Language of document : ECLI:EU:C:2017:798

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

25 oktober 2017 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen – Artikel 3, lid 1, VWEU – Exclusieve bevoegdheid van de Unie – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Artikel 207, lid 1, VWEU – Handelsaspecten van intellectuele eigendom”

In zaak C‑389/15,

betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 17 juli 2015,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, J. Guillem Carrau, B. Hartmann, A. Lewis en M. Kocjan als gemachtigden,

verzoekster,

ondersteund door:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Etienne, A. Neergaard en R. Passos als gemachtigden,

interveniënt,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta en F. Florindo Gijón als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door:

Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Hedvábná, K. Najmanová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Techert als gemachtigden,

Helleense Republiek, vertegenwoordigd door M. Tassopoulou als gemachtigde,

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Sampol Pucurull als gemachtigde,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, D. Colas, F. Fize, B. Fodda en D. Segoin als gemachtigden,

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,

Hongarije, vertegenwoordigd door M. Bóra, Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden,

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman, M. Gijzen en B. Koopman als gemachtigden,

Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

Portugese Republiek, vertegenwoordigd door M. Figueiredo, L. Inez Fernandes en L. Duarte als gemachtigden,

Slowaakse Republiek, vertegenwoordigd door M. Kianička als gemachtigde,

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en NoordIerland, vertegenwoordigd door C. Brodie en D. Robertson als gemachtigden,

interveniënten,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, L. Bay Larsen, J. L. da Cruz Vilaça, A. Rosas, J. Malenovský (rapporteur), kamerpresidenten, E. Juhász, M. Safjan, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal, E. Jarašiūnas en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 juni 2017,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juli 2017,

het navolgende

Arrest

1        Met haar beroep verzoekt de Europese Commissie om nietigverklaring van besluit 8512/15 van de Raad van 7 mei 2015 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, wat de onder de bevoegdheid van de Europese Unie vallende aangelegenheden betreft (hierna: „bestreden besluit”).

 Toepasselijke bepalingen

 Internationaal recht

 Verdrag van Parijs

2        Het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom is op 20 maart 1883 te Parijs ondertekend, op 14 juli 1967 te Stockholm laatstelijk herzien en op 28 september 1979 gewijzigd (Recueil des traités des Nations unies, deel 828, nr. 11851, blz. 305; hierna: „Verdrag van Parijs”).

3        De oorspronkelijke tekst van dat verdrag bevatte een preambule – die niet is overgenomen in de latere herziene versies van dat verdrag – volgens welke de partijen bij dat verdrag tot de sluiting van dat verdrag hadden besloten „vanuit het verlangen om in onderlinge overeenstemming een volledige en doeltreffende bescherming van de industrie en de handel van de onderdanen van hun respectieve staten te waarborgen en bij te dragen tot de waarborging van de rechten van uitvinders en de eerlijkheid van de handelstransacties”.

4        Artikel 1 van het Verdrag van Parijs bepaalt met name dat de staten voor welke dit verdrag geldt, een unie tot bescherming van de industriële eigendom vormen. De bescherming van de industriële eigendom omvat de octrooien, de modellen, de tekeningen, de merken, de handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zomede de bestrijding van de oneerlijke mededinging.

5        In artikel 2 van dat verdrag is met name bepaald dat de onderdanen van elk van de staten van die unie in alle andere staten van die unie, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen zullen genieten welke de onderscheiden wetten van die andere staten aan de eigen onderdanen toekennen en dat zij dientengevolge dezelfde bescherming zullen hebben als deze laatsten.

6        In dit verband verplichten de artikelen 10 tot en met 10 ter van dat verdrag de staten van die unie de onderdanen van die unie een daadwerkelijke bescherming te verlenen tegen de oneerlijke mededinging en hun geschikt wettelijk verhaal te verzekeren, en voorzien zij in de inbeslagneming bij de invoer van de betrokken waren in geval van gebruik van een valse aanduiding betreffende hun herkomst.

7        Volgens artikel 19 van het Verdrag van Parijs behouden de staten die partij zijn bij dat verdrag, zich het recht voor afzonderlijk onderling bijzondere overeenkomsten te treffen tot bescherming van de industriële eigendom.

 Overeenkomst van Lissabon

8        De Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming en internationale registratie van oorsprongsbenamingen is op 31 oktober 1958 ondertekend, op 14 juli 1967 te Stockholm herzien en op 28 september 1979 gewijzigd (Recueil des traités des Nations unies,deel 828, nr. 13172, blz. 205; hierna: „Overeenkomst van Lissabon”). Die overeenkomst is een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 19 van het Verdrag van Parijs waartoe iedere staat kan toetreden die partij is bij dat verdrag.

9        Op de datum van instelling van het onderhavige beroep waren 28 staten partij bij die overeenkomst. Hiertoe behoorden 7 lidstaten van de Unie, namelijk de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, Hongarije, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek. 3 andere lidstaten, namelijk de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje en Roemenië, hadden ook die overeenkomst ondertekend, maar hadden deze niet geratificeerd. De Unie was daarentegen geen partij bij die overeenkomst, waartoe alleen staten konden toetreden.

10      Artikel 1 van de Overeenkomst van Lissabon bepaalt dat de staten waarop die overeenkomst van toepassing is, een bijzondere unie vormen in het kader van de bij het Verdrag van Parijs ingestelde unie tot bescherming van de industriële eigendom en zich ertoe verbinden om overeenkomstig die overeenkomst op hun grondgebied de oorsprongsbenamingen te beschermen van de producten uit andere landen van die bijzondere unie die in het land van oorsprong als zodanig zijn erkend en beschermd en die zijn geregistreerd bij het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO).

11      Volgens artikel 2, lid 1, van die overeenkomst wordt onder het begrip „oorsprongsbenaming” verstaan de geografische benaming van een land, een streek of een plaats die wordt gebruikt om een product aan te duiden dat daaruit afkomstig is en waarvan de kwaliteit of de kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk toe te schrijven zijn aan het geografische milieu, dat factoren van natuurlijke en menselijke aard omvat.

12      De artikelen 3 tot en met 7 van die overeenkomst regelen de inhoud van en de voorwaarden voor de bescherming van de daaronder vallende oorsprongsbenamingen en de regels voor de registratie van die oorsprongsbenamingen door het Internationaal Bureau van de WIPO. Artikel 4 van die overeenkomst bepaalt met name dat die bescherming de bescherming die deze oorsprongsbenamingen met name krachtens het Verdrag van Parijs reeds genieten in elke staat van de bijzondere unie, niet uitsluit.

13      Volgens artikel 8 van de Overeenkomst van Lissabon kunnen de vervolgingen die noodzakelijk zijn voor die bescherming, in elke staat van de bij die overeenkomst ingestelde bijzondere unie overeenkomstig de desbetreffende nationale wettelijke regeling worden ingesteld.

14      De artikelen 9 tot en met 18 van die overeenkomst bevatten de bepalingen inzake de institutionele organisatie en de administratieve werking van die bijzondere unie alsook de algemene bepalingen van die overeenkomst.

 Unierecht

15      De Unie heeft vanaf de jaren zeventig geleidelijk verschillende handelingen vastgesteld betreffende onder meer de definitie, de aanduiding, de presentatie en de etikettering van bepaalde soorten producten met oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen alsook de voorwaarden voor de toekenning, de bescherming en de controle van oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen. De thans onder die handelingen vallende soorten producten zijn wijnen, gedistilleerde dranken, gearomatiseerde wijnen en andere landbouwproducten en levensmiddelen.

16      De desbetreffende Unieregeling bestaat thans uit verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB 2008, L 39, blz. 16), verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1), verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671, met rectificaties in PB 2014, L 189, blz. 261, en PB 2016, L 130, blz. 9), en verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad (PB 2014, L 84, blz. 14, met rectificatie in PB 2014, L 105, blz. 12).

 Voorgeschiedenis van het geding en bestreden besluit

 Herziening van de Overeenkomst van Lissabon

17      In september 2008 heeft de algemene vergadering van de bij de Overeenkomst van Lissabon ingestelde bijzondere unie een werkgroep opgericht die belast was met de voorbereiding van een herziening van die overeenkomst met als doel die overeenkomst te verbeteren en aantrekkelijker te maken, doch met behoud van de beginselen en de doelstellingen ervan.

18      In oktober 2014 heeft die werkgroep overeenstemming bereikt over een daartoe strekkende ontwerphandeling (hierna: „ontwerp tot herziening van de overeenkomst”), waarin de institutionele, procedurele en materiële bepalingen van de Overeenkomst van Lissabon zijn overgenomen, zij het dat de indeling ervan gedeeltelijk is gewijzigd en een aantal aanvullingen en preciseringen zijn aangebracht. Deze aanvullingen en preciseringen hadden in het bijzonder betrekking op de werkingssfeer van de in die overeenkomst voorziene bescherming, waarvan de uitbreiding tot geografische aanduidingen werd voorgesteld (artikelen 2 en 9), op de materiële omvang van die bescherming en de procedurele middelen voor de tenuitvoerlegging van die bescherming (artikelen 4‑8 en 11‑20) en op de mogelijkheid voor intergouvernementele organisaties om toe te treden tot die overeenkomst (artikel 28).

19      Van 11 tot en met 21 mei 2015 is te Genève een diplomatieke conferentie gehouden ter bespreking en tot vaststelling van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst. De delegaties van de 28 staten die partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon alsook 2 zogenaamde „speciale” delegaties, waaronder de delegatie van de Unie, en een aantal zogenaamde „waarnemende delegaties”, zijn uitgenodigd tot deelname aan die conferentie, overeenkomstig de door het voorbereidend comité goedgekeurde ontwerpprocedureregeling.

20      Op 20 mei 2015 is op die diplomatieke conferentie de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen vastgesteld, die de volgende dag voor ondertekening is opengesteld.

 Aanbeveling van de Commissie en bestreden besluit

21      In het licht van de voornoemde diplomatieke conferentie heeft de Commissie op 30 maart 2015 een aanbeveling gedaan voor een besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

22      In die aanbeveling heeft de Commissie in de eerste plaats de Raad verzocht om zijn besluit op artikel 207 VWEU en artikel 218, leden 3 en 4, VWEU te baseren, gelet op de bij artikel 3, lid 1, VWEU aan de Unie verleende exclusieve bevoegdheid op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek alsook op het doel en de inhoud van de Overeenkomst van Lissabon.

23      In de tweede plaats heeft de Commissie de Raad voorgesteld haar te machtigen de onderhandelingen namens de Unie te voeren, de daartoe te volgen onderhandelingsrichtsnoeren vast te stellen en het in dit verband te raadplegen speciaal comité aan te wijzen.

24      Op 7 mei 2015 heeft de Raad het bestreden besluit vastgesteld. Anders dan de Commissie had aanbevolen, is dat besluit op artikel 114 VWEU en artikel 218, leden 3 en 4, VWEU gebaseerd.

25      In de overwegingen 2 en 3 van dat besluit is die keuze als volgt gemotiveerd:

„(2)      Het internationale systeem van de Overeenkomst van Lissabon wordt herzien met het oog op de verbetering ervan om meer leden aan te trekken, doch met behoud van de beginselen en de doelstellingen ervan. [...]

(3)      Bij [het ontwerp tot herziening van de overeenkomst] wordt een systeem ingevoerd voor de bescherming van de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen van de overeenkomstsluitende partijen door middel van één enkele registratie. Die aangelegenheid wordt geharmoniseerd in het kader van de interne wetgeving van de [Unie] inzake oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten en valt derhalve onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie (wat de oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten betreft) en haar lidstaten (wat de oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van niet‑landbouwproducten en belastingen betreft).”

26      Artikel 1 van het bestreden besluit luidt:

„De Commissie wordt gemachtigd om, samen met de zeven lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon, deel te nemen aan de diplomatieke conferentie tot vaststelling van [het ontwerp tot herziening van de overeenkomst], wat de onder de bevoegdheid van de Unie vallende aangelegenheden betreft.”

27      Artikel 2 van dat besluit luidt:

„In het belang van de Unie oefenen de zeven lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon hun stemrecht uit op basis van een gemeenschappelijk standpunt, wat de onder de bevoegdheid van de Unie vallende aangelegenheden betreft.”

28      Artikel 3 van dat besluit luidt:

„De onderhandelingen worden overeenkomstig de in de bijlage opgenomen onderhandelingsrichtsnoeren gevoerd.”

29      Artikel 4 van dat besluit luidt:

„Tijdens de diplomatieke conferentie vindt een passende coördinatie plaats met betrekking tot de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen. Na de conferentie brengen de onderhandelaren onverwijld verslag uit aan de groep ‚Intellectuele eigendom’ van de Raad.”

30      Na de vaststelling van het bestreden besluit heeft de Commissie in een verklaring te kennen gegeven dat zij het niet eens was met de door de Raad gekozen rechtsgrondslagen en de aanstelling van lidstaten als onderhandelaren namens de Unie.

 Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

31      De Commissie verzoekt het Hof:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de gevolgen ervan te handhaven tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn na de uitspraak van het arrest van het Hof, van een nieuw besluit van de Raad;

–        de Raad te verwijzen in de kosten.

32      De Raad verzoekt het Hof:

–        het beroep te verwerpen;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

33      Bij beschikkingen van 27 november 2015 heeft de president van het Hof de Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.

34      Bij beschikking van dezelfde datum heeft de president van het Hof het Europees Parlement toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

35      Bij beschikking van 12 januari 2016 heeft de president van het Hof het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad indien een terechtzitting zou worden gehouden.

 Beroep

36      Ter ondersteuning van haar vorderingen voert de Commissie, ondersteund door het Parlement, twee middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat de Raad het bestreden besluit in strijd met artikel 3 VWEU heeft vastgesteld, aangezien de in dat besluit bedoelde onderhandelingen een ontwerpovereenkomst betreffen die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Met het tweede middel wordt betoogd dat de Raad artikel 207, lid 3, VWEU en artikel 218, leden 3, 4 en 8, VWEU, heeft geschonden doordat hij lidstaten als onderhandelaren heeft aangesteld op een gebied dat onder de bevoegdheid van de Unie valt en het bestreden besluit niet met de vereiste gekwalificeerde meerderheid heeft vastgesteld.

37      Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste, primair aangevoerde, onderdeel wordt betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met de bij artikel 3, lid 1, VWEU aan de Unie verleende exclusieve bevoegdheid op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Het tweede, subsidiair aangevoerde, onderdeel is ontleend aan schending van artikel 3, lid 2, VWEU. In de eerste plaats moet het eerste onderdeel van dat middel worden onderzocht.

 Argumenten van partijen

38      De Commissie en het Parlement benadrukken allereerst dat de bij artikel 3, lid 1, VWEU aan de Unie verleende exclusieve bevoegdheid op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek volgens artikel 207, lid 1, VWEU de handelsaspecten van intellectuele eigendom omvat. Om die reden is de Unie als enige bevoegd om te onderhandelen over internationale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom en deze te sluiten wanneer vaststaat dat die overeenkomsten, gelet op het doel en de inhoud ervan, specifiek verband houden met het internationale handelsverkeer, bijvoorbeeld door dat handelsverkeer te vergemakkelijken door de regels uniform te maken. Dientengevolge is die exclusieve bevoegdheid verre van beperkt tot de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) onderhandelde overeenkomsten inzake de harmonisering van de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten. Zij strekt zich met name uit tot andere overeenkomsten die, afzonderlijk onderzocht, duidelijk hoofdzakelijk ertoe strekken de handel in goederen of diensten met derde landen op basis van wederkerigheid te bevorderen door aan die goederen of diensten hetzelfde niveau van bescherming te verlenen als datgene dat zij nu al op de interne markt genieten.

39      Vervolgens voeren de Commissie en het Parlement aan dat in casu het ontwerp tot herziening van de overeenkomst, net als de Overeenkomst van Lissabon, specifiek verband houdt met het internationale handelsverkeer. Dat ontwerp heeft weliswaar geen preambule waarin zijn doel uitdrukkelijk wordt vermeld, maar uit de analyse van de bepalingen van dat ontwerp en de context waarin het past, blijkt dat het tot doel en tot gevolg heeft de oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van alle overeenkomstsluitende partijen in aanmerking te laten komen voor een systeem van internationale registratie dat hun rechtsbescherming waarborgt, op het grondgebied van alle overeenkomstsluitende partijen, tegen het risico dat zij op zodanige wijze worden gebruikt dat hun integriteit of reputatie wordt aangetast en de verhandeling van de desbetreffende waren in het buitenland derhalve wordt geschaad. Op die manier verbetert dat ontwerp de bescherming van de uitvoer van die waren van de Unie naar derde landen, die anders zou afhangen van een registratie per land en derhalve op verschillende wijzen zou worden gewaarborgd. Bijgevolg valt dat ontwerp onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, ook al dient het systeem van bescherming in de invoering waarvan dat ontwerp voorziet, overeenkomstig artikel 291, lid 1, VWEU door de autoriteiten van de lidstaten ten uitvoer worden gelegd. Overigens heeft de Unie op basis van artikel 207 VWEU reeds een aantal internationale overeenkomsten inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen alleen gesloten en de Raad, die niet betwist dat deze praktijk bestaat, motiveert niet waarom hij in casu daarvan is afweken.

40      Bijgevolg zijn de Commissie en het Parlement ten slotte van mening dat de Raad het recht verkeerd heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat het ontwerp tot herziening van de overeenkomst de onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de interne markt in de zin van artikel 114 VWEU betrof en derhalve onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en haar lidstaten viel. Uit dit oogpunt heeft de Raad ten onrechte een parallel getrokken tussen de externe en de interne bevoegdheid van de Unie. De bevoegdheid van de Unie om te onderhandelen over het ontwerp tot herziening van de overeenkomst kan immers haar oorsprong vinden in de gemeenschappelijke handelspolitiek, ook al zijn de gemeenschappelijke regels van de Unie inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen gebaseerd op het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten, en ook al zijn de bevoegdheden van de Unie ter zake tot op heden alleen met betrekking tot oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van landbouwproducten uitgeoefend, en niet met betrekking tot die van niet‑landbouwproducten.

41      De Raad en alle interveniërende lidstaten zijn van mening dat het ontwerp tot herziening van de overeenkomst niet tot het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek behoort en dat de Unie derhalve niet over een exclusieve bevoegdheid beschikt om erover te onderhandelen.

42      In dit verband voeren zij in wezen aan dat een internationale overeenkomst waarover in een ander kader dan dat van de WTO moet worden onderhandeld en die betrekking heeft op andere vraagstukken van intellectuele eigendom dan de vraagstukken waarop de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom betrekking heeft [die als bijlage 1 C is gehecht aan de Overeenkomst tot oprichting van de WTO, die op 15 april 1994 te Marrakesh is ondertekend en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1)], slechts kan worden geacht betrekking te hebben op handelsaspecten van intellectuele eigendom in de zin van artikel 207, lid 1, VWEU, indien die internationale overeenkomst specifiek verband houdt met het internationale handelsverkeer.

43      In casu past het ontwerp tot herziening van de overeenkomst niet in een kader waaruit blijkt dat het specifiek verband houdt met het internationale handelsverkeer. Allereerst wordt het immers door de WIPO beheerd en uit het verdrag waarbij die organisatie is opgericht, blijkt dat het hoofddoel van die organisatie erin bestaat de vaststelling van maatregelen ter verbetering van de bescherming van de intellectuele eigendom te bevorderen en de nationale regelingen ter zake te harmoniseren. Vervolgens strekt het ontwerp tot herziening van de overeenkomst zelf niet ertoe het handelsverkeer te vergemakkelijken door de Unieregeling uit te breiden tot derde landen, maar strekt het, net als de door de Unie op basis van artikel 114 VWEU vastgestelde gemeenschappelijke regels op het gebied van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, ertoe een mechanisme in te voeren voor de bescherming van traditionele productiemethoden en de voorlichting van consumenten dat van toepassing is op alle overeenkomstsluitende partijen, waaronder de Unie indien zij daartoe zou toetreden. Ten slotte bevestigt het onderzoek van de inhoud van dit ontwerp dat dit ontwerp binnen het in artikel 114 VWEU bedoelde bevoegdheidsgebied valt, aangezien het tot doel heeft een uniform procedureel kader te creëren voor de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, en het creëren van dat procedurele kader slechts een bijkomstige en indirecte invloed kan hebben op het goederenverkeer dat in aanmerking komt voor oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

44      In ieder geval betoogt de Raad dat, indien het Hof zou oordelen dat artikel 207 VWEU, en niet artikel 114 VWEU, de juiste materiële rechtsgrondslag van het bestreden besluit is, de onjuiste verwijzing naar dit laatste artikel moet worden beschouwd als een vormfout die de nietigverklaring van dat besluit niet kan rechtvaardigen. In beide gevallen heeft de Raad immers terecht naar artikel 218 VWEU verwezen als procedurele rechtsgrondslag van dat besluit en de desbetreffende procedurevoorschriften nageleefd door dat besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast te stellen.

 Beoordeling door het Hof

45      Gelet op het meningsverschil tussen de Commissie, ondersteund door het Parlement, en de Raad, ondersteund door de interveniërende lidstaten, moet worden vastgesteld of het ontwerp tot herziening van de overeenkomst tot het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek behoort.

46      Artikel 3, lid 1, VWEU verleent de Unie exclusieve bevoegdheid op dit gebied.

47      Artikel 207, lid 1, VWEU bepaalt dat de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name aangaande de handelsaspecten van intellectuele eigendom, en wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie.

48      Uit die bepaling, volgens welke de gemeenschappelijke handelspolitiek in het kader van het externe optreden van de Unie wordt gevoerd, volgt met name dat die politiek geen betrekking heeft op het handelsverkeer op de interne markt, maar wel op het handelsverkeer met derde landen [arrest van 18 juli 2013, Daiichi Sankyo en Sanofi-Aventis Deutschland, C‑414/11, EU:C:2013:520, punt 50, en advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore) van 16 mei 2017, EU:C:2017:376, punt 35].

49      In dit verband is het vaste rechtspraak dat de door de Unie aangegane internationale verbintenissen op het gebied van de intellectuele eigendom onder de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen wanneer zij specifiek verband houden met het internationale handelsverkeer doordat zij in wezen tot doel hebben deze handel te bevorderen, te vergemakkelijken of te regelen en daarop een rechtstreeks en onmiddellijk effect hebben [advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore) van 16 mei 2017, EU:C:2017:376, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

50      Onder die politiek kunnen met name internationale overeenkomsten vallen die tot doel hebben de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten op het grondgebied van de partijen te waarborgen en te organiseren, voor zover zij voldoen aan de twee in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden [zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Daiichi Sankyo en Sanofi-Aventis Deutschland, C‑414/11, EU:C:2013:520, punten 58‑61, en advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore) van 16 mei 2017, EU:C:2017:376, punten 116, 121, 122, 125 en 127].

51      Aangezien in casu het bestreden besluit, zoals volgt uit de titel ervan, tot doel heeft toestemming te verlenen tot het openen van onderhandelingen over het ontwerp tot herziening van de overeenkomst, moet worden nagegaan of dat ontwerp in wezen tot doel heeft het handelsverkeer tussen de Unie en derde staten te bevorderen, te vergemakkelijken of te regelen en, zo ja, of het een rechtstreeks en onmiddellijk effect op dat handelsverkeer heeft.

52      Wat in de eerste plaats het doel van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst betreft, moet meteen worden vastgesteld dat dit doel niet uitdrukkelijk is vermeld in een preambule of een bepaling in de tekst van dat ontwerp.

53      Bij ontbreken van een dergelijke uitdrukkelijke vermelding, moet dat doel worden onderzocht in het licht van de verdragscontext van dat ontwerp.

54      In dit verband moet worden opgemerkt dat het ontwerp tot herziening van de overeenkomst, zoals blijkt uit overweging 2 van het bestreden besluit, voorziet in de wijziging van de Overeenkomst van Lissabon. Voorts is de Overeenkomst van Lissabon zelf een overeenkomst die is gebaseerd op artikel 19 van het Verdrag van Parijs en die, zoals volgt uit de artikelen 1 en 4 ervan, ter aanvulling van dit verdrag is gesloten.

55      Bijgevolg moet bij het onderzoek van het doel van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst allereerst rekening worden gehouden met het Verdrag van Parijs, dat de oorsprong en de basis vormt van een geheel van verdragen waarvan dat ontwerp slechts het meest recente zal zijn.

56      Zoals volgt uit de artikelen 1 en 2 van dat verdrag, heeft dat verdrag tot doel een unie tot bescherming van de industriële eigendom in te stellen en de bescherming te waarborgen van de verschillende door de staatsburgers van de staten van die unie bezeten vormen van industriële eigendom, waaronder de aanduidingen van herkomst en de oorsprongsbenamingen, door te garanderen dat zij in aanmerking komen voor een nationale behandeling op basis van wederkerigheid.

57      Voorts heeft het Verdrag van Parijs in wezen tot doel het internationale handelsverkeer te bevorderen en te vergemakkelijken. Uit de preambule van dit verdrag blijkt immers dat dit verdrag is vastgesteld om de industrie en de handel te beschermen en bij te dragen tot de eerlijkheid van de handelstransacties tussen de staten die partij zijn bij dat verdrag. De door dat verdrag aan hun staatsburgers verzekerde gelijkwaardige en homogene bescherming van de industriële eigendomsrechten heeft dus uiteindelijk tot doel die staatsburgers in staat te stellen op voet van gelijkheid deel te nemen aan het internationale handelsverkeer.

58      Gelet op de in punt 54 van het onderhavige arrest geschetste verdragscontext, moet vervolgens rekening worden gehouden met de Overeenkomst van Lissabon, waarbij een bijzondere unie is ingesteld ter aanvulling van het Verdrag van Parijs op het specifieke gebied van oorsprongsbenamingen.

59      Meer in het bijzonder heeft die overeenkomst tot doel om, boven op de door het Verdrag van Parijs geboden algemene bescherming, een specifiek systeem in te voeren waardoor oorsprongsbenamingen die worden beschermd in een van de staten van de bij die overeenkomst ingestelde bijzondere unie, in aanmerking kunnen komen voor een internationale registratie waardoor zij in alle andere staten van die bijzondere unie worden beschermd tegen wederrechtelijk gebruik of imitatie.

60      Wat de doelstelling ervan betreft, moet – zoals de advocaat‑generaal heeft uiteengezet in punt 79 van zijn conclusie – worden opgemerkt dat de specifieke bescherming van oorsprongsbenamingen waarin de Overeenkomst van Lissabon voorziet, geen doel op zich is, maar een middel ter bereiking van het doel het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen op een eerlijke wijze te ontwikkelen. De homogene bescherming die bij deze overeenkomst is ingevoerd op het grondgebied van alle staten die partij zijn bij deze overeenkomst, heeft immers tot doel de deelname op voet van gelijkheid van de betrokken marktdeelnemers aan het handelsverkeer tussen die staten te bevorderen.

61      Ten slotte wordt met het ontwerp tot herziening van de overeenkomst, zoals is vermeld in de punten 17 en 18 van het onderhavige arrest, beoogd de doelstellingen en de beginselen van de Overeenkomst van Lissabon te behouden, maar tegelijkertijd een aantal toevoegingen aan die overeenkomst aan te brengen met als doel deze te verbeteren en aantrekkelijker te maken. Daartoe voorziet dat ontwerp met name in de uitbreiding van de materiële werkingssfeer van die overeenkomst tot geografische aanduidingen, in een precisering van de materiële en procedurele aspecten van de bescherming die daarbij aan geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen wordt geboden en in de mogelijkheid voor de Unie om daartoe toe te treden.

62      Aangezien het ontwerp tot herziening van de overeenkomst dus hoofdzakelijk tot doel heeft het bij de Overeenkomst van Lissabon ingevoerde systeem te versterken en de daarbij ingevoerde specifieke bescherming binnen de bij die overeenkomst ingestelde bijzondere unie uit te breiden tot geografische aanduidingen, ter aanvulling van de door het Verdrag van Parijs aan de verschillende vormen van industriële eigendom geboden bescherming, moet het worden geacht in het kader te passen van de doelstelling van het geheel van verdragen waarvan het deel uitmaakt, zoals gepreciseerd in de punten 57 en 60 van het onderhavige arrest, en meer in het bijzonder, uit het oogpunt van de Unie, tot doel te hebben het handelsverkeer tussen de Unie en de derde staten die partij zijn bij die overeenkomst te vergemakkelijken en te regelen.

63      Het argument van de Raad dat het ontwerp tot herziening van de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding ervan door de WIPO zal worden beheerd, zoals reeds het geval is voor de Overeenkomst van Lissabon, kan niet afdoen aan die conclusie.

64      Het is zeker waar dat dit ontwerp het beheer van een van de onderdelen van de internationale overeenkomst waarvan het de voorloper vormt, namelijk het daarbij ingevoerde systeem van internationale registratie van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, aan het Internationaal Bureau van de WIPO toevertrouwt. Het is ook waar dat die internationale overeenkomst meer in het algemeen door die organisatie zal worden beheerd. De in een internationale overeenkomst vastgestelde nadere regels om de toekomstige uitvoering en het toekomstige beheer van die overeenkomst te waarborgen, moeten echter in het licht van de aan de vaststelling van die overeenkomst door de partijen ten grondslag liggende doelstellingen worden onderzocht, en niet omgekeerd.

65      Wat in de tweede plaats de gevolgen van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst betreft, is het vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat een Uniehandeling, zoals een door de Unie gesloten internationale overeenkomst, bepaalde gevolgen kan hebben voor het internationale handelsverkeer, nog niet betekent dat deze handeling moet worden ingedeeld in de categorie van de handelingen die onder de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen. Een Uniehandeling moet niet alleen voldoen aan de in de punten 52 tot en met 64 van het onderhavige arrest onderzochte voorwaarde dat die handeling in wezen tot doel heeft dat handelsverkeer te bevorderen, te vergemakkelijken of te regelen, maar zij moet ook een rechtstreeks en onmiddellijk effect op dat handelsverkeer hebben [arresten van 18 juli 2013, Daiichi Sankyo en Sanofi-Aventis Deutschland, C‑414/11, EU:C:2013:520, punt 51, en 22 oktober 2013, Commissie/Raad, C‑137/12, EU:C:2013:675, punt 57, en advies 3/15 (Verdrag van Marrakesh inzake de toegang tot gepubliceerde werken) van 14 februari 2017, EU:C:2017:114, punt 61].

66      In dit verband moet worden vastgesteld dat het systeem van wederzijdse bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen waarin het ontwerp tot herziening van de overeenkomst voorziet, in wezen op drie reeksen bepalingen is gebaseerd.

67      Allereerst moet iedere overeenkomstsluitende partij een reeks regels van materieel recht invoeren om te voorkomen dat oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen die reeds worden beschermd op het grondgebied van een van de andere overeenkomstsluitende partijen, hetzij op zodanige wijze kunnen worden gebruikt dat de belangen van de houders van die oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen kunnen worden geschaad of de reputatie van de producten die in aanmerking komen voor die oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, kan worden aangetast (artikel 11), hetzij tot soortnaam worden (artikel 12).

68      Vervolgens is iedere overeenkomstsluitende partij verplicht om in haar rechtsorde regels van procesrecht in te voeren die iedere betrokken natuurlijke of rechtspersoon in staat stellen de eerbiediging van de door het ontwerp tot herziening van de overeenkomst aan die oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen geboden bescherming af te dwingen van de bevoegde administratieve en rechterlijke autoriteiten, en personen die daarop inbreuk hebben gemaakt te vervolgen of te doen vervolgen (artikel 14).

69      Ten slotte biedt het ontwerp tot herziening van de overeenkomst de houders van die oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen de mogelijkheid om zich te beroepen op de bescherming die wordt geboden door de verschillende in de twee voorgaande punten van het onderhavige arrest vermelde bepalingen door middel van één enkel registratiesysteem dat geldig is in heel de bij de Overeenkomst van Lissabon ingestelde bijzondere unie (artikelen 5‑8).

70      Gelet op dat systeem van één enkele registratie, moet ervan worden uitgegaan dat de internationale overeenkomst waarvan het ontwerp tot herziening van de overeenkomst de voorloper vormt, rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg zal hebben dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer tussen de Unie en de andere partijen bij die internationale overeenkomst plaatsvindt, worden gewijzigd, doordat de producenten die deelnemen aan dat handelsverkeer worden ontslagen van de thans op hen rustende verplichting om bij de bevoegde autoriteiten van elk van de overeenkomstsluitende partijen een aanvraag tot registratie van de door hen gebruikte oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen in te dienen, om het hoofd te bieden aan de aan dat handelsverkeer verbonden juridische en economische risico’s.

71      Bovendien zullen de in de punten 67 en 68 van het onderhavige arrest beschreven bepalingen een rechtstreeks en onmiddellijk effect hebben op het handelsverkeer tussen de Unie en de betrokken derde staten door aan al die producenten en aan iedere andere betrokken natuurlijke of rechtspersoon de nodige instrumenten ter beschikking te stellen om onder gelijksoortige materiële en procedurele voorwaarden de daadwerkelijke eerbiediging af te dwingen van de door het ontwerp tot herziening van de overeenkomst verzekerde bescherming van hun industriële eigendomsrechten in geval van schadelijk of oneerlijk gebruik van oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen in het buitenland.

72      Die beoordeling van de gevolgen van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst wordt bevestigd door de analyse die het Hof ertoe heeft gebracht te oordelen dat een ontwerp van een internationale overeenkomst dat voorziet in de invoering van een registratiesysteem en van een systeem van wederzijdse bescherming van geografische aanduidingen van de overeenkomstsluitende partijen tegen daden van oneerlijke mededinging, die vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak, een rechtstreeks en onmiddellijk effect kon hebben op het internationale handelsverkeer, gelet op het feit dat de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten van wezenlijk belang is in het kader van de handel in goederen en diensten in het algemeen en in de strijd tegen de oneerlijke handel in het bijzonder [advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore) van 16 mei 2017, EU:C:2017:376, punt 127].

73      De gevolgen van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst voor het handelsverkeer tussen de Unie en de derde staten die tot dat ontwerp zullen toetreden, voldoen bijgevolg aan de vereisten die zijn vastgesteld in de in punt 65 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

74      Zo volgt uit het onderzoek van dit ontwerp dat dit ontwerp hoofdzakelijk tot doel heeft het handelsverkeer tussen de Unie en derde staten te vergemakkelijken en te regelen en voorts dat het een rechtstreeks en onmiddellijk effect op dat handelsverkeer kan hebben, zodat de onderhandelingen daarover onder de exclusieve bevoegdheid vallen die bij artikel 3, lid 1, VWEU op het gebied van de in artikel 207, lid 1, VWEU bedoelde gemeenschappelijke handelspolitiek aan de Unie is verleend.

75      Dientengevolge heeft de Raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit de onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de interne markt betrof en derhalve onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en haar lidstaten viel, en heeft hij dat besluit ten onrechte op artikel 114 VWEU en artikel 218, leden 3 en 4, VWEU gebaseerd.

76      Anders dan de Raad betoogt, kan die fout niet als een eenvoudige vormfout worden aangemerkt. Zoals is opgemerkt door de advocaat‑generaal in de punten 86 en 89 van zijn conclusie, heeft die fout immers geleid tot de schending door die instelling van de procedurele bepalingen die bij artikel 207, lid 3, VWEU speciaal zijn vastgesteld voor het onderhandelen over internationale overeenkomsten die tot het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek behoren, en in de eerste plaats van de bepalingen inzake het voeren van de onderhandelingen door de Commissie.

77      Hieruit volgt dat het beroep moet worden toegewezen en het bestreden besluit nietig moet worden verklaard, zonder dat het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel die de Commissie heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar beroep, hoeven te worden onderzocht.

 Verzoek om handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit

78      Volgens artikel 264, eerste alinea, VWEU wordt de betwiste handeling door het Hof nietig verklaard, indien het beroep gegrond is.

79      Ingevolge artikel 266, eerste alinea, VWEU is de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, dan gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.

80      Volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU kan het Hof, zo het dit nodig oordeelt, evenwel bepalen welke gevolgen van de nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

81      Van die bevoegdheid kan om redenen van rechtszekerheid gebruik worden gemaakt, met name wanneer door de nietigverklaring van een besluit dat door de Raad is vastgesteld in het kader van de in artikel 218 VWEU neergelegde procedure voor het onderhandelen over en het sluiten van internationale overeenkomsten, de deelname van de Unie aan de betrokken internationale overeenkomst of aan de uitvoering van die overeenkomst ter discussie kan worden gesteld, terwijl over de bevoegdheid van de Unie daartoe geen twijfel bestaat (zie, met betrekking tot besluiten inzake de ondertekening van internationale overeenkomsten, arresten van 22 oktober 2013, Commissie/Raad, C‑137/12, EU:C:2013:675, punten 80 en 81; 24 juni 2014, Parlement/Raad, C‑658/11, EU:C:2014:2025, punt 90, en 28 april 2015, Commissie/Raad, C‑28/12, EU:C:2015:282, punten 61 en 62).

82      In casu verzoekt de Commissie het Hof, in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit, de gevolgen van dat besluit te handhaven tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn na de uitspraak van zijn arrest, van een op de artikelen 207 en 218 VWEU gebaseerd besluit van de Raad, om het resultaat van de onderhandelingen met het oog waarop dat besluit is vastgesteld, niet opnieuw ter discussie te stellen.

83      Aangezien die onderhandelingen na de inwerkingtreding van dat besluit tot de vaststelling van de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen hebben geleid en er geen twijfel bestaat over de bevoegdheid van de Unie om deel te nemen aan die vaststelling, moet het verzoek van de Commissie worden ingewilligd.

84      Dientengevolge moeten de gevolgen van het bestreden besluit worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden na de uitspraak van het onderhavige arrest, van een op de artikelen 207 en 218 VWEU gebaseerd besluit van de Raad.

 Kosten

85      Artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Raad in casu in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van deze laatste worden verwezen.

86      Voorts bepaalt artikel 140, lid 1, van dat Reglement dat de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen. In casu dragen de Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk en het Parlement hun eigen kosten.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1)      Besluit 8512/15 van de Raad van 7 mei 2015 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, wat de onder de bevoegdheid van de Europese Unie vallende aangelegenheden betreft, wordt nietig verklaard.

2)      De gevolgen van besluit 8512/15 worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn van ten hoogste zes maanden na de uitspraak van het onderhavige arrest, van een op de artikelen 207 en 218 VWEU gebaseerd besluit van de Raad van de Europese Unie.

3)      De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.

4)      De Tsjechische Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Europees Parlement dragen hun eigen kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.