni Klostoüfantourgía A.E. (United Textiles SA) en door de Europese Commissie niet in de zin van artikel 4 van besluit 2012/541 naar behoren op de hoogte te hebben gehouden van de genomen maatregelen, zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2, 3 en 4 van dat besluit niet is nagekomen;

2)      Griekenland te verwijzen in de kosten.


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Besluit 2012/541/EU van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.26534 (C 27/10, ex NN 6/09) die Griekenland heeft verleend aan Enoméni Klostoüfantourgía A.E. (United Textiles SA) (PB 2012, L 279, blz. 30) (hierna: „terugvorderingsbesluit”).


3      Verordening van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB 1999, L 83, blz. 1). Deze verordening is inmiddels ingetrokken en vervangen door verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9). De eerstbedoelde verordening was van kracht op de datum waarop het terugvorderingsbesluit werd aangenomen en op de datum die relevant is voor de beoordeling van de inbreuk. De laatstbedoelde verordening werd van kracht op 14 oktober 2015. In ieder geval is de inhoud van artikel 16 van deze laatste verordening gelijk aan die van artikel 14 van verordening nr. 659/1999, afgezien van de nummering van de bepalingen.


4      Overwegingen 11‑15 van het terugvorderingsbesluit.


5      Overwegingen 18‑21 van het terugvorderingsbesluit.


6      Artikel 1, lid 1, van het terugvorderingsbesluit.


7      Overwegingen 98 en 99 van het terugvorderingsbesluit.


8      Artikel 17 van het WNK. De rechtsgrondslag van de goedkeuring van dit wetsbesluit was artikel 44, lid 1, van de Griekse grondwet, waarin is bepaald dat „de president van de republiek in uitzonderlijke omstandigheden van dringende en onvoorzienbare noodzaak wetsbesluiten met een normatief karakter kan uitvaardigen op voorstel van de ministerraad. […]”


9      Arrest van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, EU:C:2001:370, punt 26.


10      Zie arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, EU:C:2003:373, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Het door de Commissie ter terechtzitting aangevoerde argument dat wanneer een lidstaat een krachtens artikel 108, lid 2, VWEU gegeven besluit niet is nagekomen, haar enige optie erin bestaat een procedure bij het Hof in te leiden op grond van die bepaling, kan ik daarom niet aanvaarden.


11      Arrest van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, EU:C:2001:370, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


12      Conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:90, punt 26.


13      Arrest van 2 februari 1988, Commissie/Nederland, 213/85, EU:C:1988:39, punt 8. In het terugvorderingsbesluit wordt het toepassingsgebied van een procedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU afgebakend (volledige en tijdige tenuitvoerlegging). Andere overwegingen, zoals het gedrag van een lidstaat in een later stadium, moeten worden ondergebracht onder artikel 258 VWEU (na het uitbrengen van een met redenen omkleed advies) of artikel 260 VWEU (indien het Hof al heeft vastgesteld dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen), waarbij de daarin omschreven procedure wordt gevolgd.


14      Arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, EU:C:2003:373, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


15      Zie in dat verband arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 71.


16      Arrest van 12 december 2013, Commissie/Italië, C‑411/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:832, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak. De betrokken besluiten hebben betrekking op de verplichtingen inzake de terugvordering. Soortgelijke beginselen moeten volgens mij gelden voor de verplichting tot het verstrekken van informatie aan de Commissie.


17      Zie in dat verband arrest van 3 juli 2001, Commissie/België, C‑378/98, EU:C:2001:370, punt 28.


18      In het arrest van 9 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑63/14, EU:C:2015:458, heeft het Hof bijvoorbeeld opgemerkt dat het besluit op 3 mei 2013 ter kennis is gebracht (punt 14) en dat de relevante datum 3 september 2013 was (punt 46). Zie ook arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, was het besluit ter kennis gebracht op 29 januari 2009 (punt 15) en werd de datum voor de beoordeling van de nakoming van het besluit vastgesteld op 29 mei 2009 (punt 58).


19      De drie zaken die de Commissie ter ondersteuning van haar stelling aanhaalt, zijn de arresten van 9 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑63/14, EU:C:2015:458; 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, en 13 oktober 2011, Commissie/Italië, C‑454/09, niet gepubliceerd, EU:C:2011:650.


20      In het arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, heeft het Hof bijvoorbeeld in verband met de verplichting om de Commissie op de hoogte te houden van de terugvordering van de onrechtmatige staatssteun opgemerkt dat de lidstaat noch in de aanvankelijke periode van twee maanden die in het besluit was vastgesteld, noch in de daaropvolgende periode vóór de terechtzitting bij het Hof alle vereiste inlichtingen had verstrekt (punt 88).


21      Arrest van 3 juli 2001, C‑378/98, EU:C:2001:370, punt 28; zie punt 36 hierboven.


22      Zie de punten 80 e.v. hieronder, en inzonderheid punt 83.


23      Zie arrest van 9 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑63/14, EU:C:2015:458, punt 44.


24      Zie in dat verband arrest van 14 april 2011, Commissie/Polen, C‑331/09, EU:C:2011:250, punt 56, en mijn conclusie in de zaak Commissie/Frankrijk, C‑214/07, EU:C:2008:343, punt 39.


25      Ik ben het in dit verband eens met hetgeen advocaat-generaal Wahl heeft verklaard in zijn conclusie in de zaak Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:90, punten 31‑38.


26      Overweging 13 en artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999.


27      Arrest van 11 september 2014, Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:2193, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


28      Arrest van 9 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑63/14, EU:C:2015:458, punt 45.


29      Arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, EU:C:2003:373, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


30      Arrest van 29 januari 1998, Commissie/Italië, C‑280/95, EU:C:1998:28, punten 14‑16.


31      Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie, C‑303/88, EU:C:1991:136, punt 60.


32      Arrest van 17 oktober 2013, Commissie/Griekenland, C‑263/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:673, punt 36.


33      Arrest van 29 januari 1998, Commissie/Italië, C‑280/95, EU:C:1998:28, punten 18‑26.


34      Arrest van 5 mei 2011, Commissie/Italië, C‑305/09, EU:C:2011:274, punt 33. Zie met betrekking tot het begrip „volstrekte onmogelijkheid” ook Karpenschif, M., Droit européen des aides d’État, Bruylant, Brussel, 2015, blz. 383‑387.


35      Zie in dat verband arrest van 2 juli 2002, Commissie/Spanje, C‑499/99, EU:C:2002:408, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


36      Arrest van 2 juli 2002, Commissie/Spanje, C‑499/99, EU:C:2002:408, punt 37.


37      Zie mijn conclusie in de zaak Commissie/Frankrijk, C‑214/07, EU:C:2008:343, punt 44.


38      Arresten van 14 februari 2008, Commissie/Griekenland, C‑419/06, niet gepubliceerd, EU:C:2008:89, punt 40, en 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


39      Arrest van 26 juni 2003, Commissie/Spanje, C‑404/00, EU:C:2003:373, punt 46.


40      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


41      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


42      Zie arrest van 6 december 2007, Commissie/Italië, C‑280/05, niet gepubliceerd, EU:C:2007:753, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


43      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


44      Arresten van 13 oktober 2011, Commissie/Italië, C‑454/09, niet gepubliceerd, EU:C:2011:650, punten 38‑42; 14 april 2011, Commissie/Polen, C‑331/09, EU:C:2011:250, punten 60‑65, en 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punten 73‑75.


45      Zie punt 51 en voetnoot 38 hierboven.


46      Zie onder meer arrest van 9 juli 2015, Commissie/Frankrijk, C‑63/14, EU:C:2015:458, punten 62 en 63.


47      Zie punt 45 hierboven.


48      Arrest van 11 september 2014, Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:2193, punten 40‑42.


49      Zie onder meer arrest van 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 67, en mijn conclusie in de zaak Commissie/Frankrijk, C‑214/07, EU:C:2008:343, punt 48.


50      Zie punt 44 hierboven.


51      Artikel 3, lid 3, VEU.


52      Arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


53      Bekendmaking van de Commissie, Naar een doelmatige tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie waarbij lidstaten wordt gelast onrechtmatige en onverenigbare steun terug te vorderen, PB 2007, C 272, blz. 4, punt 67.


54      Bekendmaking van de Commissie, Naar een doelmatige tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie waarbij lidstaten wordt gelast onrechtmatige en onverenigbare steun terug te vorderen, PB 2007, C 272, blz. 4, punt 67.


55      De Commissie heeft bij het Hof geen bewijs aangedragen waaruit blijkt dat United Textiles nog actief is. Integendeel, in overweging 13 van het terugvorderingsbesluit staat dat de productie-eenheden van de onderneming sinds 2008 niet meer in bedrijf zijn door gebrek aan bedrijfskapitaal. Griekenland betoogt dat wanneer een onderneming failliet is verklaard, haar activiteiten naar Grieks recht slechts kunnen worden voortgezet met toestemming van de faillissementsrechter of bij besluit van de vergadering van schuldeisers. Griekenland heeft de Commissie bij brieven van 12 november 2014 en 15 mei 2015 ervan op de hoogte gesteld dat hiervan geen sprake was. Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat de door de Commissie ter terechtzitting geuite beweringen over een mogelijke feitelijke voortzetting van de activiteiten van United Textiles onvoldoende zijn om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen (zie punt 34 hierboven).